Abonneer Log in

Solidariteit: variaties op eenzelfde thema

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 18 tot 21

Alle mensen zijn gelijkwaardig

Ons land blijft kampen met een levensgroot probleem van uitsluiting. Kansengroepen die niet aan de bak komen zijn o.a.: laaggeschoolden, ouderen, arbeidsgehandicapten, allochtonen... Vooral mensen van Turkse of Maghrebijnse afkomst hebben het bijzonder lastig als het op participatie aankomt en dit op alle maatschappelijke terreinen: onderwijs, huisvesting, arbeidsmarkt en zelfs politieke participatie. Onderzoek bewijst dat de discriminatie van allochtone medeburgers op de arbeidsmarkt echt niet alleen slaat op laaggeschoolden. Een ‘vreemde’ naam is vaak genoeg om als hogeropgeleidde werkzoekende zelfs niet uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek.
Het is niet zo dat er geen enkele inspanning gedaan werd. Op Vlaams niveau werd plechtig beloofd om tegen 2010 evenredige participatie te realiseren voor alle kansengroepen, niet het minst voor allochtonen. De Vlaamse regering wil voortaan ook statutaire betrekkingen openstellen voor niet EU-burgers. Ook de sociale partners bleven niet afzijdig: het interprofessioneel akkoord hield voor hen een positieve discriminatie in bij de invulling van startbanen voor jongeren. In Vlaanderen zetten de sociale partners de deuren van hun huis van overleg open voor een structurele vertegenwoordiging van allochtonen en gehandicaptenorganisaties en worden bij de vakbonden diversiteitconsulenten ingezet.
Maar dit is slecht een begin, de vooropgestelde resultaten werden nog lang niet bereikt. Zo die uitblijven, dan moeten we de instrumenten aanpassen. Ook wij zweren allang niet meer alleen bij reglementering en uniforme verplichtingen, maar we beginnen toch stilaan in een fase te komen dat overheidssteun en overheidsbestellingen bij voorrang moeten toegekend worden aan bedrijven die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen.

Sociale democratie: ook in KMO’s

In tegenstelling tot de situatie in vele andere landen hebben de Belgische vakbonden de sociale, economische en politieke turbulenties van de voorbije decennia goed verwerkt. Het ledenaantal van de drie Belgische vakbonden groeit nog elk jaar. Omdat niemand verplicht is om aan te sluiten bij een vakbond geeft dit, samen met de actiebereidheid van de militanten toch wel een aanduiding over de representativiteit van de vakbonden in de Belgische samenleving. Het zou echter totaal verkeerd zijn om op onze lauweren te rusten.
De kracht van de vakbondswerking begint bij de aanwezigheid en de onderhandelingskracht van vakbondsmilitanten in de ondernemingen. De KMO-isering plaatst ons voor de grote uitdaging om ook de werknemers in kleine ondernemingen te kunnen verdedigen. De internationalisering van de ondernemingswereld anderzijds plaatst ons voor de uitdaging om te kunnen overleggen met een werkgeversdelegatie die gemandateerd is om te onderhandelen.
Een doorbraak voor syndicale aanwezigheid in KMO’s zal er maar komen als de werkgevers open staan voor de positieve rol die vakbonden kunnen spelen, als ze daartoe in staat worden gesteld (b.v. interne controle op de correcte toepassing van de sociale wetgeving, zodat tussenkomst van inspecteurs niet nodig is, aanbrengen van problemen op de werkvloer vooraleer er een escalatie van komt…).
Het moet mogelijk zijn om vandaag in alle ondernemingen, ook in KMO’s, tot win-winsituaties te komen. Veilige arbeidsomstandigheden, een gezonde werkomgeving, een doorzichtige toepassing van de sociale reglementering en regelmatig overleg over de ontwikkeling van het bedrijf kunnen bijdragen tot de motivatie en de inzet van het personeel. Daarom moeten KMO-bedrijfsleiders ophouden de vakbond als een vijand te zien.
We hebben nooit gezegd dat er één model voor sociaal overleg moet gepromoot worden en dat dit dan het model van de grote ondernemingen moet zijn. Uiteraard is de beste vorm een rechtstreekse aanwezigheid van vakbondsafgevaardigden in het bedrijf. Maar we willen ook praten over het uitwerken van een gelijkwaardig systeem, waarbij gewerkt zou worden met een extern overlegorgaan en waarbij de vakbondssecretaris toegang zou krijgen tot de onderneming.
In multinationale ondernemingen (maar ook in KMO’s waarvan er steeds meer filialen van internationale holdings zijn) worden werknemersvertegenwoordigers bij sociale conflicten steeds meer geconfronteerd met het feit dat niet de ‘echte’ directie ter plaatse is maar lokale kader- en directieleden. De echte directie is ‘onzichtbaar’, niet direct aanspreekbaar. Hierover wensen wij de komende maanden overleg met de werkgeversorganisaties. Er moeten maatregelen komen die in de toekomst voorkomen dat werknemers tegenover een tegenpartij staan die geen enkel mandaat en dus geen onderhandelingsruimte heeft.

