Log in

'Democratie in ademnood? Over legitimiteit, legitimatie en verfijning van de democratie'

Democratie in ademnood? Over legitimiteit, legitimatie en verfijning van de democratie

Bernard Hubeau en Michiel Elst (eds.)
Tegenspraak-reeks cahier 21\ndie Keure, Brugge, 2002

Het was een bevreemdende ervaring Democratie in ademnood? te lezen in volle kiescampagne voor de federale verkiezingen van 18 mei 2003. Terwijl in kranten en op televisie alles (maar dan ook alles) rond politici en hun ambities in de nabije toekomst draaide, wordt in het boek de rol van de politiek en de politici sterk gerelativeerd. Verkeert de democratie in ademnood? Daar was alvast bij Bracke & Crabbé niets van te merken. En was het programma Doe de Stemtest geen knap staaltje om de democratie echt tot leven te laten komen? Zwaaiend met de kijkcijfers van de VRT-verkiezingsshow zou je zelfs kunnen denken dat het nog nooit zo goed gesteld is geweest met onze democratie. Siegfried Bracke schrijft in De Standaard (09-05-2003) dat door de televisie de democratie ‘niet langer het exclusieve terrein van ingewijden, middenveld-professionals en herenclubjes’ is. Politiek is een zaak ‘van’, ‘voor’ en ‘door’ gewone mensen geworden, en is het dat niet wat ‘democratie’ per definitie zou moeten zijn?

De euforie over de democratie vanuit de mediahoek is misplaatst en duidt waarschijnlijk enkel op het feit dat het goed gaat met de relatie tussen media en politiek. De media hebben in de voorbije kiescampagne ontdekt dat politiek en kijkcijfers samen kunnen gaan - wat op zich zeker niet slecht is - maar dat zegt niets over de toestand van de politiek en de democratie als dusdanig. Wat moeten we trouwens van onze democratie denken na de ‘stoelendans der ministers’ in de Vlaamse regering; en wat moeten we van onze democratie denken nu blijkt dat ze met handen en voeten is gebonden aan internationale economische evoluties, aan Europese richtlijnen en aan lobbyisten allerhande?

Het beeld dat in enkele bijdragen van het voorliggende boek wordt opgehangen is niet erg bemoedigend. Jonge mensen met (partij)politieke ambitie die het boek als vakantielectuur willen meenemen zijn bij deze gewaarschuwd. Zo argumenteert Patrick Stouthuysen dat het ‘begrijpelijk’ is dat mensen geen lid meer willen zijn van politieke partijen, het is immers een vorm van participatie waar de politiek niet meer mee bezig is. Leden hebben nauwelijks nog iets te zeggen binnen, of te verwachten van, hun partij. De moderne kaderpartijen zijn marketingmachines en hebben geen nood aan politiek engagement van leden. Een kleine groep professionals met een goede pr en een gepast mediaprofiel volstaat om de kiezer (kijker) over de streep te trekken.

Maar misschien wil de ambitieuze jongeling het wel tot in het parlement schoppen. Ook hierover is het boek fnuikend voor elke ambitie. Volgens Kris Deschouwer is de besluitvorming in complexe systemen zoals ons federaal Belgenland in eerste instantie van diplomatieke aard, ‘waarbij de bevolking of haar vertegenwoordigers niet veel anders kunnen doen dan goedkeuren wat voorgesteld wordt’(p. 65). De volksvertegenwoordigers zijn geen actieve partners in de besluitvorming, ze zijn zelfs nauwelijks een partner waarmee rekening wordt gehouden. En alsof dat nog niet genoeg is, wijst Koen Raes erop dat in ons populistisch klimaat waarin marketeers meer te vertellen hebben dan partijpolitieke congressen en waarin het beleid zelf steeds technocratischer wordt, de politicus tot ‘stroman’ wordt gereduceerd (p. 32). Politici zijn mensen die leven in de ‘illusie van de macht’, maar zelf nog weinig te zeggen hebben. Het ‘primaat van de politiek’ staat onder druk en vereist een proactieve en creatieve reflectie over de toekomst van politieke instellingen als partijen, het parlement en de gemeenteraad. Wat dit laatste betreft is er toch nog hoop voor onze ambitieuze jongeling die zich van de partijpolitiek afgekeerd zou hebben. In de bijdrage van Filip Derynck wordt immers voorgesteld om de gemeenteraad te ‘versterken’ door ook andere organisaties dan politieke partijen deel te laten uitmaken van de gemeenteraad (p. 353). Via (nieuwe) sociale bewegingen kan onze jongeling dan toch nog in ‘de politiek’ terecht komen.

