Log in

Ingrijpende hervorming of storm in een glas water?

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 13

Na de ingrijpende hervorming van het kiesstelsel voor de federale verkiezingen, waren de paarse meerderheidspartijen vast van plan ook het kiesstelsel voor de Vlaamse verkiezingen te veranderen. Lange tijd was het echter onzeker of ze hiervoor de vereiste tweederde meerderheid zouden vinden. Maar op de valreep - en met steun vanuit onverwachte hoek - lukte het uiteindelijk toch. Samen met een aantal vroeger doorgevoerde wijzigingen, zorgde dit alles voor een op het eerste zicht vrij ingrijpende hervorming van het Vlaamse kiesstelsel. Maar wat zijn de gevolgen van al deze veranderingen? Op basis van de uitslag van de federale verkiezingen van 18 mei vorig jaar proberen we een aantal voorlopige uitspraken te doen over de te verwachten effecten van de hervorming van het Vlaamse kiesstelsel.

Op 14 januari amper vijf maand voor de eigenlijke stembusgang - keurde het Vlaams Parlement na een tumultueus verlopen dag de invoering van provinciale kieskringen goed: sp.a, spirit, VLD, N-VA en Vlaams Blok stemden voor, meerderheidspartij Groen! onthield zich en CD&V stemde tegen. Diezelfde avond nog koppelde de Commissie Binnenlandse Zaken van de federale Kamer aan de provinciale kieskringen een kiesdrempel van vijf procent. Bovendien voerde de Commissie de aparte lijst voor opvolgers die eerder was afgeschaft weer in en verlaagde ze de verkiesbare leeftijd tot 18 jaar. In de loop van de daaropvolgende weken werden de beslissingen van de Commissie door de plenaire vergadering van Kamer en Senaat bevestigd.
De komende Vlaamse verkiezingen zullen grosso modo verlopen volgens dezelfde regels als de federale verkiezingen van 18 mei vorig jaar: in grotere, provinciale kieskringen en met een provinciale kiesdrempel van vijf procent. Er zijn daarnaast ten opzichte van de vorige Vlaamse verkiezingen in 1999 nog een aantal minder in het oog springende elementen van het Vlaamse kiesstelsel gewijzigd. In de loop van 2001 had de federale wetgever al besloten dat het gewicht van de lijststem zou gehalveerd worden en dat de aparte lijst voor opvolgers zou worden afgeschaft. Dit alles vanuit de bekommernis de burger meer greep te geven op wie hem in het parlement vertegenwoordigt. Maar later werd na onderhandelingen tussen de meerderheidspartijen de aparte lijst voor opvolgers toch opnieuw ingevoerd. Verder werd besloten om de leeftijd waarop men verkozen kan worden voor het Vlaams Parlement te verlagen tot 18 jaar (voorheen 21 jaar), net als de minimumleeftijd voor het Vlaams ministerschap. Wat de man-vrouwverhouding betreft, bepaalt de bijzondere wet van 18 juli 2002 dat op de kandidatenlijsten het verschil tussen beide geslachten niet groter mag zijn dan één, en dat de eerste twee kandidaten van verschillend geslacht moeten zijn. Als overgangsmaatregel geldt echter dat voor de verkiezingen van 13 juni a.s. de eerste drie kandidaten van elke lijst niet van hetzelfde geslacht mogen zijn. Deze bepalingen zijn trouwens afzonderlijk van toepassing voor de lijsten met effectieve kandidaten en de lijsten met opvolgers. In tegenstelling tot de federale verkiezingen van vorig jaar hebben de Belgen in het buitenland geen stemrecht bij de regionale verkiezingen van 13 juni. Tenslotte werd ter uitvoering van het Lambermont-akkoord besloten om de zes Brusselaars in het Vlaams Parlement op een aparte lijst te laten verkiezen. Tot nu toe ging het om de zes eerst verkozen Vlamingen bij de verkiezingen voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. Op 13 juni zullen de Vlaamse Brusselaars dus op twee lijsten moeten stemmen: één lijst voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en een tweede lijst voor de aanduiding van de zes Brusselaars voor het Vlaams Parlement.
Het is hier de bedoeling een eerste inschatting te maken van de effecten van al deze wijzigingen. Daartoe wordt de geldigheid van vier vaak gehoorde stellingen onderzocht.

