Abonneer Log in

Kartels neen, lijstverbindingen ja

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 18

Bij de federale verkiezingen van 2003 kwam het kartel sp.a-spirit als grote overwinnaar uit de bus. Samen met de nederlaag van de groenen en de zwakke prestatie van N-VA, leek de toverformule voor kleine partijen een feit: sluit een kartel met een grote, en je krijgt het eeuwige leven. Voor de groten was het ook duidelijk een winsituatie, of zoals Steve Stevaert het uitdrukte: 1+1= 3. Een jaar later schijnt het magisch effect echter uitgewerkt en blijken de optelsommen zelfs niet altijd op plus te eindigen. 2004 zal ingaan als het jaar van de mislukte kartels, hoewel de partijen dat niet willen gezegd hebben. Wanneer nu na de verkiezingen de resultaten van Groen! en sp.a worden opgeteld om aan te tonen dat ze zo de grootste formatie hadden geweest, dan spreken we niet over kartels maar over lijstverbindingen. Het is appels met peren vergelijken.

De harde realiteit

Als we de zetelverdeling voor de Vlaamse raad van 1999 met die van 2004 vergelijken, is dat in feite eenvoudig te doen. Gezien VU-ID niet meer opkwam, waren er 11 zetels te verdelen onder de erfgenamen. Het kartel sp.a-spirit wint 6 zetels en CD&V/N-VA wint er 5. Wat de sp.a betreft kunnen we spreken van een winst: ze moeten 3 zetels aan Spirit laten, 1 zetel aan een ex-groene (Ludo Sannen) en de BBL’er Bart Martens. De netto winst is 1 zetel. Voor Spirit is 3 zetels niet zo’n denderende score, als men weet dat één van hen Bert Anciaux is, een stemmentrekker die bijna goed is voor 100.000 stemmen voor Europa. Het CD&V/N-VA- kartel boekte 5 zetels winst, waarvan er 6 naar de N-VA gaan. Voor de CD&V betekent dit een netto verlies van 1 zetel. Dat lijkt toch moeilijk uit te leggen voor een partij die geacht wordt de verkiezingen te hebben gewonnen. De N-VA heeft goed onderhandeld. Ze halen evenveel zetels als Groen!, maar niemand gelooft dat ze voor het kartel ongeveer 7% van de stemmen zouden aangebracht hebben. Over het kartel VLD-Vivant kunnen we kort zijn: buiten wat media-aandacht voor Roland Duchâtelet, heeft dit geen van beide partijen ook maar iets bijgebracht.
Als we de drie kartels overlopen kunnen we enkel vaststellen dat we hier zeker niet met een win-winsituatie te maken hebben. Er zijn globaal geen zetels gewonnen, enkel netjes verdeeld. Het hangt van de sterkte van de onderhandelaars af wie met de eventuele buit mag gaan lopen. Voor de grote partijen is er nog een bijkomend obstakel: wie zet een stap opzij bij de lijstvorming om plaats te maken voor een kartelgenoot? Lijstvorming is een harde business: hoe minder plaatsen te verdelen, hoe minder tevreden kandidaat-politici. Maar ook als we ideologischer blijven is niet iedereen tevreden met de vermenging van twee of meer gedachtestromingen. Dat was concreet in Brussel bijvoorbeeld te merken. Daar kwam zowaar een scheuring van de N-VA op, die het samengaan met de gematigde CD&V niet pikte. Als kandidaten ideologisch kunnen handelen, kunnen kiezers dat ook. Kartels maakt het voor hen niet eenvoudiger.

