Abonneer Log in

Misschien eens wat politieke vernieuwing?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 9 tot 15

Toegegeven, het is een wat provocerende titel want sinds Guy Verhofstadt politiek Vlaanderen wakker schudde met zijn Burgermanifesten is het begrip ‘politieke vernieuwing‘ niet meer uit de actualiteit geweest. In de baseline van het VLD-logo lezen we zelfs sinds kort ‘Durven vernieuwen’. De partij heeft van vernieuwing haar handelsmerk gemaakt, en op een geslaagde manier. Louis Michel heeft dat ook goed begrepen, want zie, daar ontstond de Mouvement Réformateur.

Maar hoe nieuw is heel die burgercultuur? Was het niet tegen de uitwassen van de cultuur van de burger die overheidsinterventie afwees (tenzij voor grote investeringen in infrastructuur die de ondernemende burgers ten goede kwamen) dat in de 19de eeuw solidariteitsbewegingen ontstonden en waaruit de BWP zou voortkomen? We gaan straks onze burgemeester rechtstreeks verkiezen. Hoe ver staan we daarmee af van de praktijk in het prille België toen er nog geen partijen waren en iedere kiezer gewoon de naam van zijn favoriete persoon zelf op een papiertje mocht schrijven? Er waren toen natuurlijk heel weinig kiezers en weinigen konden verkozen worden. Maar geen nood: het stemrecht voor niet-Belgen houden we af en de Belgen, ja, zij moeten toch niet komen als ze dat liever niet doen! Gedaan met die opkomstplicht. Wie dat wil mag uit zijn democratisch beslissingsrecht stappen. Maar in Samenleving en politiek1 toonden Marc Hooghe en Koen Pelleriaux reeds aan wie het meest kans heeft om niet meer te komen stemmen. Zo ideologisch neutraal zijn de vernieuwingsvoorstellen dus allemaal niet in een tijd dat de links-rechtstegenstelling niet meer heet te bestaan. Ze zijn zelfs niet eens zo nieuw, maar bevatten een verrassend hoog gehalte ‘terug naar af’. En ondertussen moet het consumentisme ons doen vergeten dat er nog politiek relevante vragen zijn en dat het wel degelijk uitmaakt welk antwoord we formuleren. Echte politieke vernieuwing moet mijns inziens een antwoord geven op twee verschijnselen die de democratie bedreigen: de mediatisering en de globalisering.

Mediatisering als probleem

In zijn uitstekend boek De dramademocratie2 illustreert Mark Elchardus de impact van de media op de samenleving, en in het bijzonder op het functioneren van de politiek. Niet dat we wereldschokkende dingen leren, maar nu alles nog eens netjes op een rij is gezet, blijkt toch weer eens hoe groot die impact wel is. En het gaat nog steeds in stijgende lijn. Bij de afgelopen verkiezingen van 18 mei was er geen krant of tijdschrift, geen televisie- of radiostation, … dat aan de rage ontkwam. Meer dan ooit tevoren waren de verkiezingen nieuws. Op zich zou dat tot vreugdekreten aanleiding moeten geven, er is echter ook een ‘maar’. Verkiezingen of geen verkiezingen, kijkcijfers primeren.3 Het entertainment-gehalte moet dus voldoende hoog zijn, wat aanspoort tot emotionaliteit en vluchtigheid. Honderdduizenden mensen keken naar de stemtest op de VRT en velen onder hen deden de test. Maar brengt deze simplificatie van de partijprogramma’s, herleid tot 36 stellingen, en te beantwoorden met een ongenuanceerd ‘akkoord’ of ‘niet akkoord’ de politiek dichter bij de bevolking? Dat hangt ervan af hoe we één en ander gaan definiëren. Wat wel in de huiskamer en de treinwagon wordt gebracht en voorwerp van gesprek is, is de politicus. Vooral hij of zij die het spel van de media perfect beheerst en op de baren van de vox populi weet mee te deinen. Maar dat spel is niet zonder risico. Want emotionaliteit rationeel beheersen lijkt op een contradictio in terminis en ‘het incident’ dreigt altijd. Jaren degelijk regeringswerk kan daardoor op enkele weken tijd teniet worden gedaan en leiden tot een forse regeringsnederlaag.

