Abonneer Log in

Het ligt niet aan de quota

De opmars van vrouwen in de Kamer

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 40 tot 48

Na de verkiezingen van 18 mei deden veel meer vrouwen in de Kamer hun intrede dan na vorige verkiezingen, wat niet gezegd kan worden van de Senaat, alhoewel de nieuwe - en strengere - genderquota voor beide assemblees golden. En ook de toename van het aantal vrouwen in de Kamer kan niet toegeschreven worden aan de nieuwe quotawet van 2002. Of: uitleg over de wijze waarop quotawetten in België de realiteit achterna hollen en over het belang van grote kieskringen.

De hervorming van het kiesstelsel en de nieuwe quotawet

De verkiezingen op 18 mei vonden plaats tegen de achtergrond van twee institutionele vernieuwingen, de hervorming van het kiesstelsel en strengere genderquota, die beiden theoretisch gezien tot meer sekse-evenwicht in de politiek leiden. Door de provinciale kieskringen nam de gemiddelde omvang per kieskring toe en grotere kieskringen vormen een kader waarin vrouwen of andere ondervertegenwoordigde groepen gemakkelijker kandideren, op voorwaarde dat het aantal partijen niet al te groot is (Darcy et.al. 1994; Matland 1993; Norris 1996; Rule 1994). Hoe groter het aantal zetels per partij per kieskring, hoe meer mogelijkheid een partij heeft haar lijst te diversifiëren om verschillende subgroepen in het electoraat aan te spreken. Deze houding komt ook vrouwen ten goede, zeker nu de publieke opinie lijsten met te weinig vrouwen als politiek incorrect begint te beschouwen. Dit gender-effect zou versterkt moeten worden door de invoering van een provinciale kiesdrempel. Terwijl een kiesdrempel het aantal partijen doet afnemen, verhoogt hij het aantal zetels per partij. Met andere woorden, alhoewel de diversiteit op het niveau van partij-ideologieën afneemt, zou zij moeten toenemen op het vlak van partij-interne diversiteit. Doordat een kiesdrempel het aantal zetels per partij verhoogt, stimuleert hij de mogelijkheid lijsten beter uit te balanceren om verschillende subgroepen in het electoraat aan te spreken (Leijenaar 2000).

De impact van de gehalveerde lijststem op de verhoudingen tussen mannelijke en vrouwelijke verkozenen is moeilijker in te schatten maar de tendens is om ervan uit te gaan dat die negatief is voor vrouwen. Door de halvering van de lijststem worden kandidaten gemakkelijker op basis van voorkeurstemmen verkozen. De voorwaarde hiervoor is echter een relatief grote naambekendheid, en dat geldt voor meer mannelijke dan vrouwelijke kandidaten. Trouwens, de halvering van de lijststem staat haaks op de logica vervat in de nieuwe quotawet van 2002. Volgens die wet moeten lijsten voortaan evenveel mannelijke als vrouwelijke kandidaten bevatten, terwijl de verhouding daarvoor 1/3-2/3 was. In tegenstelling tot de vroegere quotawet van 1994, die geen verplichtingen inhield met betrekking tot de verkiesbare plaatsen, mogen in de toekomst de eerste twee plaatsen niet door kandidaten van hetzelfde geslacht ingenomen worden. Voor de verkiezingen van mei gold echter de overgangsmaatregel dat de eerste drie plaatsen op de lijst niet door kandidaten van dezelfde sekse ingenomen mochten worden. Op zich had de invoering van de nieuwe quotawet theoretisch gezien tot een toename van het aantal vrouwelijke verkozenen moeten leiden. Door de bepaling dat de eerste plaatsen op kieslijsten niet door kandidaten van dezelfde sekse mogen ingenomen worden, mikt de nieuwe quotawet op de traditioneel belangrijkste plaatsen. Het aantal vrouwelijke kandidaten is namelijk niet van tel, wel het aantal vrouwelijke kandidaten op verkiesbare plaatsen. En daar zijn zij ondervertegenwoordigd. Echter, terwijl dergelijke quota boven aan een lijst baat hebben bij gesloten lijsten verhoogt de halvering van de lijststem net het open karakter van kandidatenlijsten. Bekende lijstduwers en lager geplaatste stemmentrekkers moeten vaak kiezers overtuigen hun stem uit te brengen op een bepaalde partij. Deze kandidaten hebben zelden de intentie hun mandaat op te nemen. Maar dan nog kunnen zij wel verkozen worden ten koste van minder bekende kandidaten op verkiesbare plaatsen.

