Log in

'Politiek gaat over de mensen'

Populistische retoriek bij de Vlaamse politieke partijen

‘Wij proberen een eigen politieke woordenschat te ontwikkelen die ook ingang vindt bij de publieke opinie en zeker bij de pers (…) omdat die een bepaalde inhoud en kleur heeft waardoor het voor de mensen duidelijk is wat ermee wordt bedoeld. Misschien niet bewust, maar dan toch onbewust worden die woorden geassocieerd met ons gedachtegoed en ook met de partij.’1
(Filip Dewinter in Van den Brink, 1999: 158)

Inleiding

In mei 2003 gaat Steve Stevaert met de sp.a de verkiezingscampagne in met de slogan Politiek gaat over de mensen. CD&V varieert creatief: Voor mensen en waarden. Het Vlaams Blok lanceert een charmeoffensief en blijft op dezelfde nagel kloppen: Het VB is de stem van het volk. Een zelfverzekerde Bart Somers wil dan weer met goed nieuws overtuigen: dank zij de VLD, de Partij van de burger, wordt er volgens hem weer geluisterd. Het mag duidelijk zijn: Vlaamse politici houden van hun bevolking.

De spectaculaire opgang van het Vlaams Blok heeft al veel inkt doen vloeien. Heel wat onderzoek spitst zich toe op oorzaken en verklaringen, en vaak kijkt men daarbij richting electoraat. Wat drijft mensen tot een stem voor het Vlaams Blok? Stemmen Vlaams-Blokkiezers voor iets (een partij, een kandidaat, een issue, een programma) of enkel tegen iets (het beleid, de andere partijen, het systeem, het establishment)? In welke mate is hun stem ideologisch gemotiveerd of niet meer dan een uitdrukking van protest? Op zulke vragen probeert onderzoek naar stemmotieven antwoorden te bieden. De ‘ontvangers’ van de boodschap, de kiezers, zijn hierbij het studieobject. Maar het is zeker even interessant om ook eens een stapje terug te gaan en de ‘zender’ en de boodschap zelf te bekijken. Partijen kunnen immers zelf mee hun succes maken door actief en prominent aanwezig te zijn, in het bijzonder in de aanloop naar verkiezingen. Parlementair werk is belangrijk, maar om stemmen te rapen moet vooral het profiel van de partij duidelijk en herkenbaar zijn. Politiek is perceptie en politieke communicatie is cruciaal. Het Vlaams Blok, ‘zonder meer de kampioen van de propaganda’, zoals blijkt uit onderzoek van Deschouwer en Buelens, heeft dit goed begrepen.2 De partij wordt professioneel geleid, weet interne twisten goed binnenskamers te houden en heeft een aantal troeven in handen: veel geld, een ongewoon duidelijke politieke positie (cordon sanitaire) en getalenteerde, verbaal vaardige politieke kopstukken. Maar vooral door een uitgebalanceerde en alomtegenwoordige communicatiestrategie lijkt het Vlaams Blok als geen ander antipolitieke sentimenten te kunnen kanaliseren en vertalen in electorale winst. Onderscheidt de communicatie van het Vlaams Blok zich wetenschappelijk meetbaar van die van de andere Vlaamse politieke partijen? Is de politieke communicatie van het Vlaams Blok heel wat meer populistisch dan het discours van de andere partijen? Dat is de vraag die hier centraal staat.
Het recente succes van extreemrechts in West-Europa heeft het debat over populisme flink aangezwengeld. In de brede discussie over populisme en extreemrechts, beperken we ons hier tot twee elementen. Eerst gaan we dieper in op het concept - wat is populisme? - en vervolgens toetsen we dit aan de politieke realiteit in Vlaanderen. We definiëren populisme als een specifieke communicatiestijl gericht op het etaleren van volksverbondenheid en ontwerpen een instrument waarmee we zulk populisme in de retoriek van partijen kunnen meten. Ten tweede voerden we een comparatieve, kwantitatieve discoursanalyse van de nu teloorgegane Uitzendingen door Derden van alle Vlaamse partijen.

Populisme als politieke communicatiestijl

Populisme is een populaire term geworden. Niet alleen politieke wetenschappers, maar ook politici en persmensen hebben er de mond van vol. Waarvoor populisme juist staat, is niet altijd even duidelijk, maar populisme is iets ‘vies’, daarover is nagenoeg iedereen het eens. Geassocieerd worden met populisme komt je geloofwaardigheid en politieke ernst niet ten goede. Door het wijdverbreide gebruik van de term nam de onduidelijkheid recent nog verder toe. Een alomvattende theorie is niet voorhanden, maar algemeen wordt aangenomen dat de typologie van Canovan (1981)3 de historische en geografische realiteit van het populisme het best omvat. Canovan maakt een analytisch onderscheid tussen agrarisch en politiek populisme. De agrarische variant komt in de eerste plaats op voor de belangen van de boeren en focust in hoofdzaak op sociaaleconomische problemen. Dit in tegenstelling tot het politiek populisme, waarvan sprake is wanneer we populisme associëren met directe democratie, met de idealisering van de man in de straat en met de spanningen tussen de elite en hun maatschappelijke basis. Steunend op de meest gedocumenteerde voorbeelden in de wetenschappelijke literatuur kunnen we met Taguieff (1998)4 drie historische golven van populisme onderscheiden: het populisme van eind 19de eeuw, het Latijns-Amerikaans populisme en het nieuw-rechts populisme.