Het spook der vergrijzing

Er waart een nieuw spook door Europa: het spook van de vergrijzing. Dit zal onze welvaartstaten danig onder druk zetten, menen sommige profeten. Uiteraard hebben ze het bij het rechte eind. Als we niet tijdig en vastberaden optreden dan zal onze sociale zekerheid draagvlak missen op het ogenblik dat de behoeften betreffende pensioenen en gezondheidszorgen nog nooit zo hoog waren. Maar het is verkeerd hier alleen de vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt voor verantwoordelijk te stellen en zonder meer te pleiten voor de afschaffing van het brugpensioenstelsel.
Wat is ons recept? We beperken ons hier tot het voorgerecht, want hierover willen we een maatschappelijk debat, ook met onze achterban, en geen kunst- en vliegwerk op een zoveelste conferentie of Staten-Generaal.‘Men’ zegt altijd dat de tewerkstellingsgraad in ons land zo veel lager ligt dan in onze buurlanden.
Laten we om te beginnen geen appelen met citroenen vergelijken maar gebruik maken van correct cijfermateriaal. Als we de tewerkstellingsgraad berekenen in uren in plaats van in koppen (en zo dus het geringere aandeel deeltijdarbeid in ons land neutraliseren) dan komen we al een stukje dichter bij het Europese gemiddelde. We moeten de tewerkstellingsgraad omhoog trekken door de inschakeling van werklozen en inactieven, waardoor je ook de ondervertegenwoordiging van de kansengroepen actief aanpakt.
We moeten een financiering van sociale zekerheid uitwerken die minder op arbeid weegt en we moeten waar mogelijk de uitgaven in de gezondheidszorgen beheersen.
En ja, we moeten ook een actief en overlegd eindeloopbaanbeleid voeren maar daarbij moet alvast rekening gehouden worden met een aantal feiten. Zo zal vervroegde uittrede structureel afnemen omwille van een aantal trends: de industriële tewerkstelling neemt af; de wens om vroeger uit te stappen zou ook kunnen afnemen om financiële redenen vermits men op steeds latere leeftijd (studerende) kinderen krijgt of omdat men steeds vaker geniet van aanvullende pensioenen of groepsverzekeringen (die interessanter worden naarmate men langer werkt). Onderzoek heeft ook aangetoond dat deeltijdwerk en loopbaanonderbreking de kans op een vroege uitstap beperkt. En vergeten we vooral niet dat ongeveer 40% van de gepensioneerden en bruggepensioneerden verplicht wordt vervroegd te stoppen!
Laat hier geen twijfel over bestaan: voor de vele werknemers die het slachtoffer zijn van herstructureringen of die jarenlang zware arbeid hebben verricht, zijn verworven rechten - zoals brugpensioen - geen verouderde gunsten.
De eindeloopbaanproblematiek is dus veel rijker geschakeerd dan veel waarnemers doen uitschijnen en vraagt dus een mix aan bijsturingen aan de vraag- en aan de aanbodzijde.

Vrij verkeer van goederen in 25 lidstaten… maar wat met de mensen?