Stelling 1: De kieshervorming zorgt voor een gewijzigd Vlaams partijlandschap

De invoering van de provinciale kieskringen werd door de meerderheidspartijen verantwoord door te verwijzen naar een aantal negatieve consequenties van het ‘oude’ kiesstelsel. De vergroting van de kieskringen zou er voor kunnen zorgen dat ‘lokale’ politici plaats zouden moeten ruimen voor meer ‘professionele’ politici. Door de hervorming kon ook het oude ingewikkelde systeem van provinciale lijstenverbinding (de zogenaamde apparentering) worden afgeschaft wat de doorzichtigheid en voorspelbaarheid van het kiesstelsel alleen maar ten goede kon komen. Het is pas later in het debat dat men is beginnen denken over het invoeren van een kiesdrempel, niet toevallig in de periode dat binnen Spirit - een van de twee erfgenamen van de uiteengevallen VU - een discussie aan de gang was of men al dan niet op eigen houtje naar de kiezer zou gaan. Oorspronkelijk dacht men aan een dubbele kiesdrempel, zowel op Vlaams als op provinciaal niveau. Uiteindelijk heeft men enkel de provinciale kiesdrempel behouden.
Vraag is in hoeverre deze op het eerste zicht ingrijpende hervormingen zorgen voor een gewijzigd Vlaams partijlandschap. Tabel I toont de zetelverdeling in het Vlaams Parlement in 1999 en begin 2004 en het resultaat van drie simulaties van de zetelverdeling op basis van de uitslag van de federale Kamerverkiezingen van 18 mei 2003. In de onderste rij van de tabel is het effectief aantal partijen weergegeven onder de verschillende scenario’s. Het is een indicator van het aantal partijen in een parlement die rekening houdt met hun onderlinge sterkte en zo een aanduiding geeft van de graad van politieke versnippering. De daling van het effectief aantal partijen tussen 1999 en begin 2004 is volledig te wijten aan het uiteenvallen van de VU in de loop van 2002. In de tabel is daarnaast duidelijk te zien dat het de uitspraak van de kiezer is die zorgt voor een tweede sterke daling van de versnippering in het Vlaamse partijlandschap. De parlementaire vertegenwoordiging van Groen! valt in onze simulatie ook zonder kieshervorming (kolom 4) zwaar terug van 12 naar 2 zetels. Het effectief aantal partijen zou daardoor in vergelijking met de situatie van begin 2004 dalen van 5,1 tot 4,3. In de simulatie met grotere kieskringen zonder drempel (kolom 5) neemt de versnippering iets toe, zij het in zeer beperkte mate.1 De laatste kolom laat zien dat de volledige kieshervorming - provinciale kieskringen en drempel - slechts voor een kleine bijkomende verlaging van het aantal partijen in het Vlaamse partijlandschap zorgt (kolom 6).

