Abonneer Log in

Wereldtop voor de informatiemaatschappij: een dubbele gemiste kans?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 (december), pagina 12 tot 19

Het thema van de informatiesamenleving staat al een tijdje op de politieke agenda. Het politieke discours stelt daarbij dat de toenemende convergentie tussen telecommunicatie, media en computers - wat uitmondt in zogenaamde informatie- en communicatietechnologieën (ICT’s) - de motor vormt van de evolutie naar een nieuw soort van samenleving. De introductie van ICT’s zou op economisch gebied niet alleen nieuwe vormen van producten en diensten mogelijk maken, ze zou ook leiden tot nieuwe vormen van zaken doen en handel drijven. Het openen van nieuwe markten voor concurrentie en buitenlandse investeringen zou nieuwe commerciële en professionele mogelijkheden stimuleren. De overgang van de industriële naar de informatiesamenleving zou echter niet alleen tot veranderingen in het economische veld leiden.

Alle aspecten van het individuele leven en het collectief handelen zouden fundamentele transformaties ondergaan. Het voorzetsel e- in gebieden als e-health, e-government, e-democracy, e-participation, e-business duidt het allesdoordringende karakter van de transformatie aan. Toch gaan er steeds meer kritische stemmen op die het overdreven optimisme temperen. Door de recente aandacht voor de digital divide wordt duidelijk dat de informatiesamenleving niet noodzakelijk een egalitaire samenleving wordt. Zowel tussen Noord en Zuid, als tussen de informatie-rijken en de informatie-armen in het Noorden versterkt de digitale kloof de vele andere barrières die een gelijke ontwikkeling in de weg staan. Op internationaal vlak wordt de kloof eerder groter dan kleiner. De ontwikkeling van een globale informatiesamenleving mag dus niet als een evidentie gezien worden. Gezien het globale karakter van de transformatie worden initiatieven op dit globale niveau noodzakelijk. Internationaal overleg, internationale afspraken en een zekere harmonisering van het lokale beleid zijn een absolute voorwaarde wil men de mogelijkheden van deze technologieën benutten in functie van algemene ontwikkeling en het verhogen van het algemene welzijn. Vanuit deze optiek organiseert de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU), onder auspiciën van de Verenigde Naties in 2003 en 2005 de zogenaamde World Summit on the Information Society (WSIS). Het eerste deel van de top vindt plaats van 10 tot 12 december van dit jaar in Genève. Het tweede deel van de top - gericht op de specifieke problematiek van de ontwikkelingslanden - vindt plaats van 16 tot 18 november 2005 in Tunis. De centrale doelstelling van de Genève-top is om met alle sleutelactoren - overheden, private sector en civiele samenleving - een gemeenschappelijke visie op de globale informatiesamenleving te ontwikkelen en om een gemeenschappelijke strategie uit te werken om de digitale kloof te dichten.

