Abonneer Log in

De Europese sociaaldemocratie: herstel na een ernstig crisisjaar

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 22 tot 32

Een zwarte reeks verkiezingsnederlagen

In het begin van 2001 waren in de meeste West-Europese landen nog linkse centrumregeringen aan de macht, met een deelname van sociaaldemocratische partijen. Blijkbaar waren de meeste sociaaldemocratische partijen erin geslaagd na de ineenstorting van de collectivistische economieën hun ideologie zo te liberaliseren dat ze aanvaardbaar werd voor een groot deel van de meer bemiddelde werknemers maar ook voor de kleine middenstanders. In mei 2001 startte echter een lange reeks verkiezingsnederlagen voor de sociaaldemocratische partijen in vele West-Europese staten.
Dit proces begon in Italië. Op 13 mei 2001 won de ultrarechtse coalitie van Silvio Berlusconi de verkiezingen en verwierf 368 zetels in het Italiaanse parlement tegen 242 voor een groepering van alle linkse partijen (APS, 2001, pp.271-273). Volgden op 10 september 2001 verkiezingen in Noorwegen, waar de sociaaldemocratische partij jarenlang de regering had geleid. Haar stemmenaantal daalde van 35% tot 24,3% van het totale aantal uitgebrachte stemmen en haar aantal zetels in het parlement van 65 tot 43, op een totaal aantal zetels van 165. Ze verloor stemmen aan de linkerzijde (nl. aan de Socialistische partij de SV) en aan de rechterzijde (aan de partij Rechts (H)). Linkse kiezers verweten haar dat ze te weinig had ondernomen om het onderwijs en de gezondheidszorg te verbeteren. Van de rechterzijde kwam kritiek op de hoge belastingsdruk en de overmatig geachte uitgaven voor de gezondheidszorg. Drie centrumrechtse partijen vormden een nieuwe regering, die slechts over 62 zetels beschikte maar op de steun rekende van de ultrarechtse Vooruitgangspartij, die 26 zetels had verworven (KHA, nov. 2001, p. 657). De parlementsverkiezingen op 20 november 2001 in Denemarken verliepen eveneens ongunstig voor de sociaaldemocratie. Deze had samen met de liberalen en een kleinere centrumpartij het land gedurende acht jaar geregeerd. De voornaamste inzet van de verkiezingen was een gepaste oplossing om het grote toevloed van Turken, Pakistani’s en Somaliërs af te remmen. De liberalen stelden voor om het recht van immigranten om te huwen met iemand uit hun land van oorsprong, in sterke mate te beperken. Een meer rechtse partij, de Partij van het Deense Volk, ging nog een stap verder en voerde een echte hetze tegen de migranten. Beide partijen werden de grote overwinnaars van de verkiezingen. De leider van de liberale partij, Anders Fogh Rasmussen, vormde met de conservatieve partij een minderheidsregering die in het parlement kon rekenen op de steun van de Partij van het Deense Volk (APES, 2001, p.312 en LS 22 november 2001, p.8 en KHA, juni 2002, p.333). In de lente van 2002 kwam Portugal aan de beurt. De socialistische premier Antonio Guterres had in december 2001 ontslag genomen nadat zijn partij bij de gemeenteraadsverkiezingen een zware nederlaag had geleden. Zijn opvolger Eduardo Ferro Rodrigues trachtte de wind uit de zeilen van de oppositie te nemen door zelf belastingsverminderingen in het vooruitzicht te stellen. Het mocht niet baten. Bij de parlementsverkiezingen van 17 maart 2002 behaalde de Portugese Socialistische partij maar 37,9% van de stemmen en 95 zetels. De rechtse PSD behaalde 40,1% van de stemmen en 102 zetels. Ze vormde een regering met de ultrarechtse Volkspartij, die 8,8% van de stemmen had behaald en 14 zetels. Samen beschikten de twee nieuwe regeringspartijen over een zeer nipte meerderheid. De belastingsvermindering, die ze hadden beloofd, moesten ze uitstellen door de tegenvallende conjunctuur die voor een verhoging van het overheidsdeficit had gezorgd: bijna 3% van het BNP. Een hoger deficit dreigde aanleiding te geven tot een zware boete vanwege de EU-Commissie (KHA, juni 2002, pp.356-357). Het lamentabel resultaat van de Nederlandse Partij van de Arbeid bij de Nederlandse verkiezingen van 15 mei 2002 was de volgende nederlaag van de Europese sociaaldemocratie. De PvdA verloor 22 van haar 45 zetels en kwam ontredderd in de oppositie terecht tegen een regering van het Christelijk Democratisch Appel, de partij van Pim Fortuyn en de liberale partij (de VVD) (KHA, juni 2002, p.348). Bij de Franse parlementsverkiezingen van 16 juni 2002 behaalde de UMP (Union pour la majorité présidentielle), een coalitie van rechtse partijen gevormd door de herkozen president Jacques Chirac, 33,7% van de stemmen en 357 zetels op 577. Haar bondgenoot, de UDF (Union pour la démocratie française), behaalde 4,8% van de stemmen en 29 zetels. Het Franse kiesstelsel,waarbij per kiesdistrict telkens de zetel wordt toegewezen aan de kandidaat die hetzij in de eerste, hetzij in een tweede ronde een absolute meerderheid behaalt, maakte het mogelijk dat twee partijen, die samen slechts 38,5% van de stemmen hadden verworven, de meerderheid van de zetels kregen toegewezen. De Franse socialistische partij haalde slechts 24,1% van de stemmen en kreeg 140 zetels toegewezen. Ze werd samen met de communisten en de groenen naar de oppositie verwezen (KHA, juli 2002, p.400).