Dit alles levert een gemengd beeld op. Terwijl de provinciale kieskringen en -drempel meer sekse-evenwicht ten goede zouden moeten komen, zou de verminderde impact van de lijststem vrouwen wel eens parten kunnen spelen, en dit desondanks de nieuwe quota. Daar komt nog bij dat de quotawet van 2002 enkel inspeelt op de drie eerste posities op de lijst terwijl het aantal verkiesbare plaatsen per lijst voor de Kamer toeneemt. Opdat dergelijke quota effect hebben moeten zij inspelen op alle verkiesbare plaatsen. In de oude kieskringen voor de Kamer had de nieuwe quotawet dit effect in veel gevallen gehad. Dit geldt echter niet voor de nieuwe kieskringen (en evenmin voor die van de Senaat). Een gedetailleerde analyse van de verkiezingsuitslagen bevestigt deze gegevens. Dit wil niet zeggen dat een quotawet overbodig is. Dit geeft wel aan dat de huidige quotawet al achterhaald was op het moment dat zij gestemd werd. Of: hoe de politiek (doelbewust?) wetten produceert die niets uithalen.
Deze bijdrage begint met een analyse van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van Kamer en Senaat. Daarna worden de verkiezingsuitslagen geanalyseerd op het aantal mannelijke respectievelijk vrouwelijke verkozenen.1 Alle gegevens samen laten toe om na te gaan op welke punten de combinatie van twee institutionele vernieuwingen, die elk op zich verondersteld worden bevorderlijk te zijn voor meer sekse-evenwicht in de politiek, elkaar effectief versterken. De achterliggende argumentatie is dat dergelijke maatregelen enkel effect hebben indien zij nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd, wat niet gezegd kan worden van de nieuwe quotawetten.

Kandidaten

2

Nagaan hoeveel vrouwen op verkiesbare plaatsen stonden laat toe om te analyseren hoe hun positie op die plaatsen is geëvolueerd sinds de vorige verkiezingen. Alle tijdens de verkiezingen van 1999 behaalde zetels werden als verkiesbare plaatsen beschouwd.3 Het spreekt voor zich dat deze definitie niet noodzakelijk overeenkomt met de verwachtingen die partijen koesterden, en die mede gevoed werden door de aan de verkiezingen voorafgaande veranderingen in het partijlandschap. De positie van vrouwelijke kandidaten op de eerste drie plaatsen analyseren geeft een beeld van de wijze waarop partijen de nieuwe quota interpreteren. Kijken naar de mate waarin partijen reeds de rits toepasten op de eerste twee plaatsen is interessant gezien deze maatregel in de toekomst verplicht is. Het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen in het algemeen is trouwens ook een goede indicator voor de mate waarin partijen de logica van de verplichte quota voor verkiesbare plaatsen doortrekken naar alle verkiesbare plaatsen. Sommige partijen konden immers op meer dan drie (twee) verkiesbare plaatsen rekenen.