Situering en belang

De aandacht van de Verenigde Naties voor de globale informatiesamenleving is niet nieuw. Sinds het midden van de jaren 1990 zijn een groot aantal regionale en internationale conferenties georganiseerd rond de globale informatiesamenleving. In 1995 organiseerden de G7 en de Europese Gemeenschap een eerste Ministerial Conference on the Information Society in Brussel. De westerse landen kwamen tot een aantal afspraken om op internationaal niveau de ontwikkeling van de informatiesamenleving te stimuleren. Deze top werd - na een interventie door de toenmalige Vice-president van Zuid-Afrika Thabo Mbeki - gevolgd door een internationale Information Society and Development Conference (ISAD) te Midrand, Zuid-Afrika. Op deze top discussieerden de G8, de Europese Gemeenschap en een aantal ontwikkelingslanden over de uitdagingen die de informatiesamenleving stelt voor de ontwikkelingslanden. Ook deze conferentie eindigde met een ronkende verklaring en een aantal aanbevelingen voor de ontwikkelingslanden om de sprong te maken naar een informatiesamenleving. In 2001 beslisten de G8 opnieuw samen te komen in Okinawa om er te erkennen dat het tot dan toe gevoerde beleid niet kon verhinderen dat er een digitale kloof ontstaat tussen Noord en Zuid. De acht rijkste landen verbonden er zich toe een Dot-Force op te richten die actie moest ondernemen om de kloof te dichten. De discussies op deze topontmoetingen beperken zich in grote mate tot infrastructuur en toegang tot technologie. De voorgestelde strategieën om tot de ontwikkeling van een globale informatiesamenleving te komen zijn geïnspireerd door het neoliberale beleid van liberalisering en privatisering dat het Westen sinds de jaren 1980 op het gebied van communicatie voert (zie ook Van Audenhove et al., 1999, 2003).
De beslissing van de VN om zelf een conferentie aan het thema te wijden werd begroet met gemengde gevoelens. Critici merkten op dat in het licht van de reeds grote belangstelling, het niet echt opportuun is om een zoveelste verklaring en actieplan aan de bestaande initiatieven toe te voegen. Voorstanders daarentegen zagen de WSIS als een nieuwe kans om tot een evenwichtige visie op en strategie voor de globale informatiesamenleving te komen. En dit om volgende twee sterk samenhangende redenen:
. De WSIS zou de eerste internationale conferentie worden waarbij de civiele samenleving - die organisaties die los van staat en markt burgers samenbrengen en vertegenwoordigen in clubs, belangengroepen, ngo’s, etc.- als een volwaardige partner deelneemt in de discussie en besluitvorming. De belofte van een vernieuwde, driedelige benadering, waarbij zowel de overheden, de privésector als organisaties uit de civiele samenleving een actieve stem zouden krijgen, vond een goed onthaal. De laatste jaren is er een zekere ‘top-moeheid’ ontstaan. De VN en vele nationale overheden hadden het gevoel dat het conventionele model van de VN-conferentie zijn beste tijd had gekend. Door de steeds groter wordende macht van organisaties zoals de G8 en de WTO hebben deze conferenties veel van hun kracht verloren. Een grotere rol van de civiele samenleving zou internationale conferenties een nieuwe legitimiteit kunnen verstrekken.
. De vorige conferenties en topontmoetingen werden inhoudelijk in grote mate beheerst door de agenda’s van het Westen. De aandachtspunten zijn steevast infrastructuur en toegang tot infrastructuur. De voorgestelde recepten liggen in de lijn van de in het Westen beproefde liberalisering van communicatiemarkten en privatisering van overheidsmonopolies. Door een breder platform van deelnemers en een meer internationale opzet, wordt gehoopt dat de discussie tijdens de WSIS eindelijk breder zou worden, met aandacht voor mensenrechten, de digitale kloof, lokale inhoud, culturele diversiteit, etc. Deze bijdrage geeft een overzicht van het verloop van de voorbereiding van de WSIS, de rol van de civiele samenleving tot dusver, de inhoudelijke gevoerde discussies en de aanzetten tot de Slotverklaring en Actieplan. Op die manier kan een antwoord gezocht worden op de vraag of de WSIS inderdaad een breuk vormt met het dominante discours rond de informatiesamenleving.

