Log in

'Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 50 tot 52

Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen

Bob Van den Broeck en Marie-Claire Foblets (red.),
Acco, Leuven, 2002

Een bespreking van het boek Het failliet van de integratie? heeft aan het begin van het jaar 2003 iets bevreemdends. Dat heeft uiteraard alles te maken met de moord op de Marokkaanse moslimleraar Mohamed Achrak en de daaropvolgende rellen in Borgerhout op het einde van vorig jaar. Niet dat die feiten op zich nu zo bijzonder zijn. De volledige jaren negentig van de vorige eeuw staan vol van dergelijke gebeurtenissen, waarbij al dan niet racistisch geïnspireerde daden van autochtonen (politieagenten en burgers) werden gevolgd door verzet van misnoegde allochtonen (meestal mannelijke adolescenten). Wat de gebeurtenissen in Borgerhout van november jl. echter een apart karakter geeft in relatie tot het boek Het failliet van de integratie?, is de alomtegenwoordigheid van Dyab Abou Jahjah, de leider van de Arabisch Europese Liga. Het failliet van de integratie? bevat een bundeling van de belangrijkste Vlaamse essays over het thema ‘integratie’ uit de periode 1999-2002, een tijdsbestek waarin het Vlaamse multiculturalismedebat plots een andere wending kreeg door het feit dat ook allochtone stemmen van zich lieten horen. Een van hen was de stem van Dyab Abou Jahjah, van wie in het jaar 2000 twee opiniestukken in De Morgen verschenen. Zijn opiniestukken uit die periode krijgen tegen de achtergrond van de rellen in Borgerhout uiteraard een andere gevoelswaarde. Dat blijkt onder meer zeer duidelijk uit de analyse van Walter Pauli, adjunct-hoofdredacteur van De Morgen, op 10 december 2002 op de opiniepagina’s van De Morgen. Toen er na de rellen in Antwerpen een ware controverse was ontstaan over de persoon Abou Jahjah, dook Pauli in het archief van zijn eigen krant om zogezegd de ware bedoelingen van de AEL-leider te ontrafelen. Pauli kwam onder meer tot de conclusie dat Abou Jahjah verre van democratisch is en absoluut geen sociale bedoelingen heeft, waardoor hij eigenlijk radicaal zou indruisen tegen de politiek-ideologische visie van een krant als De Morgen. Dat laatste had Pauli blijkbaar niet ingezien op het moment dat de opinieteksten gepubliceerd werden…
Nochtans blijken de teksten van Jahjah niet altijd extreme standpunten in te nemen: zo pleit hij bijvoorbeeld voor ‘een correcte toepassing van de wet’ omdat ‘de multiculturele samenleving een feit is’ (p. 118-119), uitspraken die bijvoorbeeld door rechtsfilosoof Bob Van den Broeck in zijn inleidende tekst op de bundel op een heel andere manier gebruikt worden, met name in de context van het (te) zwakke minderhedenbeleid van de overheid: ‘Primordiaal is evenwel dat de overheid een keuze maakt over de finaliteit van haar beleid,’ zo schrijft Van den Broeck (p. 55). ‘Veel verder dan het obligate ‘iedereen moet zich aan de wet houden’ lijkt de overheid in deze keuze nog niet geraakt, wat niet wegneemt dat zij intussen wel een groot geloof in het ‘multiculturele samenleven’ belijdt. De multiculturele samenleving zou ‘ondertussen een feit geworden’ zijn en ‘het samenleven met andere volkeren en culturen’ zou te beschouwen zijn ‘als een verrijking’. De overheid laat echter stelselmatig na te verduidelijken wat zij onder multiculturalisme begrijpt.’ Blijkbaar is in het multiculturalismedebat niet alleen van belang wat er gezegd wordt, maar ook door wie het gezegd wordt…
De gebeurtenissen in Borgerhout hebben nog een andere impact op de bundel Het failliet van de integratie?. Na de rellen en de hetze rond Abou Jahjah leek het multiculturalismedebat plots in een ware stroomversnelling terechtgekomen. In het parlement leek het (mogelijke) ‘failliet van de integratie’ uitgegroeid tot het belangrijkste politieke agendapunt en in de kranten De Morgen en De Standaard konden tijdens de maanden december 2002 en januari 2003 bijna dagelijks opiniestukken over het thema worden gelezen, steeds vaker van de hand van allochtone auteurs overigens. Op die manier hebben de rellen in Borgerhout er impliciet voor gezorgd dat nauwelijks een half jaar na het verschijnen van Het failliet van de integratie? reeds een nieuwe bundeling opinieteksten over de multiculturele samenleving kan worden samengesteld. Bovendien lijken de gebeurtenissen van de afgelopen maanden misschien wel spontaan een bevestigend antwoord op te roepen op de vraag die in de titel van het boek gesteld wordt…