Agrarisch populisme vinden we voor het eerst terug bij de Russische Narodniki in de tweede helft van de 19de eeuw. Deze beweging van intellectuelen voerde een strijd om gelijkheid, voor de boeren en tegen de gevestigde belangen. Met een gelijkaardig pleidooi tegen het kapitalisme groeide de People’s Party in de VS in diezelfde periode uit tot een echte massabeweging, voornamelijk bekommerd om agrarische belangen. De Latijns-Amerikaanse variant van populisme bloeide in de jaren 40 en 50 met de autoritaire regimes van Perón - ‘I am no more than the servant’ - in Argentinië en Vargas in Brazilië. Deze nationalistische en charismatische leiders profileerden zich als direct uitvloeisel van het volk. Met de invoering van enkele sociale maatregelen probeerden ze de indruk te wekken een beleid te voeren voor het volk en tegen de gevestigde belangen van grootgrondbezitters en hoogwaardigheidsbekleders. Vanaf de jaren 70 tenslotte, mobiliseert zogenoemd nieuw-rechts populisme in West-Europa tegen wat al snel de traditionele politiek ging heten. Partijen en politici krijgen het verwijt enkel zelfgenoegzaam met zichzelf bezig te zijn en systematisch de wensen van (gewone) mensen te negeren. Nieuw-rechts populisme scoort vooral rond thema’s als immigratie, belastingen, criminaliteit en nationalisme.
In essentie hebben deze historisch opeenvolgende golven van populisme drie kenmerken gemeenschappelijk. Populisme (1) legitimeert zichzelf door zich te identificeren met het volk; (2) is geworteld in anti-establishmentgevoelens; en (3) beschouwt het volk als een homogene entiteit zonder interne verschillen, met uitzondering van enkele specifieke bevolkingscategorieën die systematisch aan de kant worden gezet (bv. kapitalisten, politici, allochtonen, criminelen, …).

We kunnen het concept populisme best afbakenen aan de hand van het eerstgenoemde gemeenschappelijk element, het appelleren aan het volk, en het tweede en derde element gebruiken om verschillende dimensies of types te onderscheiden binnen het concept. Dat politici zich beroepen op de bevolking, kan je bezwaarlijk een (nieuwe) ideologie noemen. Hoewel een ideologische benadering van het concept best mogelijk is (zie verder), kunnen we populisme, in navolging van een aantal recente publicaties, beter definiëren als een welbepaalde politieke stijl.5 Populisme kan immers zowel links als rechts zijn, heeft geen politieke kleur. Populisme kan je omschrijven als een specifieke communicatiestijl van politieke actoren (politici, politieke partijen, leiders van sociale bewegingen, vertegenwoordigers van belangengroepen, journalisten) waarbij aandacht voor de (belangen van) gewone mensen, burgers, de populus, centraal staat. Populisme is een communicatieframe dat gebruikt wordt om zich te identificeren met het brede publiek. Politieke actoren claimen in naam van het volk te kunnen spreken. Deze volksnabijheid, ‘dichtbij de mensen staan, luisteren en weten wat er leeft op het terrein’, kan op verschillende manieren overgebracht worden. Alledaags taalgebruik, het vermijden van jargon en moeilijke woorden, je privéleven publiekelijk etaleren, informeel gekleed gaan, het zijn allemaal aspecten van een stijl die je kan vatten onder de noemer populisme. Nu is het belangrijkste element in een politieke stijl niet het taalgebruik of de kledingsstijl, maar wel de inhoud van het discours. Alle politieke actoren communiceren met het brede publiek, maar niet iedereen legt dezelfde nadruk op zijn verbondenheid met het volk. Voor deze bijdrage gaan we voorlopig voorbij aan de andere stijlaspecten en hebben we populisme simpelweg geoperationaliseerd als spreken over de bevolking. Publiekelijk verwijst men vaak naar (de) mensen, (het) publiek, (de) burger(s), (de) kiezer(s), (de) belastingbetaler(s), (het) volk, (de) bewoner(s), (de) consument(en)… We gaan ervan uit dat politici door ‘de bevolking’ in de mond te nemen, willen tonen dat ze geen politiek bedrijven vanuit een ivoren toren, maar echt aandacht hebben voor de bekommernissen van (gewone) mensen. Het impliciete populistische motto luidt dus: ‘Ik spreek over u, dus ik luister naar u’.