Welke zijn de oorzaken van deze opvallende teruggang?

Volgens de meeste politieke commentatoren valt deze reeks verkiezingsnederlagen te verklaren door het onvermogen van de Europese sociaaldemocraten en socialisten de belastingsdruk te verlagen. De nieuwe middenklasse van goed geschoolde arbeiders, bedienden en technici wordt in de meeste West-Europese landen zo zwaar belast, dat ze op de lokstemmen van de rechtse partijen ingaat, die belastingsvermindering beloven. De socialisten en sociaaldemocraten kunnen zo’n belastingsvermindering niet uitvoeren omdat ze een degelijk gezondheidsstelsel en onderwijs wensen te realiseren voor alle groepen van de bevolking en dat slorpt een groot deel op van de belastingsopbrengst. De rechtse partijen trachten deze uitgaven te verminderen door hervormingen, die ertoe leiden dat alleen wie het kan betalen toegang krijgt tot goede geneeskunde en uitstekend (privé-)onderwijs. De staat draagt de kosten voor de minder bemiddelde delen van de bevolking. Maar de vergoedingen die hij aan geneesheren, verpleegsters en onderwijzend personeel uitbetaalt zijn vrij laag, zodat velen en meestal de besten, verkiezen over te gaan naar privé-instellingen. Zo ontstaan een geneeskunde en een onderwijs van uitstekende kwaliteit naast klinieken en scholen die een lager kwaliteitsniveau moeten aanhouden. Meestal trachten de sociaaldemocratische en socialistische partijen ook meer inkomsten te putten uit de belastingen op ondernemingen. Hun hogere tarieven voor vennootschapsbelasting zetten er evenwel de bedrijfsleiders en investeerders toe aan geen of slechts weinig ondernemingen in de landen met linkse regeringen op te richten. Vandaar een hogere werkloosheid en een behoefte aan nog hogere belastingen. Dit zou volgens de betrokken politieke observatoren verklaren waarom vooral tijdens recessies, als de overheidsinkomsten niet langer toenemen, de sociaaldemocratische en socialistische partijen er niet in slagen tegemoet te komen aan de eis om lagere belastingen.
Dat de Britse socialist Tony Blair in juni 2001 op schitterende wijze de verkiezingen won, beschouwen ze als een bewijs van hun stelling: Blair had immers de lage aanslagvoeten die Margaret Thatcher had ingevoerd, ongemoeid gelaten. Groot-Brittannië was hierdoor het Europese land met de laagste belastingsdruk. Ook de vennootschapsbelasting was er lager dan in de meeste buurlanden, waardoor vele multinationale bedrijven er filialen hadden opgericht en de werkloosheid er lager was dan in de andere Europese landen.
Indien men evenwel de oorzaken van de verkiezingsnederlagen van de socialistische en sociaaldemocratische partijen nagaat komt men tot een meer genuanceerde visie. In Noorwegen was de nederlaag van de sociaaldemocraten inderdaad een gevolg van de onmogelijkheid een gul sociaal programma te verzoenen met een lage belastingsdruk, maar deze verklaring gaat niet op voor Nederland, Frankrijk en Denemarken. In Nederland was de paarse regering onder leiding van de socialist Wim Kok erin geslaagd een hogere groeivoet van het BNP te bereiken dan in alle buurlanden en de werkloosheid onder de 5% te houden. Haar verkiezingsnederlaag was bijna uitsluitend toe te schrijven aan het ongenoegen van een groot deel van de Nederlandse bevolking over de sterke toename van het aantal vreemdelingen. De leuze van Pim Fortuyn ‘Nederland is vol’ en de maatregelen die hij voorstelde om de immigratie af te remmen zetten er vele Nederlanders toe aan, ook na zijn dood, voor zijn partij te stemmen. Dat ook het CDA vooruitgang boekte is waarschijnlijk toe te schrijven aan de vrees bij vele kiezers dat na de dood van Pim Fortuyn zijn medekandidaten bij gebrek aan politieke ervaring, er alleen niet zouden in slagen op ordelijke wijze de doeleinden van Pim te realiseren. Gezien hij zich in sterke mate tegen het Paars bewind had gericht en een coalitie met de PvdA uitsloot, hadden de kiezers, die een stabiele antimigranten regering wensten, slechts een oplossing: namelijk, hun stem te schenken aan het CDA. Deze oppositiepartij beschikte immers over ervaren politici en was bereid met de partij van Pim Fortuyn in zee te gaan (KHA, juni 2002, p.349). Ook in Frankrijk was de nederlaag van de socialisten hoofdzakelijk toe te schrijven aan een verlies aan stemmen ten voordele van een racistische partij. Jacques Chirac was er waarschijnlijk nooit in geslaagd een rechtse meerderheid te realiseren indien Jean-Marie Le Pen bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen de voorman van de socialisten, nl. Lionel Jospin, als presidentskandidaat niet had uitgeschakeld... Wat de nederlaag van de Deense sociaaldemocraten betreft, werd hiervoor aangeduid dat deze te wijten was aan hun verzet tegen het racistisch beleid dat de liberalen en de rechtse partijen voorstelden.
Men mag ook niet uit het oog verliezen dat in de meeste Europese landen (België en Griekenland zijn uitzonderingen) geen stemplicht bestaat. Regelmatig neemt een belangrijk deel van de stemgerechtigden geen deel aan de verkiezingen. Het zijn in de regel vooral de armere en minst ontwikkelde kiesgerechtigden die thuis blijven, omdat ze de maatregelen van de linkse regeringen om hun levensvoorwaarden te verbeteren onvoldoende vinden. Ze stellen vast dat linkse regeringen het niet aandurven de grote materiële ongelijkheden, waartoe de vrije markteconomie aanleiding geeft, in sterke mate te verminderen en nemen een vijandelijke houding aan tegen de politici. Daardoor zetten ze er de sociaaldemocratische en socialistische politici toe aan een beleid te voeren dat vooral de belangen dient van de lagere geledingen van de middenklassen maar niet van de armsten. Als ze uiteindelijk toch aan de verkiezingen deelnemen zijn ze veelal geneigd te stemmen voor een racistische partij, omdat die wellicht de concurrentie van de vreemdelingen in de strijd om jobs voor ongeschoolden of weinig geschoolden zou uitschakelen. De recente verkiezingen in Zweden en de Duitse Bondsrepubliek wijzen er evenwel op dat voorgaande vaststellingen niet mogen leiden tot een overmatig pessimisme betreffende de toekomstvooruitzichten van de sociaaldemocratische en socialistische partijen.

