Abonneer Log in

Europese doelstellingen voor tewerkstelling: kan België ze halen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 30 tot 35

We kunnen vandaag niet meer om de invloed van Europa op allerlei beleidsterreinen heen. Ook op het vlak van het arbeidsmarktbeleid wordt een Europese afstemming nagestreefd. Het in 1997 aangevatte proces van Luxemburg geeft dynamiek aan dit Europees werkgelegenheidsbeleid. Maar het is zeer de vraag of de Europese doelstellingen zomaar toegepast kunnen worden op lokale arbeidsmarkten. Een doorlichting van de Belgische situatie moet duidelijk maken dat deze doelstellingen niet zomaar te veralgemenen en overal relevant zijn. In het licht van onze sputterende economie en de teruglopende werkgelegenheid biedt deze aanpak interessante inzichten.

De Europese werkgelegenheidsstrategie

Het zogenaamde proces van Luxemburg werd op de buitengewone top van Luxemburg (november 1997) in de steigers gezet en beoogt het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten te coördineren en op te volgen. In het kader van dit proces wordt sindsdien ieder jaar een nieuwe versie opgemaakt van de Europese beleidsdoelstellingen of ‘richtsnoeren’ voor het werkgelegenheidsbeleid. De lidstaten stellen jaarlijks een Nationaal Actieplan op dat een overzicht biedt van de realisaties in het afgelopen jaar en de geplande acties voor het volgende jaar. Op basis van een analyse van de actieplannen keuren de Europese Commissie en Raad vervolgens een gezamenlijk verslag goed over het gevoerde beleid in de diverse lidstaten, met o.m. de aanduiding van goede praktijkvoorbeelden en aangevuld met een aantal individuele aanbevelingen aan het adres van elke lidstaat.
Op de buitengewone top van Lissabon (maart 2000) heeft de Europese Unie zich tot doel gesteld om ‘de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot een duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang.’ Concreet werd dit in de (horizontale) doelstelling vertaald dat 70% van de Europeanen tussen 15 en 64 jaar tegen 2010 aan de slag moet zijn. Tegelijkertijd moet 60% van de vrouwen aan het werk zijn.
Op de raad van Stockholm in maart 2001 werden deze doelstellingen verfijnd. Concreet stelde men tegen 2005 te bereiken tussentijdse doelstellingen vast, zijnde 67% voor de totale werkgelegenheidsgraad en 57% voor vrouwen. Daarnaast werd overeenstemming bereikt over een werkgelegenheidsdoelstelling voor ouderen: tegen 2010 zou de werkzaamheidsgraad van de 55 tot 64-jarigen gemiddeld 50% moeten bedragen. Aangezien deze horizontale doelstellingen een algemeen, coherent en adequaat beleidskader vormen, zal aan de hand hiervan de Vlaamse en Belgische arbeidsmarkt doorgelicht worden. Het is daarbij niet de bedoeling een alomvattend beeld te geven van de Europese werkgelegenheidsstrategie in het kader van onze arbeidsmarkt(en), wel om enkele markante kanttekeningen te plaatsen.

Tabel 1: Werkzaamheidsgraad 2001 (gemiddelde van de eerste drie trimesters; in procentpunten)

Bron: Administratie Werkgelegenheid, 2002: p. 52-68

De Belgische en Vlaamse arbeidsmarkt

De situatie ziet er voor België niet al te best uit. De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (HRW) (2002a: p. 8) is niet mals met zijn conclusie: ‘Met het huidig niveau van werkgelegenheidsgraden bevindt België zich veeleer aan de staart van het Europese peloton voor elk van de geformuleerde streefcijfers.’