In totaal waren er 35% vrouwen op verkiesbare plaatsen voor de Kamer en 43% voor de Senaat (zie tabel 1) en dit gemiddelde is er een goede indicator voor dat het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen is toegenomen sinds de verkiezingen van 1999. Dit geldt echter vooral voor de Kamer. Bij de verkiezingen van 1999 namen vrouwen al 37,5% van de verkiesbare plaatsen op de Senaatslijsten in. In 2003 zijn er enkele percenten bijgekomen, maar van een spectaculaire toename is geen sprake. In de Kamer is het aantal verkiesbare plaatsten voor vrouwen op de lijsten in 2003 wel beduidend hoger dan in 1999. Op de Kamerlijsten gingen 35% van de verkiesbare plaatsen naar vrouwelijke kandidaten, tegenover 17% in 1999. Dit verschil tussen Senaat en Kamer is voor een stuk te verklaren door het feit dat het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen in de Senaat al redelijk hoog lag. Maar de geringe stijging van het aantal verkiesbare plaatsen voor vrouwen op de Senaatslijsten wijst er ook op dat de quotawet slechts een beperkt effect had. Het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen voor de Senaat was in 1999 reeds vrij hoog omdat er voor elke lijst meer zetels waren. Het zijn met andere woorden de grotere kieskringen voor de Kamer die in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de toename van het aantal gunstige plaatsen voor vrouwelijke kandidaten. Wij komen hier later op terug. Feit is dat de Kamer- en Senaatslijsten naar elkaar zijn toe gegroeid wat het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen betreft.

Tabel 1: Vrouwen op verkiesbare plaatsen

Indien men de gegevens uitsplitst per partij vallen grote verschillen onderling op, alhoewel dit meer geldt voor de Vlaamse partijen dan voor de Franstalige. De Franstalige partijen bleven allen redelijk in de buurt van het gemiddelde. In Vlaanderen lagen de lijsten van sp.a-spirit en van het Vlaams Blok ver onder dat gemiddelde terwijl Agalev er torenhoog boven uitstak. Alle drie partijen deden het in 1999 trouwens uiterst slecht wat het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen betreft. In tegenstelling tot de Franstalige lijsten hadden ook niet alle Vlaamse partijen meer vrouwen op verkiesbare plaatsen staan dan in 1999. Terwijl er bij de N-VA een minimale achteruitgang waar te nemen was vergeleken bij de vroegere VU-ID-lijsten, stagneerde het aantal vrouwen op verkiesbare CD&V-plaatsen. Beide partijen hadden in 1999 echter verhoudingsgewijs veel meer vrouwen op verkiesbare plaatsen staan. VLD, sp.a-spirit, Agalev en het Vlaams Blok maakten in 2003 een inhaalbeweging. Afgezien van het FN zag men bij alle Franstalige lijsten een ongeveer even sterke vooruitgang wat het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen betreft.

Over heel de lijn gezien werd de nieuwe quotawet meer dan minimalistisch ingevuld. Terwijl zij partijen enkel verplichtte om een derde plaats toe te kennen aan een vrouw, waren er meer lijsten die de rits hanteerden voor de eerste twee plaatsen (63%) dan lijsten waar vrouwen pas hun intrede deden op de derde plaats (31%). Daartegenover staat dat vrouwelijke lijsttrekkers witte merels bleven. In totaal werden maar nipt een vierde (24%) van alle lijsten voor Kamer en Senaat door een vrouw getrokken. De enige uitschieter naar boven was Agalev, met 6 op 7 vrouwelijke lijsttrekkers. Het Vlaams Blok was de enige partij met geen enkele vrouw op de eerste plaats. Bij alle andere partijen werden één of maximaal twee lijsten aangevoerd door een vrouw.
Dit ‘vooruitlopen’ op de definitieve versie van een quotawet is een verschijnsel dat ook bij de quotawet van 1994 werd vastgesteld. Een groot aantal kandidatenlijsten beantwoordde toen ook reeds aan de nog in te voeren maatregelen. Quotawetten bepalen de standaard voor volgens een gender-perspectief ‘politiek correcte’ lijsten. Doordat zij bepalen wat de standaard is, zijn partijen die zich op dit vlak willen profileren genoodzaakt om vooruit te lopen op quotawetten of om een grotere inspanning te leveren dan hetgeen wettelijk wordt opgelegd (Deschouwer en Meier
2002). Op zich zeggen deze gegevens enkel hoe partijen de nieuwe quotawet invulden. De interessante vraag is hoe partijen de quotawet invulden rekening houdend met het aantal verkiesbare plaatsen. Het valt op dat van de 12 lijsten waar partijen konden uitgaan van twee verkiesbare plaatsen de helft van die lijsten samengesteld was volgens het ritsprincipe. Echter, op geen enkele van deze lijsten werden beide plaatsen toegekend aan vrouwelijke kandidaten. Nog opvallender was dat van de 23 lijsten die slechts van één verkiesbare plaats konden uitgaan, maar in een vierde van de gevallen die plaats ook werd toegekend aan een vrouw.
Al gaat het hier niet om grote aantallen, toch is duidelijk dat partijen niet de neiging hebben om schaarse plaatsen toe te kennen aan vrouwelijke kandidaten. Hoe minder verkiesbare zetels er zijn, hoe groter het aandeel mannelijke kandidaten wordt. De enige partij die in 2003 hierop een uitzondering vormde is Agalev. Op de lijsten van VLD, sp.a-spirit, CD&V en Ecolo daarentegen kwam zelfs geen enkele vrouwelijke kandidate voor indien er minder dan drie verkiesbare plaatsen waren. Met uitzondering van sp.a-spirit benaderden de lijsten van deze partijen wel het federale gemiddelde aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen. Zij compenseerden bijgevolg de afwezigheid van vrouwelijke kandidaten op schaarse plaatsen door hen voornamelijk op verkiesbare plaatsen te positioneren waar een lijst kans maakte op meerdere zetels. Deze vaststelling bevestigt de regel dat de kansen van vrouwen stijgen naarmate het aantal zetels toeneemt waarop een partij rekent. De lijsten van sp.a.-spirit vormden hierop een uitzondering, maar zij bevestigen wel de algemeen zwakke positie van de partij als het aankomt op vrouwen op verkiesbare plaatsen.