Tabel I: Zetelverdeling in het Vlaams Parlement

Op het eerste zicht lijkt de rol van de kieshervorming in de vermindering van de versnippering van het partijlandschap dus vrij beperkt. Het gedrag van de partijen zelf (het uiteenvallen van de VU) en de uitspraken van de kiezer (de zware verkiezingsnederlaag van Agalev op 18 mei) lijken in deze belangrijker. Dat heeft natuurlijk te maken met het beperkt absoluut aantal zetels dat verschuift als gevolg van de kieshervorming (vergelijk kolommen 4 en 6 van de tabel). In vergelijking met de oude kieswet (kolom 4) verliest de N-VA een zetel, Groen! twee zetels. Maar zoals gebleken is na 18 mei kunnen die enkele zetels die de kiesdrempel de N-VA en Groen! ontneemt, voor de betrokken partijen wel degelijk een wereld van verschil betekenen.
Dat heeft in de eerste plaats te maken met de grote afhankelijkheid van de partijen van overheidsfinanciering. De kiesdrempel zorgde ervoor dat na 18 mei de N-VA, noch Groen! tegelijk vertegenwoordigers heeft in Kamer én Senaat. Het gevolg is dat beide partijen voortaan niet meer kunnen rekenen op een federale overheidsdotatie. Op basis van de uitslag van 18 mei zou het concreet gegaan zijn om 630.000 euro per jaar voor de N-VA en 530.000 euro per jaar voor Groen!. Ook de fractievergoedingen die beide partijen in Kamer en Senaat ontvingen bovenop de dotatie om een eigen fractiesecretariaat te kunnen inrichten, zijn weggevallen.
Tot 13 juni kunnen de N-VA en Groen! nog rekenen op een vergelijkbare dotatie en fractievergoeding van het Vlaams Parlement. Maar de kans bestaat dat ook die financiële middelen in de toekomst zullen wegvallen. Terwijl men op federaal niveau een vertegenwoordiger moet hebben in zowel Kamer als Senaat om recht te hebben op overheidsfinanciering, ligt de ‘financiële’ drempel op Vlaams niveau nog een pak hoger. Een fractie krijgt daar pas een overheidsdotatie en een fractievergoeding als ze minimum vijf leden telt. Een aantal dat zowel voor de N-VA als voor Groen! als ze onafhankelijk naar de kiezer zouden willen trekken met of zonder kiesdrempel te hoog lijkt te liggen.
De kiesdrempel heeft ook invloed op de zichtbaarheid van de partij. Het is duidelijk dat de media-aandacht voor partijen met of zonder parlementaire vertegenwoordiging sterk verschilt, ook al bezet de partij in kwestie slechts een of enkele parlementszetels. En zeker op middellange termijn heeft dit een zeer belangrijke invloed op de overlevingskansen van een partij. Het lijkt voor een partij schier onmogelijk om vier of vijf jaar lang te overleven zonder of met een sterk verminderde media-aandacht.
Het zijn dus vooral de afgeleide effecten die de impact van de kiesdrempel kunnen vergroten. Op de eerste plaats kan de kiesdrempel er voor zorgen dat partijen financieel worden drooggelegd. Dat speelt vooral op het federale niveau, minder op het Vlaamse omdat daar de ‘financiële’ drempel hoger ligt dan de electorale drempel. Maar op beide niveaus speelt ook de zichtbaarheid van de partijen onder de vorm van het al dan niet krijgen van de broodnodige aandacht in de media. Het vormen duidelijke stimuli voor de partijleiding van de huidige kleine(re) partijen om grondig na te denken over de toekomst en de overlevingskansen van de eigen partij als onafhankelijke kracht in het Vlaamse partijlandschap. Zo verandert op korte tijd het uitzicht van ons partijlandschap ingrijpend: de versnippering wordt ingeruild voor een machtsevenwicht tussen vier bijna even grote politieke groepen. En de kieshervorming werkt in dit alles zeer conserverend: ook voor nieuwkomers lijkt de deur duidelijk op slot te zitten.