Kijk naar wat de dioxinecrisis aanrichtte. De politieke wereld stond op zijn kop, de media schreeuwden moord en brand om wat, uiteindelijk, een openbaar gemaakt probleem was, tussen allicht zovele niet openbaar gemaakte problemen. En waarbij de hoofdverantwoordelijken geen politici maar gewetenloze sjoemelaars in afvalstoffen waren. Voor wie in deze mei- en junidagen van 1999 mee opstapte in huisbezoeken, was het een leerrijke ervaring. Wat we te horen kregen was de verbale, soms fors verbale, neerslag van het sentiment dat een loutere mediacreatie was. De regeringspartijen SP en CVP waren kop van jut en jaren inspannend regeringswerk bleek heel irrelevant. Toegegeven, de soms stuntelige manier waarop werd gecommuniceerd was gesneden koek voor ervaren journalisten. Agalev inde de zogenaamde dioxinebonus, maar vergat dat die door de media was toegekend en door de media naar believen ook weer kon worden afgenomen. Kijk naar wat de Nederlandse PvdA overkwam. Weggeveegd in de Fortuyn-verkiezingen en een jaar later weer helemaal terug. Is er ondertussen veel veranderd? Helemaal niet. Tenzij in de communicatie natuurlijk. Wouter Bos werd op een perfecte manier ‘geponeerd’ en gecoacht. Maar verder presteerde de LPF wat men er rationeel van had kunnen verwachten en daardoor ontwaakte stemmend Nederland uit zijn emotionele verdoving. Zo wordt vandaag het spel gespeeld, maar erg nuttig voor de democratie en de kwaliteit van de samenleving is dat niet.

Mediatisering: hoe beheersen?

Het idee dat Walter van den Broeck op pagina 25 van Knack van 7 mei ll. lanceerde is nog zo gek niet. ‘Maak er een regelmatigheidscriterium van. Laat de bevolking de regering elk jaar punten geven en bekijk de resultaten aan het eind van de regeerperiode.’ Het kan een eerste stap zijn naar wat her en der bepleit wordt: het herdenken en aanvullen van onze representatieve democratie, want haar functioneren op basis van vier-, vijf-, of zesjaarlijkse verkiezingen strookt niet meer met hedendaagse verwachtingen.

Natuurlijk kleven aan het idee van Walter van den Broeck een aantal bezwaren. Wat met een regering die na twee jaar regeren al tweemaal een zeer slecht rapport heeft gehad? Kan ze nog aanblijven en haar regeerperiode volmaken? De oppositie zal, gesteund door de pers, beweren van niet. De meerderheid zal beweren dat de afrekening aan de meet gebeurt. En wie meerderheid of oppositie is, zal allicht in het aannemen van die houding niet veel uitmaken.
Een goed idee misschien, maar er moeten nog wat klippen omzeild worden. Waarom bijvoorbeeld de evaluatie niet starten na twee jaar en zesmaandelijks herhalen? Feit is dat het idee twee goede elementen bevat. Ten eerste ontdoe je de verkiezingsuitslag van de wispelturigheid die het ‘incident’ in de laatste rechte lijn kan veroorzaken. En ten tweede ‘objectiveer’ je de politiek door tussentijds op de resultaten te gaan focussen, wat de balans tussen informatie en emotie wat meer in evenwicht kan brengen.
Een periodieke evaluatie die wordt verwerkt in de einduitslag, beperkt wel de rol van het ‘incident’, maar laat de impact van de media op het bepalen van de agenda ongemoeid. Daarvoor is meer nodig. Waarom geen wetenschappelijk evaluatie-instrument creëren op het niveau van het parlement waarin de universiteiten een centrale rol kunnen spelen? Laat ons een analyse maken van het regeerprogramma, laat ons duidelijke evaluatiecriteria vooropstellen en laat ons, gesteund door statistische informatie, de periodieke toetsing doen. De resultaten zullen zeker aanleiding geven tot veel discussie en de agenda zal minder door de mediaconcerns bepaald worden en politiek zal meer over maatschappelijke keuzes gaan.
Tegelijk zal de mediaconcentratie moeten aangepakt worden. Wereldwijd wordt het overgrote deel van de internationale berichtgeving gedomineerd door drie persagentschappen: Reuters, AFP en AP. Nieuws is wat zij rondsturen. Want uit wat ze niet rondsturen kan al niet geselecteerd worden. De toestand in Vlaanderen is minder dramatisch dan in b.v. Italië, maar ook op Vlaams vlak is er een duidelijke dominante rol van één groep, met name De Persgroep.
Als we er van uitgaan dat het één van de kenmerken van een democratie is dat de bevolking via de media controle op het politieke proces kan uitoefenen, dan gaat het lelijk fout. Je kan beter stellen dat de media vandaag, via de bevolking, sturing geven aan het politiek proces.