Op die manier omschreven, is populisme een perfect normale retorische stijl, gangbaar bij politici van diverse strekking op uiteenlopende momenten in de tijd. We moeten populisme dus begrijpen als een neutraal concept, een courante politieke stijl, zonder pejoratieve of autoritaire connotatie. Maar zoals gezegd, bevatten de meeste academische definities en historische verschijningsvormen van populisme nog twee andere elementen: een felle anti-establishmenthouding en het zondebokmechanisme. Om analytische redenen nemen we deze elementen niet op in de definitie van populisme, maar beschouwen we ze als dimensies binnen het concept. Het anti-elitisme is de verticale dimensie van populisme. Anti-establishmentretoriek benadrukt de afstand tussen de bevolking en de elites, en werkt dus politieke aliënatie in de hand. Anti-elitaristische populisten polariseren: ze komen op voor de belangen van de gewone man en richten hun pijlen op de (politieke) elite. De vijand is extern aan de bevolking en woont op de hoogste verdieping van de maatschappelijke woonblok, boven de gewone mensen. Aangezien anti-elitaristische populisten alle gevestigde belangen in de maatschappij reduceren tot politiek, wordt elke misstap, elk maatschappelijk probleem afgeschoven op de rug van het politieke bedrijf en geïnterpreteerd als gevolg van incompetentie, onbetrouwbaarheid, politieke onwil of zelfs sabotage (samenzweringstheorieën). In overeenstemming met deze alomvattende opvatting van politiek moeten we ook de maatschappelijke elites breed begrijpen. Het kan gaan om de politieke elites (partijen, regering, ministers…), de media (mediagroepen, mediamagnaten, journalisten…), de staat (administratie, publieke diensten…), intellectuele elites (universiteiten, schrijvers, professoren…) of economische machten (multinationals, werkgevers, vakbonden, kapitalisten…). Hoe diffuser het anti-elitisme, d.w.z. hoe meer het discours gericht is tegen een ruime elite, des te radicaler is het anti-elitaire karakter van het discours. De horizontale dimensie van populisme is de inclusief-exclusief-dimensie. De vijand bevindt zich ditmaal niet boven, maar tussen de bevolking. De vijand is intern en wordt dus uitgesloten. Specifieke bevolkingsgroepen worden gestigmatiseerd en uitgesloten omdat men ze beschouwt als een bedreiging en last voor de samenleving. Ze worden verantwoordelijk gesteld voor de tegenspoed die het brede publiek treft en daarom negatief afgeschilderd. De twee dimensies van populisme zijn in realiteit niet altijd even gemakkelijk te onderscheiden. Soms is het niet echt duidelijk of de bevolkingsgroepen die onder vuur liggen nu tot de elites (verticaal) of eerder tot de bevolking (horizontaal) behoren (bv. geestelijken, kapitalisten).

Op die manier, met populisme als het etaleren van volksverbondenheid met twee dimensies komen we tot vier types van populisme. Doorgaans definiëren politieke wetenschappers alleen de anti-establishment en exclusieve variant als populisme. Maar door populisme ruimer te definiëren zijn we beter in staat verschillende varianten te onderscheiden en kunnen we vooral beter nagaan of de communicatie van partijen zoals het Vlaams Blok verschilt van die van de andere partijen en waar dat verschil nu juist ligt. Populisme is voor ons dus niet gelijk aan volksverlakkerij of demagogie of aan simplistische oplossingen voor moeilijke problemen. Bart Somers (VLD), huidig Vlaams Minister-President, in een interview met P-Magazine kon het niet beter gedefinieerd hebben: ‘Als populisme betekent: rekening houden met wat er leeft bij de mensen, hun zorgen en bekommernissen ernstig nemen en proberen op een eerlijke manier oplossingen te zoeken, dan ben ik de grootste populist van Vlaanderen’.6 Zo is het best mogelijk dat er een variant van populisme bestaat, waarbij men zich identificeert met de bevolking, zonder dat dit direct ten koste gaat van concurrerende elites of geviseerde minderheden. Als er iets zoals een positief populisme bestaat, zou het inhoudelijk het spiegelbeeld zijn van de klassieke, negatieve, anti-elitaire en exclusieve variant. Er is dan ook geen enkele reden om te denken dat populisten altijd thema’s als migratie en criminaliteit onder de aandacht zouden brengen. Populisme is een master frame, een discours waarin men de meest uiteenlopende issues kan verpakken en aan de man brengen.

