Log in

'De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 46 tot 47

De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken

Herman Deleeck
Acco, Leuven, 2003

Acco heeft het standaardwerk van Herman Deleeck opnieuw uitgegeven. Helaas heeft professor emeritus Deleeck deze herziene en geactualiseerde versie - de eerste was tekstueel klaar eind 2000 en ze verscheen in 2001 - niet zelf meer kunnen redigeren. Hij overleed immers op 30 oktober 2002. De herziening en actualisering gebeurde onder leiding van Bea Cantillon en Natascha Van Mechelen.

Herman Deleeck was niet zomaar een onderzoeker, hij was een autoriteit. Hij was in België een voorloper op het gebied van grootschalig empirisch sociaaleconomisch onderzoek. Hij was een groot pleitbezorger van het ontwikkelen van sociale indicatoren ten behoeve van het beleid. En vermits hij zowel doctor in de rechten als doctor in de economische wetenschappen was, hoeft het niet te verwonderen dat zijn sociaal werk ruim economisch en juridisch onderbouwd was.

En hij was ook de oprichter van het alom gekende en gewaardeerde Centrum voor Sociaal Beleid aan de Antwerpse universiteit.
De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken is een lijvig boek (486 bladzijden), maar het opzet was groots en het resultaat mag als geslaagd beschouwd worden. Het boek geeft ons in de eerste plaats een overzicht van de componenten en het functioneren van de welvaartsstaat. Werkgelegenheid en werkloosheid komen aan bod, de demografische kant van onze samenleving, de sociale organisatie van de welvaartsstaat, de inkomensverdeling en herverdeling, de sociale zekerheid uiteraard, maar ook andere sectoren van sociaal beleid zoals onderwijs, sociale huisvesting, gezondheidsbeleid en welzijnsbeleid. Voor een goed begrip: welvaartsstaat is de term die sinds 1945 gebruikt wordt om onze sociale ordening aan te duiden. ‘De welvaartsstaat kan omschreven worden als de samenlevingsvorm van sommige rijke geïndustrialiseerde landen waarbij een aantal grondrechten van de burger, met het oog op zijn materiële welvaart en de bevordering van zijn kansen tot ontplooiing, binnen een wettelijk raamwerk, effectief gewaarborgd worden. Dit alles in het raam van de parlementaire democratie, en met behoud van de vrijemarkteconomische productiewijze’ (p. 25).
Het boek is in meerdere opzichten verruimend. In de eerste plaats omwille van zijn historische inslag. De welvaartsstaat zoals wij hem vandaag beleven, is een historisch product. En net daarom heeft hij de kenmerken en eigenaardigheden die hij heeft. Professor Deleeck besteedt ruim aandacht aan de wortels van de welvaartsstaat, aan de wordingsgeschiedenis. Vaak hamert hij erop dat het paritair beheer dat soms bekritiseerd wordt, in die zin moet begrepen worden. Het was de solidariteit onder lotgenoten die aanleiding gaf tot het ontstaan van afdrachten en het verzamelen van gelden om elkaar te helpen in noodsituaties. Die gelden werden dan uiteraard door vertegenwoordigers van werknemers zelf beheerd. Vandaar dat de werknemersorganisaties nog steeds een grote vinger in de pap hebben. Net als de werkgevers die voor iedere werknemer een sociale bijdrage betalen en op basis daarvan ook mee aan het bestuur van de sociale zekerheidsinstellingen deelnemen.

Er is niet alleen de historische component die ons toelaat ons eigen systeem beter te begrijpen, er is ook de voortdurende verwijzing naar gegevens uit de andere continentaal-Europese en de Angelsaksische landen. Dat plaatst ons sociaal systeem in een vergelijkend perspectief wat de begrijpbaarheid ten goede komt. Maar wat vooral illustreert wat voor een prachtige prestatie we met de creatie van dit systeem wel hebben neergezet. Vooral in vergelijking met de Angelsaksische wereld, waar de armoede stukken hoger ligt dan bij ons. Gelukkig blijkt dat de neoliberale volgelingen van Reagan en Thatcher die ruim een decennium geleden onze instellingen bestormden, weinig schade hebben kunnen aanrichten. Ze hebben daarentegen wel de ogen geopend voor enkele noodzakelijke aanpassingen.
Waarmee dan weer niet gezegd is dat onze welvaartstaat tot dan een statisch monument was. Wie dat denkt, is dringend aan een lezing van het boek van Herman Deleeck toe. Ons sociaal systeem is voortdurend in evolutie geweest.

Verder staat De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken bol van de cijfergegevens. Heel interessante tabellen en grafieken maar met die bemerking dat de actualisatie hier verder had kunnen gaan. Veel tabellen zijn overgenomen uit de eerste editie van het boek en de nieuwste gegevens werden niet toegevoegd.
Het boek draagt duidelijk de stempel van zijn schrijver. Herman Deleeck was een geëngageerd man: christelijk en christendemocratisch.

Het uitbannen van armoede, het ‘optillen van de bodem van de welvaartsstaat’ was één van zijn grote bekommernissen. Aan armoede en het meten van armoede worden verschillende bladzijden tekst besteed. Hij heeft op dit vlak grote verdiensten. Maar hij worstelt met de rol van de overheid. Voortdurend wordt erop gewezen dat de socialezekerheidsinstellingen niet-staats zijn : ‘Dit alles zijn evenwel geen loutere historische reminiscenties; zij verwijzen naar wat tot op dit uur essentieel is voor de aard van de West-Europese sociale zekerheid: zij is niet-staats; zij is ‘van ons’, middels onze sociale organisaties. (…) Dit is een waarborg voor het welzijn van de burger, omdat deze zich tegenover een staatsapparaat (uit de aard van dezer werking, en los van de goede wil van de individuele ambtenaar) haast noodzakelijkerwijze in een positie van onmacht en ondergeschiktheid geplaatst ziet’ (p. 361). En verder: ‘De overheid neemt niet zelf het initiatief der zorgverlening, zoiets hoort thuis in een autoritaire staatsstructuur’ (p. 271).

Dit is wel heel vergaand en het gaat voorbij aan de historische gegevenheid dat het door gebruik van de staatsstructuren is, dat onze welvaartsstaat en de sociale zekerheid in het bijzonder veralgemeend werden afgedwongen. Omdat in een democratie, de staat ook ‘van ons’ is. De vrije sociale organisaties zijn trouwens dermate opgenomen in het systeem dat veel mensen ze als een onderdeel van de staat zijn gaan beschouwen en niet meer als ‘hun’ organisaties.

Overigens blijkt uit het boek dan weer dat, ondanks het paritair beheer, essentiële aanpassingen door de overheid, vaak met behulp van volmachtwetten, werden doorgevoerd. In een moderne samenleving is dat ook de taak van de overheid omdat zij t.o.v. haar burgers middels democratische verkiezingen verantwoording aflegt.
De auteur is ook recente wendingen en problemen niet uit de weg gegaan. De actieve welvaartsstaat, de vergrijzing, het structureel werkloosheidsprobleem van de laaggeschoolden: het wordt allemaal degelijk onderbouwd besproken.

De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken is gewoon een ‘must’ voor al wie met kennis van zaken over onze sociale ordening wil spreken of nadenken en zeker voor wie er (politieke) beslissingen wil over nemen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 46 tot 47