Politieke vernieuwing zal dus moeten starten op dit knooppunt van wegen en het zullen de linkse partijen zijn die het moeten doen, want de grote voorstanders van de ongeremde vrije markt sluiten ideologisch te nauw aan bij de belangen van de controlerende mediabonzen om een dergelijk proces te starten. Die linkse partijen hebben er daarom alle belang bij hun krachten te bundelen. Versnipperd in partijtjes van 10 à 15 % zijn ze teveel speelbal en te weinig spelbepaler, wat Agalev spijtig genoeg aan den lijve mocht ondervinden. Het sp.a-Spiritkartel is daarom een goede zaak en het zou de macht van progressief Vlaanderen ten goede komen, mocht Agalev zich daar bij aansluiten.
Om de bepalende rol van de media te verminderen zal naast het aanpakken van de mediaconcentratie ook meer politieke macht moeten gedecentraliseerd worden en zal de participatie van de bevolking aan de besluitvorming drastisch moeten toenemen. Op het lokale vlak heb je immers de grootste mogelijkheden om mensen bewuster met politiek te leren omgaan en de verpletterende rol van de media te beperken. En het gaat inderdaad om een leerproces, want mensen zijn altijd opgevoed tot politieke apathie. Daarom is het ook zo positief dat er vandaag in de middelbare scholen grote aandacht is voor het politiek gebeuren, voor historische evoluties, voor de projecten die partijen voorstellen en dat er tijdens de lesuren ruimte wordt gecreëerd voor discussie met politici. Tijdens het Groot Onderhoud, de inhoudelijke vernieuwingsoperatie van sp.a, werd vorig jaar voorgesteld om op lokaal vlak te experimenteren met wijkbudgetten4. Dat houdt in dat de inwoners op het niveau van een wijk beslissingsrecht krijgen over een gedeelte van de gemeentebegroting om in hun wijk activiteiten te organiseren of de inrichting van de wijk te wijzigen. Het spreekt voor zich dat de introductie van een wijkbudget een grondige voorbereiding vraagt en een constante opvolging. In steden en gemeenten waar er al jaren rond wijkontwikkeling wordt gewerkt, is al een startbasis gelegd. Want het is niet de bedoeling dat een kleine minderheid de lakens in de wijk gaat uitdelen. Zoveel mogelijk mensen moeten participeren. Maar mensen mondig maken doe je niet van vandaag op morgen. Dat vraagt energie, geduld en continue begeleiding. Wijkbudgetten stellen ook grote eisen aan de verkozen politici, die voortaan ook een coördinerende en bemiddelende rol krijgen toebedeeld. Want wat de ene wijk wil kan nefast zijn voor een andere wijk, b.v., op het vlak van verkeerscirculatie. Het zullen de verkozen politici zijn die de diverse belangen met elkaar gaan moeten verzoenen. De weg van de participatie is zeker geen gemakkelijke weg, maar hij lijkt onontkoombaar want hij maakt kiezers tot betrokken partij in een proces dat democratie heet. Er doet zich momenteel een kans voor om op het lokale vlak enkele vernieuwingen, zoals het wijkbudget, te introduceren. In het Vlaams parlement start eerstdaags de discussie over het ontwerp van gemeentedecreet dat de huidige nieuwe gemeentewet helemaal moet vervangen. Het ontwerp bevat een aantal vernieuwingen (de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, de opsplitsing van de functie van ontvanger, …) die overigens heel omstreden zijn, maar zet geen stappen naar meer invloed van de inwoners op de creatie van hun leefomgeving. Hopelijk zorgen amendementen hier voor een positieve impuls. Ondertussen is in het Waalse Mons, de thuishaven van Elio Di Rupo, al een aanvang gemaakt met de toepassing van het wijkbudget. Het wordt afwachten hoe dit experiment verloopt en misschien kunnen er lessen worden getrokken voor de Vlaamse situatie.

