Abonneer Log in

Ontwikkelingsbekommernissen moeten belangrijker zijn dan handelsliberalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 47 tot 50

Iedereen maakt zich opnieuw op om een standpunt in te nemen voor de 5e ministerconferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WHO) die plaatsvindt van 10 tot 14 september in Cancún, Mexico. Het is dan ook het moment om na te denken over de plaats van de WHO in het internationale landschap en over de rol van de handelsliberalisering binnen de globalisering.

Van GATT tot WHO

Het multilaterale handelssysteem dat momenteel de wereld in sterke mate domineert, is ontstaan in 1947. Drieëntwintig landen kwamen toen op het idee een akkoord af te sluiten om de handel te bevorderen door de douanerechten te beperken. In 1995 werd deze Internationale Overeenkomst over douanetarieven en handel (GATT) geïnstitutionaliseerd. Dit was een mijlpaal in het tijdperk van de globalisering. De Wereldhandelsorganisatie (WHO) werd meteen de machtigste internationale instelling ter wereld omwille van haar geschillenregelingsorgaan. Daar waar de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) of de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) niet over de nodige juridische middelen beschikken om hun beslissingen af te dwingen, kan de WHO dit wel. Het geschillenregelingsorgaan, waarvan de procedures geheim zijn, bestaat uit vertegenwoordigers van de Staten en deskundigen en kan economische sancties opleggen aan landen die de WHO-regels niet naleven. Zo verleende het geschillenregelingsorgaan aan de VS toestemming om op in de VS ingevoerde Europese producten een heffing te leggen van 100% omdat Europa de invoer van met groeihormonen behandeld Amerikaans rundvlees verboden had. Een ander bekend geschil is het bananengeschil dat eveneens tekenend is voor het primaat van de handelsregels op elke andere overweging. Dit geschil draaide rond een klacht die werd neergelegd tegen de Europese Unie nadat die een overeenkomst gesloten had met historisch met de Unie verbonden ontwikkelingslanden, inzake toegang tot de Europese markt en prijsgaranties voor bepaalde ingevoerde producten, onder meer bananen. De aanklagers kregen van het geschillenregelingsorgaan de toestemming om douanerechten te heffen op de Europese producten voor het bedrag van de opgelopen handelsschade.

Van Doha naar Cancún

Om de 2 jaar wordt de spanning tussen de globaliseringsbeweging en de andersglobaliseringsbeweging in al zijn facetten ten top gedreven wanneer de WHO-ministerconferentie plaatsvindt. Op deze conferenties worden de cruciale beslissingen genomen door vertegenwoordigers van de nu reeds 146 WHO-lidstaten voor de liberalisering van de handel. De landen van de Europese Unie zijn vertegenwoordigd via de Commissie, nl. door één Europees commissaris (momenteel de heer Lamy). De ministerconferentie vergaderde al in Singapore, Genève, Seattle en Doha. De 5e conferentie vindt dit jaar plaats in Cancún. In Seattle in 1999 is de ministerconferentie er niet in geslaagd een nieuwe onderhandelingsronde op te starten om tot een verdere liberalisering van de handel te komen door massaal protest van de antiglobaliseringsbeweging.

In Doha in 2001 is het wel gelukt een agenda op te stellen met een tijdschema. Tegen 1 januari 2005 zouden de onderhandelingen moeten afgerond zijn als onderdeel van een single undertaking. Dit betekent dat er geen akkoord bereikt kan worden over één thema zolang er geen akkoord bestaat over alle thema’s. De agenda werd de ‘Doha-ontwikkelingsagenda’ gedoopt. Ondertussen zijn we echter bijna 2 jaar later en de kwestie van de toegang tot essentiële geneesmiddelen voor ontwikkelingslanden is nog altijd niet opgelost en het aantal punten in verband met de uitvoering van de WHO-akkoorden en de operationalisering van de ‘speciale en gedifferentieerde behandeling’ kan op twee handen worden geteld. De ‘speciale en gedifferentieerde behandeling’ voor ontwikkelingslanden is een voorkeursbehandeling waarbij ze uitzonderingen kunnen bekomen op de WHO-regels. Tegelijk zien ontwikkelingslanden amper toegevingen in de onderhandelingen over diensten, landbouw, industriële tarieven enz. De opeenstapeling van gepasseerde deadlines, de gebroken beloftes en het negeren van de zorgen van de ontwikkelingslanden stelt de geloofwaardigheid van het multilaterale handelssysteem in vraag. Logische vraag is dan in welke mate de conferentie in Cancún nog kans op slagen heeft.
In Cancún wil men in de eerste plaats een doorbraak realiseren in de lopende onderhandelingsronde die in Doha werd gelanceerd. Men hoopt over de onderhandelingskwesties waarvoor de deadline in de periode voor Cancún gemist is, een akkoord te bereiken in Cancún. Vooral een doorbraak in het landbouwdossier die alle vormen van exportsteun zou beteugelen, wordt cruciaal geacht voor het slagen van de lopende onderhandelingsronde. Bovendien wil men een beslissing nemen over de uitbreiding van de onderhandelingen en dus van de WHO-bevoegdheden met vier nieuwe thema’s, namelijk investeringen, overheidsaanbestedingen, concurrentieregels en handelsvergemakkelijkende maatregelen. In Doha werd een akkoord hierover op het nippertje vermeden. Vooral onderhandelingen over investeringen liggen gevoelig voor vakbonden, ngo’s en ontwikkelingslanden met in het achterhoofd het rampzalige multilaterale investeringsakkoord dat men in de schoot van de OESO heeft proberen te onderhandelen. Een multilateraal investeringsakkoord dat geen waarborgen biedt voor sociale bescherming, milieuzorg en de noden van de ontwikkelingslanden, en dat geen bindende en afdwingbare verplichtingen oplegt aan de investeerders en dat de regulerende bevoegdheden en beleidsopties van overheden vermindert, is onaanvaardbaar.

