Log in

Ton Lemaire: een boek voor actievoerders

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 47 tot 53

Ton Lemaire: een boek voor actievoerders

Met open zinnen. Natuur, landschap, aarde
Ton Lemaire\nAmbo, Baarn 2002

Een oeuvre. Wie het werk van Lemaire gevolgd heeft, weet dat de beginwoorden van zijn nieuwste boek maar al te zeer kloppen. Hij is inderdaad altijd al gefascineerd door natuur en landschap, maar ook door de manier waarop mensen zich daartoe verhouden. In Met open zinnen staat - men mag rustig schijven opnieuw - de spanning centraal tussen natuur op zich en de culturele en historische kaders waarbinnen ze wordt benaderd. Reeds in zijn eerste boekje De Tederheid, een filosofische bestseller uit 1968, verzette hij zich tegen de tegenstelling zinnelijk-geestelijk. In al zijn later werk vindt men telkens opnieuw datzelfde wantrouwen tegen simpele dualismen. Hij verweert zich in het bijzonder tegen de verleiding van het relativisme dat dikwijls - of moet men schrijven modieus? - aan de erkenning van sociale en culturele bemiddeling wordt geknoopt. In Over de waarde van kulturen - het boek dateert uit 1976, toen cultuur nog met een k geschreven werd - probeert hij zelfs maatstaven te ontwikkelen om culturen mee te beoordelen. Het is in mijn ogen nog altijd een standaardwerk - veel meer dan een inleiding zoals in de ondertitel aangegeven - over cultuurfilosofie. Maar ook in het zes jaar daarvoor verschenen en dikwijls herdrukte Filosofie van het landschap merkt men diezelfde schroomvolle benadering. Respect voor de natuur als zodanig, ook al kunnen de mensen er alleen maar via hun geschiedenis en cultuur bij. We zien niet meer zoals een middeleeuwse mens zag. Het landschap zoals het vandaag wordt gezien hangt samen met het wereldbeeld dat in de vijftiende-zestiende eeuw de wereld begon te veroveren. In de Indiaan in ons bewustzijn uit 1986 gaat het over de beeldvorming in het Westen van de Indianen. Een van de belangrijke vragen is: hoe ontsnapt Europa aan het etnocentrisme? In zijn afscheid van de universiteit Twijfel aan Europa zoekt hij opnieuw een weg tussen etnocentrisme en relativisme. Hij denkt op dat moment heel kritisch over zijn eigen - Europese - cultuur, maar laat zich toch niet verleiden om dan maar alles overboord te gooien. Het boekje dateert van 1990. In dat jaar trok Lemaire naar de Dordogne, waar hij een boerderij probeert uit te baten. Maar hij bleef gelukkig schrijven, hij is naar eigen zeggen nu eenmaal zowel een buitenmens als een boekenwurm. In 1995 kwam er dat merkwaardige, maar heel mooie, boek over paddestoelen Godenspijs of duivelsbrood en in 1997 Wandelenderwijs, een bundel zeer genietbare stukjes. Overigens waren al in 1988 een aantal artikels onder de titel Binnenwegen verschenen. En om volledig te zijn moet nog een kritische uitgave vermeld worden van Het vertoog over de ongelijkheid van J.-J. Rousseau, die van 1984 dateert. Hiermee is in vogelvlucht het werk van Lemaire overlopen, dat allemaal bij Ambo verschenen is. Het hoeft niet bekend te zijn om zijn nieuwe boek te begrijpen. Het is lijkt me wel belangrijk te beseffen dat de man bezig is aan wat men noemt een oeuvre, een samenhangend geheel. Als zodanig is hij in mijn ogen een van de belangrijkste Nederlandstalige filosofen. Met open zinnen kan in de opbouw van dat oeuvre gerust gezien worden als een Magnum opus. De auteur probeert zijn inzichten van meer dan 35 jaar studeren en nadenken op een rij te zetten. Ik zal het maar meteen schrijven: het is een schitterend boek geworden.