De Zweedse parlementsverkiezingen, de start van een herstel van het Europees socialisme?

De meeste politieke observatoren meenden dat de Zweedse sociaaldemocraten een te hoge belastingsdruk aanhielden om de verkiezingen van 14 september 2002 te winnen. In El País van 16 september 2002 werd er b.v. gewezen op de hoge gemiddelde belastingsvoet van 50% op wedden en lonen en de nadelige weerslag hiervan op de bereidheid van de Zweden om arbeid te aanvaarden. Volgens hetzelfde artikel werkt eén op zeven Zweden niet om gezondheidsredenen en de vergoedingen aan al deze ‘zieken’ slorpen ongeveer 14% op van de overheidsuitgaven. Dat is meer dan hetgeen wordt besteed aan respectievelijk onderwijs en gezondheidszorg. Een dergelijke situatie is op lange termijn niet houdbaar meende El País, en het dagblad sprak zijn verwondering uit over het feit dat de sociaaldemocratische regeringspartij de verkiezingen niettemin had gewonnen. De Zweedse sociaaldemocraten behaalden namelijk 41% van de stemmen tegen 36,4% in 1998. Samen met de andere linkse partijen zal ze over 191 zetels beschikken tegen 158 zetels voor de rechtse en centrumpartijen (EP, 16 sept. 2002, p.5). Dat de Zweden zo weinig geestdrift betoonden om te stemmen voor de oppositiepartijen (ze verloren allen stemmen met uitzondering van de liberalen, die door hun anti-immigratieprogramma hun stemmenaantal van 4,7% in 1998 tot 12,2% in 2002 konden opvoeren) is waarschijnlijk toe te schrijven aan de jammerlijke mislukking van het beleid van een rechtse coalitie van 1991 tot 1994. Vóór de verkiezingen van 1991 hadden de rechtse partijen een substantiële belastingsverlaging beloofd, maar toen ze het bewind overnamen werd heel Europa getroffen door een ernstige recessie. In plaats van de belastingsverlaging uit te stellen voerden ze die toch door. Vooral de inkomensbelasting op de hoge inkomens werd verlaagd. Ze hoopten dat de lagere belastingsdruk de ondernemers er toe zou aanzetten hun productie op peil te houden (T. Aronsson en M Palme,1998, p.41-42). Maar ze hadden niet begrepen dat de bedrijven slechts een dergelijk beleid voeren indien ze over voldoende afzetmogelijkheden beschikken. Het conservatief beleid werd een grote mislukking: het overheidsdeficit voor het fiscale jaar 1993-94 steeg tot 11,5% en de overheidsschuld tot 93% van het BNP (FT 25 aug. 1994, p.11). De werkloosheid, die nooit meer dan 4% van de actieve bevolking had bedragen, nam toe tot meer dan 10% in 1994 (S. Steinmo, 2002, p.851). De overheidsuitgaven groeiden aan door de stijging van de uitgaven voor werkloosheid en voor de betaling van rente op de openbare schuld. De regering had de kroon reeds in 1992 gedevalueerd om de uitvoer te bevorderen, maar werd geconfronteerd met een vertrouwenscrisis. Daardoor moest ze de rente op ultra korte termijn tot 500% verhogen om de speculatieve verkopen van de Zweedse munt tegen te gaan (Ibidem). De rechtse minderheidsregering verloor haar meerderheid in het parlement en bij de volgende verkiezingen in september 1994 behaalden de sociaaldemocraten 45,3% van de stemmen en verwierven ze samen met de Linkse partij een meerderheid van de zetels (TE, 26 sept. 1998, p.34). Het is begrijpelijk dat de Zweden er voor terugdeinzen opnieuw een minderheidsregering van rechtse partijen aan het bewind te brengen. Ze hebben ondervonden dat deze niet in staat zijn het land op efficiënte wijze te regeren. Het is dus enigszins voorbarig de overwinning van de Zweedse sociaaldemocraten te beschouwen als het begin van een algemene ommekeer in Europa ten gunste van de sociaaldemocratie.