De rol van de civiele samenleving

Bij de aankondiging van de WSIS beloofden de organiserende instanties aan de civiele samenleving dat ze samen met de privésector actief zou kunnen participeren in de voorbereiding van de conferentie en de eigenlijke conferentie in Genève. Logischerwijze had deze belofte moeten inhouden dat de Niet Gouvernementele Organisaties (ngo’s) en Organisaties uit de Civiele Samenleving (cso’s) toegang zouden krijgen tot alle vergaderingen. Bovendien zouden hun inzichten en opvattingen over de toekomstige informatiesamenleving hun weerslag moeten vinden in teksten en besluiten. De voorbereidingen voor de Top van Genève zijn cruciaal geweest in het openen van wegen tot participatie. Deze voorbereidingen vonden plaats in drie Preparatory Committees - de zogenaamde PrepComs - in juli 2002 en februari en september 2003. In juli 2003 werd in Parijs een bijkomende Intersessional Conference gehouden om de opgelopen inhoudelijke achterstand bij te benen. Deze voorbereidende conferenties waren uitermate belangrijk omdat de inhoudelijke discussiepunten en voorbereidende teksten voor de uiteindelijke Top er in grote mate vastgelegd werden. En omdat ze bovendien de mate en manier van inspraak voor de civiele samenleving moesten regelen.
Daarbij dient direct opgemerkt te worden dat de regels voor inspraak van niet-gouvernementele organisaties1 in internationale instellingen alles behalve duidelijk zijn en dat deze regels sterk verschillen van instelling tot instelling. In eerste instantie is niet altijd duidelijk wat de term niet-gouvernementele organisatie juist inhoudt. Omvat dit concept enkel ngo’s of cso’s zonder winstoogmerk? Of maken overkoepelende organisaties van bedrijven of bedrijfssectoren ook deel uit van dit concept? De organisaties die de Top initieerden - de Verenigde Naties en de International Telecommunications Union (ITU) - hanteren verschillende visies op de representatie van niet-gouvernementele organisaties. Binnen de VN hebben enkel klassieke ngo’s als vertegenwoordigers van de civiele samenleving de status van observator en dit enkel in publieke bijeenkomsten. Volgens de regels van de VN kunnen ngo’s dus niet beschouwd worden als volwaardige onderhandelaars in het WSIS-proces. Binnen de ITU echter - die instaat voor de organisatie van de top - heeft vooral de private sector een belangrijke stem via de participatie van zogenaamde Business International ngo’s (BINGO’s) zoals b.v. het World Economic Forum. Zelfs individuele bedrijven kunnen lid worden van de ITU. De regels van deze instellingen dragen dus weinig bij tot een klare afbakening van de participatie van niet-gouvernementele organisaties.
Tijdens de voorbereidende vergaderingen wordt snel duidelijk dat de civiele samenleving niet moet hopen op een rode loper van participatie en inspraak. Vooral vanuit een aantal nationale overheden ontstaat er belangrijke oppositie tegen inspraak van niet-gouvernementele organisaties, zowel in de vorm van de civiele samenleving als in de vorm van de private sector. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat het al dan niet toelaten van niet-gouvernementele organisaties in grote mate de PrepComs beheerste. Daarbij ging van bij het begin een aantal overheden dwarsliggen. De participatie van niet-gouvernementele organisaties zou indruisen tegen de gevestigde regels van de VN. Deze geven staten de soevereine onderhandelings- en beslissingsmacht binnen de instelling. De dwarsliggende overheden kunnen ingedeeld worden in twee verschillende groepen. Pakistan, Iran en voornamelijk China vrezen dat ngo’s, die intern oppositie voeren tegen hun regime, via de WSIS een internationaal platform voor verzet zouden krijgen. Een groep Latijns-Amerikaanse landen vreest een te grote impact van de privésector en vooral van grote transnationale ondernemingen indien ze op gelijke voet met staten inspraak zouden krijgen. Uiteindelijk werd besloten de rol van niet-gouvernementele sector in de WSIS te beperken tot die van observator in de publieke vergaderingen.2 Ngo’s en vertegenwoordigers van de private sector kunnen papers indienen bij het Secretariaat. Bovendien krijgen de civiele samenleving, de private sector en vertegenwoordigers van internationale organisaties een uur de tijd om hun standpunten naar voor te brengen op de plenaire sessies. De vergaderingen waar de belangrijkste beslissingen worden genomen, blijven echter vooralsnog gesloten voor elke niet-gouvernementele organisatie. Enkel de geselecteerde vertegenwoordigers van overheden krijgen toestemming om de overheidsbijeenkomsten bij te wonen. Ondanks de beperkingen tot participeren, bleef de civiele samenleving opmerkelijk aanwezig gedurende het voorbereidende proces. De verschillende ngo’s werkten vooral op inhoudelijk vlak nauw samen. Dit resulteerde in gemeenschappelijke standpunten rond thema’s die belangrijk geacht worden voor de Top in december. De civiele samenwerking zet ook actief overheidsdelegaties onder druk om meer nadruk te leggen op de sociale aspecten van de informatiesamenleving.