Crisis van het landschap. Lemaire wil dus aan de klassieke dualismes ontsnappen, ook die tussen naturalisme en spiritualisme. Hij komt op voor een ‘spiritueel naturalisme’, dat hij een aardse filosofie of een filosofie van de aarde noemt. Dit is ingegeven door een leven met open - ontvankelijke en onbevangen - zinnen, dat vertrekt van elementaire gewaarwordingen, vervoering om de sublieme manifestaties van natuur en landschap en uitkomt bij de vraag naar de zin van de zinnen en eigenlijk bij deze naar de zin van het leven. Reeds in De tederheid heeft Lemaire bewezen een zorgvuldig fenomenoloog te zijn, die de dingen uiterst behoedzaam benadert en beschrijft. In zijn nieuwe boek vindt men pareltjes van fenomenologisch vakwerk. Zijn beschrijving van de elementaire natuurervaringen, tijdelijke onderdompelingen, behoren daartoe: water (zwemmen), lucht, aarde (wonen), weer en wind, wandelen. De natuur blijkt ambivalent. Zij geeft geborgenheid, maar er is ook bescherming - door cultuur - tegen nodig. Hij gaat door op het wandelen op het platteland. Natuur en landschap blijken niet hetzelfde. Natuur oefent een werking uit op de zintuigen, landschap ordent en grenst af tot een betekenisvolle eenheid. Landschap is niet objectief, maar een wisselwerking van mens en aarde. Voor de wandelaar bestaat geen tegenstelling tussen geest en zinnen: ‘want ons bewustzijn is primair een zintuiglijk bewustzijn en wordt pas met enige moeite, door afstand te nemen, een reflecterend bewustzijn’ (41). In het landschap van de wandelaar zijn zowel persoonlijke als collectieve herinneringen opgenomen. Zelfs de imaginaire landschappen uit de kunst bepalen mee hoe het waargenomen wordt. Hier moet dan wel aan toegevoegd worden dat het landschap in de schilderkunst en de literatuur van de twintigste eeuw steeds minder aanwezig is. Dat heeft te maken met de verstedelijking, met ‘urbanocentrisme’, zoals Lemaire het noemt. Hij spreekt zelfs van een crisis van het landschap. In de lege en uniforme ruimte van het industriële landschap is de band tussen mensen en hun landschap losgeraakt. De anker- en oriëntatiepunten zijn verdwenen, het is een vorm van delokalisering. Het is maar de vraag hoeveel psychisch leed dat meebrengt. Vooral de grootschaligheid, de grofheid en het tempo zijn een probleem. Kan de mens zich wel onbeperkt aanpassen? Er is al een wereldmarkt sinds de zestiende eeuw. De industriële revolutie gaf er een tweede stoot aan. Vandaag is er een kwalitatieve verandering waar te nemen, die het economische overstijgt. Op een ogenblik dat iedereen afscheid genomen heeft van de grote verhalen, blijkt er één utopie of ideologie te overheersen, met name de vrije markt. Het begrip ontwikkeling neemt daarin een centrale positie in. Het is vooruitgang versmald tot infrastructuur en economische groei. Zelfs duurzame ontwikkeling past daarin, want het blijft uiteindelijk vasthouden aan ontwikkeling en economische groei. Achter globalisering is een theorie van sociale verandering verborgen, ze wordt voorgesteld als een heilsgebeuren dat iedereen ten goede komt. Wil Lemaire dan terug naar het lokale van weleer? Hij beseft dat de mondialisering niet om te keren valt, dat aan het ‘geloof in heilige plaatsen’ zelfs gevaren verbonden zijn. Hij wil tot een evenwicht komen, zonder de zelfgenoegzaamheid van een geborneerd provincialisme en de dreigende uniformering van de globalisering.

