Abonneer Log in

Er was ook nog de blauwe stembrief

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 32 tot 34

Diep in de schaduw van de Vlaamse verkiezingen waren er op 13 juni ook Europese verkiezingen. Toen het sp.a-boekje over Europa verscheen, leek het erop dat de sp.a een stevige Europa-campagne voorbereidde met manifest andere klemtonen dan de andere partijen. Even zat Europa in het nieuws. Maar de debatten waren warrig. Coninx en Van Wijck wilden bijvoorbeeld weten of Europa een bedreiging vormt voor onze gratis bussen, zoals gesuggereerd in het boekje. Caroline Gennez vertelde de halve waarheid, Bert Anciaux gaf ongeveer toe dat hij van niets wist en Jean-Marie Dedecker vertelde trots dat hij het dossier goed bestudeerd had. Jammer genoeg het verkeerde, want alles wat hij daarna zei, had betrekking op een heel andere maatregel. De journalisten stonden erbij, keken ernaar en verstonden er niks meer van.

Al snel bleek dat het boekje wat simpel in elkaar zat. Het verdween naar de achtergrond en wie Europa écht kent bij de sp.a deed alle moeite om erover te zwijgen. Het is zeker tijd voor een inhoudelijk debat over Europa maar deze poging was te licht bevonden. Door de zwakke onderbouw en de geforceerd selectieve blik droeg ze niet bij tot enig inzicht in wat Europa wel of niet doet. Hoe Europa in elkaar zit, werd evenmin duidelijk. Dus was het debat gesloten nog voor de campagne van start ging. Europa kwam amper ter sprake en menig kiezer stelde op 13 juni verbaasd vast dat er ook een blauwe stembrief was.
Wie de Europese uitslag bekijkt, merkt geen grote verschillen met de Vlaamse. VLD-Vivant en CD&V/N-VA scoorden 2% beter. Dat heeft wellicht te maken met de sterkte van de lijsttrekkers. Ook Groen!, met immer bezige bij Bart Staes, deed het Europees wat beter dan Vlaams. sp.a-spirit bakte er dan weer minder van. Het wit konijn viel bleker uit dan gehoopt en de bijna-afwezigheid van het Europa-thema was waarschijnlijk nog een geluk voor de sp.a. In debatten speelde Mia De Vits altijd dezelfde sociale plaat en dat verveelt op de duur. Bovendien kon ze zelfs in deze thuismatch niet op tegen Dehaene, Sterckx of Staes die Europa door en door kennen. Als andere facetten van de Europapolitiek ter sprake kwamen, bestudeerde De Vits erg intensief het plafond en haar schoeisel. Ook het Vlaams Blok scoorde Europees een procent minder dan Vlaams, maar haalde toch nog ruim 23%. Dat is een merkwaardige vaststelling voor een partij die in dat Europees Parlement de voorbije legislatuur omzeggens niets uitspookte. Na de verkiezingen van 1999 deden de twee Blok-mandatarissen vier jaar lang werkelijk niets (Karel Dillen) tot bijna niets (Frank Vanhecke). In blessuretijd werden ze vervangen. Hun opvolgers hielden zich onledig met het stellen van een paar parlementaire vragen, bijvoorbeeld over voedselhulp aan Zimbabwe. Een lijn valt daar niet in te ontdekken en er zit ook geen strategie achter. Het Vlaams Blok voert zelfs geen oppositie en is eigenlijk in Europa gewoon niet aanwezig. Maar toch lijkt politiek toerisme te lonen: 23% van de stemmen levert een extra zetel op.
Dit wil natuurlijk vooral zeggen dat een groot deel van de kiezers de Europese politiek gewoon niet volgt, ook niet passief of vanop grote afstand. Europa is een blinde vlek. Er komt stilaan wel het vage idee dat Europa belangrijk is, maar er is niet het besef hoe concreet dat allemaal is. Nochtans is Europa zowel bezig met heel alledaagse zaken als met grote maatschappelijke keuzes en met alles wat daar tussenin ligt. We hebben het dan over garantie op broodroosters, kleurstof in eten en straling van gsm’s, maar ook over arbeidsomstandigheden, de kwaliteit van openbaar vervoer, de verhouding tussen economie en milieu, over handel en de manier waarop we de interne markt organiseren of over de richting die we met het landbouwbeleid uit moeten. Bovendien vormt Europa al jaren het keurslijf waarbinnen nationale politiek bedreven wordt. In meerdere dossiers is de Vlaamse regering gedegradeerd tot de filiaalhouder die links of rechts een rek mag verplaatsen, terwijl de belangrijkste beslissingen vallen in het hoofdkantoor, zijnde Europa. Het is een kreet in de woestijn en de meeste Vlaamse parlementsleden doen hard hun best om het niet te horen. Niemand relativeert graag zijn job maar het leidt wel tot een hoop miserie, van Deurganckdok over mestactieplan tot zorgverzekering. Wie de Europese wetten niet kent, kan ze ook niet naleven. En daar komt steeds gedonder van.
