Log in

'De toekomst is vrij - over het liberalisme in de 20ste eeuw'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 44 tot 46

De toekomst is vrij - over het liberalisme in de 20ste eeuw

Karel De Gucht
Houtekiet, Antwerpen/Amsterdam, 2002

De voorzitter van de liberale partij voorspelt dat de toekomst liberaal zal zijn. Hij gaat ervan uit dat de westerse ideologische strijd van de vorige eeuw voorbij is. De liberale democratieën triomferen, want zij hebben gezorgd voor meer welvaart en vrijheid. Een modern liberalisme moet vorm gegeven worden, door het te toetsen aan reële problemen en specifieke onderwerpen. Dat doet de auteur ook uitvoerig. Voor een heel pak politieke en maatschappelijke problemen wordt een liberale oplossing aangereikt. Dat maakt de lectuur van het boek af en toe wat slaapverwekkend. Je hebt het op de duur wel gehad, want alles is al wel eens in de krant of op TV gezegd. Men kan niet eens wachten tot het boek op de markt is om erover te schrijven.
Maar laat mij het toch nog even houden bij de liberale uitgangspunten. Sinds Fukuyama wordt er steeds opnieuw op gehamerd dat de liberale ideologie gewonnen heeft. Voor het gemak worden de woorden liberaal en democratie min of meer als synoniemen gebruikt. En er wordt vooral gedaan of de welvaartsstaat een liberale prestatie is. Dat is natuurlijk de geschiedenis geweld aandoen. Met minstens evenveel recht zegt men dat het de sociaaldemocratie geweest is die de welvaart en de vrijheid heeft opgeleverd. Eerlijk is echter toe te geven dat de Westerse welvaart en vrijheid een gevolg zijn van voortdurende afspraken tussen verschillende partijen. Af en toe ging dat makkelijk, soms waren daar radicale confrontaties voor nodig. Het is niet eens juist daar een tegenstelling van te maken tussen de voorstanders van de totaal vrije markt en de voorstanders van het collectivisme. De Gucht suggereert wel af en toe dat het daarover gaat en geeft een overbelichting aan de tegenstelling tussen liberalen en communisten. Ik denk dat het - zeker in Europa - in de werkelijkheid gegaan is om een ‘geciviliseerde strijd’ tussen voorstanders van een sociaal gecorrigeerde markt, waarbij de echte discussie ging over de mate waarin gecorrigeerd moet worden (ergens gebruikt De Gucht zelf de uitdrukking: geïnstitutionaliseerde klassenstrijd - 86). De sociaaldemocraten hebben de politiek mee bepaald, niet de marxisten. Die enkele keren dat communisten in een regering zaten hebben ze zich gedragen als keurige sociaaldemocraten. Men moet trouwens zowel voor liberalen als socialisten een onderscheid maken tussen de ideologie en de praktijk. Het extreme geloof in de vrije markt en het extreme geloof in de collectivisering is nooit echt verspreid geweest. Natuurlijk weet De Gucht dat wel, maar het is blijkbaar wat makkelijker om zich af te zetten tegen een echt dreigende vijand. Maar misschien kan hij Het socialisme tegen de staat van Emile Vandervelde eens ter hand nemen.
Een liberaal heeft de vrijheid hoog in het vaandel. Groot is dan ook de verrassing te lezen hoe De Gucht er niet in slaagt dat begrip filosofisch te vatten. Heel vlug komt hij tot de conclusie dat dit niet kan. Vrijheid is eigenlijk een illusie, maar ze is nu eenmaal nodig om zin te geven aan het menselijk bestaan (13). Ik ga het niet proberen in zijn plaats te doen, maar dat is toch schamel! Vrijheid is een noodzakelijke illusie! De Gucht koketteert blijkbaar graag met Karl Marx. Hij vindt dat het bekende basis-bovenbouw-verhaal eigenlijk wel klopt (15-16). Ik veroorloof mij daarom hem met een andere bekende visie van Marx te confronteren. Deze noemde godsdienst opium van het volk. Het gaat er mij nu niet om of hij gelijk had. Ik wil alleen de vraag stellen of vrijheid dan in dezelfde categorie van ‘geestesverruimende middelen’ moet gestopt worden? Maar dan moet opgemerkt worden dat Marx de godsdienstige illusie geen positief fenomeen vond. Godsdienst ketende de mensen, omdat zij hen verzoende met hun ellendig bestaan. Opium en andere illusies geven alleen maar een gevoel van vrijheid en hebben er verder weinig mee te maken. Als men de vrijheid nodig heeft om zin te geven aan het bestaan, en daar kan ik persoonlijk absoluut inkomen, dan moet men erin slagen daar ook een behoorlijke invulling te geven. De Gucht heeft toch voldoende filosofen ter beschikking om dat te doen. Of zijn ze niet liberaal genoeg? Moet hij dan toegeven dat ook linkse mensen over vrijheid schrijven?