Verhouding tot de natuur. Voor de wandelaar bestaat in principe geen tegenstelling tussen geest en zinnen. Hij wandelt echter meer en meer in een geïndustrialiseerd landschap, waar hij zijn plaats niet meer in vindt. Een onderdompeling in water, lucht en aarde zou hem een gevoel van participatie aan de natuur moeten geven, maar dat wordt steeds problematischer door de milieuproblemen. Door de groei van bevolking en welvaart wordt de menselijke soort echt alomtegenwoordig. In die context is het makkelijker ervan uit te gaan dat we de natuur alleen sociaal en cultureel bemiddeld kunnen bereiken. Lemaire legt zich daar niet bij neer. Hij vindt dat de dingen een eigen gewicht hebben. De natuur valt niet samen met het bewustzijn dat de mensen ervan hebben. De weerstand die zij aan ons handelen biedt, maar zelfs de overweldigende indruk die zij op ons kan maken bewijzen dat reeds. Daarom probeert hij er een toegang toe te vinden en grijpt daarvoor terug op de ervaring van het sublieme in de natuur. Ik sla de omweg over van de filosofische discussie daarover in de achttiende en negentiende eeuw. Het sublieme brengt ons volgens Lemaire met de natuur zelf in aanraking, ook al is die ervaring noodzakelijkerwijze ook cultureel bepaald. Wie dat niet ziet is van de natuur vervreemd. Voor dat antropocentrisme betaalt hij een zware prijs, namelijk leegte buiten hem, een gevoel van verveling en eenzaamheid. Uiteindelijk houdt de postmodernist vast aan de zelfverabsolutering van de mens, die ook het idealisme kenmerkte. Er is een nieuw zelfbegrip nodig dat de mens niet langer boven of buiten de natuur plaatst. Erkennen dat de natuur op zich bestaat is een daad van verzet, een rebellie tegen de consumptiemaatschappij.

De verschrompeling van de zintuigen. De ervaring van sublieme natuur is er niet gemakkelijker op geworden. Lawaai, stank, aantasting van smaak, lelijke omgeving: het zijn evenvele aanslagen op de zintuigen. Dat sluit ons nog meer op in antropocentrisme. De technisch-industriële samenleving schept op die manier haar eigen omgeving, met daaraan aangepaste zintuigen. Natuurlijk zijn mensen erin geslaagd apparaten en vervoersmiddelen ‘in te lijven’ als verlengstukken van het lichaam, maar de klachten over stress lijken erop te wijzen dat een grens bereikt is. Lemaire illustreert dit met het voorbeeld van de geluidshinder. De hedendaagse mens leeft onder een geluidstirannie. In veel samenlevingen wordt bij een aantal gelegenheden veel lawaai gemaakt. Het gebeurt vooral bij overgangssituaties, bij crisissen of initiaties. Het lawaai moet de boze geesten afweren. Het zijn ‘geruststellingsrituelen’, bezweringen van angst. Het lawaai in de hedendaagse cultuur vervult eenzelfde functie: het bevestigt het rijk van de mens. Dat is overigens ook zo voor het overal aanwezige licht en de nooit ophoudende communicatie. Lawaai, licht en beelden zorgen voor een constante hersenspoeling, die de consumptiemaatschappij ondersteunt. Alleen tonen zich steeds meer fysische en psychische grenzen. En een overdosis lawaai snijdt mensen af van hun eigen innerlijk en van de natuur: ‘Tenzij er zich een mutatie zal voltrekken in de mens en deze zal vergroeien met de door hemzelf uitgevonden technische wereld van apparaten, machines en computers, wijst er veel op dat een continue blootstelling aan een hoge dosis geluiden en kabaal ingrijpende gevolgen heeft voor de relatie van het individu tot zichzelf, tot medemensen en tot de omgeving’ (121). Mensen hebben stilte nodig. Zo vraagt het sublieme innerlijke stilte! De strijd om de stilte verzet zich tegen een vervreemde en vervreemdende cultuur. Het geluid was maar een voorbeeld. Lemaire is ervan overtuigd dat alle zintuiglijke gewaarwording in de moderne tijd verarmd of verschrompeld is. Mensen hebben fysisch wel dezelfde zintuigen, maar wat ermee wordt waargenomen verandert historisch. Ook in andere culturen wordt anders gezien, gehoord enzovoort. De hele natuurwetenschap legt trouwens aan de zintuigen een ascese op. Zij moet zich op feiten baseren en daartoe abstractie maken van emoties, verlangen of afkeer, waardering en interpretatie. Zij onttovert de wereld! Lemaire toont hoe Marx een antropocentrisch mensbeeld hanteerde, terwijl Lévi-Strauss de concrete logica van het ‘Wilde denken’ blootlegde. De zogenaamde primitieve mens blijkt heel redelijk te zijn, maar het is een redelijkheid die vooral geen breuk met de natuur veronderstelt. Dat wilde denken is overigens niet helemaal verdwenen, wat blijkt uit het opnemen van primitieve kunstuitingen door Westerse kunstenaars. De kunstenaar heeft volgens Lemaire een opdracht om de mensen directer bij de natuur te brengen.

