Log in

'Avant et après Auschwitz (suivi de Le Kremlin et l'Holocauste 1933-2001)'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 53 tot 54

Avant et après Auschwitz (suivi de Le Kremlin et l'Holocauste 1933-2001)

V. Petrenko
Flammarion, Paris, 2002

Vassili Yakovlevitch Petrenko is het archetype van een held van de Sovjetunie. Op de staatsiefoto vooraan zijn memoires, prijkt een forse man met brede schouders en een brede borst waarop een adembenemend aantal medailles prijken. Deze ijzervreter zou waarschijnlijk een voetnoot in de geschiedenis gebleven zijn, ware het niet dat hij een van de laatste commandanten in leven is die Auschwitz hebben bevrijd. De omstandigheden waarin dit is gebeurd, blijken niet zo duidelijk zodat men aan Petrenko heeft gevraagd om zijn ervaringen neer te schrijven.
De generaal mag dan al auteur zijn van tientallen artikels over de krijgskunde en als professor verbonden zijn geweest aan de prestigieuze militaire academie M.V. Frounze, toch is dit niet het werk van een bevlogen intellectueel.
Petrenko schrijft zeer korte stukjes waarin hij de etappes van zijn leven schetst. Hij is geboren in 1912, wordt soldaat op zeventienjarige leeftijd en klimt op van gewone infanterist tot officier.
Het boek is niet zozeer interessant omwille van de feiten die worden verteld, maar wel omwille van de maatschappelijke context. Door de ogen van Petrenko krijgen wij een beeld van het (soldaten)leven in de Sovjetunie.
Petrenko is een koele observator. Zijn stukjes lijken wel militaire verslagen. Zo beschrijft hij vrij afstandelijk de wijze waarop de Russische geheime dienst op last van Stalin officieren arresteerde. Ook over de bevrijding van Auschwitz wordt vrij nuchter geschreven. Er wordt meer aandacht besteed aan de wijze waarop dit - vanuit tactisch en strategisch oogpunt - is gebeurd dan aan de danteske taferelen die de bevrijders moeten hebben gezien. Alleen wanneer het leven van zijn manschappen in het gevaar komt, vertoont hij enige emotie. Zo negeert hij tijdens een van de campagnes in WO II bevelen van een apparatsjik.
De NKVD’ers die hem moeten arresteren, worden de vuurlijn in gejaagd. Wanneer zijn superieur bezorgd informeert naar de leden van de geheime dienst dreigt Petrenko hem neer te schieten indien hij zich op het slagveld vertoont. Het incident blijft zonder gevolg.
Na de wapenstilstand klimt hij op in de militaire hiërarchie en schopt het tot tweesterrengeneraal. In 1981 - hij is ondertussen gepensioneerd - neemt hij als oudstrijder in de Verenigde Staten deel aan een congres m.b.t. de holocaustontkenning. Een van de Amerikaanse deelnemers vraagt hem of het correct is dat het Rode Leger bewust heeft gewacht met het innemen van Auschwitz om de nazi’s te tijd te geven de aanwezige gevangenen uit te roeien. Witgloeiend van verontwaardiging antwoordt Petrenko zoals het een Russisch patriot betaamt: dit is leugenachtige propaganda. De vraag blijft echter nog lang nazinderen. Sterker nog, de immer loyale militair twijfelt en begint een onderzoek in de archieven. Zijn leven wordt stilaan beheerst door de vraag of Stalin al of niet bewust de jodenvervolging heeft genegeerd. In het boek zelf worden hierover een aantal hypotheses geformuleerd.
In het tweede deel bespreken IIya Altman en Claudio Ingerflom, respectievelijk directeur van het studiecentrum m.b.t. de Holocaust te Moskou en onderzoeksdirecteur bij het CNRS, op een meer wetenschappelijke wijze de houding van de sovjetautoriteiten t.o.v. de joden en de holocaust. Daar waar het b.v. voor Petrenko vaststaat dat Stalin een antisemiet was1, zijn de beide historici iets meer genuanceerd. Zij spreken zich niet zozeer uit over de persoon van Stalin, maar zoeken een verklaring voor de negatie van de holocaust door de Russische overheid (b.v. het doodzwijgen van de moord op tienduizenden joden door de nazi’s te Babi Jar). Zij doen dit op een zeer genuanceerde manier waarbij duidelijk wordt dat er sprake is geweest van een langzaam proces. Na de revolutie wordt antisemitisme nog streng bestraft, later wordt het lijden van de joden veronachtzaamd omdat het niet in de kraam past van de bewindvoerders. Slechts één punt van kritiek. Tot tweemaal toe worden de troepen van de anarchist Nestor Machno beschuldigd van pogroms (p. 26 en p. 242). Het vermeende antisemitisme van deze rebellenleider is een kwakkel die door zijn tegenstanders de wereld is ingestuurd. Wie zich een beetje in de materie heeft verdiept, weet dat zowel medestanders2, bewonderaars3 als onafhankelijke historici4 hebben getuigd dat Machno - zoals hij ook zelf herhaaldelijk heeft verklaard5 - geen antisemiet was. Dit detail doet echter geen afbreuk aan de kwaliteiten van het boek. In al zijn eenvoud is het immers niet alleen een interessante studie, maar ook een aangrijpende getuigenis en een boeiende kroniek van het dagelijkse leven van de doorsnee homo sovjeticus. Want, ondanks zijn status behoorde Petrenko niet tot de nomenklatura. Dit wordt goed geïllustreerd door een anekdote. Begin jaren zestig - Petrenko is dan al generaal - komt een frontkameraad, die tevens zijn superieur is, op bezoek in het Moskouse appartement. Wanneer deze even een plasje wil maken, is dat onmogelijk. Een van de buren bezet het gemeenschappelijke toilet. De generaal woont - tot ontsteltenis van zijn vriend - in een gemeenschapswoning.
Wanneer Petrenko de implosie van de oude maatschappij betreurt, is dat dan ook niet omwille van het verlies van materiële voordelen, maar wel omwille van het verdwijnen van de universele idealen die het communisme belichamen of zoals hij het zelf - onroerend naïef - uitdrukt: ‘Je crois vraiment que les idées d’internationalisme et d’amitié entre les peuples ne peuvent pas être des catégories idéologiques. C’est la norme de vie des gens ordinaires dans une société civilisée.’