De actualiteit heeft er dus voor gezorgd dat het boek hier en daar achter de feiten aanholt. Dat neemt echter niet weg dat het een zeer relevant naslagwerk is (bijvoorbeeld voor het analyseren van de politieke ideeën van de hoofdrolspelers, cf. Walter Pauli in De Morgen). Bovendien kan men met vrij grote zekerheid voorspellen dat de gebeurtenissen in Borgerhout zich nog zullen herhalen in de huidige constellatie van de samenleving (met aan de ene kant een groeiend racisme van de autochtone bevolking en aan de andere kant een blijvende achterstelling van een groot aantal allochtonen). Op die manier zal de actualiteit de publicatie van een overzichtsbundel dus altijd wel overschaduwen, maar dat maakt die publicatie er niet noodzakelijk minder belangrijk op. In dit specifiek geval kan zelfs gesteld worden dat de actualiteit het boek nog waardevoller gemaakt heeft. De publicatie ervan biedt immers een mooie aanvulling bij de actualiteit in die zin dat het een aantal teksten bevat die een heldere evolutie schetsen van de meest prangende problemen in verband met multiculturalisme en integratie in Vlaanderen. De meeste teksten van de allochtone publicisten laten overigens niets aan het toeval over: in duidelijke bewoordingen kaarten zij de ontvlambare situatie aan waarin vele allochtonen leven, zodat het nauwelijks hoeft te verwonderen dat het vlak na de publicatie van het boek weer tot een uitbarsting is gekomen. Je kunt je als lezer zelfs afvragen hoe het in godsnaam mogelijk is dat het niet vaker tot een oproer komt. Door het feit dat de misnoegde teksten van de allochtone opiniemakers hier voor de eerste keer worden samengebracht, wordt de lezer zich pas echt bewust van de ernst van hun onvrede. In Het failliet van de integratie? wordt bovendien een verhelderend overzicht aangereikt van de manier waarop de Vlaamse ‘migrantenproblematiek’ ontstaan is: de geschiedenis van de naoorlogse migratie in Vlaanderen wordt onder meer ragfijn uit de doeken gedaan in de inleiding van Bob Van den Broeck en wordt ook gestaafd met getuigenissen uit de praktijk (onder meer in de teksten van Flip Voets, Carlos Theus, Fatima Bali en Fethi Gümüs).
Een andere belangrijke rode draad in het boek is die van de gemiste kansen. Er worden in de teksten die hier samengebracht zijn, immers heel wat concrete oplossingen aangeboden waar blijkbaar nooit naar geluisterd is. Bovendien valt het op hoe in het debat dat na ‘Borgerhout’ in een stroomversnelling terechtgekomen is, argumenten worden aangehaald die ook al jaren geleden verkondigd werden in de Vlaamse kwaliteitskranten en allerhande breed-maatschappelijke tijdschriften. Het is soms schrijnend om vast te stellen hoe sommige beleidsmakers plots denken het warm water te hebben uitgevonden met multiculturele ideeën die al jaren in het veld circuleren, zoals bijvoorbeeld de noodzaak van een gelijkwaardige dialoog tussen de autochtone meerderheid en de allochtone minderheden.
Beleidsvoorstellen die op het hoogste niveau nog steeds stiefmoederlijk behandeld worden, zijn onder meer maatregelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt en in het uitgaansleven, zoals die door Flip Voets (de voormalige integratieambtenaar van Antwerpen) worden bepleit, of Tarik Fraihi’s pleidooi voor de actieve participatie van allochtone organisaties in de ‘integratiesector’. Wat de arbeidsmarkt betreft, valt het overigens op hoe sterk er in verschillende opinies gewag wordt gemaakt van het belang van een grotere aanwezigheid van allochtonen in overheidsdiensten, een signaal dat nog steeds niet wordt opgevolgd door het beleid. Ander pijnpunt is de paternalistische mentaliteit die nog steeds overheerst in de integratiesector. Onder meer het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding wordt door vele allochtone auteurs op de korrel genomen als een instelling die enkel dient om het Vlaamse geweten te sussen, ‘want aan thema’s die wel structureel emancipatiebevorderend kunnen zijn - migrantenstemrecht, rechtstreekse échte participatie in de politiek, maatschappelijke aanvaarding van de islam, daadwerkelijke bestrijding van het antimoslimracisme, enzovoort - wordt in het beste geval slechts lippendienst bewezen,’ aldus Rezzak Cakar (p. 113). In zijn inleiding voegt Van den Broeck alvast enkele interessante nieuwe beleidsvoorstellen aan het rijtje toe, zoals een (Vlaamse) ministerportefeuille voor minderheden- en integratiebeleid en een minderhedeneffectenrapportage. Jammer genoeg zijn zulke opties voorlopig alleen maar in dovemansoren gevallen.