Maar goed, De Gucht probeert te beschrijven hoe het vrijheidsbegrip in de menselijke beschavingsgeschiedenis gestalte gekregen heeft. Hij begint met de Magna Carta en gaat over de mensenrechtenverklaring en de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring. Vrijheid wordt in de loop van de geschiedenis een holistisch begrip, dat naast grondrechten, ook sociale en culturele rechten omvat.
Uit dat overzicht put hij de idee dat socialisten en liberalen eenzelfde doel hebben, met name vrijheid. Ze hebben wel andere middelen: voor socialisten is dat dwang, voor liberalen is dat vrijheid (die dus zowel doel als middel wordt). Ondertussen hebben de socialisten leren leven met de vrije markt, terwijl de liberalen op die vrije markt vertrouwen. Liberalen zijn ook principieel voor sociale rechtvaardigheid. Ze zijn zelfs milieugevoelig, maar op een andere manier dan de groenen (27-28). Ook dit is een merkwaardige redenering. Socialisten en liberalen willen vrijheid, socialisten willen die bereiken door dwang, liberalen door vrijheid. Dat is geen voorbeeld van zindelijk denken. Opnieuw gaat De Gucht voorbij aan de historische betekenis van de brede arbeidersbeweging in de ‘beschavingsgeschiedenis’. Maar afgezien daarvan, denk ik dat het socialistische ideaal beter op een andere manier benaderd wordt. Socialisten willen gelijkheid, gelijke kansen, sociale rechtvaardigheid … Je kan het op verschillende manieren verwoorden, maar het doel zal nooit in tegenspraak met vrijheid zijn. Vrijheid hoort een voorwaarde te zijn om een behoorlijke samenleving uit te bouwen. Het is zelfs een noodzakelijke voorwaarde, want men kan mens-zijn in mijn overtuiging met vrijheid gelijkstellen. En het is waar dat vormen van socialisme precies die vrijheid op een onmenselijke manier beknot hebben. Zoals dat ook gebeurd is voor vormen van liberalisme. Ik denk maar aan wat Pinochet, onder advies van zeer radicale Amerikaanse liberalen, ooit uitgespookt heeft. Maar beweren dat socialisten per definitie de vrijheid via dwang willen realiseren, de vrijheid dus onvermijdelijk als voorwendsel gebruiken, is de waarheid geweld aan doen. Meer woorden mogen daaraan niet verspild worden.
Zijn probleem is dat hij per se wil aantonen wat het liberalisme onderscheidt van het socialisme. En in zijn ogen is dat, daar ben ik van overtuigd, een sociaal liberalisme. Ik heb al opgemerkt dat het dan makkelijker is zich af te zetten tegen een schrikbeeld. Maar het gaat gewoon niet. Men moet durven erkennen dat liberalisme en socialisme een gemeenschappelijke wortel hebben. Noem die inderdaad de vooruitgangsgedachte of de verlichting of hoe je ook wilt, maar claim die niet voor uzelf alleen. Ik ga er hier aan voorbij dat dit niet alleen een positieve erfenis is. Ik wil er alleen op wijzen dat beide stromingen een belangrijke impact gehad hebben op de westerse samenleving en dat beide hun ontsporingen gekend hebben. Betekent dat het einde van de links-rechtstegenstelling, zoals De Gucht het graag wil laten voorkomen? Er is een wervend project nodig, schrijft hij. Dat moet vertrekken van het vertrouwen in de mensen/burgers, meer bepaald in hun vermogens en hun verantwoordelijkheidszin. Dat impliceert verzet tegen geïnstitutionaliseerd wantrouwen en tegen de idee dat het vooral gaat om sanctioneren en controleren. Men moet vooral aanmoedigen. De liberalen staan bij uitstek voor een emancipatorische