Abonneer Log in

Over de twee verkiezingscampagnes van 2004

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 19 tot 21

Verkiezingen worden gewonnen en verloren in de laatste week. Het is een stelling die vooral bij journalisten en politici opgang maakt. Partijen sparen hun advertenties en folders dan ook zo veel mogelijk op en ook de media houden het zwaar geschut voor de dagen die aan de verkiezingen voorafgaan. Er is ook heel wat wetenschappelijk onderzoek die deze keuzes lijkt te legitimeren. De focus op de eindspurt is om twee redenen begrijpelijk. Ten eerste beslissen mensen later dan vroeger voor wie ze zullen stemmen. In Groot-Brittannië besliste in het begin van de jaren 60 één op tien mensen tijdens de campagne zelf, op het einde van de jaren negentig was dat opgelopen tot één op vier.1 Het Vlaamse verkiezingsonderzoek van het ISPO geeft aan dat bij de verkiezingen in 2003 bijna de helft van de kiezers pas tijdens de campagneperiode een definitieve keuze maakte.2 Naast het laat beslissen neemt ook het inruilen van partijen tussen verkiezingen verder toe. In de jaren 80 veranderde ongeveer 15% van partij tussen twee verkiezingen, sinds de legendarische verkiezingen van 1991 (Zwarte Zondag) schommelt dit aantal rond één op drie kiezers.3 Het probleem is dat uit deze cijfers de verkeerde of toch minstens ongenuanceerde conclusie wordt getrokken dat kiezers hun uiteindelijke keuze vooral baseren op wat er zich die laatste week allemaal afspeelt. Uit ons onderzoek naar de verkiezingscampagne van 2004 blijkt echter dat de belangrijkste verschuivingen zich hebben voorgedaan voor de campagne begon en vooral dat gebeurtenissen die zich maanden voor de verkiezingen afspelen op de dag des oordeels nog van groot belang kunnen zijn.