Het failliet van de integratie? past in de reeks ‘Minderheden in de samenleving’ van uitgeverij Acco, die vooral door de Leuvense antropologe Marie-Claire Foblets redactioneel wordt gecoördineerd. De samenstellers Van den Broeck en Foblets streefden daarbij niet naar volledigheid of representativiteit, maar bieden achteraan het boek wel een quasi exhaustieve bibliografie over het onderwerp aan uit de periode 1999-2002. De bijdragen van de auteurs werden in vier min of meer arbitraire hoofdstukken bij elkaar gebracht: het integratiedebat (dat de meeste bijdragen bevat), etniciteit en crimininaliteit, het stemrechtdebat en het cordon sanitaire. De bedoeling van de samenstellers was niet om een nieuwe bijdrage te leveren tot het debat, maar wel om ‘een verfrissende werking’ te ervaren bij het herlezen van de teksten. ‘De herlectuur van in het bijzonder stukken van jonge allochtone denkers in confrontatie met meer gevestigde pennen werkt interpellerend,’ aldus Foblets en Van den Broeck in hun voorwoord. Het boek kwam tot stand naar aanleiding van de vraag van de Waalse hoogleraar Felice Dassetto, die zich verwonderde over het hoge aantal Vlaamse publicaties over de problematiek van de pluralistische samenleving. In Wallonië bestaat er daaromtrent helemaal geen discussiesfeer. Is het omdat de ‘integratie’ er beter gelukt is dan in Vlaanderen of omdat er pleinvrees bestaat bij de Waalse intellectuelen en publicisten? Nochtans toont Van den Broeck aan dat bijvoorbeeld de ‘Eigen volk eerst’-retoriek zeker geen exclusief Vlaamse aangelegenheid is, maar historisch ook wortels heeft in Waalse en Brusselse kringen.
Interessant in de bundel is het vertaalde artikel van de Zwitserse islamoloog Tariq Ramadan, over de manier waarop de inlichtingendiensten van de landen van herkomst de Europese moskeeën en moslimgemeenschappen in hun greep proberen te houden. Die inlichtingendiensten (van bijvoorbeeld Saoedi-Arabië of Turkije) werken overigens nauw samen met de Europese inlichtingendiensten, die via die onderhuidse samenwerking politieke en religieuze controle over de islam willen verwerven. Ramadan pleit er dan ook voor dat de Europese staten een openlijke samenwerking aangaan met de nieuwe generaties moslims, die immers steeds minder verbonden zijn met de landen van herkomst.
De tekst die de meest vernieuwende inzichten aanreikt, is de bijdrage van Sami Zemni. Hij reageert op een vaak gehoorde westerse kritiek dat de islam zich nog steeds in een pre-modern stadium zou bevinden en er daardoor een conflict bestaat tussen de godsdienstige regels en de praktijk. Moslims in de hedendaagse westerse samenleving vertonen immers in de alledaagse praktijk vaak een gedrag dat afwijkt van hun religieuze norm (bijvoorbeeld op het vlak van relaties en seksualiteit of het gebruik van alcohol). Dat is volgens Zemni echter geen deviant gedrag, maar een ‘onderhandeling met de norm’. Waar westerlingen een discrepantie tussen discours en praktijk al snel als hypocriet zullen bestempelen, wordt er in de islam op een andere manier omgesprongen met maatschappelijke verandering. ‘Onder de referentie naar de islam en zijn ogenschijnlijke onveranderlijkheid schuilt er wel degelijk een orde van maatschappelijke verandering. Deze orde blijft impliciet, want ze wordt niet benoemd binnen de publieke sfeer.’ (p. 141) Zo is bijvoorbeeld polygamie zo goed als verdwenen in de moslimlanden van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, maar wordt de wet niet aangepast, omdat men ervan uitgaat dat de oorspronkelijke islamitische wetgeving perfect is en er niet aan getornd mag worden. Daarnaast komt het er voor islamieten vooral op aan om een levenswijze op te bouwen die op een of andere manier gelegitimeerd kan worden in islamitische termen. Men keert zich met andere woorden niet af van de godsdienst (cf. de Verlichting in het Westen), maar men manipuleert haar. Op die manier wordt de autonomie van het individu niet beperkt. Elke moslim refereert gewoonweg op een andere wijze naar de gemeenschappelijke symbolen. De ‘verscheurdheid tussen twee culturen’, waarin vele migrantenjongeren zich zouden bevinden, mag daarom niet als een private ‘clash der beschavingen’ beschouwd worden. Zij is eerder een delicate evenwichtsoefening en die complexiteit wordt in de tekst van Zemni op verhelderende wijze duidelijk gemaakt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 50 tot 52