Het onderzoek

Als we populisme in zijn verschillende dimensies willen meten, hebben we een steekproef nodig van politieke communicatie die gericht is aan het brede publiek. Daarom hebben we gekozen om de Uitzendingen door Derden van de zes grootste Vlaamse partijen (periode 1999-2001) te onderwerpen aan een inhoudsanalyse. Deze tv-programma’s werden als politieke tribune uitgezonden op de publieke omroep VRT en bereikten gemiddeld zo’n 75.000 kijkers (gemiddeld kijkcijfer 2000: 76.501). Het gaat om directe communicatie van de partij naar de bevolking toe, zonder tussenkomst van journalisten of media. Zowel de format als de inhoud van de uitzendingen zijn door de partij bepaald. Dit is niet onbelangrijk: we krijgen de partijen te zien zoals ze zelf graag gezien zouden worden. De vergelijkbaarheid van de data voor de verschillende partijen is dan weer een praktisch voordeel. Elke tv-uitzending duurt tien minuten en is een unieke combinatie van woord en beeld, in scène gezet door partijstrategen. Het betreft eenvormige, en vooral rijke data. De uitzendingen bevatten immers niet enkel discours, maar laten ook toe de andere aspecten van een communicatiestijl te onderzoeken - kledingsstijl, taalgebruik, scheiding publiek/privéleven, emoties in politiek. Zo zouden we dus ook de toonbeelden van populisme kunnen analyseren.7 Uit de periode 1999-2001 selecteerden we voor elke partij ad random 20 uitzendingen, wat resulteerde in een totaal van 20 uur televisie. Het zoeken naar verwijzingen naar de gehele bevolking of specifieke bevolkingscategorieën, leverde een 1200-tal nauwkeurig afgebakende tekstfragmenten op, die woordelijk werden uitgetypt en vervolgens geanalyseerd op inhoud.8
Deze 1200 tekstpassages werden nauwgezet onderzocht. Voor elke passage bepaalden we de graad van anti-elitisme op basis van een schaal (1-6) die loopt van een heel specifieke tot eerder diffuse anti-establishmenthouding: hoe diffuser de kritiek op de elites, hoe sterker het anti-elitisme doorschemert in het discours en omgekeerd (zie boven). Drie geviseerde machtscentra werden opgenomen: de politiek, de (dienstverlenende) overheid en de media.9 Wat de horizontale dimensie betreft, hebben we een zorgvuldige inschatting gemaakt van de houding t.a.v. specifieke bevolkingsgroepen. Steunend op een zeer gedetailleerd codeboek, hebben we de klassieke driedeling gehanteerd: positief, neutraal, negatief.

Populisme gemeten

De analyse van de Uitzendingen door Derden van de Vlaamse partijen valt uiteen in drie componenten: (1) de mate van populisme van de Vlaamse politieke partijen, (2) het anti-establishmentgehalte van het populisme (verticale dimensie) en (3) de graad van exclusiviteit van het populisme (horizontale dimensie).

Populisme-index: de mate van populisme in politieke communicatie

Om de graad van populisme comparatief te kunnen meten, construeerden we een populisme-index. Deze index is opgebouwd uit twee maten, waardoor we verschillende informatie samenbrengen: aandeel en intensiteit. Het aandeel geeft weer welk gedeelte van de uitzendingen we als populistisch kunnen bestempelen (in %).10 Zo blijkt dat alle partijen in hun discours heel wat aandacht hebben voor de (gewone) mensen. In de Vlaams-Blok-uitzendingen blijkt 37,8% van het discours opgebouwd rond verwijzingen naar de kiezer, de mensen, de Vlaming, de burger… Bij de andere partijen is dit iets minder. In dalende lijn levert dit volgend beeld op: CD&V (27,0%); VU-ID (23,6%); VLD (21,5%); sp.a (20,9%); Agalev (18,9%). Terwijl we met het aandeel het populistisch gehalte toetsen op niveau van de zinnen (aantal karakters), peilen we met de intensiteit louter naar het voorkomen van de vermeldingen zelf. We meten hoe dikwijls elke partij gemiddeld per uitzending over de bevolking spreekt, hoezeer het discours is doordrongen van verwijzingen naar ‘de mensen’. Het Vlaams Blok blijkt ‘de bevolking’ vaker over de tong te laten rollen dan de andere partijen: gemiddeld zo’n 21 keer per uitzending (21,3). Ook de lage intensiteit bij Agalev is opvallend (8,7). Voor de overige partijen ligt de populisme-intensiteit dicht bij mekaar: VU-ID (12,0); CD&V (11,8); VLD (11,0); sp.a (10,1). Door aandeel en intensiteit met elkaar te vermenigvuldigen, krijgen we een zicht op de mate van populisme in het discours van de politieke derden (populisme-index, uitgezet in Figuur 1). Voor de interpretatie is de absolute waarde niet van belang, want de populisme-index is louter een comparatieve maat, die weergeeft hoe de partijen zich ten aanzien van elkaar verhouden.

Figuur 1: Populisme-index (aandeel x intensiteit) voor elke partij (1999-2001)

De index onderstreept het uitgesproken populisme van het Vlaams Blok. De CD&V zat tijdens het grootste deel van de onderzoeksperiode (1999-2001) voor het eerst sinds lang op de oppositiebanken.11 Misschien kan dat de relatief hoge score van deze centrumpartij verklaren. Want ook VU-ID, eveneens in de oppositie, scoort boven het gemiddelde. De laagste graad van populisme vinden we terug in de uitzendingen van de VLD, sp.a en vooral Agalev. Deze resultaten doen vermoeden dat populisme voornamelijk een strategie is van oppositiepartijen. Ze willen hun ontevredenheid over regering en beleid meer legitimiteit geven door zich meer dan anderen te identificeren met de bevolking. Vraag is nu of dit onderscheid tussen regering en oppositie ook opgaat voor de twee dimensies van populisme, de anti-establishment en inclusief/exclusief dimensie.