De inhoudelijke discussie

Een overzicht geven van de inhoudelijke discussies die de WSIS voorafgaan is haast onmogelijk. Een thema als de informatiesamenleving is voor vele interpretaties vatbaar en elke groepering of overheid heeft een verschillende visie. We vatten de discussie samen onder een aantal belangrijke thema’s.3

Infrastructuur, toegang en de digitale kloof

Zowat iedereen is het erover eens dat de verdere uitbouw van infrastructuur noodzakelijk zal zijn voor de ontwikkeling van een globale informatiesamenleving. Iedereen moet toegang krijgen tot de aanwezige informatie en kennis. Voor de private sector en een aantal landen in het Westen stopt het plaatje hier. De landen in het Zuiden hopen op een versnelde ontwikkeling door een aankoppeling aan de globale informatie-infrastructuur. En in deze landen gaat ook veel aandacht naar de problematiek van taaldiversiteit, culturele diversiteit en lokale inhoud. De civiele samenleving benadrukt bovendien dat de informatiesamenleving niet herleid mag worden tot een louter technisch gegeven, maar dat kennis, creativiteit en onderwijs de centrale thema’s behoren te zijn. Onder de noemer van de digital divide tracht vooral het Zuiden de aandacht op de enorme ongelijkheid tussen Noord en Zuid te vestigen. Groeperingen uit de civiele samenleving vestigen er dan weer de aandacht op dat er ook digital divides zijn in het Westen.

Communicatierechten versus veiligheid

Hoewel de tegenstelling waarschijnlijk niet zo scherp mag gesteld worden, vormen communicatierechten en veiligheid een belangrijk discussiepunt. Vrijheid van meningsuiting, bescherming van de private sfeer, etc. vormen belangrijke agendapunten van de Unesco, de Europese Raad en de civiele samenleving. In de voorbereiding van de WSIS hebben een aantal actoren van de civiele samenleving geprobeerd ook het Right to Communicate op de agenda te krijgen. Dit recht gaat veel verder dan vrijheid van meningsuiting, omdat het erkent dat elke mens het recht heeft op actieve communicatieve participatie én dat de overheid deze naar best vermogen moet verzekeren. De burger heeft dus niet alleen recht op het ontvangen van communicatie, hij moet actief kunnen participeren in het communicatieve proces. Deze discussie heeft een belangrijke voorloper in de discussie rond de New World Communication and Information Order binnen de Unesco in de jaren 1980. Die discussie zorgde er toen voor dat de Verenigde Staten en Groot-Brittannië de Unesco verlieten. Na de gebeurtenissen van 11 september dringen de VS binnen de WSIS een agenda op van veiligheid van het netwerk tegen criminaliteit en terrorisme. Een aantal Europese landen en de civiele samenleving vrezen dat deze thematiek haaks staat op de uitbreiding en vrijwaring van communicatierechten.