Deze gegevens bevestigen ook de veronderstelling dat de nieuwe quotawet maar in beperkte mate verantwoordelijk was voor de toename van het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen, vooral in de Kamer. Met de invoering van de provinciale kieskringen zijn een groot aantal enige verkiesbare plaatsen weggevallen. Indien de oude kieskringen waren behouden geweest voor de verkiezingen van 2003 dan hadden 61 lijsten slechts op één verkiesbare plaats kunnen rekenen. Dit zijn bijna driemaal zo veel als bij de provinciale kieskringen. Ook is ongeveer een derde van de lijsten verdwenen waar een partij op niet meer dan twee verkiesbare plaatsen kon rekenen, want volgens de kieskringen van 1999 zouden het er 19 geweest zijn. Gezien de verdeling van vrouwelijke kandidaten op schaarse plaatsen kunnen wij ervan uitgaan dat partijen de quotawet minimalistischer hadden ingevuld indien in 2003 de oude kieskringen van toepassing waren geweest. Dit vermoeden wordt ondersteund door de gegevens van 1999 (Verzele en Joly 1999). Partijen hebben in 2003 vooral gebruik gemaakt van de grotere kieskringen om meer vrouwen te positioneren op verkiesbare plaatsen.

Uit de gegevens kunnen wij tevens afleiden dat de provinciale kieskringen voor een stuk de impact van de quotawet ondermijnen, ook al lijkt deze conclusie op het eerste zicht niet juist. Indien partijen slechts op één of twee verkiesbare plaatsen kunnen rekenen hebben zij de neiging om die zetels aan mannelijke kandidaten toe te kennen. In een stelsel waar partijen slechts van één verkiesbare zetel per lijst kunnen uitgaan, zou de nieuwe quotawet geen impact hebben. In dat opzicht versterken de provinciale kieskringen en de nieuwe quotawet elkaar doordat een groot aantal gevallen waarin partijen maar van één (of twee) verkiesbare plaatsen konden uitgaan wegvallen. Maar omwille van de provinciale kieskringen maken partijen ook vaker kans op drie of meer zetels per kieskring. Uit de samenstelling van de lijsten voor de verkiezingen van 2003 blijkt dat partijen vooral deze bijgekomen ruimte benut hebben om meer vrouwelijke kandidaten op verkiesbare plaatsen te positioneren. Maar niet alle partijen deden dit en evenmin verdeelden alle partijen consequent alle verkiesbare plaatsen over mannen en vrouwen. Quotawetten zijn vooral van belang voor partijen die niet uit eigen beweging streven naar een sekse-evenwicht. Terwijl de nieuwe quotawet wel degelijk impact gehad zou hebben in kleinere kieskringen waar partijen op twee of drie zetels kunnen rekenen, was zij niet ingesteld op de omvang van de provinciale kieskringen. Ook al zijn de twee nieuwe maatregelen beiden op zich bevorderlijk voor meer sekse-evenwicht, in grotere kieskringen verwatert het positieve effect van de nieuwe dubbele quota omdat zij enkel op een deel van de verkiesbare posities inspelen. Daardoor komt een gecombineerde toepassing van de nieuwe maatregelen voor de verkiezingen van 2003 vrouwen niet zonder meer ten goede.