De Duitse parlementsverkiezingen, een overwinning van links op de snede van het mes

In juli 2002 leek het alsof de dagen van de regering van sociaaldemocraten en groenen waren geteld. Alle enquêtes wezen op een waarschijnlijke overwinning van de rechtse partijen, nl. de Christ-demokratische Union (CDU), de Christliche-soziale Union (CSU) en de FDP (Freie deutsche Partei) bij de parlementsverkiezingen van 21 september 2002. De geringe economische groei (in 2001 amper 0,6%) en de hoge werkloosheid (in augustus 2002 9,9% van de actieve bevolking) waren van aard het vertrouwen van vele Duitsers in de efficiency van de rood-groene coalitie ernstig te schaden (TE, 21 sept.2002, pp.23 en 104). Nochtans was Schröder erin geslaagd het hoge overheidsdeficit dat hij in 1998 van de regering van kanselier Helmut Kohl had geërfd, terug te brengen tot een aanvaardbaar peil en niettemin de belastingsdruk en de sociale lasten te verminderen. De belastingsvoet op de vennootschappen werd verlaagd van 52% tot 39% en de sociale lasten voor de bedrijven van 42,3% tot 40,8% (Ibidem, p.24). Ook had hij er de syndicale organisaties kunnen van overtuigen hun looneisen te matigen om de Duitse industrie concurrentieel te houden ten opzichte van de buurlanden. De gemiddelde stijging van de lonen ten opzichte van het vorig jaar bedroeg in juni 2002 slechts 2,5%, tegenover 2,6% in België, 3% in Nederland, 3,8% in Frankrijk en 4% in Groot-Brittannië (Ibidem, p.104). Schröders aanpak van het immigratieprobleem was handig. Hij wijzigde de Duitse wetgeving in die zin dat wie nu in Duitsland wordt geboren automatisch toegang krijgt tot de Duitse nationaliteit, terwijl voordien dit recht bleef voorbehouden aan kinderen geboren uit Duitse ouders. Deze wijziging is van aard de integratie van de vreemdelingen van de tweede generatie te bespoedigen. Door de immigratiewetten voor buitenlandse weinig geschoolde arbeidskrachten te verstrengen, kwam hij tegemoet aan de vrees van vele ongeschoolde en half geschoolde Duitse arbeiders hun job ten voordele van een inwijkeling te verliezen. Voor geschoolden daarentegen, waaraan de Duitse industrie behoefte heeft, werden de toegangsvoorwaarden versoepeld (Ibidem, p.24).
De grote overstromingen in de gebieden langs de Elbe en de Donau boden aan kanselier Gerhard Schröder de gelegenheid zich te doen gelden als een groot staatsman. Hij beriep zich op de normale ‘solidariteitsgevoelens’ van het Duitse volk om de geplande belastingsvermindering met een jaar uit te stellen om alle getroffen Duitse gezinnen degelijk te kunnen vergoeden. Zijn tegenkandidaat voor het Duitse kanselierschap, de president van de Beierse deelstaat, Edmund Stoiber, durfde het niet aan zijn belofte van een belastingsvermindering in te trekken en suggereerde dat de winsten van de Deutsche Bundesbank voldoende zouden zijn om de schadeclaims te honoreren. Dit was uiteraard een onwaarschijnlijke veronderstelling en kostte aan de rechtse partijen heel wat stemmen in de gewesten die door de overstromingen waren getroffen. Het werden uiterst spannende verkiezingen. Gedurende de nacht die volgde op 21 september gaven de partiële uitslagen aanvankelijk de indruk dat de coalitie van de CDU-CSU de grootste zou worden, maar naderhand liep de SPD haar achterstand in. Uiteindelijk bereikten beide partijen 38,5% van de stemmen maar de SPD behaalde 251 zetels in de Bundestag tegen slechts 248 voor de CDU-CSU. De beslissing wie kanselier zou worden werd bepaald door de resultaten van de FDP en van de groenen. De FDP behaalde slechts 7,4% van de stemmen en 47 zetels, de groenen 8,6% van de