Spiritueel naturalisme. Het antropocentrisme wordt in de hand gewerkt door de verschrompeling van de zintuigen, maar het heeft zijn filosofische onderbouw van Descartes gekregen. In de twintigste eeuw is die onderbouw beginnen wankelen. Neem nu Merleau-Ponty, in zijn fenomenologie van de waarneming. Hij vindt dat het denken altijd gebeurt vanuit een voorafgaande zintuiglijke omgang met de dingen. Descartes heeft niet gezien dat denken een oorspronkelijk contact met de wereld vooronderstelt, dat rationeel bewustzijn voorafgegaan wordt door een elementaire lichamelijke subjectiviteit. Merleau-Ponty noemt die het prereflexief of zwijgzaam cogito. Het doet twijfelen aan de mogelijkheid van een autonoom op zichzelf reflecterend subject. Het subject bepaalt mee de werkelijkheid, maar toch wordt die wereld voorondersteld. Merleau-Ponty vermijdt zowel idealisme als realisme, wat in zijn latere werk nog duidelijker wordt. Hij zet op die manier een stap naar buiten. Anderen hebben dit ook gedaan. Lemaire gaat in op Thoreau, Nietzsche, Heidegger, opnieuw Lévi-Strauss en White. Hij komt dan evenwel terecht bij de vraag of het mogelijk is buiten de taal te treden. Met Wittgenstein en Sapir en Wolf besluit hij dat het denken door de taal bepaald wordt. De structuur van de taal bepaalt hoe de werkelijkheid verschijnt. De natuur als zodanig is niet te kennen, men heeft de bril van de taal nodig. Met het schrift is de afstand ten andere nog groter geworden, want wat geschreven is kan een eigen leven leiden. Hier last Lemaire een boeiende uitweiding in over de Ilias en Odyssee, die precies op de grens tussen de orale en geschreven vertelling liggen. De scheiding met de natuur blijkt er onbestaande. Ze is eigenlijk ingevoerd vanaf Socrates en Plato. Maar komen we dan ooit buiten (de taal)? Finaal schrijft Lemaire: ‘Ik ben van mening dat inderdaad meestal de buitenwereld slechts wordt waargenomen in termen van de woorden, de begrippen en de categorieën van de taal van de waarnemer; maar dat er wel degelijk schaarse momenten zijn waarop mensen in staat zijn om zich te bevrijden van het geroezemoes van woorden in en om hen heen en zich optimaal opstellen voor het buiten’ (212). Geest en bewustzijn zijn dan zoveel mogelijk leeggemaakt, om plaats te maken voor een belangeloze aandacht voor het buiten. Men bereikt zo’n momenten in het sublieme, met behulp van bewustzijnsverruimende middelen of met oefening en discipline (wijsbegeerte wetenschap, spiritualiteit, mystiek, kunst en poëzie). Weinigen kunnen dergelijke ervaring verdragen. Ze worden ook heel vlug in taal omgezet en eigenlijk slaagt alleen de poëzie (Haiku) in de noodzakelijke ‘houding van liefdevolle aandacht die tegelijk afstandelijk en zakelijk is’ (216). Het is blijkbaar heel moeilijk geworden om buiten te geraken. Toch wil Lemaire zijn aardse filosofie niet opgeven. Het geestelijke en het zintuiglijke moeten verzoend kunnen worden in een spiritueel naturalisme. Hij onderstreept uitdrukkelijk dat dit geen nieuw spiritualisme à la New Age kan zijn. Hij duikt opnieuw in de geschiedenis van de filosofie. Feuerbach, Marx en Nietzsche hebben zich afgezet tegen het idealisme en spiritualisme van Hegel. Zij hebben het denken terug naar zijn aardse wortels gebracht. Vooral Nietzsche gaat daarin heel ver, maar strandt uiteindelijk bij de conclusie dat alleen de kunst het raadsel van het leven