Anti-establishment-index: tegen politiek, de overheid en de media

In de verticale dimensie van populisme gaan we na hoe partijen in hun communicatie de zogeheten kloof tussen burger en politiek proberen uit te diepen of integendeel proberen te dichten. In welke mate identificeren partijen zich met het volk ten koste van hun collega’s politici? En worden, ruimer gezien, ook andere machtscentra geviseerd? Een alomvattende meting van anti-establishment houdt zowel rekening met de verschillende soorten elites waartegen populisten zich positioneren (politiek, overheid, media) als met de sterkte van de uitlatingen. In de analyse hebben we deze twee elementen samengebracht: (1) hoe dikwijls laten de verschillende partijen zich negatief uit over de overheid, politiek en media en (2) hoe algemeen (vb. ‘het’ systeem, ‘de’ politici…) of specifiek (vb. premier Verhofstadt, de CD&V…) zijn die uitspraken. Telkens vermenigvuldigden we het aantal tekstfragmenten met de gemiddelde intensiteit.12 In een volgende stap werden de scores voor de verschillende partijen op de drie componenten bij elkaar opgeteld, wat resulteert in een algemene anti-establishment-index voor elke partij (zie Figuur 2).

Figuur 2: Anti-establishmentindex (anti-overheid + anti-politiek + anti-media) voor elke partij (1999-2001)

Zonder in te gaan op de technische details kunnen we meegeven dat zowel overheid als media nauwelijks kritiek te slikken krijgen. Al valt toch op dat het Vlaams Blok zich meermaals expliciet distantieert van de (Belgische) overheid. Ook bij VU-ID, die andere Vlaams-nationalistische partij, vinden we dit terug, zij het in mindere mate. Naar het einde van de onderzoeksperiode toe is het antimediadiscours van het Vlaams Blok - vooral de VRT wordt door de mangel gehaald - erg markant. De nota van de publieke omroep (‘De VRT en de democratische samenleving, 2001’) en de commotie er rond zitten daar ongetwijfeld voor iets tussen. Het is evident dat partijen kritiek hebben op het beleid, het optreden van bepaalde collega’s politici of (groepen) partijen. Zulke oppositie maakt deel uit van de normale politiek. Uit de analyse van de tv-uitzendingen blijkt dat de kritiek van het Vlaams Blok van een andere orde is. Ze is veel algemener wat betekent dat meer nog dan specifieke politici of partijen, ‘het systeem’ het moet ontgelden. Cynisme en ironie zijn het Vlaams Blok daarbij niet vreemd. De scores van de samengestelde anti-establishment-index vindt u terug in Figuur 2. Ook hier geldt de opmerking dat we het resultaat voor een partij moeten interpreteren in relatie tot de andere partijen.

Er loopt een duidelijke breuklijn door het Belgisch-Vlaamse partijlandschap. Het Vlaams Blok verschilt fundamenteel van de andere partijen door haar uitgesproken anti-establishmentprofiel. Ook bij CD&V en VU-ID vinden we fellere kritiek op de elites dan bij de regeringspartijen, al is dit peanuts tegenover het hevige anti-elitisme van het Vlaams Blok. Hier geldt dus eveneens een klein oppositie-effect, al kan de separatistische inslag van zowel VU-ID als Vlaams Blok ook een deel van de hogere scores verklaren. Door de geïsoleerde politieke positie van het Vlaams Blok (cordon sanitaire), kan de partij ook scherper uithalen zonder daarvan onmiddellijk de consequenties te moeten dragen. Totnogtoe lijkt de mogelijkheid akkoorden te sluiten met andere partijen toch nog heel ver weg, zeker op nationaal vlak. Rest ons nog te kijken naar de horizontale dimensie van populisme. In welke toonaard spreken partijen over specifieke bevolkingsgroepen (ouderen, zelfstandigen, werklozen, allochtonen, arbeiders, criminelen…)?

Exclusiviteitsindex: iedereen mee aan boord?

Alle partijen hebben traditionele ‘vijanden’ - kapitalisten, arbeiders, vrijdenkers… Maar vinden we in de politieke communicatie eind 20ste eeuw nog iets terug van deze klassieke vetes? Amper. De meeste partijen laten zich zelden negatief uit. Integendeel, bevolkingsgroepen worden eerder verbaal opgevreeën dan dat ze met de vinger worden gewezen. Het grootste aantal vermeldingen is evenwel neutraal gekleurd.13 Meestal is de houding van een partij t.a.v. een bepaalde bevolkingscategorie impliciet wel duidelijk (bv. liberalen/ondernemers; socialisten/arbeiders), maar zelden spreken partijen dat ook expliciet uit. Slechts één partij, waarvan geweten is dat ze niet zo hoog oploopt met politieke correctheid, steekt duidelijk af tegen de andere: het Vlaams Blok. Meer dan 70% van alle negatieve vermeldingen vinden we terug bij het Vlaams Blok. VU-ID, Agalev en CD&V nemen allerlei bevolkingscategorieën het meeste positief in de mond.