Globalisering als probleem

Het woord globalisering is recentelijk een politiek begrip geworden, maar vaak wordt daarbij vergeten dat het fenomeen dat ermee wordt aangeduid absoluut niet nieuw is. Als men het heeft over globalisering dan wordt daar meestal de over de wereld uitzwermende economische globalisering mee bedoeld. Een proces waarbij landsgrenzen van steeds minder betekenis worden, waarbij bedrijven internationaal georiënteerd en georganiseerd zijn, waarbij de productie naar believen wordt verschoven van de ene plaats op de wereld naar de andere, allemaal in het licht van de optimalisering van bedrijfswinsten.

Zoals gezegd is dit proces niet nieuw, het is al honderden jaren bezig. Met de ontdekkingsreizen startte vanuit het westen de kolonisering van de wereld: politiek, cultureel en economisch. Technologische vernieuwingen en steun vanuit de zich pas vormende staten, waren belangrijke impulsen. Maar de economische globaliseringsbeweging die zonder een positieve houding vanuit de politieke wereld lang niet zo makkelijk was verlopen, liep de politiek uiteindelijk voorbij. Bedrijfsbeslissingen worden nu vaak op wereldschaal genomen, een schaal waarop er geen democratische politieke tegenmacht is. Het economisch globaliseringsprobleem kan zo herleid worden tot een gebrek aan institutionele vernieuwing, waardoor er geen politieke slagkracht is om het proces onder controle te krijgen.

Het laatste decennium is voldoende gepubliceerd opdat we zouden weten wat er aan de hand is en wat de gevolgen zijn. En die zijn catastrofaal, vooral voor de landen uit het arme zuiden. Lokale economieën worden ontwricht, culturen gaan verloren, de milieuverloedering gaat door en honderden miljoenen mensen leven in bittere armoede. De beweging voor een andere globalisering heeft geprobeerd om een tegenbeweging op gang te brengen, maar haar protest lijkt te weinig planmatig om succesvol te kunnen zijn.5
Zelfs de voorzitter van de Wereldbank, de Amerikaan James Wolfensohn, iemand die moeilijk van linkse sympathieën kan verdacht worden, heeft oog voor de dramatische situatie in de wereld: ‘De wereld besteedt jaarlijks 900 miljard dollar aan defensie en 350 miljard dollar aan landbouwsubsidies, maar slechts iets meer dan 50 miljard dollar aan ontwikkelingshulp. Een miljard mensen, minder dan een zesde van de wereldbevolking, controleren 85 procent van het mondiale bruto binnenlands product (bbp)’.6 Maar de oplossing van Wolfensohn, het meer vrijmaken van de wereldhandel, is natuurlijk een recept dat de sterken goed uitkomt, maar dat geen soelaas vormt voor zwakke lokale economieën. Zij behoeven, zeker wat de voedselproductie betreft, afscherming van de wereldmarkt. Ook in eigen land laten de gevolgen van de globalisering zich voelen. Bedrijfsvestigingen worden in een geglobaliseerde economie niet gesloten omdat ze verlieslatend zijn, wel omdat de verplaatsing ervan toelaat om goedkoper te gaan produceren. Het bekendste voorbeeld van de laatste jaren is Renault Vilvoorde. Beslissingscentra fungeren los van productiecentra, zodat het sluiten van een vestiging geen menselijke aangelegenheid meer lijkt te zijn, maar een bureaucratisch-economische.7
Wat er moet gebeuren is duidelijk: ‘De economie krijgt voorrang op de mensen in plaats van in hun dienst te staan en het is dus een dringende opdracht voor de samenleving om de controle over de economie te heroveren’8. Maar hoe dat moet gebeuren en welke politieke vernieuwingen wij in eigen land kunnen doorvoeren om de economie weer onder maatschappelijke controle te krijgen is uiteraard niet eenvoudig.