Doelstellingen Stockholm

De Stockholm-doelstellingen betreffende de totale werkzaamheidsgraad van 67% en de vrouwelijke werkzaamheidsgraad van 57% zouden voor Vlaanderen wél haalbaar moeten zijn. Uitgaande van prognoses uitgevoerd door het Steunpunt WAV en VIONA (2001: p. 13, p. 35-42) zal de werkzaamheidsgraad in 2005 tot 66,7% evolueren, dat is dicht tegen het objectief van 67%. De Stockholm-doelstelling voor vrouwen is in Vlaanderen momenteel quasi bereikt en een daling zit er niet aan te komen. In 2001 bedroeg de werkzaamheidsgraad bij vrouwen bijna 59% bij onze drie belangrijkste partners (Nederland, Duitsland en Frankrijk). De Drie Scandinavische landen presteren hier het best. Gemiddeld bedroeg de werkzaamheidsgraad van vrouwen in 2000 er zowat 69% (HRW, 2002a: p8). De doelstelling voor ouderen (een werkzaamheidsgraad van 50% in 2010) is echter niet haalbaar, ook niet in Vlaanderen. Zelfs indien ouderen hun uittredepatroon plots grondig wijzigen, is een verdubbeling van de participatie onhaalbaar (Steunpunt WAV en VIONA, 2001: p. 14). Zweden, Denemarken, Portugal en het Verenigd Koninkrijk hebben voor die leeftijdsgroep de hoogste werkgelegenheidsgraad en doen het nu al beter dan het Europese streefcijfer van 50% in 2010 (HRW, 2002a: p.8).

Doelstellingen Lissabon

De doelstellingen van Lissabon zijn - zelfs voor Vlaanderen - te hoog gegrepen. Volgens WAV-VIONA berekeningen (2001: p. 14, p. 35-42) is de veroudering van de beroepsactieve bevolking hierbij een belangrijke beïnvloedbare factor. In 2010 zal het aandeel 50-plussers in de Vlaamse bevolking immers hoger liggen dan vandaag. Deze oudere groep participeert minder dan gemiddeld op de arbeidsmarkt. De negatieve impact van deze demografische verschuiving op de globale participatiegraad zal ruim 2 procentpunten bedragen. Hieruit volgt dat een stijging van de werkzaamheidsgraad van 64% naar 70% als het ware een groei met 8 procentpunten impliceert. En dat is waarschijnlijk iets té ambitieus.

Kanttekeningen

Kunnen we uit bovenstaande schets concluderen dat onze Belgische arbeidsmarkt het slecht doet? Neen, de Europese werkgelegenheidsdoelstellingen zijn namelijk moeilijk te vertalen naar onze arbeidsmarkt met zijn specifieke eigenschappen. Het is dus niet zo dat onze arbeidsmarkt op alle vlakken faalt. De (statistische) werkelijkheid is namelijk veel genuanceerder.

Tabel 2: Arbeidsreserve in België en de Europese Unie in 2000 (in procentpunten)