Participatie, e-Government en onderwijs

Vooral Westerse landen leggen een belangrijke nadruk op burgerparticipatie, een beter beleid en een meer efficiënte administratie door het inzetten van ICT’s. Op deze manier hopen ze de westerse politieke systemen weer aantrekkelijker te maken voor hun burgers. Onderwijs en ICT’s worden jammer genoeg vaak vanuit een vrij utilitaristische visie benaderd. Daarbij wordt weliswaar aandacht besteed aan de rol van ICT’s in het onderwijs, maar wordt niet nagedacht over de nieuwe rol die onderwijs moet spelen in de informatiesamenleving. Het onderwijssysteem op zich staat maar zelden ter discussie. In vele gevallen wordt de discussie zelfs beperkt tot opleiding tot ICT-vaardigheden of het verzekeren van voldoende human resources voor de IT-sector.

Regulatorisch kader

Hieronder verstaan het Westen en vele regeringsleiders het uitwerken van een regulatorisch kader dat de goede werking van de vrije markt verzekert en op die manier ook de context voor buitenlandse investeringen veilig stelt. Deze discussie sluit sterk aan bij het neoliberale denken van de jaren 1980 en 1990 gericht op de liberalisering van markten, het invoeren van onderlinge concurrentie en de privatisering van overheidsbedrijven in de communicatiesector. De civiele samenleving focust haar aandacht vooral op de uitwassen van een te ver doorgedreven marktwerking in de communicatiesector, zoals een gebrek aan privacy op het net, de soms enorme mediaconcentratie op zowel lokaal als internationaal vlak, het verlies aan diversiteit, etc.

Slotverklaring en Actieplan

De slotverklaring en het actieplan zijn nog niet definitief uitgewerkt. Een aantal werkgroepen moest nog verder werken aan de teksten. Toch werd op de Intersessional Conference in juli en op de derde voorbereidende vergadering in september belangrijke vooruitgang geboekt. Voldoende in elk geval om vrij pessimistisch te zijn over hun vernieuwend karakter en hun alternatieve inhoud. Beide documenten blijven in grote mate een verderzetting van het dominante discours rond de informatiesamenleving (zie Van Audenhove et al., 2003). We bespreken hier op kritische wijze de belangrijkste krachtlijnen van de documenten.

De informatiesamenleving wordt - hoewel niet expliciet gedefinieerd - in grote mate gereduceerd tot een technologie-gedreven evolutie. Het realiseren van het potentieel van de nieuwe informatie- en communicatietechnologie staat dan ook centraal in de WSIS-visie. Hoewel toegang tot kennis erkend wordt als uitermate belangrijk, wordt geen aandacht geschonken aan een mogelijk ruimere conceptualisering van de informatiesamenleving. Deze ruimere conceptualisering ziet de informatiesamenleving als een samenleving waarin kennis, innovatie en R&D de belangrijkste pijlers geworden zijn van economische groei en vooruitgang. ICT’s spelen hierin een belangrijke rol, maar veranderingsprocessen in de kern van onze economieën zijn het centrale aandachtspunt. In de hieruit resulterende, uitermate competitieve, globale economie - waarin kennis, innovatie en technologische vernieuwing cumulatief worden opgebouwd - is achterstand nauwelijks meer in te halen en zal naar nieuwe strategieën gezocht moeten worden om ontwikkeling te stimuleren. De nadruk op het potentieel van technologie houdt de discussies veilig weg van deze meer fundamentele vragen. ‘The capacity of ICTs to reduce the impact of many traditional obstacles, especially those of time and distance, make it possible for the first time in history for the vast potential of these technologies to be used by and for the benefit of millions of people in all corners of the world (Draft Declaration, §6).’ Gezien het geloof in ICT’s als een middel tot het stimuleren van vooruitgang, sociaal welzijn en groei hoeft het niet te verwonderen dat toegang tot ICT’s het centrale thema van beide teksten is geworden. Vooral de ontwikkelingslanden moeten sterk investeren in ICT’s en in de toegang voor burgers tot ICT’s. Het Westen moet hen daarbij bijstaan in termen van kennis- en technologietransfers. De strategie om investeringen aan te trekken en om toegang tot netwerken en diensten te verhogen blijft in grote mate gebaseerd op het ontwikkelen van gepaste regelgeving gericht op het verzekeren van concurrentie en een stimulerend investeringsklimaat.