Stelling 2: De kieshervorming geeft de kiezer meer inspraak

In 1999 had de federale regering Verhofstadt I de bedoeling de burger meer inspraak te geven in de politiek, onder meer door de aanpassing van het kiesstelsel. Daartoe werden in het regeerakkoord de halvering van het gewicht van de lijststem en de afschaffing van de aparte lijsten van opvolgers in het vooruitzicht gesteld. Uiteindelijk werd de aparte lijst van opvolgers toch weer ingevoerd. De vergrote macht van de kiezer werd zo al voor een stuk teruggeschroefd, nog voor de kiezer die in de praktijk had kunnen laten gelden.
De halvering van het gewicht van de lijststem bleef wel bestaan. Bij de federale verkiezingen van 18 mei vorig jaar werden 18 van de 150 Kamerleden buiten de zogenaamde ‘nuttige volgorde’ (zoals die door de partij werd opgesteld) verkozen, een historisch hoog aantal aangezien voorheen zelden of nooit iemand buiten de nuttige volgorde werd verkozen. Maar dit aantal dient toch enigszins genuanceerd te worden. Onderzoek toont aan dat slechts in iets meer dan de helft van de gevallen het doorbreken van de nuttige volgorde verklaard kan worden door de halvering van het gewicht van de lijststem. Andere verklarende factoren zijn: het vrij hoge aantal bekende lijstduwers en het grote aantal zetels dat partijen door de grote kieskringen en de kiesdrempel kregen toegewezen. Er was wel een historisch hoog aantal gekozenen buiten de nuttige volgorde, maar dat valt niet helemaal op het conto van de kieshervorming te schrijven. Bovendien mogen we niet vergeten dat de lijstvolgorde zoals bepaald door de partij in veruit de meeste gevallen doorslaggevend blijft.
Daarbij komt nog dat bij de verkiezingen van 18 mei heel wat politici kandidaat waren die eigenlijk geen mandaat op federaal vlak ambieerden, of kandidaat waren voor zowel Kamer als Senaat terwijl men niet tegelijk in beide assemblees kan zetelen. In hun plaats en in de plaats van de nieuwe ministers en staatssecretarissen zetelen nu hun opvolgers in het federale parlement. Zij werden niet rechtstreeks verkozen, maar kwamen op een afzonderlijke lijst op waarvan de door de partij opgestelde volgorde nog meer dan bij de effectieve kandidaten doorslaggevend is (wegens het duidelijk lager aantal voorkeurstemmen op de opvolgerslijsten). In de Kamer vormen de opvolgers momenteel bijna een derde van de leden wat de onafhankelijkheid van het parlement tegenover de regering en de partijhoofdkwartieren niet echt in de hand werkt. Het is zeker niet uitgesloten dat, nu er op 13 juni weer een behoorlijk aantal federale parlementsleden en ministers zullen kandideren, ook in het Vlaams Parlement het aantal opvolgers wel eens sterk zou kunnen oplopen.
Een vaak gehoorde stelling tenslotte is dat het partijsysteem en daarmee gepaard gaande de regeringsvorming - door de kieshervorming doorzichtiger is geworden voor de kiezer. Door het kleiner aantal partijen zou de kiezer daarin een meer beslissende zeg moeten hebben. Een regering vormen met vier partijen zoals in 1999 op Vlaams niveau, komt de doorzichtigheid van de regeringsvorming niet echt ten goede.
Het aantal partijen en de versnippering is wel gedaald, maar een andere ‘probleemsituatie’ is daarvoor in de plaats gekomen: een evenwicht tussen vier grote en sterk aan elkaar gewaagde machtsblokken. In tabel II is de zetelverdeling in het Vlaams Parlement weergegeven op basis van de uitslag van de federale verkiezingen van 18 mei voor deze vier grote partijen of kartels. In kolom 3 wordt uitgegaan van de reeds afgesloten kartels (situatie eind februari 2004), de laatste kolom houdt rekening met een kartel sp.a-spirit-Groen!.

Tabel II: Zetelverdeling onder nieuwe kieswet (provinciale kieskringen en kiesdrempel) op basis van uitslag 18 mei 2003