Verkozenen

Het percentage vrouwelijke Senatoren was doorheen de tijd steeds hoger dan het percentage vrouwelijke Kamerleden, met uitzondering van de periode 1954-1974. Het verschil tussen de twee assemblees werd groot in 1995, toen het percentage vrouwelijke Senatoren fors steeg. Deze stijging wordt algemeen verklaard door een afname van de macht van de Senaat naar aanleiding van de Sint-Michielsakkoorden van 1993. Een deel van die groei kan echter ook toegeschreven worden aan de aanzienlijke vergroting van de kieskringen voor de verkiezing van de federale Senaat. In 1999 maakte de Kamer een inhaalbeweging, maar in de Senaat klom het percentage vrouwen verder. Zoals uit tabel 2 blijkt maakte de Kamer op 18 mei opnieuw een inhaalbeweging, terwijl het aandeel vrouwen in de Senaat lichtjes verder klom. De kloof werd nu echter zo goed als gedicht.

Tabel 2: Vrouwen verkozen


data: www.deredactie.be/cm/vrtnieuws, www.destandaard.be, www.lesoir.be, www.verkiezingen2003.belgium.be
\* het cijfer na de streep geeft het aantal kandidaten die de nuttige lijstvolgorde doorbraken, het cijfer voor de streep hoeveel van hen dit deden ten koste van een kandidaat van de andere sekse

Voor de Kamer werden 35% vrouwen verkozen, tegenover 19% in 1999. Dit is de grootste stijging ooit van vrouwen in de Kamer, maar indien men de aantallen vrouwen op verkiesbare plaatsen als indicator neemt voor het aantal verkozenen, is het resultaat niet verbazingwekkend. Deze overeenkomst tussen het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen en het aantal vrouwelijke verkozenen is wel interessant indien men bedenkt dat de lijstvolgorde in 2003 veelvuldiger doorbroken werd dan tijdens voorgaande federale verkiezingen. Wij komen hier later op terug.
Indien wij de gegevens uitsplitsen stellen wij vast dat met uitzondering van de Groenen, de N-VA en het FN, die weinig gewicht in de schaal leggen, bij alle partijen het aantal vrouwelijke verkozenen toeneemt in absolute getallen. Dit geldt ook voor CD&V en cdH, die beiden hun aantal zetels zien verminderen. Aan Vlaamse kant valt ook op dat sp.a-spirit met het verdwijnen van Agalev de meeste vrouwen in zijn rangen telt, en niet CD&V, die met Agalev samen over het algemeen de meeste vrouwen telde. sp.a-spirit wordt daarin op de voet gevolgd door de VLD. Bij de Franstalige partijen tellen eveneens het MR en de PS de meeste vrouwen in hun rangen. We vinden dus het grootste aandeel vrouwen bij de grootste partijen. Dit bevestigt dat niet zo zeer de nieuwe quota maar het aantal zetels verantwoordelijk is voor de toename van het aantal vrouwelijke verkozenen.

In de Senaat steeg het aantal vrouwen minder sterk. Terwijl in 1999 30% vrouwen rechtstreeks verkozen werden waren het er nu 38%. In tegenstelling tot in de Kamer is het aantal vrouwen dat verkozen werd in de Senaat dus lager dan het aantal vrouwen op verkiesbare plaatsen. Zoals wij zullen zien hangt dit samen met het feit dat in de Senaat mannen de lijstvolgorde doorbroken hebben ten koste van vrouwen. Het cijfer voor de Senaat betekent echter ook dat de Kamer de kloof op het vlak van het aantal vrouwelijke verkozenen, die in 1995 ontstond en in 1999 mondjesmaat afnam, zo goed als terug gedicht heeft.