Eerlijkheidshalve moet worden opgemerkt dat de teksten ook belangrijke aandacht hebben voor sociale toepassingen van ICT’s. En zoals in andere rapporten wordt de noodzaak van onderwijs en opleidingen erkend in het verhogen van de individuele ICT-gerelateerde vaardigheden. De overheid heeft op beide vlakken een belangrijke rol te spelen. Bovendien wordt erkend dat de overheid moet ingrijpen in die gebieden waar de markt faalt. Eindelijk wordt ook erkend dat een sterk publiek domein, waarin publieke informatie en diensten gratis toegankelijk zijn, een belangrijk onderdeel vormt van een beleid gericht op de ontwikkeling van een informatiesamenleving. Toch blijven deze inzichten ingeschreven in een vrij nauwe visie op de informatiesamenleving en de dominante strategie om ze te bereiken.

De grote aandachtspunten van de civiele samenleving, zoals burgerparticipatie in communicatieprocessen, participatieve beheersstructuren voor lokale en internationale netwerken (waaronder het Internet zelf), nadruk op lokale communicatiestructuren met inachtneming van diversiteit op het vlak van taal en cultuur, het recht te communiceren, etc. komen weliswaar voor in de teksten maar worden zelden overtuigend uitgewerkt.

Besluit

De voorstanders van de WSIS geloofden dat een top georganiseerd onder auspiciën van de VN de civiele samenleving substantieel inspraak zou geven in de WSIS en dat dit zou leiden tot een meer genuanceerde visie op de thematiek van de informatiesamenleving.
Jammer genoeg ziet het er voorlopig niet naar uit dat de verwachtingen van de voorstanders zullen worden ingelost. Alle pogingen van ngo’s om een grotere rol te spelen in het voorbereidende proces van de WSIS zijn tot nog toe mislukt. De organisaties uit de civiele samenleving mogen dan wel af en toe hun standpunten presenteren, vooralsnog wijst weinig erop dat deze inspanningen enige invloed hebben op de uiteindelijke resultaten. Het blijven in grote mate de nationale overheden die hun stempel drukken op de slotverklaring en het actieplan. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat deze beide documenten inderdaad het zoveelste aanhangsel dreigen te worden in een lange rij van gelijkaardige verklaringen over de informatiesamenleving.

De civiele samenleving hoeft dus geen formele overwinning te verwachten op de WSIS. Nationale overheden blijven de officiële vertegenwoordigers in de WSIS en inzichten van organisaties uit de civiele samenleving - die dikwijls dichter bij de concrete problemen van de burgers staan - blijven voorlopig uitgesloten. Toch kan deze top indirect bijdragen tot een versterking van de positie van de civiele samenleving op langere termijn. Ten eerste, heeft de WSIS de civiele samenleving gemobiliseerd rond een thema dat binnen deze kringen niet altijd prioritair is, nl. technologie, ICT’s en de evolutie naar de kenniseconomie. Een campagne als de Communications Rights in the Information Society (CRIS) toont de groeiende sterkte en professionalisering van de sector aan. Ten tweede, de WSIS heeft duidelijk gemaakt dat een groot aantal landen wel bereid is om de civiele samenleving een volwaardige plaats te geven in de discussies. Dit biedt mogelijkheden voor coalitievorming en alternatieve strategieën in de toekomst. Nu al hebben een aantal landen ngo-afgevaardigden aangeduid als officiële onderhandelaars. Op die manier kunnen ngo’s meer inspraak krijgen. Ten derde, versterken internationale evenementen als de WSIS de werking van een globale civiele samenleving. Hoe sterker deze wordt, hoe moeilijker ze op termijn te negeren valt (Van Audenhove et al., 2002). Tot slot, voor het eerst worden de standpunten van de civiele samenleving als addendum opgenomen naast de officiële slotverklaring. Hoe hypocriet deze regeling ook moge zijn, ze is van enorm symbolisch belang omdat staten officieel zullen erkennen dat de visies van een belangrijk deel van hun bevolking substantieel afwijken van hun eigen visies.