kan aanpakken. Lemaire volgt dan hoe een kunstenaar als Cézanne de zintuiglijkheid gerehabiliteerd heeft en probeerde de dingen zelf te schilderen, maar hoe men na hem door steeds abstracter te schilderen opnieuw van het spiritueel naturalisme verwijderd raakte. Hij stelt daartegenover het wereldbeeld van het klassieke China, dat de tegenstellingen tussen rationalisme en empirisme, spiritualisme en naturalisme niet kent: ‘Door zijn nadruk op relationaliteit, onderlinge afhankelijkheid en complementariteit bezit dit denken een opmerkelijke aardsheid, concreetheid, coherentie, continuïteit en sereniteit’ (263).

Zin der zinnen. Lemaire is zijn boek begonnen met een beschrijving van zintuiglijke gewaarwordingen. Hij moest vlug aandacht geven aan de factoren die ze beïnvloeden: samenleving, cultuur en geschiedenis. Deze werden invalshoek voor een diagnose van de moderne cultuur en voor een kritiek op die cultuur. Toch blijven de zintuigen het onderwerp, meer bepaald de vraag naar de zin van de zinnen. Op het eerste gezicht lijkt die gevat te kunnen worden in het hedonisme dat in de plaats gekomen is van de protestantse en Kantiaanse plichtethiek. Geluk wordt gelijk gesteld met zintuiglijk en zinnelijk genot. Lemaire twijfelt of dit zo is. Hij ziet een moraal van toegeeflijkheid, die directe bevrediging nastreeft, maar waarvan de keerzijde innerlijke leegte, rusteloosheid, vluchtigheid, verveling en zelfs wanhoop is. Hij wil daarvoor geen spirituele opvatting van het geluk in de plaats zetten, maar een authentieker hedonisme, ‘waarin de kunst van het genieten soberheid en gematigdheid impliceert en die daardoor innerlijk onafhankelijk is van de verleidingen van warenwereld en consumptiemaatschappij’ (271). Het streeft zingenot na, maar op zo’n manier dat de tegenstelling ziel en zinnen overwonnen is. Een hedonisme dat verenigbaar is met een filosofie van de aarde wendt zich met open zinnen tot de natuur. Op zo’n momenten - die heus niet spectaculair hoeven te zijn - toont zich de zin van het leven. Omdat ze echter altijd heel kortstondig zijn blijft de vraag of daarmee onze behoefte aan zin voldoende bevredigd is. De natuur blijkt ook heel negatief en zelfs destructief te kunnen zijn. Wat is de plaats van de mens in de natuur? Hij is in elk geval een wezen met heel weinig instincten, hij is ook het enige wezen dat nee kan zeggen en dat zijn dood lang op voorhand beseft. De evolutietheorie - ook in modernere uitwerkingen van J. Huxley en T. De Chardin - kan de mens geen zinvolle plaats geven. De natuurwetenschappen in het algemeen zijn te veel vervlochten met de samenleving waarin zij tot stand kon komen. Is er eigenlijk wel een antwoord op te geven? Moeten we ons niet laten meevoeren met de grote stroom van het leven, in het besef van het tragische van ons bestaan? Geven we ons niet beter in handen van het boeddhisme of van Schopenhauwer? Lemaire wordt erdoor verleid, maar antwoordt dan toch: ‘Wanneer men ten aanzien van de grondvraag van het bestaan niet de oplossing van het boeddhisme kiest, dan is de op één na beste die van de levenskunst die met bezonnen zinnen van het leven weet te genieten en daarbij twee uitersten vermijdt: de ene die bestaat in het verlangen om erg gelukkig te willen zijn zodat men steeds weer lijdt aan zijn onvervulbaarheid en de andere die streeft naar de dionysische roes van de eenwording van het leven