Globalisering : hoe beheersen?

Een eerste voorwaarde om veranderingen te kunnen doorvoeren lijkt mij het geven van meer ruchtbaarheid aan het probleem. Te weinig politici durven toe te geven dat ze uiteindelijk heel weinig manoeuvreerruimte hebben om beslissingen te nemen met grote economische impact. Ze onderhouden tegenover de bevolking wel die illusie, maar wanneer ze daarna onmachtig zijn om doortastend op te treden, keert de bevolking zich tegen hen. Dat is natuurlijk niet van aard om het vertrouwen in de politiek en de vertegenwoordigende instellingen dat al dramatisch laag is, weer op te krikken.9 Een aanzienlijk deel van de bevolking ziet totalitaire of technocratische bestuursvormen dan ook wel zitten. Het economisch gebeuren enigszins onder politieke controle brengen is daarom uitermate belangrijk voor de democratie. Het is dus wachten op een politicus die de kat de bel aanbindt en de ‘ontsnapte’ economie als centraal probleem stelt. Oplossingen op wereldvlak verdienen uiteraard de voorkeur omdat het op die schaal is dat de grote economische spelers momenteel opereren. Maar daarvoor moeten politici wereldwijd tot een consensus kunnen komen en die wordt vandaag sterk belemmerd, zoniet onmogelijk gemaakt, door de aspiraties van de Verenigde Staten om de wereld naar hun militaire en economische hand te zetten.
Democratie is in de Verenigde Staten overigens een heel relatief begrip. Wie er geld heeft, beheerst er de media en koopt zich dus indirect een politiek mandaat. Vandaar dat de Amerikaanse politieke én economische top één geheel vormen, dat uiteraard niet van plan is enige beperking op hun economische beslissingsmacht te accepteren. Dat maakt dat de Verenigde Naties vleugellam zijn en de WHO, het IMF en de Wereldbank zijn bastions van het ongelimiteerd en ongecontroleerd vrije-marktdenken. Alle heil zal daarom van Europa moeten komen. Europa heeft voldoende schaalgrootte om beslissend op te treden, maar ideologisch lijkt Europa steeds meer de Amerikaanse weg op te gaan. De Europese Commissie hanteert de vrije markt niet alleen als economisch uitgangspunt.10 Het opruimen van alle, ook sociale, correcties erop is voor haar een politieke beleidslijn, wat resulteert in het omdraaien van de volgorde: de mens dient de economie en niet omgekeerd. En om dat wat minder abstract te maken vervangen we ‘de mens’ gewoon door ‘de overgrote meerderheid van de bevolking die via loonarbeid een inkomen moet verwerven’ en ‘de economie’ vervangen we door ‘diegenen die door hun groot bezit aan kapitaal bepalen wat, waar en hoe in de wereld wordt geproduceerd’.

Als je dan bedenkt dat de Europese beslissingen steeds talrijker en omvattender worden en bindend zijn voor de Europese staten en hun burgers, dan is het duidelijk dat onze Belgische ministers het steeds moeilijker krijgen om een sociale politiek te voeren. Want sociale correcties belemmeren de vrije-marktwerking zoals de Europese Commissie die ziet. Kijk b.v. naar de problemen die Johan Vande Lanotte ondervond met de invoegbedrijven.
Om de kwalijke gevolgen van de economische globalisering te bestrijden, gaan we dus in België in eerste instantie moeten werken aan een politieke vernieuwing die onze impact op de Europese beslissingen groter maakt. Slechts op die manier kunnen we stappen zetten naar meer maatschappelijke controle over economische processen. We zullen op zijn minst meer openbaarheid moeten scheppen over wat Europa is en doet.

Nu de werkzaamheden over het opstellen van de Europese Grondwet op hun einde lopen halen ze de media, vooral omdat er steeds meer geschilpunten tussen de staten opduiken. Maar hoeveel mensen hadden tot voor kort al ooit over de Europese Conventie gehoord en hoeveel van hen zouden weten welke enorme impact de aan de gang zijnde besprekingen voor hen zullen hebben?