Het is vooral de Europese Commissie die erop aandringt de onderhandelingen over de nieuwe thema’s te starten. Ze ontkent ook het feit dat de lopende onderhandelingen in het slop zitten. De leiders van de WHO, de Wereldbank en het IMF beseffen dit nochtans maar al te goed en proberen nieuw leven in de onderhandelingen te blazen door een oproep te lanceren naar de lidstaten die deel uitmaken van de G-8 op te roepen. Ook de industrielobby heeft al laten horen dat ze het slagen van deze ronde als een must ziet. De ontwikkelingslanden willen in de eerste plaats gerealiseerd zien wat hun beloofd is. Maar de kans is groot dat ze opnieuw toegevingen zullen moeten doen om dit te bekomen. De boodschap van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) waar het ABVV stichtend lid van is aan de 5e ministerconferentie luidt als volgt: ’De rechten van burgers en werknemers zijn belangrijker dan de handelsvrijheid.’

Vakbonden, globalisering en de WHO

De huidige internationalisering van het handelsverkeer gaat gepaard met de ontwikkeling van een neoliberaal beleid dat steunt op deregulering en privatisering. Zo komt er een geglobaliseerde economie tot stand die wordt gekenmerkt door een meedogenloze concurrentie en waarin landen, regeringen, bevolkingen en werknemers systematisch tegen elkaar worden uitgespeeld. Bijvoorbeeld voor de WHO kunnen beschermende maatregelen voor de werknemers of het leefmilieu eventueel wel, maar op voorwaarde dat ze de multinationals die de wereldhandel domineren, niet hinderen. In het WHO-jargon zegt men dat de beschermende maatregelen ‘geproportioneerd’ moeten worden. De WHO laat met andere woorden handelsregels primeren boven sociale en milieuregels met de afbouw van overheidssturing, sociale bescherming en loon- en arbeidsvoorwaarden tot gevolg. Het wordt tijd dat de WHO en de handelsliberalisering terug op hun plaats gezet worden: niet boven maar onder sociale, milieu en ontwikkelingsbekommernissen. In plaats van het economische beleid af te stemmen op het sociaal en milieubeleid, vergadert de WHO echter met het IMF en de Wereldbank om hun economisch beleid nauwer op elkaar af te stemmen om zo het internationaal handelssysteem te versterken. Betekent dit dan een versterking van het neoliberaal beleid? Ons ideaal is en blijft de oprichting van een regering op wereldniveau waarin de Verenigde Naties (WGO, UNDP, FAO, UNEP…) en de IAO het sociale, ecologische en maatschappelijke kader aanreiken waarbinnen de wereldeconomie zich moet bewegen.