stemmen en 55 zetels. De partij van de gewezen communisten, de PDS, geraakte slechts tot 4%, dus minder dan de vereiste 5% om als partij zetels te verwerven. Drie van haar kandidaten werden evenwel verkozen in een district (EP, 24 sept. 2002, p.3). De coalitie van de sociaaldemocraten en de groenen beschikte dus over een meerderheid in de Bundestag en kon aanblijven. Als men de uitslagen per deelstaat onderzoekt is het opvallend dat de SPD winst boekte in alle deelstaten van de gewezen DDR maar verlies leed in alle deelstaten van West-Duitsland. Globaal daalde haar stemmenaantal van 40,9% in 1998 tot 38,5% nu. De groenen daarentegen boekten overal winst (EP, 22 sept. 2002, p.22 en DW, 24 sept. 2002, p.8). Meestal wordt dit toegeschreven aan de grote populariteit van hun leider en minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer, maar waarschijnlijk hebben de overstromingen ook een rol gespeeld. Ze overtuigden er vele Duitsers van dat men meer zorg moet dragen voor het milieu (minder opwarming van de aarde door koolzuur en andere gassen) om grote natuurrampen te vermijden. Sommige politieke commentatoren beweren dat linkse socialisten voor de groenen hebben gestemd om te voorkomen dat Schröder met de liberalen zou scheep gaan (DZ, 26 sept. 2002, p.5). De FDP had immers laten horen dat ze zich niet aan de coalitie van CDU-CSU gebonden achtte en eventueel met de SPD zou scheep gaan. Dit was waarschijnlijk, mede met enkele ongelukkige uitspraken van haar leiders, de oorzaak van haar pover verkiezingsresultaat.
De regering onder kanselier Schröder zal hervormd worden. Wolfgang Clement, de minister-president van de deelstaat Noord-Rijnland Westfalen, wordt minister van economie en van werkgelegenheid. Hij is een gematigd socialist en is goed aangeschreven in de wereld van de ondernemers, meer bepaald in de Ruhrstreek, het industrieel hart van West-Duitsland. Hij zal de voorstellen van de Hartz-Commissie, die plannen ontwierp om de werkloosheid te bestrijden, moeten hard maken (FAZ, 9 okt. 2002, p.1). De groenen zullen gezien hun goed verkiezingsresultaat er een ministerpost bij krijgen. In de vorige regering bekleedden ze die van buitenlandse zaken, leefmilieu en landbouw. Gezien Schröder zijn partijgenote Herta Däubler-Gmelin niet wenst te behouden als minister van justitie, omdat ze president Bush met Hitler vergeleek, zal dat ministerie waarschijnlijk aan een groene minister worden toevertrouwd. Clement heeft al laten horen dat enkele belastingen (o.m. de BTW, de erfenisrechten en de vennootschapsbelasting) moeten verhoogd worden om geld vrij te maken voor de subsidiëring van bedrijven die bereid zijn werklozen op te leiden, en voor het organiseren van meer diensten voor de opvang van de kinderen van buitenhuis werkende vrouwen (Ibidem, p.3). Het is nog niet duidelijk of een expansief monetair beleid zal gevoerd worden om de economische activiteit aan te zwengelen.Voor 2002 wordt een deficit van 2,9% van het bnp voorzien maar door de verhoging van de belastingen en een sterkere economische groei zou dit de volgende jaren kunnen verlaagd worden. Of de Duitse economie volgend jaar zal groeien met 2,3%, zoals de regering voorziet, is erg onzeker (FT, 29 sept. 2002, p.1).Wordt deze groeivoet niet bereikt dan zal waarschijnlijk een conjunctureel expansief beleid worden gevoerd door middel van het aanvaarden van een overheidsdeficit. De bedoeling is dan dat de overheidsinkomsten door de grotere economische groei zo toenemen dat het budgettair evenwicht in zicht komt.

Welke oplossingen voor de problemen van de Europese sociaaldemocraten?