Leo Van Audenhove 4
Docent Internationale Communicatie aan de Vrije Universiteit Brussel
Katrien Geebelen
Licentiate in de communicatiewetenschappen 4

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ We gebruiken hier cursief omdat binnen internationale organisaties de term vaak ruimer gebruikt wordt dan in het alledaagse taalgebruik. Met name wordt vaak de private sector ingesloten. We gebruiken de afkorting ngo om de meer klassieke betekenis van de term aan te duiden, nl. als een vereniging die niet onder directe controle van staat en overheid staat, die geen deel uitmaakt van een politieke partij en die is opgericht zonder winstoogmerk.
2/ Vreemd genoeg werd wel beslist dat naast ngo’s en bedrijfsoverkoepelende organisaties, ook individuele bedrijven kunnen deelnemen.
3/ Dit deel is gebaseerd op overzichten van de website www.worldsummit2003.de. Deze site geeft een zeer goed overzicht over verloop en inhoud van de voorbereidingen tot de WSIS (World Summit on the Information Society).
4/ Leo Van Audenhove is docent Internationale Communicatie aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij is onderzoeker aan het centrum voor Studies over Media, Informatie en Telecommunicatie aan de VUB en is onderzoeker aan het LINK-centre van de Universiteit van Witwatersrand in Johannesburg. Katrien Geebelen is licentiate in de communicatiewetenschappen en schreef in 2003 een thesis over de rol van de civiele samenleving in de WSIS.

Belangrijke sites
- World Summit on the Information Society ITU Site (Officiële site): http://www.itu.int/wsis/
- WSIS Unesco Site: http://www.unesco.org/new/en/communication-and-information/flagship-project-activities/unesco-and-wsis/homepage/
- Heinrich Böll Foundation (Duitse Civil Society Site): http://www.worldsummit2003.de/
- Communication Rights in the Information Society (Campagne opgezet door groep van communicatiegerichte ngo’s): http://www.crisinfo.org/

Bibliografie
- Burch, S. (2003) 3rd PrepCom for UN Summit on Information Society: Human Rights concerns at the Forefrunt. Geneva, ALAI.
- Capdevila, G. (2003) ‘NGO’s warn of Crisis on Way to WSIS’ IPS Service, e-nieuwsbrief.
- Kleinwächter, W. (2003) Die Kontroversen mehren sich. Telepolis, Heise Zeitschriften Verlag, URL: http://www.heise.de/tp/deutsch/inhalt/te/15273/1.html (laatst geraadpleegd 21 september 2003)
- Van Audenhove, L., Burgelman, J.C., Cammaerts, B. & Nulens, G. (2003) ‘Discourse and Reality in International Information Society Policy. The dominant scenario and its application in the developing world’ Communicatio Special Edition, vol.29; N°1&2, 79-113.
- Van Audenhove, L., Burgelman, J.C., Nulens, G. & Cammaerts, B. (1999) ‘Information Society Policy in the Developing World: A critical assessment’, Third World Quarterly, 20(2), 387-404.
- Van Audenhove, L., Cammaerts, B., Frissen, V., Engels, L., Ponsioen, A. (2002) Transnational Civil Society in the Networked Society. A study on the relation between ICTs and the rise of a transnational civil society.’ Final Report TERRA 2000 Work Package Integration: Story of Terra and Problematique. EU Project under IST 2000.
- WSIS (2003) Draft Action Plan - Versie 26 september.
- WSIS (2003) Draft Declaration of Principles Versie 26 september.

communicatie - informatie - ICT

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 (december), pagina 12 tot 19