Bron: HRW, 2002b: p. 9

Arbeidsreserve

Kijken we bijvoorbeeld naar de arbeidsbereidheid van de Vlaamse bevolking. Wanneer je de bevolking tussen 15 en 64 jaar vraagt of ze de ambitie hebben te willen werken, antwoordt 68,4% affirmatief (Steunpunt WAV en VIONA, 2001: p. 15). In vergelijking met de doelstelling van 70% betekent dit dat meer mensen aan de slag moeten dan dat er bereid zijn te werken. De som van alle werkenden, plus de werklozen en de niet-beroepsactieven die verklaren nog te willen werken, ligt in Vlaanderen lager dan 70% van de bevolking op actieve leeftijd. Ook de HRW (2002b: p. 7) komt tot een gelijkaardige conclusie voor België: zelfs indien iedere werkzoekende een baan zou hebben, haalt België de 70%-norm niet. De totale activiteitsgraad (de mate waarin de bevolking actief is op de arbeidsmarkt, dit wil zeggen een job heeft of een job zoekt) schommelde in 2001 immers rond de 65%. Zoals gezegd zal de demografische ontwikkeling die tussen nu en het einde van het decennium mag verwacht worden het behalen van de Europese doelstellingen nog moeilijker maken. De activiteitsgraad zal immers spontaan afnemen door de verdere veroudering van de Belgische bevolking. Het aandeel van de leeftijdsgroep van 25 tot 44 jaar, die proportioneel het grootste aantal actieven telt (participatiegraad van zowat 88%), zou tussen 2000 en 2010 met vijf procentpunten teruglopen, terwijl het aandeel van de 55-64- jarigen, die een lage participatiegraad kennen (zowat 26%), met bijna vier procentpunten zou verruimen, namelijk van 15 tot 19% van de bevolking op arbeidsleeftijd.
Interessant wordt het om het inactieve deel van de bevolking nader te bekijken De HRW (2002b: p. 7-10) onderscheidt twee groepen. Ten eerste is er de arbeidsreserve in strikte zin die twee subcategorieën omvat: de personen die niet onmiddellijk (binnen de twee weken) beschikbaar zijn en de inactieve personen die momenteel geen werk zoeken maar toch wel zouden willen werken. Deze subgroep omvat de zogenaamd ontmoedigden: mensen die ervan uitgaan dat voor hen geen job beschikbaar meer is of door hun kwalificaties, hun leeftijd of hun ontoereikende mobiliteit niet snel een nieuwe job denken te vinden. Deze subgroep omvat daarnaast personen die om gezinsredenen (voornamelijk vrouwen met kinderen), om persoonlijke redenen, om gezondheidsredenen of omdat zij opnieuw een opleiding of studies aanvatten, niet kunnen deelnemen aan het arbeidsproces. Ten tweede zijn er degenen die niet wensen te werken.
In 2000 bedroeg in België het aantal werkzoekenden zowat 4,3% van de bevolking op arbeidsleeftijd, tegen bijna 6% gemiddeld in de Europese Unie. Het aantal personen in de zogenaamde arbeidsreserve in strikte zin beliep 1,9%, tegen zowat 4,4% in de Unie. De HRW (2002b: p. 8) concludeert hieruit dat België niet alleen gekenmerkt wordt door een relatief lage werkgelegenheidsgraad in vergelijking met de andere lidstaten van de Europese Unie, maar ook door een geringe arbeidsreserve in strikte zin. Enkel in Portugal (1,3%), Griekenland (1,4%), Frankrijk en Luxemburg (1,7%) is die arbeidsreserve in strikte zin nog beperkter. Het aantal inactieven dat helemaal niet meer aan de arbeidsmarkt deelneemt, bedroeg in België ongeveer 33% van de bevolking op arbeidsleeftijd. Deze cijfers spreken voor zich: één inwoner op drie in België tussen de 15 en de 64 jaar wenst niet te werken. Enkel in Griekenland en Luxemburg ligt het aandeel van inactieven in de bevolking tussen 15 en 64 jaar nog hoger. In de Europese Unie bedroeg dit aantal gemiddeld één op vier.
Volgens het Steunpunt WAV en VIONA (2001: p. 15) zou men kunnen stellen dat er vooral een economische rationaliteit aan de Europese werkgelegenheidsdoelstellingen ten grondslag liggen alhoewel ze als ‘sociale doelstellingen’ voorgesteld worden:‘het lijkt erop dat een verhoging van het financiële draagvlak voor de sociale zekerheid meer meespeelt bij het bepalen van de 70% als norm dan de verhoging van het aandeel werkenden tot een niveau waarop iedere inwoner die wenst te werken een baan krijgt.’ Overigens, wat de betaalbaarheid van de sociale zekerheid betreft, dient de volgende kanttekening gemaakt te worden. Volgens berekeningen van het Federaal Planbureau (Englert, 2002) staan tegenover de stijgende uitgaven heel wat dalende kosten zodat er in principe geen extra financieringsproblemen zullen zijn. Dit lijkt paradoxaal. Het lijkt immers overduidelijk dat door het dalende geboortecijfer, de hogere levensverwachting, de massale toetreding tot het pensioen van de babyboomgeneratie vanaf 2010 de pensioenuitgaven en de uitgaven voor gezondheidszorg de pan uit zullen swingen. Het Planbureau berekende de werkelijke socialezekerheidskosten en kwam tot een verrassend resultaat.
Voor elke 100 mensen van 20 tot 59 jaar zijn er momenteel 40 personen die 60 jaar en ouder zijn. In 2050 zullen dat er 70 zijn. De pensioenuitgaven zullen tussen 2,4 en 3,1% van het bruto binnenlands product (bbp) toenemen afhankelijk van welke economische groei uitgegaan wordt (zie tabel 3). De stijging van de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg zou rond 3% schommelen. De relatieve vermindering van de uitgaven voor de jongere leeftijdsgroepen (kinderbijslag, werkloosheidsuitkering, e.d.) zou daarentegen de groei van de uitgaven met ongeveer 2% van het bbp doen dalen. In totaal zouden de begrotingskosten van de vergrijzing tegen 2050 tussen 3,3 en 3,9% van het bbp liggen. Die cijfers verminderen met 0,5% van het bbp indien rekening wordt gehouden met de weerslag van de te verwachten daling van de schoolbevolking op de onderwijsuitgaven.