Deze bevindingen kunnen we cijfermatig weergeven in zogeheten J-scores.14 Technisch gezien, bestaat de J-score uit het aantal positieve vermeldingen verminderd met het aantal negatieve, gestandardiseerd over het totaal aantal vermeldingen. Dit levert voor elke partij een cijfer tussen -1 (uiterst negatief) en 1 (uiterst positief) op, met 0 als neutraal punt. Het resultaat van deze oefening zien we in Figuur 3.

Figuur 3: Evaluatie bevolkingsgroepen door partijen (J-scores)

Het Vlaams Blok is de enige partij met een duidelijk negatieve score. In de uitzendingen van het Vlaams Blok worden bepaalde bevolkingsgroepen systematisch negatief benaderd. Vooral allochtonen en criminelen worden hard aangepakt. Als we de andere partijen overlopen, zien we geen regering-oppositiepatroon zoals bij de populisme- en anti-establishment-index. De twee andere federale oppositiepartijen, CD&V en VU-ID, houden er net als Agalev een uitgesproken positief discours op na. VLD en sp.a laten zich zelden positief of negatief uit en scoren in het midden.

Conclusie en discussie

Steunend op de historische achtergrond en recente, gespecialiseerde literatuur, stelden we een definitie voor van populisme als politieke communicatiestijl met daarin twee dimensies. Dit opende de deur voor comparatief onderzoek, zodat we niet alleen de ‘traditioneel’ populistische, maar ook andere partijen in de analyse konden betrekken. We hebben gezien dat populisme, gedefinieerd als het etaleren van volksverbondenheid, empirisch kan gemeten worden in het discours van politieke partijen. De resultaten van onze analyse kunnen in één grafiek worden samengevat (zie Figuur 4). De graad van populisme (populisme-index) lezen we af aan de hand van de grootte van de bellen: hoe groter de bel, hoe vaker de partij in kwestie ‘de bevolking’ in de mond neemt. Op de verticale as in de grafiek zetten we de verticale dimensie van populisme uit (anti-establishmentindex): hoe hoger de plaats van een partij op de grafiek, hoe minder deze partij een anti-establishmentdiscours hanteert; hoe lager de positie op de grafiek, hoe vaker en sterker de partij de overheid, politiek en de media op de korrel neemt. De horizontale dimensie van de grafiek, tenslotte, stemt overeen met de horizontale dimensie van populisme (exclusiviteitsindex). Hoe meer een partij zich rechts (links) in de grafiek situeert, hoe meer ze gekarakteriseerd wordt door een positief (negatief) discours over bevolkingsgroepen.

Figuur 4: Populisme in de politieke derden van Vlaamse politieke partijen. Populisme-index, anti-establishment-index en exclusiviteitsindex samengebracht. 15 ** **

Figuur 4 maakt het overduidelijk dat het discours van het Vlaams Blok fundamenteel verschilt van het discours van de andere partijen. Het Vlaams Blok is voor de onderzochte periode veruit de meest populistische partij van Vlaanderen en beoefent volop de exclusieve en anti-establishmentvariant van populisme. Ook de andere partijen bedrijven populisme, maar ze doen het veel minder en doen het anders: ze sluiten niet of nauwelijks bepaalde bevolkingsgroepen uit en ze zetten burgers ook niet systematisch tegen de politieke elites op. Natuurlijk zijn er ook verschillen tussen de andere partijen onderling, maar hier zijn onze resultaten minder consistent. Het vergt bijkomende en meer verfijnde analyses om de posities van de vijf andere partijen tegenover elkaar preciezer af te lijnen.
Heeft het succes van het Vlaams Blok te maken met dit frappante onderscheid in de manier waarop de partij met het publiek communiceert? Dat is niet zeker. Daarvoor hebben we gegevens nodig over de manier waarop het publiek met deze boodschappen omgaat. Welk effect heeft populisme op kiezers? Wie voelt er zich door aangesproken en waarom? Versterkt anti-establishmentretoriek de antipolitieke gevoelens bij de bevolking? En wat zijn de effecten van de niet anti-establishment en inclusieve varianten van populisme? Is het zo dat door voortdurend over de mensen te spreken, je ook impliciet zegt dat de wil en verlangens van die mensen het enige zijn wat telt in een democratie? Dat zijn allen vragen voor verder onderzoek. Maar het is wel zeker dat het Vlaams Blok wat haar communicatie betreft, fundamenteel anders is dan de andere Vlaamse partijen.