Het verlies aan stemmen voor de sociaaldemocraten in de diverse landen is meestal toe te schrijven aan een te hoog geachte belastingsdruk en een te lauw geachte houding ten opzichte van de immigratie. Ook de vrees voor een verzwaring van de belastingsdruk door de subsidies aan de nieuwe lidstaten zal wellicht aan de linkse partijen stemmen kosten.Wat de te hoge belastingsdruk betreft is het duidelijk dat het globale aandeel van de belastingen in het bnp niet kan verminderd worden gezien de stijgende behoefte aan financiële middelen voor de handhaving van de pensioenen, de toenemende uitgaven voor de gezondheidszorg en de noodzaak meer geld te besteden aan het onderwijs. Het is ook niet wenselijk de belastingsdruk van de burgers naar de vennootschappen toe te verplaatsen, want dit zou leiden tot nog meer verlies aan werkplaatsen door uitwijking van bedrijven naar de buurlanden of naar lageloonlanden. De oplossing moet dus worden gezocht in de verhoging van de indirecte belastingen en meer bepaald van de milieutaksen en de belastingen op privé-bestedingen met een uitgesproken weeldekarakter zoals dure auto’s, motorboten, juwelen, luxekleren e.a. In ons land werd de wet van 16 juli 1993, die milieutaksen voorzag op papier en karton, scheermesjes, wegwerpfotoestellen en batterijen weer afgeschaft omdat ze nooit ernstig werd toegepast. Voortaan zullen bedrijven die milieuvriendelijke verpakking gebruiken ecoboni ontvangen. Op de milieuvervuiler bij uitstek, nl. de benzine, durft geen enkele politicus de taks te verhogen uit schrik dat de talrijke verbolgen automobilisten hem bij de volgende verkiezingen zouden afstraffen. In Duitsland komen de groenen op voor zo’n verhoging maar Schröder durft dat risico niet te nemen. Het invoeren van een belasting of een hogere heffing op alle vormen van publiciteit zou veel minder weerstand uitlokken. De meerderheid van de burgers van Europa is het beu doorlopend geconfronteerd te worden met veelal leugenachtige of misleidende reclame. Zo’n belasting biedt het voordeel dat ze niet alleen de nationale bedrijven treft maar ook de buitenlandse concurrenten, die door middel van publiciteit de nationale markt proberen binnen te dringen. Ze verwekt dus geen vlucht van de ondernemingen naar het buitenland en remt uitgaven af waarvan het sociaal nut op zijn minst twijfelachtig is. De opbrengst van zo’n belasting kan daarenboven verdeeld worden over de centrale overheid en de gewestelijke en (of) lokale autoriteiten. De centrale overheid zou een belasting kunnen heffen op de publiciteit op de televisie en in de nationale persorganen; de gewestelijke of lokale overheden op de reclame op borden en muren en op voertuigen andere dan normale wagens voor goederenvervoer, alsook op de gewestelijke kranten en vlugschriften met overwegend publicitaire doeleinden. Ook de taks op de publiciteit in de bioscopen kan helpen de gemeentelijke kassen te vullen.
Wat de immigratiewetgeving betreft, moet een evenwicht gezocht worden tussen een beleid gericht op meer integratie en op de eerbiediging van de rechten van minderheden. Het is niet mogelijk een harde keus te maken tussen een beleid dat uitsluitend is gericht op integratie en één dat alle rechten van de religieuze en culturele minderheden wenst te eerbiedigen. Een maatschappij waarin diverse religieuze en culturele minderheden naast elkaar leven wordt gemakkelijk de prooi van bloedige conflicten. Daarenboven zijn sommige illegale inwijkelingen, die moeilijk werk vinden om te overleven, geneigd toe te treden tot benden van dieven, gangsters en andere misdadigers. De gevoelens van onveiligheid, die hierdoor ontstaan zetten vele autochtonen ertoe aan voor racistische partijen te stemmen. De terroristische aanslagen die uitgaan van fundamentele moslimgroeperingen zijn koren op de molen van politieke bewegingen die de Turkse en Arabische inwijkelingen willen uitwijzen.