De piste om meer vreemde arbeidskrachten van buiten de Europese Unie aan te trekken en hiermee de tekorten op de arbeidsmarkt aan te pakken en de activiteitsgraad op te krikken lijkt ons niet wenselijk. Op onze arbeidsmarkt is immers nog een belangrijke ‘arbeidsreserve’ aanwezig. Bovendien biedt de huidige reglementering al heel wat mogelijkheden om vooral hogergeschoolde arbeidskrachten aan te trekken. Laat ons vooral niet vergeten dat binnen afzienbare tijd het vrije verkeer van personen verruimd wordt naar de 10 nieuwe lidstaten.
De uitbreiding van de EU - waar wij voorstander van zijn - zonder gelijktijdige renovatie van het huis waarin we met de nieuwe lidstaten moeten samenleven, baart ons grote zorgen. Nochtans waren de verwachtingen hoog gespannen.
De uitbreiding van de EU met landen van Oost- en Centraal Europa moet voor vrede, stabiliteit en sociale vooruitgang voor de bevolking in deze landen zorgen. Een grotere en democratisch werkende EU zou een ‘sociaal uitstalraam’ moeten worden, een werkbaar sociaal alternatief voor de liberale globalisering die zich op wereldvlak voltrekt. In onze utopisch-realistische dromen moet vanuit dit sociaal en democratisch Europa dan verder druk uitgeoefend worden om de globalisering een sociale dimensie te geven.
Er dreigt echter een opdoffer van formaat. De Conventie die het Europees huis moest klaar maken voor de uitbreiding was al een minimum minimorum dat ons niet kon bekoren. De erkenning van een aantal waarden en doelstellingen (volledige tewerkstelling, zorg voor het leefmilieu, gelijkheid man-vrouw, strijd tegen sociale uitsluiting en voor solidariteit en sociale zekerheid) zijn belangrijk maar ze zijn ook symbolisch voor de huidige EU: goede bedoelingen en grote ambities, maar geen bijkomende middelen om ze effectief uit te voeren of af te dwingen.
De EU maakt plannen voor een veelbelovende en lange rit met de auto, maar vertikt het brandstof in de tank te doen. Zo komt er geen uitbreiding van de stemming bij meerderheidsbeslissingen voor sociale, fiscale en niet-discriminatie-aangelegenheden. De praktijk dat er met gekwalificeerde meerderheid gestemd wordt over alles wat over deregulering en concurrentie gaat en dat er met eenparigheid moet gestemd worden over alles wat met solidariteit te maken heeft, blijft onverkort overeind. Er komt geen ‘horizontale’ clausule die waarborgt dat men verplicht rekening moet houden met de sociale dimensie in de beslissingen van de Unie. Er komt geen economische regering: Europa blijft eenzijdig monetair denken zonder een echt economisch luik. We hebben nu een monetair Europa en de euro, maar we hebben geen gemeenschappelijk economisch beleid: Europa bestaat niet als het erop aankomt om door samenwerking (de essentie en het doel van de EU) tot een economische relance te komen.
De Europese leiders blijven blijkbaar drie zaken tegelijk zeggen: de uitbreiding is nodig maar het Europees budget mag niet opgetrokken worden (nu 1,27% van het bbp) én aan een aantal bestaande regelingen - zoals het landbouwbeleid - kan niet geraakt worden.
De vaststelling dat de Intergouvernementele Conferentie, die de besluiten van de Conventie nog dreigde uit te hollen, niet tot een besluit kwam is op zich niet slecht. Maar het ziet er niet naar uit dat - wanneer de discussie in maart opnieuw opgestart wordt - het sociale Europa een nieuwe kans zal krijgen. De vraag over welk Europa men wil, zal wellicht zelfs niet gesteld worden. De discussie dreigt zich meer dan ooit te beperken tot de verdeling van de macht tussen de lidstaten en tot een ruzie over de omvang van de individuele financiële inbreng van de lidstaten in de EU begroting. Het blijft bovendien de vraag hoe we de stelling van Frankrijk, Duitsland en België moeten interpreteren, om via een beperkte groep verder te gaan met de samenwerking. Het is helemaal (nog) niet duidelijk op welke punten die samenwerking doelt en of dit echt perspectieven biedt voor de bescherming van het ‘Europees sociaal model’ in die landen.
Voor ons blijft daarom vooral de versterking van de Europese syndicale samenwerking dé prioriteit. Het Europees vakverbond moet nu eindelijk eens gaan werken als een echte syndicale tegenmacht en niet als een lobbygroep die voor zijn financiering steeds meer afhankelijk wordt van de Commissie. We kunnen niet anders dan tot vervelens toe blijven herhalen dat we voor Europa zijn, maar wel voor een sociaal Europa. De beleidsmakers moeten beseffen dat het steeds moeilijker wordt aan onze leden en militanten duidelijk te maken dat Europa ook voor hen ‘voordelen’ heeft. Als zij nu concreet geconfronteerd worden met Europa gaat het meestal om negatieve dingen (herstructureringen, delokalisaties, sluitingen….), het niet opnemen van de fundamentele rechten van de werknemers in de Grondwet enz.
Dat we een echte syndicale tegenmacht kunnen zijn bleek uit de geslaagde acties van de havenarbeiders - op initiatief van de BTB - tegen het stemmen van de Europese richtlijn op de liberalisering van de havenarbeid.
Solidariteit loont dus, ook in Europa.

Mia De Vits
Voorzitter ABVV

nieuwjaarsbrief - vakbond - ABVV - sociale bescherming - solidariteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 18 tot 21