Het onderzoek bevroeg meer dan 7.000 respondenten viermaal in de maanden voor de eigenlijke campagne. De laatste ronde werd afgesloten drie dagen voor de stembusgang. De electoraten van de verschillende partijen waren ruim in het onderzoek vertegenwoordigd, maar toch is de respons niet representatief voor dé bevolking.4 Dat maakt dat onze bevindingen met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. We vergelijken daarom ook consequent verschillende groepen deelnemers met elkaar en niet met het volledige electoraat. We gaan hier vooral in op het verlies van de VLD door een analyse die trouwe en ontrouwe VLD-kiezers statistisch met elkaar vergelijkt. Wat leren die zevenduizend kiezers ons over de campagne van 2004?
Ten eerste tonen ze aan dat campagnes wel degelijk een verschil kunnen maken. Vooral langs de linkerzijde zagen we in de weken en dagen voor de verkiezingen nog veel mensen van stemintentie veranderen. De campagne Groen! is nodig bleek de laatste weken op steeds meer sympathie te kunnen rekenen. De massale steun van BV’s is hier zeker niet vreemd aan. Ook de peilingen die het ‘nipt’ overstijgen van de kiesdrempel voor Groen! in het vooruitzicht stelden vielen niet in dovemansoren. Opvallend is ook dat Groen!-kiezers veel meer dan kiezers van andere partijen in ons panel aangeven dat hun stem mee wordt bepaald door opiniepeilingen. Ze zijn dus gevoeliger voor de perceptie van winst en verlies. Vorig jaar baadde Agalev in een negatieve sfeer van teleurgestelde kiezers en nakend verlies, een jaar later was die sfeer compleet omgeslagen. De progressieve kiezer bracht in de eerste plaats een strategische stem uit en gaf een onafhankelijke groene partij het voordeel van de twijfel. sp.a-spirit betaalde hiervoor cash. Natuurlijk zijn beide partijen geen perfecte communicerende vaten, maar een beter voorbeeld van partijen die volop in elkaars electoraat werven, is moeilijk denkbaar.
Het succes van Groen! is dus in grote mate een campagneverhaal dat de stelling over de zwevende kiezer die op het allerlaatste moment beslist bevestigt. Dat lijkt heel wat minder het geval voor de aanzienlijke stemverschuivingen die zich aan de andere zijde van het politieke spectrum voltrokken. Aan de rechterzijde waren de kiezers al voor de campagne aan het schuiven gegaan. Cru gesteld: reeds in januari-februari was het kalf voor de VLD verdronken en was die partij een groot deel van zijn kiezers kwijt. De hele campagne was de partij op achtervolgen aangewezen maar ondanks het gezweet en gezwoeg van de premier zelve zijn er nauwelijks kiezers naar de vertrouwde schaapsstal teruggekeerd. De VLD-kiezers haakten af omwille van inhoudelijke redenen, waarbij het migrantenstemrecht en het interne geruzie als gevolg daarvan een belangrijke rol spelen. Hoe meer belang men hechtte aan dit dossier, hoe groter de kans dat men van plan was de partij te verlaten. Vooral voor de overgang naar het Blok is dit een belangrijk motief. Bij de eerste bevraging in maart, twee weken nadat de rust binnen de VLD was teruggekeerd, was het belang van het migrantenstemrecht als argument om van partij te veranderen zeer groot. Dit belang nam wel geleidelijk af doorheen de campagne, maar verdween nooit. Hetzelfde geldt voor de geschonden geloofwaardigheid van Guy Verhofstadt. De lagere inschatting van de betrouwbaarheid en het leiderschap van Verhofstadt blijven ook in de week voor de verkiezingen nog meespelen in het oordeel van de ontrouwe VLD-kiezer. Het is dan ook de vraag of het wel slim was om volop de kaart Verhofstadt te trekken tijdens de campagne. Niet dat er kan getwijfeld worden aan de debatkwaliteiten van Verhofstadt, maar wel aan het feit dat hij de geschikte persoon was om het beschadigde imago van de partij opnieuw te herstellen. Vermits ook Vlaams minister president Bart Somers logischerwijs in beeld kwam, en ook Karel De Gucht maar een halve stap opzij zette, bleef er weinig ruimte voor verzoeningfiguur Dirk Sterckx over.
Had het allemaal nog veel kunnen veranderen? Wellicht niet. Het ongenoegen zat te diep en daar kunnen zelfs enkele geslaagde media-optredens weinig aan veranderen. De VLD-kiezer die de partij van plan was de rug toe te keren, was niet alleen teleurgesteld omwille van het geruzie binnen zijn partij, maar was ook niet meer zo optimistisch over de economische situatie in ons land, en bovendien bijzonder kritisch over de regeringsdeelname van de VLD. Het zijn zaken die je moeilijk op korte termijn kan doen keren.
Tot slot, de grote winnaar van deze verkiezingen: het Vlaams Blok. Ook voor deze partij dateert de winst van ver voor de campagne. Bij het begin van ons onderzoek in maart was het blok al met ruim een derde gegroeid. Doorheen de campagne veranderde daar nog weinig aan. Al moeten we wachten op de resultaten van onze postelectorale bevraging om zeker te zijn dat er tijdens de laatste dagen niet nog wat extra winst werd geboekt. Dat de veroordeling van het Vlaams Blok voor racisme, en heel wat ‘kleine’ incidenten met Blok-mandatarissen weinig tot geen invloed hadden op oude en nieuwe kiezers van de partij, zegt niet alleen veel over de hondstrouwheid van het Blok-electoraat, maar het relativeert opnieuw het belang van de campagne.
De Vlaamse verkiezingen van 2004 zijn in meerdere opzichten historisch te noemen. De eerste aparte regionale verkiezingen, de grote sprong voorwaarts van het Vlaams Blok, de afstraffing van een paarse regering die een jaar eerder nog het volste vertrouwen had gekregen, de wederopstanding van de groene partij… Het zijn verschuivingen die moeilijk te linken zijn aan de inspiratieloze campagne waarin het déjà-vugevoel overheerste. Het ging in deze campagne veelal over federale thema’s, met federale boegbeelden, en waar iedereen vooral bezig was of de federale regering nog wel zou kunnen blijven doorwerken. Hopelijk is er in deze drukke tijden van regeringsvorming nog wat tijd om te bezinnen over hoe campagnes in de toekomst meer kunnen bijdragen aan het maatschappelijke debat en een goede werking van onze democratie.

Peter Van Aelst & Stefaan Walgrave
Onderzoeksgroep ‘Media, Middenveld en Politiek’ (M2P) - Universiteit Antwerpen

Noten
1/ Norris, P., J. Curtice, D. Sanders, M. Scamnell, H. A. Semetko, 1999, On Message. Communicating the Campaign, London: Sage Publications.
2/ Swyngedouw, M., J. Billiet, B. Goeminne, 2001, Het electoraal landschap bij de aanvang van de verkiezingscampagne 2004, Nota van het ISPO, KULeuven.
3/ Cijfers van vóór 1991, toen het ISPO met zijn systematische verkiezingsenquêtes begon, zijn minder betrouwbaar maar wijzen er toch op dat het aandeel ontrouwen substantieel lager lag. In 1987 bijvoorbeeld, stemde slechts 12% à 16% van de kiezers voor een andere partij dan in 1985. (Marc Swyngedouw, Jaak Billiet, Ann Carton, 1992, Van waar komen ze? Wie zijn ze? Stemgedrag en verschuivingen op 24 november 1991, ISPO-Bulletin 1992/3.)
4/ We pretenderen absoluut geen representativiteit, bepaalde groepen waren duidelijk ondervertegenwoordigd (ouderen, lagergeschoolden, en mensen met minder interesse in politiek). Ze zijn wel niet compleet afwezig in de studie. We deden grote inspanningen om alle soorten kiezers te bereiken, onder meer via banners en links op sites van radiostations, voetbalploegen, seniorenverenigingen, en vrouwenorganisaties. Er werden ook strooibrieven met vraag om medewerking uitgedeeld op de meest diverse plaatsen. We willen de studenten die deelnamen aan het seminarie Media en Politiek (2004) uitdrukkelijk danken voor hun inspanningen op dit vlak.

verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 19 tot 21