Tabel 3: Sociale uitgaven en uitgaven voor onderwijs bij twee macro-economische scenario’s (in procent van het bbp; verschil tussen 2050 en 2000)

Bron: Englert, 2002

Het planbureau concludeert hieruit dat zowel de stijging van de pensioenuitgaven als de begrotingskosten van de vergrijzing - hoe belangrijk ook - bescheiden zijn ten opzichte van de demografische uitdaging (een toename van 71% ouderen in de bevolking tussen 2000 en 2050). In principe blijft onze sociale zekerheid dus betaalbaar en zullen we geen financieringsproblemen ondervinden. Belangrijke voorwaarde, aldus het Planbureau, is dat de overheidsschuld de komende vijftig jaar blijft dalen.

Werkzaamheidsgraad jongeren

Wat opvalt in de werkgelegenheidsstatistieken is de zeer lage werkzaamheidsgraad van jongeren. Dit heeft zo zijn gevolgen voor de totale werkgelegenheid. Een eenvoudige vergelijking met de Nederlandse situatie volstaat om dit aan te tonen. De Nederlandse werkgelegenheidsgraad ligt immers nu reeds hoger dan 70%, terwijl we in Vlaanderen nog geen 64% halen. Het verschil tussen Vlaanderen en Nederland wordt echter bijna gehalveerd wanneer de werkzaamheidsgraad berekend wordt zonder rekening te houden met de studenten. Vlaanderen kent dan een werkzaamheidsgraad tussen 15 en 64 jaar van 72% tegenover 75,6% in Nederland (Steunpunt WAV en VIONA, 2001: p. 109-115). Ook de HRW (2002b: p. 12-16) komt tot een gelijkaardige vaststelling en concludeert dat de keuze voor een kwalitatief hoogstaand voltijds onderwijs - wat wellicht grotendeels het relatief omvangrijke aantal hooggeschoolden in België verklaart - moet behouden blijven: ‘het aanmoedigen van bijklussen door een student via fiscale stimuli is voor de Hoge Raad geen beleidsprioriteit. Wel verdient een degelijke initiële opleiding voor jongeren absolute prioriteit en mag er geen rem worden gezet op langer studeren.’

Werkzaamheidsgraad in voltijds equivalenten

Een derde kanttekening die gemaakt dient te worden bij de Europese werkgelegenheidsdoelstellingen is het feit dat ze uitgedrukt zijn in personen en niet in voltijds equivalenten (VTE). Aldus zou men kunnen stellen dat in lidstaten waar deeltijdarbeid sterk ontwikkeld is en waar er relatief veel zogenaamd kleine banen zijn de doelstellingen relatief gemakkelijker kunnen gehaald worden. Laten we opnieuw de vergelijking met onze noorderburen maken. Zo is in Nederland de werkgelegenheidsgraad in VTE niet hoger dan in België, terwijl het verschil in personen bijna 13 procentpunten bedraagt (HRW, 2002b: p.3).