en wordt geconfronteerd met zijn afgrond’ (307). Lemaire wil een hedonisme dat wel de zin van zingenot erkent, maar toch de tragische ondertoon van het bestaan niet ontkent. Er is immers geen hoop op transcendentie, een ideale samenleving of permanente harmonie. Lemaire vreest dat er een bijna bovenmenselijke kracht nodig is ‘om op die manier ten volle in het leven te staan zonder er helemaal toe te behoren’ (308). Toch voelt hij zich geen doemdenker. Hij verzet zich niet tegen vooruitgang als zodanig, maar tegen vooruitgang als mythe. Zijn hedonisme zet zich af tegen de productiewijze die de natuur louter in functie van de mens stelt. Daar zou een collectieve opstand tegen gevoerd moeten worden. Al beseft hij dat geen politieke partij dat in haar programma durft zetten, hij geeft het niet onmiddellijk op: ‘Maar tussen Apocalyps en utopie blijft nog een breed veld over van ofwel de moeizame strijd voor een rechtvaardiger en evenwichtiger wereld waarin de mensheid, in een tegelijk ecologische, spirituele en poëtische geest zich verzet tegen de verenigde krachten van markt, multinationals en mobilisme om de aarde als onze woonplaats en die van ontelbare andere soorten te redden’ (323).

Kritische reflecties. Mijn samenvatting valt lang uit, maar de lezer moet beseffen dat er nog veel niet in opgenomen is. Ik heb verschillende hoofdstukken samengenomen, terwijl ze allemaal op zichzelf staan en ook volgens de auteur apart kunnen gelezen worden. Ik heb geprobeerd de draad vast te krijgen, meer niet. Ik vrees zelfs dat veel aanlokkelijke aspecten daardoor op de achtergrond geduwd worden. Ik denk bijvoorbeeld aan de verschillende verwijzingen naar gedichten. Toen Hans Achterhuis een recensie maakte van Over de waarde van kulturen had hij maar één kritische bedenking: er wordt veel te weinig verwezen naar de praxis, het is veel te filosofisch en theoretisch (Tijdschrift voor diplomatie, februari 1978). Dat zal waarschijnlijk ook over het nieuwe boek gezegd worden. Ook al wil het bijvoorbeeld een bijdrage leveren tot de milieufilosofie, het bevat geen onmiddellijke aanwijzingen voor actievoerders, laat staan pasklare antwoorden op alle dringende concrete problemen. Is dat een tekortkoming? Ik denk het tegendeel: ook al wordt vandaag vaak gedacht dat er geen grote verhalen meer bestaan, de huidige wereldeconomie is inderdaad een groot verhaal bij uitstek. Het is een fundamentele ideologie. Wie ooit de problemen wil oplossen die eruit voortkomen kan dat alleen maar vanuit een alternatieve visie. De actievoerders geven al te vaak op willekeurige plaatsen speldenprikken en ook politiek wordt nauwelijks door een samenhangend wereldbeeld geïnspireerd. Lemaire biedt die alternateive visie niet zomaar op een schaaltje aan. Er is wel degelijk nog werk te doen. En hij zal de laatste zijn om te ontkennen dat ook anderen al een stuk van het werk geleverd hebben. Maar de bijdrage van Lemaire is baanbrekend, hij stuurt ons op zijn minst in de goede richting. Daarom heb ik het mij veroorloofd om boven dit stuk dezelfde titel te plaatsen als Achterhuis bijna een kwarteeuw geleden. Ik moet dan wel toegeven dat de gedachtegang van Lemaire niet altijd langs rechte paden loopt. Ook al schrijft hij heel duidelijk, soms duurt het heel lang vooraleer men door krijgt waar hij naar toe wil. Maar misschien is het dwalen wel belangrijk, misschien leidt de rechte