Waarom waren de discussies in de Conventie niet van in den beginne dagelijks voorwerp van debat? Allicht deels omdat een aantal machtige groepen niet graag ruchtbaarheid geven aan hun pogingen om de Europese Grondwet in een voor hen interessante richting te duwen. Maar misschien ook omdat er een groot onevenwicht is in het aantal Belgische parlementsleden dat enerzijds met interne en anderzijds met Europese zaken bezig is. De impact van de Europese wetgeving, inbegrepen de richtlijnen die in intern recht moeten worden omgezet, is al even groot als de eigen wetgeving en we tellen in ons land 14 Europarlementsleden en één lid van de Commissie.
We hebben daarentegen 150 kamerleden, 71 senatoren en daar moeten dan nog de leden van de diverse Raden worden bijgeteld. Dat is een ontzettende wanverhouding, waardoor de meest onbenullige Belgische parlementaire vraag nieuws kan worden, maar fundamentele Europese discussies nauwelijks aan bod komen, alleen al door de macht van het getal. Aan het aantal Belgische Europarlementsleden kunnen we zelf niets veranderen, maar we kunnen wel onze eigen instellingen zo aanpassen dat de Europese problemen in ons land de volle aandacht krijgen. Waarom niet de Europese parlementsleden van rechtswege onbezoldigd lid van Kamer of Senaat maken en ook in het Belgisch parlement besprekingen wijden aan de Europese problemen en de standpunten die onze Europarlementariërs innamen of zullen innemen in het Europees parlement? België is tenslotte het centrum van Europa. Laten we van Brussel dus het centrum van het publiek debat over Europa maken zodat het niet meer alleen de lobbyisten zijn die de uitslag van het debat over patentrechten naar hun hand kunnen zetten. Laat ons de zo lang aangekondigde herwaardering van ons parlement in die richting duwen. Zo zouden er wel eens heel fundamentele discussies gevoerd kunnen worden en in een democratie hebben we daar recht op. Vooruit dus met de vernieuwing, durven maar.

Patrick Scheir
Stafmedewerker studiedienst sp.a

Noten
1/ Hooghe M. en Pelleriaux K., ‘Afschaffing van de kiesplicht. Een simulatie’,Samenleving en politiek, 1997, nr. 8.
2/ Elchardus M., De Dramademocratie, Lannoo, 2002, 208 p.
3/ De titel van een kort artikel in de Financieel-Economische Tijd van 20 mei 2003, pagina 5, illustreert dat uitstekend: ‘VRT wint slag om de kijkcijfers’. Het gaat om de verkiezingsshow waarin de resultaten van de verkiezingen worden ingebed.
4/ Het idee werd ook opgenomen in de eindresoluties die op het congres van 22 en 23 november in Sint-Jans-Molenbeek werden gestemd.
5/ Dirk Barrez gaf ons een mooi overzicht van de argumenten waarmee de andersglobalisten de bewustwording op gang proberen te trekken in: Barrez D., De antwoorden van het antiglobalisme. Van Seattle tot Porto Alegre, Globe/Mets&Schilt, 2001, 264 p.
6/ Geciteerd in ‘Strijd tegen armoede is sleutel tot vrede’, Financieel-Economische Tijd, 20 mei 2003, p 10.
7/ De gebruikte terminologie is ook helemaal in die aard geëvolueerd. In de Financieel-Economische Tijd van 17 mei 2003 lezen we op pagina 13: ‘Non-ferrogroep Umicore schrapt 127 banen in kopervestiging in Olen’. Banen worden geschrapt, de terminologie lijkt ontmenselijkt te zijn. In De Standaard van dezelfde dag heeft men meer oog voor de menselijke gevolgen. De titel op pagina 25 luidt: ‘Umicore wil in Olen 130 mensen kwijt’.
8/ Barrez D., o.c., p. 125.
9/ Men leze: Elchardus M. en Smits W., Anatomie en oorzaken van het wantrouwen, VUBPress 2002, 142 p.
10/ Waar overigens niets mis mee is, want de vrije markt heeft bewezen een efficiënt systeem van productie van welvaart te zijn.

verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 9 tot 15