Wie hoort spreken over de ‘crisis’ van de democratie, denkt onmiddellijk aan ‘de kloof’. En elke politicus die met de kloof wordt geconfronteerd heeft het over ‘het dichten van de kloof’. Hiervoor zijn al verschillende middeltjes in omloop gebracht. Het boek verzamelt de remedies voor de kloof in drie clusters: 1. de verhoging van transparantie en communicatie met de burger (openbaarheid van bestuur, ombudsman, actief informatiebeleid) 2. de verhoging van de participatie van de burger d.m.v. referenda, petitierecht en 3. aandacht voor de publieke opinie, en het verbeteren en vereenvoudigen van overheidsbestuur (wetgevingsevaluatie, e-government). De verschillende remedies worden in het boek bijzonder kritisch en gedegen onder de loep genomen. Steeds wordt de vraag gesteld naar de effectiviteit en de legitimiteit van de voorgestelde verdichtingsmiddelen.

Het boek biedt een genuanceerd beeld: sommige van de voorgestelde ‘recepten’ dragen heel wat mogelijkheden in zich, maar andere strooien enkel zand in de ogen. Bovendien - maar daar besteedt het boek geen enkele aandacht aan - zal de kloof niet kleiner worden door wijzigingen aan het politiek systeem te brengen. De kloof heeft te maken met een vorm van wantrouwen en met een attitude van burgers ten aanzien van de politiek en de politici. Daar zal het petitierecht of de rationalisering van het wetgevingsproces weinig aan veranderen. De verschillende bijdragen analyseren wel de voor- en nadelen van de verschillende recepten maar op het eind van de rit komen we niet echt te weten wat ze precies bijdragen aan het dichten van de kloof. De maatregels worden wel op hun merites getest, maar of ze de kloof op een wenselijke manier dichten blijft onduidelijk.

Bovendien wordt in het boek op verschillende plaatsen impliciet maar terecht duidelijk gemaakt dat een democratie onmogelijk is zonder een zekere kloof tussen burger en politici, tussen vox populi en beleid. De democratie is naar het woord van Jan Velaers (p. 292) immers niet te herleiden tot die ene regel - de meerderheid beslist! - maar is een verfijnd evenwichtsmechanisme dat beoogt een consensus te bereiken tussen de tegengestelde belangen in de samenleving. Bovendien moet de democratie het de wetgever toelaten om onpopulaire maar noodzakelijke maatregelen te nemen (Patricia Populier, p. 304) en dit vereist een noodzakelijke en constitutieve afstand tussen de rationaliteit van de individuele burgers en de rede van het politieke debat.

De verschillende bijdragen zijn kwalitatief goed en zeer informatief en dat moet een voldoende reden zijn voor de ambitieuze jongeling die in het politieke bedrijf is geïnteresseerd om het boek op vakantie mee te nemen. Naast het lezen zou ook het bijhouden van tik- en redactiefouten een bezigheid kunnen zijn tijdens regenachtige vakantiedagen. In het boek staan immers heel wat jammerlijke fouten. Dit leidt zelfs tot plezante momenten als het gaat om eigennamen: zo is er sprake van Luc Hupse, i.p.v. Luc Huyse en van Wilfried Erachter, i.p.v. Dewachter. Het boek bevat te veel slordigheden die doen vermoeden dat ook de auteurs, editors of de uitgeverij in ‘ademnood’ verkeerden!

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 62 tot 63