Men kan van de inwijkelingen evenwel niet eisen dat ze hun religieuze en culturele opvattingen onmiddellijk na hun immigratie terzijde schuiven. Het is dus noodzakelijk de komst van nieuwe immigranten zo in te dijken dat ze niet als een gevaar worden aangevoeld door een groot deel van de autochtone bevolking, maar ze niettemin kansen te geven om hun eigen cultuur en religie te behouden. Door de contacten tussen de verschillende bevolkingsgroepen zoveel mogelijk te vermenigvuldigen ontstaan geleidelijk wijzigingen in de opvattingen van de nieuwe minderheden, waardoor hun integratie wordt bevorderd. Het is een onmiskenbaar feit dat in vele gezinnen van mohammedaanse immigranten heftige conflicten ontstaan tussen enerzijds de ouderen, die vasthouden aan hun tradities, en anderzijds de jongeren, die van dezelfde vrijheden en rechten willen genieten als hun autochtone vrienden en collega’s. Door verstoten vrouwen in bescherming te nemen tegen de misbruiken van hun mohammedaanse echtgenoten, jonge meisjes uit mohammedaanse gezinnen op te vangen indien ze het ouderlijk huis ontvluchten om niet uitgehuwd te worden aan een voor hen onbekende man, of nog studiebeurzen toe te kennen aan jonge begaafde vreemdelingen om bekwaamheden te verwerven van aard hun integratie in onze maatschappij te vergemakkelijken, bestrijdt men op efficiënte wijze de voor ons moeilijk aanvaardbare facetten van bepaalde buitenlandse culturen.
De vrees van vele West-Europeanen voor de financiële gevolgen van de opname van nieuwe lidstaten in de EU is fel overdreven. Deze vrees is het gevolg van een onvoldoende inzicht in de economische en monetaire mechanismen, die de evolutie van de productie en van de inkomens bepalen. Het is niet zo dat het geld, dat we uit de belastingen van de West-Europese burgers zullen overdragen aan de regeringen en de burgers van de nieuwe lidstaten voor eerstgenoemden verloren is. Indien b.v. aan Polen enkele miljarden euro worden toegekend voor de noodwendige uitbouw van zijn infrastructuren (wegen, bruggen, spoorlijnen, kanalen) leidt dit niet alleen tot meer inkomen voor Poolse arbeiders maar ook tot bestellingen van allerhande machines en materialen bij West-Europese bedrijven. Zo’n schenkingen dragen dus bij tot een heropleving van de economische activiteiten, die zich nu in een neerwaartse richting dreigen te ontwikkelen. Daarenboven is het niet noodzakelijk deze schenkingen van meet af aan volledig te financieren met belastingen. De Europese banken kunnen kredieten toestaan voor een deel van de over te dragen sommen aan de EU-organen, die naderhand zullen terugbetaald worden uit de meeropbrengsten van de belastingen ingevolge de toename van de economische activiteiten in de oude lidstaten. Het enige gevaar aan zo’n expansief beleid is dat het tot sterke prijsstijgingen leidt in die sectoren waar het aanbod zich niet tijdig kan aanpassen aan de toegenomen vraag. Daarom zal men bij het bepalen van de subsidies moeten nagaan waarvoor ze zullen gebruikt worden teneinde een ‘knelpunteninflatie’ te vermijden. De prijs- en loonstijgingen in de sectoren waar het aanbod kleiner blijft dan de vraag lokken reacties uit van de ondernemers en werknemers in andere sectoren, die ook hun inkomsten willen verhogen. Zo wordt een algemene prijsstijging en muntontwaarding op gang gebracht. Gezien evenwel de huidige recessie werken de meeste bedrijven onder hun productiecapaciteit en moet het gevaar voor inflatie niet overschat worden.