Los van de onderlinge verhoudingen - welk kartel onder welke omstandigheden het grootste is - valt vooral op hoe dicht de drie grote blokken bij elkaar zitten, op enige afstand gevolgd door het Vlaams Blok. De kans is groot dat het politiek leiderschap van Vlaanderen en daarmee samenhangend het initiatiefrecht voor het vormen van de Vlaamse regering afhangt van enkele toevallige factoren. Het is trouwens niet gezegd dat de grootste partij van Vlaanderen ook dat politiek leiderschap zal kunnen claimen. In kolom 3 wordt duidelijk hoe het kartel CD&V-N-VA ondanks het feit dat het in aantal stemmen - op basis van de uitslag van 18 mei - de grootste formatie van Vlaanderen is toch het kartel VLD-Vivant moet laten voorgaan in aantal zetels.
De kieshervorming dreigt er zo voor te zorgen dat we in Vlaanderen opgezadeld zitten met de perverse effecten van twee kiessystemen. Enerzijds wordt door de kiesdrempel de proportionele vertegenwoordiging afgeknot en wordt het Parlement minder representatief vier grote machtsblokken, geen plaats meer voor kleinere politieke stromingen -, anderzijds krijgt de kiezer daar niets voor in de plaats. Terwijl men de kiezer in het Britse of Duitse (semi-)tweepartijensysteem in ruil voor de beperktere representativiteit - inherent verbonden aan dergelijk systeem -, een duidelijke zeg geeft in de samenstelling van de regering, is dat in het Vlaamse systeem hoegenaamd niet het geval. De Vlaamse politieke elite beslist daarover nog steeds eigenhandig, zonder inmenging van buitenaf.

Stelling 3: De kieshervorming zorgt voor een toegenomen personalisering van de politiek

Vanuit verschillende hoeken werd geopperd dat de kieshervorming de personalisering van het politieke gebeuren in de hand zou werken. Personen zouden belangrijker worden dan de inhoud wat op termijn nefast zou zijn voor de werking van de democratie. Los van de beoordeling over het al dan niet opportuun zijn van deze personalisering, rijst de vraag of het wel klopt dat de kieshervorming in concreto de grotere provinciale kieskringen zorgt voor een toegenomen personalisering. Als eerste aanzet daartoe bekeken we het voorkeurstemgedrag van de kiezers bij de federale verkiezingen van 18 mei.

Tabel III: Voorkeurstemmers die op lijsttrekker stemden op 18 mei 2003

Het aantal kiezers dat per voorkeurstem stemde bij de Kamerverkiezingen nam op 18 mei 2003 toe met liefst 6,7%, om een historisch record te bereiken van 66,5%. Dat wijst er op dat kiezers inderdaad steeds meer voor personen en steeds minder voor een partij stemmen. Daarmee wordt de evolutie van de laatste jaren verder gezet: in vergelijking met 1991 is het percentage voorkeurstemmers met bijna 20% toegenomen. Of die evolutie enkel kan verklaard worden door de kieshervorming valt te betwijfelen. We stelden immers ook vroeger al een toename vast, nog vóór de provinciale kieskringen ingevoerd werden. Andere factoren spelen dus zeker mee. Zo hebben kiezers door de individualisering in de samenleving en de ontzuiling een lossere band met organisaties als politieke partijen. Bovendien wijst onderzoek uit dat kiezers zeer weinig vertrouwen hebben in die partijen. Een lijststem voor een partij wordt dan uiteraard minder evident. Er is daarnaast ook de toegenomen mediatisering van de politiek, waarbij de media vaak meer aandacht besteden aan de politicus als mens dan aan de inhoud van de partijprogramma’s. Tenslotte is er ook een effect van technologische aard: de invoering van elektronisch stemmen verhoogde lichtjes het aantal voorkeurstemmen.
Het is dus duidelijk dat er ook andere factoren aan de basis liggen van de toename van het percentage uitgebrachte voorkeurstemmen. De centrale vraag blijft evenwel of de vergroting van de kieskringen voor een extra toename heeft gezorgd. De resultaten van de federale verkiezingen van 18 mei kunnen ons hierop een antwoord geven. Bij die verkiezingen waren er immers maar drie kieskringen die werden vergroot tot op provinciaal niveau (Antwerpen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen). De drie andere kieskringen (Limburg, Brussel-Halle-Vilvoorde en Leuven) bleven ongewijzigd tegenover 1999 waardoor zij als controlegroep kunnen gezien worden. Nu blijkt dat de toename in de kieskringen die werden vergroot gemiddeld genomen groter is dan in de kieskringen die niet werden vergroot. Toch valt er ook in deze laatste kieskringen een stijging te noteren. Provinciale kieskringen lijken dus inderdaad te zorgen voor een lichte toename in het percentage kiezers dat voor personen stemt, zij het dat er, zoals gezegd, ook andere verklaringsfactoren zijn voor deze toename.
Maar er wordt niet alleen gevreesd dat verkiezingen meer rond personen zullen draaien. Sommigen vrezen ook dat de verkiezingen door de hervormingen steeds meer enkel rond de toppolitici zullen draaien en dat daardoor verdienstelijke maar minder bekende kandidaten uit de boot dreigen te vallen. Om dat na te gaan hebben we gezocht naar de mate dat voorkeurstemmers een stem uitbrengen op de bekendste kandidaat van de lijst, met name de lijsttrekker. Opnieuw maken we een onderscheid tussen provincies al naargelang de kieskring werd veranderd door de nieuwe kieswet.
In alle provinciale kieskringen is er een duidelijke stijging van het percentage. Er is dus sprake van een toenemend belang van de lijsttrekker. Doordat er geen verschil is tussen de kieskringen die werden gewijzigd door de kieshervorming en de kieskringen die niet werden gewijzigd, lijkt het er op dat niet de kieshervorming maar andere factoren zoals de mediatisering hierin een belangijke rol spelen.