Enkele concrete eisen voor Cancún

De verbetering van het respect voor de fundamentele rechten van de werknemers in het internationale handelsverkeer is verre van verworven. Enkel in het slotdocument van de eerste ministeriële conferentie van de WHO in Singapore (1996) is een verklaring opgenomen over de fundamentele arbeidsnormen. Het belang van die basisnormen wordt erin erkend maar de materie werd echter doorverwezen naar de IAO, dat het naleven van die basisnormen niet kan afdwingen. De IAO beschikt immers niet over een geschillenregelingsorgaan zoals de WHO. Met de toetreding van een land als China tot de WHO, is er bovendien een nieuw soort concurrentie ontstaan tussen lageloonlanden waar een vakbondsoptreden wordt toegestaan en lageloonlanden waar helemaal geen vakbondsvrijheid bestaat. Dit leidt tot een nieuwe neerwaartse spiraal van de arbeidsvoorwaarden in de derde wereld. Daarom zal de vakbeweging druk blijven uitoefenen om vooralsnog een stap te zetten naar een sociale invulling van mondialisering.
Naast meer samenwerking tussen de WHO en andere internationale organisaties moet de werking van de WHO zelf aangepast worden. Er is nood aan meer democratie en transparantie in de beslissingsprocessen en procedures van de WHO. De bijzonder technisch getinte werkzaamheden van de WHO steunen op tienduizenden pagina’s. Ze worden - in het geheim - voorbereid door ‘deskundigen’ van de rijkste landen en de patronale lobbies, die zelf gedomineerd worden door de multinationals. En die beschikken over de middelen om hun ambities waar te maken. Er moet een grotere rol toegekend worden aan de parlementen, de vakbonden en de ngo’s. De beslissingen worden binnen de WHO genomen bij consensus maar afwezigheid wordt gelijkgesteld met goedkeuring. De ontwikkelingslanden hebben vaak niet eens de kans aanwezig te zijn bij de vergaderingen bij gebrek aan personeel en middelen. Er moeten dus financiële middelen toegekend worden aan de ontwikkelingslanden zodat zij op een gelijkwaardige manier kunnen deelnemen aan de onderhandelingen. Buiten de hervorming van het geschillenregelingsorgaan (waarvoor de deadline gemist is), staat de democratisering niet op de Doha-agenda.

De onderhandelingen over de Algemene Overeenkomst inzake de Handel in Diensten (GATS) hebben door toedoen van vakbonden en ngo’s veel aandacht gekregen en terecht want het akkoord heeft verregaande gevolgen voor ons dagelijks leven. De uitvoering van de tekst kan enerzijds leiden tot het ontmantelen van de openbare diensten in het algemeen en anderzijds tot een deregulering van de privésector. De toegang tot essentiële diensten voor iedereen is in gevaar. Overheidsregulering wordt eveneens bemoeilijkt omdat die ‘niet meer handelsverstorend dan noodzakelijk’ mag zijn. Terugkomen op een liberaliseringsmaatregel als blijkt dat die sociaaleconomisch desastreuze gevolgen heeft, is praktisch onmogelijk. We vragen dan ook een aantal herzieningen van het akkoord waaronder de mogelijkheid om na een redelijke termijn, op een maatregel terug te kunnen komen zonder hiervoor een prijs te moeten betalen. Dit om te vermijden dat we komen tot een wereld waarin alles gekocht en verkocht kan worden.

Wat kunnen we doen om onze eisen kracht bij te zetten?

Het lijkt misschien onmogelijk om aan deze pletwals van vrije concurrentie te ontsnappen. Nochtans kunnen we een verschil uitmaken als we op Belgisch, Europees en internationaal niveau ons volle gewicht in de weegschaal leggen. Op Belgisch niveau is het zeer belangrijk de burgers te informeren, hen bewust te maken van wat hen boven het hoofd hangt en hen te mobiliseren. Dit is onder meer gebeurd via publicaties, informatiesessies en de organisatie van een betoging. Bovendien kunnen we via de geëigende overlegorganen geïnformeerd worden door en advies geven aan de Belgische regering over de lopende onderhandelingen. Aangezien alle lidstaten van de Europese Unie vertegenwoordigd zijn in de onderhandelingen door één Europees commissaris, is er samenwerking vereist met de vakbonden uit de andere lidstaten en met het Europees Vakverbond om druk uit te oefenen. Dit is geen eenvoudige opdracht aangezien de Europese Commissie in Doha één van de drijvende krachten was achter de nieuwe onderhandelingsronde. Ook nu weer is de Europese Commissie vragende partij om vier nieuwe onderhandelingsthema’s, namelijk investeringen, vergemakkelijken van de handel, openbare aanbestedingen en concurrentie, op de agenda te zetten op de ministerconferentie in Cancún. Tegelijkertijd is het Europa dat een doorbraak in het landbouwdossier tegenhoudt doordat het niet wil afzien van de protectionistische steun aan de Europese landbouw. Op internationaal niveau voeren we ook actie en dit samen met het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen dat 225 syndicale organisaties vertegenwoordigt.

Jo Vervecken
Adviseur economische studiedienst ABVV

Noord-Zuidverhouding - GATT - WTO

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 47 tot 50