Maakt de sociaaldemocratie nog een kans op een leidende positie in de meeste West-Europese staten?

De sociaaldemocratische partijen hebben het moeilijk om in een recessieperiode de gunst van de kiezers te behouden maar de rechtse partijen hebben het ook niet gemakkelijk. De kiezers die op een belastingsvermindering rekenen, zijn in de regel niet tevreden met een kleine daling van de belastingsdruk Ze wensen, naar het voorbeeld van wat Margareth Thatcher in Groot-Brittannië deed, een substantiële vermindering van de inkomstenbelasting. Na enige tijd merken ze dat de overheid de indirecte belastingen verhoogt om de noodzakelijkste diensten te behouden en dat ze nu voor heel wat diensten (gezondheidszorg, onderwijs, aanleg van een pensioenfonds) zelf moeten instaan. Dit verklaart waarom Labour uiteindelijk opnieuw de macht veroverde na een vijftien jaar conservatief bewind in Groot-Brittannië. In de Scandinavische landen hebben de regeringen van rechtse partijen het om die redenen ook nooit lang uitgehouden. In Nederland hebben de ruzies onder de gekozenen van de partij van Pim Fortuyn (LPF) uiteindelijk geleid tot de val van de regering. Er zullen op 22 januari 2003 nieuwe verkiezingen worden gehouden. Herman Heinsbroek, de ex-LPF minister van economische zaken zal samen met Harry Wijnschenk, een gewezen LPF-fractieleider, met een lijst Nieuwe Politiek opkomen. Of hij tien zetels kan halen is evenwel twijfelachtig. De andere 16 zetels van de gewezen LPF zullen toevloeien naar de andere partijen. De liberale VVD hoopt heel wat zetels in te pikken omdat ze met haar rechts programma - ze wil geld weghalen bij de ontwikkelingssamenwerking en de publieke omroep om meer middelen te besteden aan de binnenlandse veiligheid - de doeleinden benadert van de LPF (NRC, 23 okt, p.1). Volgens de enquêtes zou ze evenwel slechts een vijf of zes zetels winnen, want vele LPF-kiezers vergeven het haar niet dat ze de regering ten val bracht,door een vervanging van LPF-ministers te weigeren. De CDA zou fel vooruitgaan maar de PvdA zou slechts een deel van haar verlies bij de vorige verkiezingen kunnen terugwinnen. De voorzitter van de VVD, G. Zalm, heeft evenwel verklaard in geen geval met de PvdA een nieuw paars kabinet te willen vormen. Waarschijnlijk zal de PvdA hierdoor in de oppositie terechtkomen tegenover een rechtse regering met CDA en VVD. Of zo’n coalitie evenwel een meerderheid zal verwerven in het parlement is onzeker en als ze die toch bereikt, zal de nieuwe regering het erg lastig krijgen, want Nederland kent een sterke economische recessie en het overheidsdeficit groeit snel aan. In zo’n situatie is het voor de PvdA niet voordelig in een regering te treden.
In Frankrijk zit de partij van Chirac voorlopig vast in het zadel. In de rangen van de socialistische partij hebben zich verschillende groepen gevormd, waaronder sommigen een ‘contestatiepolitiek’ van het mondiaal kapitalisme bepleiten en anderen meer voelen voor een bewind gericht op het afzwakken van de nadelen van de economische globalisatie. Op het congres van de partij in mei 2003 zal de nieuwe secretaris generaal D. Hollande trachten een synthese uit te bouwen tussen deze twee strekkingen. Zowel op het vlak van de doctrine als op dat van de strategie om oppositie te voeren, staat men voorlopig op het nulpunt. Het zal dus een hele tijd duren voor dat de partij weer in staat is een groot aantal kiezers aan te trekken (LM,10 okt. 2002, p.17).
In Portugal is de nieuwe rechtse regering door de slechte situatie van de overheidsfinancies, niet in staat de beloofde belastingsverlaging door te voeren. Gezien het een coalitieregering betreft met amper één zetel meerderheid in het parlement, is de kans groot dat ze vlug uiteenvalt en daarna de regeringspartijen de verkiezingen verliezen.
In Spanje worden er in de lente van 2003 gemeenteraadsverkiezingen gehouden en parlementsverkiezingen het jaar daarop. De leider van de Spaanse socialisten José Luis Rodriguez Zapatero is er nu de populairste politicus maar volgens de recentste enquête zou zijn partij bij de parlementsverkiezingen maar 39% van de stemmen halen tegen 41% voor de huidige regeringspartij, de Partido Popular (PP). Deze verliest evenwel geleidelijk veld want bij de verkiezingen van 2000 behaalde ze nog 44,89% van de stemmen tegen 34,35% voor de PSOE. Het huidig hoofd van de regering José María Aznar zal in 2004 niet meer opkomen als leider van de PP en er werd nog geen opvolger aangeduid. Indien er binnen de PP een strijd ontstaat om de opvolging zal dat de kansen voor een socialistische overwinning verhogen (EP, 29 sept. 2002, p.20).
In Italië blijft links erg verdeeld en is hierdoor niet in staat een geloofwaardig alternatief te bieden voor de huidige regering van Silvio Berlusconi. Deze wordt evenwel geconfronteerd met het heftig verzet van de vakbonden tegen de intentie van de regering de pensioenen te verminderen, het afdanken van werknemers te vergemakkelijken en de bijdragen van de ondernemingen tot de sociale zekerheid te verlagen. Op 16 april 2002 organiseerden de drie grote syndicaten een algemene staking, die duizenden arbeiders op de been bracht. Sedertdien grepen nog vele acties plaats, maar het is niet duidelijk of ze zoals in 1994 uiteindelijk zullen leiden tot het ontslag van de regering en nieuwe verkiezingen (EP, 31 maart 2002, p.18).
Uit dit overzicht blijkt dat het te vroeg is om te gewagen van een structurele neergang van de sociaaldemocratie. De relatieve achteruitgang van het belang van de industrie ten opzichte van de dienstensectoren maakt dat de betrokken partijen verplicht zijn meer kiezers te zoeken in de middengroepen. Deze noodzaak tot aanpassing aan de veranderde sociologische situatie vraagt wat tijd en is waarschijnlijk de voornaamste oorzaak van de slechte verkiezingsresultaten van de Europese sociaaldemocraten tijdens het grootste deel van de jaren 2001 en 2002.

Bronnen
- T Aronsson en M. Palme, A Decade of Tax and Benefit Reforms in Sweden: Effects on Labour Supply,Welfare and Inequality, Economica 1998.
- S. Steinmo, Globalization and Taxation, Comparative Political Studies, sept. 2002.

Gebruikte afkortingen
APS: L’année politique et sociale, 2001
DW: Die Welt
DZ: Die Zeit _
EP: _El País

FAZ: Frankfurter Allgemeine Zeitung _
FT: _Financial Times _
KHB: _Keesing Historisch Archief

LM: Le Monde
LS: Le Soir _
NRC: _De Nieuwe Rotterdamse Courant _
TE: _The Economist

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 22 tot 32