Stelling 4: De kieshervorming zorgt voor een ander soort politicus

Zoals reeds gesteld dachten de meerderheidspartijen met de vergroting van de kieskringen meer kansen te geven aan ‘professionele’ politici, politici die in tegenstelling tot hun ‘lokale’ collega’s meer begaan zouden zijn met belangrijke, nationale maatschappelijke vraagstukken en minder of niet met het versterken van hun eigen lokale machtsbasis. Vooral de grootste oppositiepartij CD&V vreesde echter dat de afstand tussen de kiezer en zijn vertegenwoordiger zo juist sterk zou worden vergroot. De kritiek tegen de schaalvergroting kwam echter niet alleen uit oppositiehoek. Ook leden van de meerderheid stelden zich vragen bij de te verwachten gevolgen.2 Kamervoorzitter Herman De Croo (VLD) verwoordde het bijzonder scherp: ‘Politiek voeren op volksverbonden wijze sterft uit bij provinciale verkiezingen. Wie haalt dan nog succes? Politici uit dichtbevolkte gebieden en politici die de media in hun zak hebben. Al de rest sterft uit.’3
Op basis van de gegevens die verzameld werden in het kader van het KANDI2003-onderzoek gingen we de lokale verankering na van de kandidaten en gekozenen bij de federale verkiezingen van 18 mei.4 Hun lokale verankering werd daarbij geoperationaliseerd a.h.v. hun woonplaats, hun politiek activisme op lokaal niveau en de spreiding van hun voorkeurstemmen over de nieuwe provinciale kieskring.
Op de eerste plaats blijkt de vrees dat er geen plaats meer zou zijn voor kandidaten uit de kleinere steden en gemeenten onterecht. We merkten nergens dat stedelingen proportioneel meer vertegenwoordigd waren op de lijsten dan personen afkomstig uit de meer landelijke gebieden (zie tabel IV). Telkens stelden we een grote vergelijkbaarheid vast tussen de herkomst van de kandidaten en de verdeling van de Vlaamse bevolking over de verschillende soorten steden en gemeenten.