stroming. En de mensen zijn effectief mondiger geworden. Het tijdperk van de bevoogding loopt ten einde. Dat sluit niet uit dat er een degelijke (sociale) bescherming nodig is, maar ze moet efficiënter. We hebben geen nood aan een hangmatcultuur. Er is plaats voor het middenveld, maar het mag niet in de plaats van de politieke besluitvorming komen (64-78). Hier zie je het onderscheid dan toch duidelijk: liberalen geloven in de mondigheid van het individu. Iedereen moet zijn eigen lot in handen nemen. Socialisten geloven dat niet iedereen even mondig of sterk is en dat solidariteit dat moet compenseren. Zo eenvoudig is dat. Socialisten willen helemaal niet dat mensen afhankelijk worden van sociale zekerheid, de zogenaamde hangmatcultuur. Of heeft De Gucht de hele discussie over de actieve welvaartsstaat aan zich laten voorbijgaan? Socialisten zijn helemaal niet afkerig voor de idee dat de politiek haar verantwoordelijkheid moet nemen. Socialisten willen dat iedereen gelijke kansen krijgt. En dat wil niet zeggen: iedereen moet gelijk aan de start staan en dan maar zijn plan trekken! Wie onderweg blijkt problemen te hebben moet extra gesteund worden. Is dat bevoogding? Voor liberalen wel, omdat zij de mensen vertegenwoordigen die geen extra steun nodig hebben. Je ziet dit bijvoorbeeld als de contouren voor de nieuwe sociale verhoudingen geschetst worden: liever geen CAO’s meer, liever geen index, decentralisering van het sociaal-economisch beleid, stimuleren van zelfstandigen … (92 e.v.), telkens zijn het ideeën die de sterksten in de samenleving goed uitkomen. Moderne socialisten willen niet zonder meer oplossingen die voor iedereen gelden. Misschien is dat in het verleden wat teveel het geval geweest. Vandaag zijn zij helemaal niet afkerig van maatwerk en ze hebben er niets op tegen dat mensen hun eigen boontjes doppen. Maar solidariteit blijft cruciaal. Het is echt geen toeval dat De Gucht niet wil inzien dat in de ziekteverzekering bijna mathematisch kan voorspeld worden hoeveel geld er ieder jaar meer zal nodig zijn.
Ik denk dat daarmee de basisprincipes uit het boek kritisch belicht zijn. Die worden dan effectief eindeloos toegepast, getoetst. Liberalen zijn voor pluralisme. Zij beschouwen veiligheid als een kerntaak van de overheid. Sociale zekerheid moet zich beperken tot een (weliswaar royale) basisvergoeding. Milieuproblemen mogen niet overdreven worden. Inzake ruimtelijke ordening mag niet te streng opgetreden worden… Niets verrassends. Ook de standpunten over migratie zijn bekend. Dat De Gucht het Vlaams Blok met mestkevers in verband durft brengen weten we ook al langer. Mij was dan wel minder bekend hoever de liberalen inzake defederalisering willen gaan. Eigenlijk willen zij België zien verdwijnen. Defensie, buitenlands beleid en handelspolitiek moeten op een Europees niveau getild worden. Ongeveer al de rest moet op Vlaams niveau: ziekteverzekering, werkgelegenheidsbeleid, welzijn, belastingen, spoor. Alleen justitie lijkt federaal te moeten blijven (of is het gewoon vergeten?). En de staatsschuld waarschijnlijk ook. En er mag zeker geen enkele solidariteit met Wallonië overblijven: in de ziekteverzekering moet per hoofd van de bevolking eenzelfde bedrag toegekend worden. Europa is een uniek historisch, uitermate genereus project. Dat Europa ook sociaal hoort te zijn is niet echt een punt. Dat zal wel vanzelf komen. Waarvan akte.
Het boek van De Gucht is absoluut geen dom boek. Het dwingt op zijn minst de posities nog maar eens duidelijk te stellen. Of de wereld er, zeker na het recente werk van Dirk Verhofstadt, zat op te wachten is een andere zaak. De media zullen er ongetwijfeld wel voldoende aandacht aan schenken. Maar voor hen zou een dunner boek al volstaan hebben. En in de verkiezingscampagne scheelt dat toch altijd een slok op de borrel. Of brengt zo’n ‘werk’ echt zichzelf op?

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 44 tot 46