weg niet altijd naar de juiste plekken, de plekken waar de dualismes overwonnen worden. En daar ook wel eens verdwalen bij. Ik denk aan de discussie over het sublieme, dat de directe toegang tot de natuur zou openen. Eigenlijk is het laatste argument van Lemaire daarin: wie het niet ziet is vervreemd. Misschien wel, maar wie garandeert op dat zelfde moment dat ook Lemaire niet zelf en om andere redenen vervreemd is? Hij waarschuwt er zelf voor dat zelfs het sublieme gecommercialiseerd kan worden. Daar zou het kritisch onderscheid natuur en cultuur tegen wapenen. Het is toch eigenlijk wel een cirkelredenering. Ze toont hoe moeilijk die natuur op zich aan te raken is. Lemaire toont effectief hoe moeilijk bereikbaar de natuur is: lawaai - algemene verschrompeling van de zintuigen … Het zou bijna een wonder zijn om de vervreemding die ermee samengaat te overstijgen! Maar dat belet niet dat hij de vervreemding wel degelijk toont. Wanneer hij zich op de filosofie van Merleau-Ponty beroept voelt men dat hij er eindelijk geraakt. Ik ben er trouwens van overtuigd dat die - nog altijd te weinig gekende Franse filosoof - hem nog verder had kunnen brengen. Al te vlug trekt hij de conclusie dat de natuur slechts in schaarse - poëtische - momenten bereikbaar zou zijn. Misschien is het nog waar ook, maar ik denk dat zijn stelling op een filosofisch vlak toch nog verder uit te bouwen is. En dat kan niet onbelangrijk zijn als men het alternatief voor het antropocentrisme voldoende sterk wil maken. Lemaire komt uit bij een tragisch hedonisme. Ik kan er heel ver inkomen, maar ik kan mijn irritatie niet verbergen als ik merk dat Lemaire vindt dat hier onmenselijke inspanningen voor nodig zijn. Dat geeft onmiddellijk de indruk dat hij de lat zo hoog legt dat men er niet onderkan, dat hij toch blijft dromen om volmaakt gelukkig te zijn en dus wel moet lijden omdat dit niet haalbaar is. Nochtans volstaat het mijns inziens te vertrekken van bescheidenheid: de mens is gewoon beperkt en eindig. Waarom zou dat tragisch moeten zijn? Waarom zou de wereld er ideaal moeten uitzien? Wordt precies die verwachting niet ingegeven doordat de mens al te centraal gesteld wordt? Is ook Lemaire niet finaal nog wat besmet door het antropocentrisme dat hij terecht verwerpt? Dat hij finaal niet of ternauwernood ‘buiten geraakt’ is op zich wel niet erg en zeker geen mislukking. Hij wijst het toch aan, het moet er zijn, het antropomorfisme zit fout. Ik kan het aan de andere kant alleen maar toejuichen dat dit voor Lemaire geen reden is om zich dan maar volledig aan de natuur over te geven. Hij wil een aanhef voor een milieufilosofie geven, die vertrekt vanuit een poging tot verzoening tussen natuur en mens. Dat lijkt me de juiste optie.

Mijn kritische vragen willen geen afbreuk doen aan het werk dat Lemaire gepresteerd heeft. Niet veel filosofen wagen zich nog aan zo’n opdracht. Het lijkt me het beste te besluiten met enkele woorden uit het eerste essay van Wandelenderwijs: ‘Maar laten we niet vergeten dat de kunst van het wandelen niets te maken heeft met de geest van prestatie, uitdaging of wedijver. Het is veeleer het vermogen om het juiste pad te vinden, een pad dat naar het hart van het landschap leidt’ (11). Ik ben er heel erg van overtuigd dat Ton Lemaire de kunst van het wandelen heel goed beheerst.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 47 tot 53