Tabel IV: De verdeling van de bevolking, de kandidaten en de gekozenen over de verschillende categorieën van steden en gemeenten in procenten

De grootte van overeenkomst tussen de herkomst van de kandidaten met die van de bevolking, verschilt echter wel van partij tot partij. Wellicht niet toevallig zijn het CD&V en de N-VA die het minst uit grote steden en meer uit landelijke gebieden rekruteren. Het uitgesproken stedelijke karakter van Agalev en sp.a-spirit blijkt ook duidelijk uit de kandidatenlijsten.
Wanneer we nagaan wie er uiteindelijk gekozen wordt, stellen we wel opvallende verschillen vast in vergelijking met de samenstelling van de bevolking. De grote steden en de verstedelijkte gebieden blijken duidelijk oververtegenwoordigd, ten koste van de niet-stedelijke gemeenten (zie tabel IV).
Een opdeling naar het profiel tussen de verschillende partijen onderling, is een beetje problematisch door de kleine aantallen per partij. We stoten op een duidelijke oververtegenwoordiging van de grote en regionale steden bij Kamerleden van de sp.a-spirit-fractie, en op een ondervertegenwoordiging van de niet-steden. Daarentegen woont 45% van de CD&V-gekozenen in niet-steden, terwijl de VLD, mede door het massaal inzetten van zijn burgemeesters een oververtegenwoordiging van de kleine steden kent.
Deze vaststelling maakt de brug naar een tweede manier waarop we de lokale verankering van de kandidaten hebben geoperationaliseerd: de vraag in hoeverre kandidaten en gekozenen zetelen in de gemeenteraden of in de colleges van burgemeester en schepenen. Het opnemen van deze lokale mandaten geeft immers in zekere mate aan in hoeverre de persoon in kwestie blijk geeft van interesse voor lokale aangelegenheden. Indien het aantal Kamerkandidaten dat lokaal actief is, laag zou zijn, is de vrees niet onterecht dat lokale dossiers en bekommernissen de weg naar de Wetstraat niet zouden vinden.
Nu blijkt echter dat meer dan de helft (53%) van de kandidaten bij de federale verkiezingen van 18 mei lokaal actief is in gemeenteraad of schepencollege. Bij de CD&V gaat het zelfs om 67%, terwijl ook bij de VLD (65%), sp.a-spirit (60%) en het Vlaams Blok (54%, uiteraard alleen gemeenteraadsleden) meer dan de helft van de kandidaten een lokaal mandaat bekleedt. Agalev (44%) en N-VA (29%) scoren opvallend lager. Uiteraard worden de verschillen tussen de partijen verklaard door het aantal lokale zetels en mandaten waarover ze beschikken. Toch blijkt duidelijk dat de VLD op 18 mei massaal haar burgemeesters in de strijd geworpen heeft, wellicht met het oog op de strijd tegen de lokaal sterk ingebedde CD&V.
Wanneer we enkel de gekozenen in rekening brengen, komt het lokaal politiek activisme nog sterker uit de verf: liefst driekwart van de gekozenen op 18 mei bekleedt een lokaal mandaat. Wanneer we deze resultaten in historisch perspectief plaatsen, merken we dat ze niet zo sterk verschillen van deze van de afgelopen 20 jaar, toen telkens ongeveer 70% van de parlementsleden naast hun nationaal mandaat ook een lokaal mandaat bekleedde.
Een laatste manier om de aanwezigheid van de ‘lokale’ kandidaat na te gaan, bestaat erin te kijken naar de spreiding van de voorkeurstemmen van de kandidaten en gekozenen in de nieuwe grotere provinciale kieskringen. Daarbij is het interessant om te focussen op de verhouding tussen de kandidaten die bekend zijn in de gehele provincie en overal veel stemmen halen enerzijds (de provinciaal bekende kandidaten), en de kandidaten die vooral in hun eigen kieskanton (veel) voorkeurstemmen halen (de lokale en sterk lokale kandidaten).
Bij de verkiezingen van 18 mei kan 42% van de kandidaten gecatalogeerd worden als lokale kandidaat en een extra 22% als sterk lokale kandidaat. Alles samen is dus ongeveer 65% van de kandidaten lokaal verankerd, in die zin dat ze in hun eigen kieskanton merkelijk meer voorkeurstemmen behalen. Slechts 5% van de kandidaten zijn provinciaal bekende kandidaten. Toch is het beeld niet voor alle partijen gelijk: bij de CD&V is bijna 88% van de kandidaten lokaal of sterk lokaal verankerd, bij de sp.a-spirit-lijsten gaat het om 86% van de kandidaten en voor de VLD om 82%. Deze hoge percentages staan in schril contrast met die van de nieuwere politieke partijen die een aanzienlijk percentage onbekende kandidaten in hun rangen tellen.
Ook bij de gekozenen heeft ongeveer 65% een lokale tot sterk lokale inplanting. De vrees dat de kieshervorming ervoor zou zorgen dat enkel nog over de gehele provincie bekende kandidaten zouden verkozen worden, blijkt dus ongegrond.
Algemeen beschouwd kan niet eenduidig gesteld worden dat de kieshervorming zorgt voor een ander soort politicus. Op de kandidatenlijsten is er nog voldoende plaats voor personen uit de minder stedelijke gebieden en gemeenten al varieert dat wel van partij tot partij. Maar bij de gekozenen is wel duidelijk sprake van een oververtegenwoordiging van de steden. Anderzijds bekleden heel wat van de kandidaten en gekozenen een lokaal politiek mandaat. Tenslotte geraken niet enkel de in de gehele provincie bekende kopstukken verkozen en blijkt duidelijk dat er zeker nog plaats is voor de (sterk) lokaal verankerde kandidaat.