Nieuwe berekeningswijze

Ten slotte een bemerking die al het voorgaande relativeert. Het Instituut van de Nationale Rekeningen (INR) publiceerde eind november cijfers gebaseerd op nieuwe berekeningsmethodes. Om de realiteit van de arbeidsmarkt dichter te benaderen zijn er namelijk grondige veranderingen doorgevoerd aan de manier waarop de Belgische beroepsbevolking in kaart wordt gebracht. Dit gebeurde bijvoorbeeld door de beroepsbevolking in personen en niet langer in arbeidsplaatsen uit te drukken, door de definitie van werkloosheid te herzien, door de omvang van studentenarbeid in de zomermaanden beter in te schatten, door loopbaanonderbrekers niet langer als inactieven te catalogeren, door dubbeltellingen te vermijden, ... Het resultaat is verbazend: in 2001 telde België maar liefst 170.000 ‘werkende actieven’ meer dan in 1999. De werkgelegenheidsgraad maakt zo een fantastische sprong naar 62,2 procent. Plots benaderen we dus het Europees gemiddelde en bengelen we niet meer aan het Europese staartje. Met statistieken valt zoals steeds alles te bewijzen. Het hangt er maar vanaf welke cijfers je gebruikt.

Besluit

België zal nooit de Europese doelstellingen inzake werkgelegenheid tegen 2010 halen. Een totale werkzaamheidsgraad bij de beroepsbevolking van 70% is, zelfs voor Vlaanderen, compleet utopisch. De werkzaamheidsgraad van 55-plussers is een ramp en België behoort ter zake tot de slechtste leerlingen van de Europese klas. Omdat de (wereld)economie maar niet heropleeft, komen we stilaan terug op het werkgelegenheidsniveau waarmee we deze legislatuur gestart zijn. De balans is kortom pijnlijk: paarsgroen is er niet in geslaagd de werkgelegenheidscijfers op te krikken.
We kunnen deze slechte cijfers niet negeren, maar toch is België niet over zijn volledige werkgelegenheidsrapport gebuisd. De statistische werkelijkheid is namelijk genuanceerder. Zo wordt de totale werkzaamheidsgraad uitgedrukt in koppen en niet in voltijds equivalenten. Lidstaten met een hoog aantal deeltijdse jobs (zoals Nederland) scoren bijgevolg zeer goed. Wanneer we dezelfde vergelijking maar dan in voltijdse banen maken, wordt de voorsprong van deze landen merkbaar kleiner. Daarnaast wordt de beroepsbevolking gerekend vanaf de leeftijd van 15 jaar. Omwille van ons kwalitatief hoogstaand onderwijs en verhoudingsgewijs hoge aantal studenten, weegt de lage werkzaamheidsgraad van deze groep zwaar in ons nadeel door. Belangrijkste vaststelling is dat onze activiteitsgraad (de werkenden en de werkzoekenden tezamen) onder de 70% ligt. Als alle werkzoekenden dus effectief een job zouden hebben, halen we de Europese norm nog niet. Er moeten méér mensen aan het werk dan er bereid zijn te werken. In België blijkt één op drie mensen niet te willen werken. Het is vooral naar deze inactieve groep dat er beleidsmatig extra inspanningen moeten geleverd worden. Onder Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie werd daartoe alvast een belangrijke aanzet gegeven door de invoering van een nieuwe horizontale doelstelling inzake de kwaliteit van de arbeid.
Tot slot kan er gesteld worden dat statistieken zeker niet zaligmakend zijn. Recente bijgestuurde cijfers van het INR over de werkgelegenheid in ons land tonen aan dat de Belgische werkgelegenheidsgraad gelijke tred houdt met de Europese. De werkgelegenheidsgraad in België lag in 2001 volgens een nieuwe berekeningsmethode op 62,2 procent. Dat is 2,5 procentpunt hoger dan het cijfer dat eind augustus door Eurostat bekend werd gemaakt!

Yves De Ridder
Stafmedewerker studiedienst sp.a

Bronnen
- Englert, M e.a. (2002) Verkenning van de financiële evolutie van de sociale zekerheid 2000-2050. De vergrijzing en de leefbaarheid van het wettelijk pensioensysteem. Brussel: Federaal Planbureau.
- Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2002a) Het Belgisch arbeidsmarktbeleid in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Brussel: Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
- Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2002b) Verslag 2002. Brussel: Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
- Steunpunt WAV, VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (2001) De arbeidsmarkt in Vlaanderen, Jaarreeks 2001. Deel 4. Leuven: Garant Uitgevers.

Europa - tewerkstelling

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 30 tot 35