In tegenstelling tot in de Kamer zijn het niet noodzakelijk de partijen met het grootste aantal verkozenen die ook het hoogste aantal vrouwelijke verkozenen tellen. sp.a-spirit is de enige partij waar de winst zich vertaalt naar het aantal vrouwelijke verkozenen en waar van een serieuze toename sprake is. Ook in de Senaat neemt deze partij de fakkel over van Agalev op het vlak van sekse-evenwicht, zij het dat CD&V haar positie hier wel kan handhaven. Een gemakkelijke indicator voor de impact van de gehalveerde lijststem is het aantal vrouwen dat verkozen zou zijn indien de verkiezingen hadden plaats gevonden met gesloten lijsten. Onder die omstandigheden hadden partijen hun kandidaten misschien anders gerangschikt. Maar in het verleden werd de lijstvolgorde zelden doorbroken bij federale verkiezingen gezien het gewicht van de lijststem. Vandaar dat een vergelijking met een situatie waarin de lijsten gesloten waren geweest interessant is. In de Kamer zou één vrouw meer verkozen geweest zijn, waardoor het percentage vrouwelijke verkozenen ook op 35% was uitgekomen. In de Senaat waren 2 vrouwen meer verkozen geweest, waardoor zij met 43% geweest waren. De halvering van de impact van de lijststem heeft dus geen gevolgen gehad voor de vrouwelijke verkozenen van de Kamer, wel voor die van de Senaat. Indien in de Senaat de lijstvolgorde niet was doorbroken waren er trouwens evenveel vrouwen verkozen als op verkiesbare plaatsen stonden.

In totaal werden 21 kandidaten in de Kamer en 6 in de Senaat verkozen buiten de nuttige lijstvolgorde. Dat zijn veel meer dan tijdens voorgaande federale verkiezingen. In de Kamer gaat het om 9 vrouwen en 12 mannen, in de Senaat om 2 vrouwen en 4 mannen. Het gaat dus om minder vrouwen dan mannen, alhoewel in de Kamer het verschil niet groot is. Verder valt op dat mannen in de Kamer niet in veel grotere getallen de lijstvolgorde doorbreken ten koste van vrouwen dan andersom. In de Senaat doorbraken 3 mannen de lijstvolgorde ten koste van een vrouw en slechts één vrouw slaagde erin om het omgekeerde te doen. Maar in de Kamer doorbraken 5 vrouwen de lijstvolgorde ten koste van een man en 6 mannen deden het omgekeerde. In de Kamer heeft de halvering van de impact van de lijststem dus geen impact gehad op het aantal vrouwelijke verkozenen. In tegenstelling tot de initiële verwachting heeft de gehalveerde impact van de lijstvolgorde, tenminste in de Kamer, niet een positief effect van de nieuwe quotawet tenietgedaan. De mate waarin mannelijke en vrouwelijke kandidaten ook in de toekomst in evenredige mate verkozen worden buiten de nuttige lijstvolgorde hangt vooral af van hun naambekendheid. Het voorbeeld van de Senaat bewijst alleszins dat de halvering van de lijststem vrouwen parten kan spelen.

