Log in

'Moderne Papoea's. Dilemma's van een multiculturele samenleving

Uitgelezen

'Moderne Papoea's. Dilemma's van een multiculturele samenleving

Paul Cliteur
De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2002

Wie het boek Moderne Papoea’s ter hand neemt om zich te informeren over de concrete samenlevingsproblemen van multicultureel Vlaanderen, Nederland of Europa, heeft het verkeerde boek vast. ‘De dilemma’s van een multiculturele samenleving’ uit de ondertitel, verwijzen niet naar de dilemma’s en problemen die immigranten en gastsamenlevingen ondervinden bij hun zoektocht naar optimale participatie van nieuwkomers en allochtonen aan de nieuwe samenleving. Het boek handelt niet over de achtergestelde positie van bepaalde etnische minderheidsgroepen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, noch over het alledaags racisme en de mogelijke maatregelen om die euvels tegemoet te komen. Met Moderne Papoea’s heeft Paul Cliteur een vulgariserend politiek-filosofisch werk geschreven, en de dilemma’s van de multiculturele samenleving die in het boek aan bod komen bevinden zich dan ook op het politiek-filosofische niveau. Interessant voor niet-filosofen is dat Cliteur zich niet in een discussie werpt onder professoren en rechtsfilosofen, hij mengt zich immers op basis van politiek-filosofische argumentaties in het debat zoals het in de publieke ruimte, de politieke fora en de media dagdagelijks wordt gevoerd.
Volgende vragen staan centraal: Hoe tolerant moeten wij zijn ten aanzien van andere culturen? Zijn alle culturen gelijkwaardig? Wat is het verband tussen religie en (publieke) moraal? In de antwoorden die geformuleerd worden, herkennen we de auteur als een conservatieve, liberale en humanistische rechtsfilosoof. Deze teneur is weinig verassend: Cliteur was voorzitter van het Humanistisch Verbond Nederland (1994-95), onderhoudt nauwe banden met de VVD en is lid van de neoconservatieve Edmund Burke stichting. Cliteur argumenteert tegen het postmoderne cultuurrelativisme en stelt onomwonden dat de Westerse cultuur van na de Verlichting een universele en superieure kern heeft. Een cultuur waar tolerantie, godsdienstvrijheid, het recht op vrije meningsuiting, de scheiding tussen godsdienst, moraal en staat, en de mensenrechten centraal staan, is superieur ten aanzien van culturen waar dit niet of in mindere mate het geval is. In de lijn van Voltaire verdedigt Cliteur de vrijheid van gedachte als het allerhoogste goed en de ‘zin van de geschiedenis’. Cliteur is op zijn sterkst waar hij aantoont dat multiculturalisme niet impliceert dat we de eigen moderne verworvenheden in vraag moeten stellen. Integendeel, we kunnen pas echt multicultureel zijn op basis van een gedeelde moderne monoculturele kern. Deze kern omvat de klassieke moderne grondrechten zoals die zijn terug te vinden in de grondwet en de mensenrechtenverdragen. Het liberalisme (in politiek-filosofische betekenis) is dan ook de best mogelijke garantie voor de uitbouw van een rechtvaardige multiculturele samenleving. De liberale rechtsstaat is neutraal ten aanzien van de verschillende opvattingen van het goede leven en is historisch ontstaan precies ter bescherming van diversiteit, vrije meningsuiting, godsdienstvrijheid, etc. Tegelijkertijd geeft de rechtsstaat meteen ook de grenzen aan van waar culturen zich moeten aan houden willen we het nog over een rechtvaardige multiculturele samenleving kunnen hebben. De multiculturele samenleving ontwikkelt zich steeds binnen de grenzen van onze liberale, democratische rechtsstaat, en deze laatste is dus prioritair ten aanzien van de multiculturele samenleving. Denkrichtingen die de principes van de rechtstaat vijandig gezind zijn, groepen en individuen die daadwerkelijk intolerant zijn en cultuurelementen die bepaalde fundamentele vrijheden en rechten van de burgers met voeten treden, kunnen niet worden getolereerd.
Cliteur verwoordt een vruchtbare opvatting over mensen en hun culturen. Mensen worden in culturen geboren en gesocialiseerd, maar Cliteur weigert te geloven dat mensen door hun cultuur worden gedetermineerd. Mensen hebben de capaciteit hun cultuur te overstijgen door ze te overdenken en in vraag te stellen. Culturen zijn bovendien dynamische en complexe gehelen waarvan onderdelen komen en gaan. Culturen evolueren voortdurend zowel door een interne dynamiek als door invloeden van buitenaf. De idee van een ‘zuivere cultuur’ - en Cliteur verwijst naar de Papoea’s - is onwerkelijk én onwenselijk. Belangrijk voor de humanist Cliteur is bovendien dat culturen er zijn voor mensen, maar niet omgekeerd. Precies omdat mensen belangrijk zijn, kunnen niet alle culturen evenwaardig zijn.