Er is nog meer onwetendheid over Europa. Er is bijvoorbeeld het idee dat het Europees Parlement een praatbarak is die als het goed uitkomt al eens advies mag geven. Dit cliché is hardnekkig omdat het ook leeft bij vele (nationale) politici, journalisten en opinion leaders. Het werd versterkt doordat politieke partijen dit Parlement in het verleden gebruikten als een vergeetput voor lastposten (Johan Vanhecke, Ward Beysen), als een rusthuis (Willy Declercq) of als een instelling voor palliatieve zorg (Karel Dillen). In het begin van de jaren negentig werd met het Verdrag van Maastricht echter de medebeslissingsprocedure ingevoerd. Het toepassingsveld werd bij volgende verdragsherzieningen (Amsterdam, Nice) uitgebreid en de nieuwe grondwet maakt er de standaardprocedure van. Het Europees Parlement is wellicht een van de weinige parlementen waarvan de macht de voorbije decennia systematisch is toegenomen. In de meeste domeinen is dit Parlement vandaag medewetgever, naast de ministerraad. Dit betekent dat het wetsvoorstellen kan amenderen of tegenhouden en uiteindelijk op zoek gaat naar een compromis met de ministers. Het allerlaatste woord is aan het Parlement.
Als we de nuances weglaten, kunnen we stellen dat waar de Europese trein vlot dendert, het Europees Parlement cruciaal is. Dat is onder meer zo voor milieukwesties, mobiliteit, voedsel, de interne markt en belangrijke delen van het sociaal beleid. Ook in controversiële dossiers, zoals de liberaliseringen, is het Parlement de finale beslisser, naast en niet onder de ministerraad. Als de fameuze richtlijn-Bolkestein ooit (en ongetwijfeld flink geamendeerd) realiteit wordt, dan zal het zijn omdat het Parlement het zo wil. Daar waar een Europees beleid niet van de grond komt (buitenlandse politiek, sociale zekerheid, belastingen), heeft dit Parlement weinig te zeggen.
Het Europees Parlement is niet alleen machtiger dan meestal gedacht wordt, het is ook een écht parlement. In handboeken over democratie staat namelijk dat een parlement wetten maakt. Vlaamse of nationale parlementsleden doen al lang niet meer wat ze in theorie horen te doen. Ze buigen voor de regering en amendementen worden pas gestemd na een fiat van de ministers. Parlementsleden zijn slaaf van partijtucht en vooral van hun eigen rol als lid van meerderheid of oppositie. Wie in de oppositie sukkelt, kan weinig bakens verzetten. Wie in de meerderheid zit, zwijgt en stemt. De zeldzame keer dat er zich een parlementaire meerderheid vormt die verschilt van de regeringsmeerderheid is dat groot nieuws en voelt iedereen zich onwennig (migrantenstemrecht). Want eigenlijk is dat de bedoeling niet.
Het Europees Parlement houdt echter geen regering in het zadel en dat maakt de bewegingsvrijheid er veel groter dan in een nationaal parlement. Politiek is misschien makkelijker om te volgen als alles gebetonneerd is in een vaste meerderheid en een onveranderlijke minderheid. Dan staan twee afgelijnde groepen tegenover elkaar en er is de hele legislatuur tijd om uit te maken wie de goeien zijn en wie de slechten. Parlementaire debatten leveren soms mooie televisie, maar de afloop is voorspelbaar. In het Europees parlement ligt het anders. Bij elke stemming, over elke wet, elk amendement, elke komma vormt zich een nieuwe meerderheid. De fractiediscipline is minder dwingend, de uitkomst weinig voorspelbaar en elk parlementslid oordeelt meer naar eigen inzicht en geweten. Dit verklaart ook mee de op het eerste zicht paradoxale vaststelling dat centrumrechts weliswaar de grootste fractie vormt in Europa, terwijl het Parlement op Europese wetten meestal een wat progressieve (groene, linkse) stempel drukt. Wie zich vastbijt in een dossier en met ernstige amendementen op de proppen komt, maakt het verschil. Ook als hij uit een kleine partij of uit een klein land komt.
Het democratisch deficit van Europa is groter in de perceptie dan in de realiteit. Maar het resultaat is hetzelfde: de legitimiteit van de Unie leidt eronder. Er wacht de verse lading Europese parlementsleden een zware job: niet alleen het inkleuren van de Europese wetten, maar ook het weerleggen van vooroordelen op het thuisfront wordt cruciaal.

Hendrik Vos
Professor Europese Politiek - Vakgroep politieke wetenschappen - Universiteit Gent

verkiezingen - Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 32 tot 34