Jo Noppe, Aspirant van het F.W.O.-Vlaanderen
Stefaan Fiers, Docent
Bram Wauters, Assistent
Afdeling Politicologie van de K.U.Leuven

Noten
1/ De beperktheid van deze toename is het gevolg van het feit dat de zetelverdeling vroeger via de apparentering ook al de facto gebeurde op provinciaal niveau. Het quorum (drempel om toegelaten te worden tot deze apparentering) valt in de simulatie met provinciale kieskringen zonder kiesdrempel weg wat er voor zorgt dat de kleinere partijen die vroeger door dat quorum van zetels verstoken bleven in de simualtie wel een of meerdere zetels toebedeeld krijgen.
2/ Zie bijvoorbeeld het opinieartikel ‘Wie wordt er beter van de kieshervorming?’dat de Kamerleden Herman De Loor (sp.a.) en Pierre Lano (VLD) samen met Paul Tant (CD&V) publiceerden in De Standaard van 12 september 2002.
3/ Herman De Croo, De Standaard, 24 november 2003.
4/ Deze analyse maakt gebruik van data verzameld in het kader van het KANDI2003-onderzoek van de Afdeling Politologie van de K.U.Leuven naar de kandidaten bij de federale verkiezingen van 18 mei 2003. Aan het verzamelen van de gegevens van deze dataset werkten naast de auteurs van deze bijdrage nog mee: Sam Depauw, Bart Maddens en Steven Van Hecke.

Beknopte bibliografie
- Fiers, S. (1999), ‘Carrièrepatronen van Belgische parlementsleden in een multilevel omgeving (1979-1999)’, Res Publica, 1, pp. 171-192.
- Hooghe, M., Noppe, J., Maddens, B. (2003), ‘The effect of electoral reform on the Belgian election results of 18 May 2003’, Representation Journal of Representative Democracy, 4, pp. 270-276.
- Kesteloot, C. en De Maesschalck, F. (2001), ‘Anti-urbanism in Flanders: the political and social consequences of a spatial class struggle strategy’, Belgeo, 1-2, pp. 41-62.
- Wauters, B. (2003), ‘Het gebruik van voorkeurstemmen bij de federale verkiezingen van 18 mei 2003’, Res Publica, 2-3, pp. 401-428.
- Wauters, B., Noppe, J. en Fiers, S. (2003), ‘Nationale kopstukken, lokale sterkhouders en onbekende kandidaten. Een analyse naar de lokale verankering van kandidaten en gekozenen bij de parlementsverkiezingen van 18 mei 2003’, Belgeo, 2, pp. 165-186.

verkiezingen - kieswetgeving

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 13