Wie dus diversiteit, levensbeschouwelijk pluralisme en multiculturaliteit wil verdedigen doet er dus goed aan de moderne liberale verworvenheden van het Westen die resulteerden in de westerse geseculariseerde liberale rechtsstaten te verdedigen. In de ogen van Cliteur mogen we ons best wat meer als Papoea’s voelen als het gaat over het vrijwaren van die kleine kern van grondrechten en waarden. De liberale rechtsstaat is immers de basis en de mogelijkheidsvoorwaarde voor de uitbouw van een rechtvaardige multiculturele samenleving. So far so good. Maar het boek claimt nog heel wat andere stellingen - soms expliciet, soms tussen de regels - die minder vanzelfsprekend zijn. Cliteur lijkt er vooral op uit om de lezer een vrij eenzijdige, traditionele toepassing van het liberalisme in te lepelen. Hij pleit voor een neutrale publieke sfeer gebaseerd op de idee van laïcité zoals het in Frankrijk wordt gehanteerd. Dat het liberalisme ook te rijmen valt met de idee van een pluralistische publieke ruimte, en dat het liberalisme niet uitsluit dat verschillende levensbeschouwingen en culturen ook actief door de overheid worden ondersteund, wordt sterk onderbelicht. Cliteur heeft met andere woorden vooral aandacht voor de grenzen die de rechtsstaat moet opleggen aan het beleven van de eigen cultuur, niet voor de mogelijkheden die een rechtvaardige pluralistische rechtsstaat zou moeten garanderen voor het beleven van de eigen cultuur. Cliteur stelt op theoretisch niveau wel vast dat de liberale rechtsstaat niet enkel de grens maar ook de mogelijkheidsvoorwaarde is voor een rechtvaardige multiculturele samenleving, maar hij werkt dit laatste vrijwel niet meer uit op het gebied van de concrete toepassing en het beleid.
Wie het boek leest zal snel merken dat Cliteur niet alleen een academicus is, maar ook een columnist. Dit heeft als voordeel dat er pittig wordt geschreven en geargumenteerd. Een goed columnist, zo schrijft hij zelf, moet immers prikkelen en polariseren. De columnist haalt in het boek echter teveel de bovenhand op de academicus. Cliteur lijkt er soms vooral op uit politiek incorrect te zijn. Hoe is het anders te verklaren dat hij beroep doet op Berlusconi als ‘groot theoreticus van de multiculturele samenleving’ (sic)? Ook de stelling dat de doodstraf niet noodzakelijk afkeurenswaardig is, lijkt vooral ingegeven door de drang te provoceren. Moderne Papoea’s bevat interessante ideeën, maar ze worden al te dikwijls weinig diepgaand uitgewerkt. Zo worden termen als ‘universalistisch’, ‘relativistisch’ en ‘postmodern’ in een oppervlakkige betekenis aangewend. Als Cliteur stelt dat een moreel of cultureel relativist noodzakelijk alle culturen gelijkwaardig acht, gaat hij voorbij aan heel wat literatuur hieromtrent die veel genuanceerder is. Een ander voorbeeld van onnauwkeurigheid ligt in het gratuit be- en veroordelen van auteurs. De auteurs die Cliteur gebruikt lijken bovendien vrij willekeurig uit het aanbod geplukt. Vreemd bijvoorbeeld dat het werk van John Rawls (m.n. Political Liberalism, 1993) en het werk van de liberale anti-multiculturalist Brian Barry (Culture & Equality, 2001) niet aan bod komen. Als columnist kan Cliteur het zich permitteren ongenuanceerd te zijn en te simplifiëren, maar hij heeft onvoldoende voor zichzelf uitgemaakt of hij als columnist dan wel als (rechts)filosoof zou optreden. Het boek wil duidelijk meer zijn dan een verzameling columns, maar als filosofisch werk schiet het te kort. Dit maakt het ook moeilijk het boek aan een bepaald lezerspubliek aan te raden. Het boek is enerzijds te moeilijk als avondliteratuur, maar is anderzijds te bout en te eenvoudig om het als vakliteratuur aan te bevelen. Moderne Papoea’s heeft de verdienste dat het stimulerende en toegankelijke teksten bevat over de politieke filosofie van het liberaal, kosmopolitisch multiculturalisme. Maar wie in het Nederlands meer achtergrondinformatie en rechtsfilosofische argumentatie wil over dit onderwerp, zou ik bijvoorbeeld eerder de lectuur aanraden van het recente themanummer ‘Rechtspluralisme en multiculturalisme’ van Het Nederlands tijdschrift voor Rechtsfilosofie & Rechtstheorie (2002, 3).

Ter info:
Het boek is niet meer in druk maar is full text te vinden http://media.leidenuniv.nl/legacy/moderne-papoeas-3e-druk1.pdf

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 (december), pagina 53 tot 54