Noten

  1. Over het (vermeende) antisemitisme van Stalin doen verschillende verhalen de ronde. Deze variëren van beschuldigingen van antisemitische opmerkingen (b.v. J. Elleinstein, Staline, Paris, Fayard, 1984, 510) en het aanzetten tot pogroms (bv. N. Krouchtchev, Souvenirs, Paris, Laffont, 1970, 251) tot het plannen van massale deportaties (zie J.J. Marie, Staline, Paris, Fayard, 2001, 854 e.v.). Rekening houdende met het feit dat de aantijgingen vaak worden gedaan door politieke tegenstanders of would-be historici (zie b.v. M. Amis, Koba the dread. Laughter and the twenty million, New York, Hyperion, 2002, 217-222) moet men er rekening mee houden dat in een aantal gevallen een loopje wordt genomen met de historische waarheid.
  2. P. Arsjinof, Geschiedenis van de Machnobeweging, Haarlem, De Zwarte Bibliotheek, 1983, 214 e.v., I. Mett, Souvenirs sur Nestor Makhno, Paris, Ed. Allia, 1938, 18, Voline, La révolution inconnue 1971-1921, Paris, 1947, 412 e.v.
  3. M. Menzies, Makhno, une épopée, Paris, Belfond, 1972, 177 e.v.
  4. A. Skirda, Nestor Makhno. Le cosaque libertaire. 1899-1934, Paris, Les éd. De Paris, 1999, 395 e.v.
  5. Zie N. Makhno, The struggle against the state and other essays, Edinburgh, AK Press, 1996, p. 28 e.v.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 53 tot 54