We definieerden populisme als een politieke stijl en ontdeden het dus van elke ideologische betekenis. Spreken over het volk kan je moeilijk ideologisch noemen. Maar toch zou het kunnen dat zulk populisme, ook zonder dat er van anti-establishment of exclusiviteit sprake is, impliciet een schadelijke ideologische boodschap meedraagt. Als dat het geval zou zijn, dan is het positieve populisme dat alle Vlaamse partijen zo ijverig beoefenen niet echt een oplossing voor het politieke ongenoegen. Integendeel, dan kan het zelfs bijdragen tot het verdiepen van de kloof. Wat zou dan die populistische ideologie kunnen zijn? Populisme als ideologie is een visie op democratie waarbij één element van de democratie, de soevereiniteit van het volk, wordt uitvergroot en tot de democratie wordt uitgeroepen. Alle andere constitutieve elementen (bv. respect voor de minderheid, scheiding der machten, …) die als een filter fungeren tussen de volkswil en het politieke beleid worden van tafel geveegd. Mogelijk is er een inherente band tussen populisme als ideologie en populisme als stijl. Spreken over het volk wekt impliciet bepaalde verwachtingen over de democratie, het schetst een bepaald beeld van hoe de democratie werkt en hoe ze zou moeten werken. Je zou kunnen zeggen dat door voortdurend over het volk te spreken, je impliciet net die populistische visie op democratie verkondigt: het volk is het enige dat telt, al het andere is quantité négligeable. Spreken over het volk zou dan ook wantrouwen kunnen creëren tegen de representanten van het volk, tegen politieke instellingen als partijen, parlement en regeringen. Niet toevallig blijkt uit allerlei surveys dat de liefde voor ‘de democratie’ bijzonder groot is, terwijl de liefde voor de concrete instellingen van de democratie - en dan vooral de representatieve structuren ervan die de volkswil moeten vertalen - al geruime tijd tot onder het vriespunt is gezakt. Het is net tot dat ongenoegen dat een populistisch discours nog zou kunnen bijdragen, ook als het om op het eerste zicht onschuldig en positief populisme gaat: door te spreken over het volk wordt de directe band tussen de bevolking en haar leider(s) aangehaald en raken spelregels en instituties die noodzakelijk zijn om een evenwichtige democratie te doen functioneren, in het verdomhoekje. In ieder geval is het duidelijk dat de inhoudelijke dimensies van populisme die we onderzocht hebben (verticaal en horizontaal) zeker wel een ideologische boodschap uitdragen. Het is zonneklaar dat het anti-establishmentpopulisme en het exclusieve populisme van het Vlaams Blok niet neutraal is maar een bepaalde visie op democratie (het volk tegen de structuren) en op de samenleving in zijn geheel (niet alle groepen horen er bij) uitdragen.

Natuurlijk moeten we opletten met het wijzen op het ‘populistisch gevaar’. Het risico om in een omgekeerd soort elitisme te vervallen is niet denkbeeldig. Waarom zou een politicus niet over het volk mogen spreken? Waarom zou hij/zij zijn/haar volksliefde niet mogen belijden? Zeggen dat je de wil van het volk zal uitvoeren, behoort immers tot de essentie van het politieke bedrijf. Waar het ons om te doen is dat elk populisme, ook de positieve en inclusieve variant, in wezen de bevolking tegenover het systeem zet. Slogans als Politiek gaat over de mensen gaan over de politiek zelf, niet over de mensen. Impliciet en subtiel krijgt het publiek een boodschap aangereikt. Die boodschap is dat politiek meestal niet bezig is met de echte problemen en diepste roerselen van de bevolking. En laat dat nu net het beeld zijn dat men probeert bij te sturen.16

Jan Jagers
Aspirant FWO-Vlaanderen - Onderzoeksgroep Media, Middenveld en Politiek (M2P )
Stefaan Walgrave
Coördinator Onderzoeksgroep Media, Middenveld en Politiek (M2P)
Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, Universiteit Antwerpen

