Log in

'Opgang en verval van extreemrechts'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 47 tot 48

Opgang en verval van extreemrechts

Helmut Gaus
Academia Press, Gent, 2004

Hoewel er onderhand reeds duizenden artikelen in Vlaamse kranten en magazines zijn gewijd aan het fenomeen extreemrechts, bestaan er vooralsnog slechts zeer weinige wetenschappelijke werken over deze materie. Het boek van Helmut Gaus lijkt dan ook niet slechts qua timing maar ook qua bestaande lacune zeer welkom.
De auteur stelt zich drie vragen in deze studie: wat kenmerkt het (hedendaags) extreemrechts? Waarom is het (nu) succesvol? Wat heeft de huidige periode met vorige bloeiperioden van extreemrechts te maken? (p.10). De eerste vraag wordt in het tweede hoofdstuk, overigens zonder enige bronverwijzing (!), beantwoord: irrationalisme, gewelddadigheid, nationalisme, leidersbeginsel, totalitarisme. In de daaropvolgende hoofdstukken staat ‘het autoritaire syndroom’ centraal, en voor het beantwoorden van de tweede vraag stelt Gaus zich uitdrukkelijk in de traditie van Freud en Adorno. Kortom, extreemrechts wordt gesteund door mensen met een autoritaire persoonlijkheid, en in tijden van crisis (sterke verandering) neemt de ‘regressie’ (dwz de terugval naar extreemrechts gedrag) toe. De derde vraag, tenslotte, wordt beantwoord met de bij Gaus te verwachten lange golven van Kondratieff. Het economische proces is cyclisch in golven van grofweg vijftig jaar: tijdens de dalfasen van deze golven bestaat er een gevoel van crisis, wat leidt tot regressie bij autoritaire persoonlijkheden, en dus extreemrechts succes (p.65). In een typisch historicistische interpretatie leidt dit Gaus in het laatste hoofdstuk tot de vaststelling dat we eigenlijk niks tegen extreemrechts kunnen of hoeven te doen, want die verdwijnen sowieso met de opgang van de volgende lange golf. Volgens de auteur heeft het Vlaams Blok dit overigens al door (zouden zij Kondratieff ook gelezen hebben?), en is dat de (ware) reden van de recente poging om het Blok om te vormen tot een conservatieve partij.

In hoeverre vult dit boekje nu enkele van de vele gaten in het onderzoek naar hedendaags extreemrechts? Tot onze grote spijt moet de conclusie zijn dat geen van de gaten gedicht is. De definitie van extreemrechts, de interpretatie van extreemrechtse kiezers als autoritaire persoonlijkheden, de crisistheorie, het is allemaal gesneden koek voor eenieder die de rijke literatuur over het Nazisme uit de jaren zestig heeft gelezen. Want eigenlijk gaat dit boekje niet over hedendaags extreemrechts, maar over het Nazisme. Dat deze twee niet hetzelfde zijn, schijnt de auteur te zijn ontgaan. Een reden hiervoor is wellicht te vinden in de bibliografie, waarin slechts zes (van de ruim zestig!) bronnen over het hedendaagse extreemrechts gaan.
Daarbij wordt op onkritische wijze de meest ongenuanceerde psychoanalytische literatuur over het Nazisme overgenomen, alsof de jaren zestig nooit voorbij zijn gegaan. Nergens vindt men verwijzingen naar de stroom van kritische empirische en theoretische studies over Adorno en de Frankfurter School. En zo ziet Gaus er bijvoorbeeld geen enkel bezwaar in om het verschil tussen rechts en extreemrechts te beschrijven als: ‘kinderachtigheid, gebrek aan volwassenheid’ (p.71).

En hoe precies zijn de lange golven van Kondratieff eigenlijk? Volgens Gaus omvatten deze golven ‘telkens ongeveer twee generaties van 25 jaar’ (p.62). Dat klinkt redelijk precies, maar iets verderop stelt hij dat ‘de bloei van extreemrechts inderdaad een cyclisch verschijnsel is dat synchroon loopt met de dalfasen van de lange golf van Kondratieff: rond 1890, rond 1930 en rond 1990’ (p.65). Kortom, de ene keer zit er 40 jaar tussen, de volgende keer 60 jaar. Zo wordt het wel erg gemakkelijk om ‘synchroon’ te lopen.

Ondanks Gaus’ kritiek op de niet-historische en niet-empirische studies van andere auteurs, staaft hij zijn eigen beweringen op geen enkele wijze met empirisch materiaal. Waren er inderdaad aanzienlijk meer autoritaire persoonlijkheden in, zeg, 1933 dan in 1913, of in 1993 dan in 1973? En gezien het feit dat Kondratieffs analyse ‘een tamelijk betrouwbare prognose [vormen] van de hoofdtrends van de wereldeconomie’ (p.62, mijn cursivering), blijft het verwonderlijk dat extreemrechtse bewegingen in al deze perioden (1890, 1930, 1990) slechts in een minderheid van de landen in de wereld, of zelfs in West-Europa, electoraal succesvol waren.

Kortom, Gaus’ visie op extreemrechts is een mix van verschillende, reeds licht omgeslagen, oude wijnen in een klein nieuw flesje.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 47 tot 48