Conclusie

De nieuwe quotawet is minimaal verantwoordelijk geweest voor de stijging van het aantal vrouwen. Een indicator hiervoor is het feit dat er geen evenredige toename geweest is van het aantal vrouwen in zowel Kamer als Senaat. Verder wijst alles erop dat vooral de grotere kieskringen verantwoordelijk zijn geweest voor een toename van het aantal vrouwen. Ten eerste werd de stijging van het aantal vrouwen vooral opgetekend in de Kamer en niet in de Senaat waar de kieskringen reeds groter waren. Ten tweede dicht de Kamer de kloof met de Senaat wat het aantal vrouwelijke verkozenen betreft op het moment waarop de kieskringen in de Kamer groter werden. Ten derde heeft het merendeel van de partijen op de Kamerlijsten in 2003 vooral de door de grotere kieskringen bijgekomen ruimte benut om meer vrouwelijke kandidaten op verkiesbare plaatsen te positioneren. Op de Senaatslijsten was dit reeds in 1995 en 1999 gebeurd. Echter, zoals we opmerkten ondermijnen de provinciale kieskringen voor een stuk ook de quotawet. Ook al zijn de twee nieuwe maatregelen beiden op zich bevorderlijk voor meer sekse-evenwicht, in grotere kieskringen verwatert het positieve effect van de nieuwe dubbele quota omdat zij enkel op een deel van de verkiesbare posities inspelen. Hiervan getuigt het feit dat vrouwen, ook al is hun aantal op verkiesbare plaatsen toegenomen, niet de helft van de verkiesbare plaatsen innamen. Daardoor komt een gecombineerde toepassing van de nieuwe provinciale kieskringen enerzijds en de nieuwe quotawet anderzijds een beter sekse-evenwicht niet zonder meer ten goede. Hetzelfde kan gezegd worden van de halvering van de impact van de lijstvolgorde. Het voorbeeld van de Senaat bewijst dat de halvering van de lijststem vrouwelijke kandidaten parten kan spelen als zij er niet in slagen om in dezelfde mate als mannen verkozen te worden buiten de nuttige volgorde. Wil de nieuwe quotawet effectief bijdragen tot de verkiezing van meer vrouwelijke mandatarissen en niet louter tot een selectie van meer vrouwelijke kandidaten zal zij aangepast moeten worden aan de omvang van de kieskringen. De rits zal met andere woorden doorgetrokken moeten worden naar alle verkiesbare plaatsen op de kandidatenlijsten. Bovendien werken dergelijke quota enkel optimaal bij gesloten lijsten.

Petra Meier
vorser

Noten
1/ Er wordt niet ingegaan op de opvolging omdat de quotawet daar strikt genomen geen invloed op heeft.
2/ Een deel van de in dit hoofdstuk weergegeven informatie werd in april 2003 i.s.m. Kris Deschouwer gepresenteerd tijdens een persconferentie van Gelijke Kansen in Vlaanderen.
3/ De N-VA werd als de opvolger van de Volksunie beschouwd en evenmin werd de meerwaarde van spirit voor de sp.a in rekening gebracht. Wel werd rekening gehouden met het feit dat het aantal zetels per provincie in 2003 lichtjes afweek van de aantallen in 1999.

Bibliografie
- Darcy, R., S. Welch and J. Clark (1994) Women, Elections and Representation (2nd ed). Lincoln, Nebraska: Nebraska University Press.
- Deschouwer, K. en P. Meier (2002) Tussen wens en werkelijkheid: reële en mogelijke impact van quotawetten op kieslijsten. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
- Leijenaar, M. (2000) ‘El sistema electoral más favorable a la democracia paritaria’. In: P. Saavedra-Ruiz (ed) La democracia paritaria en la construcción europea. Madrid: CELEM, 77-84.
- Matland, R.E. (1993) ‘Institutional Variables Affecting Female Representation in National Legislatures: The Case of Norway’, Journal of Politics 55(3), 737-755.
- Norris, P. (1996) ‘Legislative Recruitment’. In: L. Leduc, R. Niemi en P. Norris (eds) Comparing Democracies: Elections and Voting in Global Perspective. Thousand Oaks: Sage.
- Peirens, K. (1999) ‘Vrouwelijke parlementsleden na de verkiezingen van 13 juni 1999: Analyse van de toegang tot een parlementair mandaat’, Res Publica 41(4), 481-498.
- Rule, W. (1994) ‘Parliaments of, by and for the People: Except for Women?’ In: idem en J.F. Zimmerman (eds) Electoral Systems in Comparative Perspective: Their Impact on Women and Minorities. Westport: Greenwood Press, 15-30.
- Verzele, V. en C. Joly (1999) La représentation des femmes en politique après les élections du 13 juin 1999. Brussel: CRISP.

vrouwen - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 40 tot 48