*Noten *
1/ Van den Brink, R. (1999), De Jonge Turken van het Vlaams Blok. Extreemrechts tussen uniform en maatpak. Gent: Scoop.
2/ Zo stelden Buelens en Deschouwer bijvoorbeeld vast dat het Vlaams Blok in 2001 dubbel zoveel geld heeft uitgegeven aan propaganda als de CD&V: 80,6 miljoen Bef. Van de regeringspartijen gaf geen enkele meer uit dan 10 miljoen Bef. Zie Buelens, J., Deschouwer, K. (2003), De verboden vleespotten: de partijorganisatie van het Vlaams Blok tussen oppositie en machtsdeelname, VUB: vakgroep politieke wetenschappen Brussel.
3/ Canovan, M. (1981), Populism, London: Junction books.
4/ Taguieff, P.-A. (1998), ‘Populismes et antipopulismes: le choc des argumentations’, Mots - les Languages du Politique (55): 5-26.
5/ Blommaert, J. (2001), Ik stel vast: politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. Berchem: EPO ; Deschouwer, K. (2001), ‘De zorgeloze consensus. De statuten van het Vlaams Blok en de partijentheorie.’ Tijdschrift voor Sociologie 22(1): 63-87 ; Elchardus, M. (2001), ‘Moet populisme omarmd worden als politieke vernieuwing?’ Socialisme en democratie 58: 226-258 ; Elchardus, M. (2002), De dramademocratie. Tielt: Lannoo ; Taguieff, P.-A. (1995), ‘Political science confronts populism: from a conceptual mirage to a real problem.’ Telos (103): 9-44 ; Taguieff, P.-A. (1998), ‘Populismes et antipopulismes: le choc des argumentations.’ Mots - les Languages du Politique (55): 5-26.
6/ Uittreksel P-Magazine in Gazet Van Antwerpen, 28/06/2002.
7/ Hoewel een beeldanalyse interessante onderzoeksvragen zou kunnen beantwoorden (Komen er enkel politici aan het woord of krijgen ook burgers de kans hun mening te ventileren? Toont men gewone mensen op televisie en om welke mensen gaat het dan?), beperken we ons in dit artikel zoals gezegd tot de discoursanalyse.
8/ Niet alle letterlijke verwijzingen naar de bevolking werden in de analyse opgenomen. Een passage met een verwijzing naar de bevolking zonder dat we daarbij denken aan de politieke betekenis van het begrip werd niet in rekening gebracht. Zo beantwoorden ‘de mensen die een sigaret stonden te roken’ niet aan de vooropgestelde voorwaarden. Een bevolkingscategorie werd gedefinieerd als een groep mensen die (1) een constant kenmerk gemeen hebben dat daarenboven nog (2) politiek relevant moet zijn. In dit voorbeeld is alvast niet aan de eerste voorwaarde voldaan. Hoewel er letterlijk ‘de mensen’ staat, blijkt uit de context dat deze bepaling toch niet thuishoort in onze dataset.
9/ Voor de drie anti-establishmentcomponenten ziet de schaal er als volgt uit. Anti-overheid: (1) eenmalig falen; (2) systematisch falen; (3) overheidsdienst in zij geheel in gebreke; (4) alle overheidsdiensten in gebreke; (5) falen van ‘het systeem’. Antipolitiek: (1) tegen beleidsmaatregel/situatie; (2) tegen beleid; (3) tegen politicus; (4) tegen partij; (5) tegen groep partijen; (6) tegen alle partijen; (7) tegen ‘het systeem’. Antimedia: (1) tegen artikel/tv-uitzending; (2) tegen journalist; (3) tegen krant/tijdschrift/tv-zender; (4) tegen groep media; (5) tegen de media; (6) tegen ‘het systeem’. Op basis van deze schaal van specifiek naar diffuus werd de anti-establishment index berekend.
10/ Om het aandeel te berekenen deelden we per partij de totale lengte van de geselecteerde tekstpassages door de geschatte totale lengte van 20 uitzendingen (in aantal tekstkarakters).
11/ Na de verkiezingen van 13 juni 1999 werd op federaal vlak de paars-groene regering Verhofstadt I gevormd. Omdat CD&V, VU-ID en Vlaams Blok het grootste deel van (of gedurende) de onderzoeksperiode (1999-2001) in de oppositie zetelden, worden zij ook verder in dit werkstuk besproken als oppositiepartijen.
12/ De gemiddelde intensiteit van de anti-establishmentretoriek werd gemeten a.d.h.v. een schaal van specifiek naar diffuus. In aflopende volgorde geeft dit voor de verschillende componenten volgend resultaat. Score anti-overheid: VB (16,8); VU-ID (8,4); VLD (2,9); sp.a (1,2); Agalev (0); CD&V (0). Score anti-politiek: VB (227,7); VU-ID (53,0); CD&V (44,2); sp.a (29,7); Agalev (25 ,0); VLD (21,1). Score antimedia : VB (52,1); Agalev (4,3); CD&V (3,5); VU-ID (2,4); sp.a (0); VLD (0).
13/ Het grote aantal neutrale vermeldingen hangt samen met het feit dat we heel voorzichtig zijn geweest bij de interpretatie. Aan de hand van een gedetailleerd codeboek kregen enkel de expliciet positieve of negatieve vermeldingen ook een soortgelijk etiket opgeplakt. Het inschatten van houdingen (positief, negatief, neutraal) is immers een zeer delicate aangelegenheid en kan slechts mits omstandige verantwoording. We moeten ons bovendien bewust zijn van de specifieke aard van het materiaal dat we onderzoeken. Het gaat niet om journalistieke berichtgeving waarvan objectiviteit mag verondersteld worden, maar we hebben te maken met informatie die bij uitstek gekleurd is: politieke propaganda.
14/ Scholten, O. (1982), Krant en democratie. Amsterdam: Vrije Universiteit.
15/ De anti-establishmentdimensie is in principe een continuüm zonder nulpunt aangezien we geen pro-establishment opvattingen hebben opgenomen. Om naar een voorstelling met vier kwadranten te kunnen gaan, hebben we de anti-establishmentdimensie ‘genormaliseerd’ en dus op kunstmatige manier een nulpunt geconstrueerd. Zo creëren we positieve (niet anti-establishment) en negatieve scores (wel anti-establishment). Deze operatie is in zekere zin arbitrair. We gaan ervan uit dat een bepaald gemiddelde van anti-establishmentretoriek ‘normaal’ is en kijken welke partij daar in positieve of negatieve zin van afwijkt. Verder onderzoek zal moeten toelaten om de grens tussen normale politieke communicatie en abnormale anti-establishmentretoriek scherper en op basis van inhoudelijke overwegingen, en niet enkel statistische, af te lijnen.
16/ Zie ook Walgrave, S., ‘Weg met de mensen!’ in De Standaard, 09/04/2003.

Vlaams Blok - verkiezingen - populisme - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 12 tot 22