De ideologische kiezer en de ideologische partijen

Laat ons eens kruipen in de huid van de kiezer. Welk voordeel kunnen we voor deze politieke medespeler ontdekken? We maken best een onderscheid tussen verschillende soorten kiezers. Een grote groep stemt op personen. Het maakt hen feitelijk niets uit op welke lijst de voorkeurkandidaat staat, ze maken het bolletje rood achter de naam. Kartels veranderen hier niets aan.
Wie één thema of actiepunt belangrijk vindt, moet maar hopen dat de kartelpartners het hierover eens zijn. Hoe gaat de stem voor het kartel anders kunnen geïnterpreteerd worden? ‘Het signaal van de kiezer’ klinkt anders wel wat diffuus. Een concreet voorbeeld kan dit probleem verduidelijken: de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde zal later op het jaar een mogelijk onderwerp zijn op de onderhandelingstafel als de kieshervorming ter sprake komt. Wie gaat bepalen hoe groot het gewicht is van het aandeel N-VA in het kartel met CD&V om strenge Vlaamse eisen te claimen? Langs Franstalige kant wordt in debatten niet echt het onderscheid meer gemaakt en zit de CD&V in de extreem Vlaamse hoek, ondanks het feit dat zwaargewicht Dehaene zich duidelijk verzoenender opstelt. Uit het programma Doe de stemtest bleek alvast dat dit kartel wel op heel wat meer punten intern verschilde van mening. In een tijd waar we nog maar eens de mond vol hebben over het luisteren naar ‘de mensen’ in casu de kiezers, lijkt een kartel niet echt een goede formule om precies te weten wat de kiezer wil. Het blijft natuurlijk mogelijk dat de kartelpartners nauwelijks van elkaar verschillen. Dan is het voor de kiezer opnieuw klaar, maar is de vraag waarom dan niet één partij vormen? Binnen een standenpartij als de CD&V is er ervaring genoeg om licht afwijkende meningen te verzoenen.
Tenslotte kunnen we ons afvragen welk alternatief er overblijft voor een kiezer, als die niet akkoord gaat met een deel van het kartel? Op personen stemmen of een andere partij uitkiezen zijn dan mogelijke opties. Het is de vraag of dat de bedoeling kan zijn van kartels om kiezers weg te houden, of om ze uit te nodigen om personen uit te kiezen als het over ideologische verschillen gaat. Van het wegblijven bij kartels is in 1999 een duidelijk voorbeeld in Brussel gegeven. Voor de kamerverkiezingen kwamen SP en Agalev apart op. De som van hun beide scores was 17.702 stemmen. Op hetzelfde ogenblik moest er ook voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad gekozen worden in precies dezelfde kiesomschrijving. Er waren nauwelijks verschillen in beide partijprogramma’s wat Brussel betrof. Ook omwille van de speciale minderheidssituatie in Brussel was het dus erg logisch om met SP-AGA op te komen. Het kartel haalde 13.223 stemmen. Een vierde van de kiezers lieten het afweten omdat ze zo’n kartel niet zagen zitten. De stemmen gingen toen naar de CVP. In de Antwerpse gemeentepolitiek kunnen gelijkaardige verhalen worden verteld over falende kartels, maar in het Brusselse voorbeeld zijn alle externe factoren identiek, er speelt geen plaats of tijdsverschil mee. Wegblijven is dus voor de kiezer echt wel een optie.
De opmars van kartels is duidelijk beïnvloed door het invoeren van de 5% drempel bij de federale verkiezingen van 2003. Het was alsof kleinere partijen meer in hun bestaan werden bedreigd, hoewel er in de meeste kiesomschrijvingen al een hogere effectieve drempel was. Het electoraal falen van Agalev in 2003 en de druk van de kiesdrempel duwde de partij in de richting van een kartel met de natuurlijke bondgenoot sp.a voor de verkiezingen van 2004. Er moest een verscheurende keuze worden gemaakt tussen pragmatische overwegingen - enkele zetels redden door goed te onderhandelen over een sp.a-kartel - of toch alleen opkomen met het risico alles te verliezen. Louis Tobback noemde dit laatste ‘het halen van het groot gelijk zonder het maken van compromissen’, wat voor hem duidelijk een mindere optie was. In Limburg was de keuze letterlijk verscheurend, want een deel van de leden ging effectief mee met ex-Groen! minister Sannen. Groen! won 2%. Het kartel tussen sp.a, Spirit en Limburgse Groenen verloor 6% tegenover 2003. Het is onmogelijk uit te maken hoeveel kiezers de overstap hebben gemaakt, maar echt veel kunnen het niet zijn. De 4% kiezers in Limburg, die toch voor Groen! hebben gekozen, zouden met een ‘echt’ kartel tussen alle groenen en de sp.a niet zijn meegestapt. Dit zijn ‘ideologische’ kiezers, die duidelijk wisten dat een zetel binnenhalen schier onmogelijk was. De strategisch groene kiezer kon nog altijd kiezen voor Sannen of De Roeck. Zij zullen echter nooit precies weten hoeveel nieuwe stemmen ze hebben bijgebracht. In kartels is dat niet te merken, bij lijstverbindingen wel.

Lijstverbindingen: het beste van twee werelden?

Het debat rond een links progressief kartel laat twee meningen met elkaar botsen: strategie en ideologie. De strategie zegt: voeg de krachten samen om zo meer stemmen (lees zetels) te vergaren. De ideologie zegt: laat ons duidelijk zijn in wat we willen bij verkiezingen, compromissen kunnen achteraf altijd. In Brussel hebben we voor het eerst een systeem ervaren, dat misschien beide werelden kan verzoenen.
Voor de verkiezingen van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad was het de partijen toegestaan om lijstverbindingen te maken. De partijen gaan apart naar de kiezer met hun eigen programma. In een tweede stap worden de zetels verdeeld tussen de lijstverbindingen. In een derde stap worden die toegekende zetels nogmaals verdeeld tussen de lijsten van éénzelfde lijstverbinding. In Brussel werd dit concreet doorgevoerd om het Vlaams Blok te dwingen om 50% van de stemmen te halen om de absolute meerderheid in zetels te verwerven.
Wat zijn nu de voordelen van het systeem. De kiezer heeft een ruimere keuze en kan zowel kiezen voor personen als voor een ideologie. Een tweede voordeel is dat, wie dat wil, de krachten kan bundelen wat de zetelverdeling betreft. De reststemmen van elke verbonden partij gaan niet meer verloren. Verder is er toch een eerlijke verdeling van zetels tussen de lijsten van eenzelfde lijstverbinding, zodat het wel degelijk de kiezer is die de krachtsverhoudingen bepaalt tussen de partijen onderling. Dat heeft tenslotte het grote voordeel dat partijen ook goed van elkaar weten wat ze ‘electoraal’ waard zijn. Indien zo’n systeem in Limburg was toegepast, was de scheuring niet nodig geweest. Strategische en ideologische kiezers en partijen hadden zichzelf kunnen blijven, maar toch worden verbonden. Maar ook lijstverbindingen hebben niks magisch. In Brussel heeft het niets veranderd aan de zetelverdeling. Hadden alleen Groen! en sp.a een lijstverbinding gemaakt, dan had Groen! een zetel meer gehad. Of hoe trucjes achteraf altijd anders hadden moeten worden gebruikt.

Jo Buelens
VUB - Vakgroep politieke wetenschappen

verkiezingen - kartels

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 18