Log in

Grijs of zilver? Een wereld van verschil

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 7 (september), pagina 15 tot 21

Mensen leven langer dankzij verbeterde werkomstandigheden, betere scholing, hogere inkomens, wetenschappelijke vooruitgang, betere gezondheidszorg, betere sociale bescherming, … Deze evolutie is een uniek succesverhaal in de menselijke geschiedenis. In plaats van een probleem, vormt de vergrijzing in de eerste plaats een uitdaging. In deze bijdrage gaan we op zoek naar een stand van zaken van deze uitdaging en proberen we enkele aanzetten te geven die ons een stap dichter brengen bij een verzilvering van de vergrijzing.

Dat de samenleving vergrijst, is nu wel zowat overal geweten. Toch kan een opfrissing van de bevolkingsvooruitzichten ter inleiding geen kwaad. Tussen 2000 en 2010 stijgt het aantal 65-plussers met ongeveer 100 000 tot 1,8 miljoen. Tussen 2010 en 2050 doen we er nog eens een dik miljoen bij om uit te komen bij 2,9 miljoen. Dit betekent dat 65-plussers in 2000 16,8% van de bevolking vertegenwoordigden, in 2010 17,6%, in 2020 al 20,6%, in 2030 24,3% en in 2050 zelfs 26,5%. In de tabel zien we duidelijk dat op die manier het aantal 65-plussers zowel in absolute als in relatieve cijfers groter wordt dan het aantal min-20-jarigen en dit ergens tussen 2020 en 2030.

Er is overigens ook sprake van een dubbele vergrijzing. Terwijl de totale groep 65-plussers over vijftig jaar tijd met 68% stijgt, stijgt het aantal 80-plussers in diezelfde periode met 300% of dus een verdrievoudiging, in absolute cijfers een stijging van 376.786 naar 1.134.667. De evolutie van de 90-plussers (maal 4,5) is nog frappanter en het aantal 100-plussers vermenigvuldigt zelfs met 8,6.

Deze evolutie is een uniek succesverhaal in de menselijke geschiedenis. Het is dan ook stuitend iedereen te horen spreken over een ‘vergrijzingsprobleem’. De vergrijzing een probleem noemen, is vooral beledigend voor de ouderen van nu en die van straks. In plaats van een probleem, vormt de vergrijzing in de eerste plaats een uitdaging. De voorstellen, discussies en debatten over de vergrijzing betreffen echter meestal de financiële uitdaging. Uiteraard is het zo dat we onze sociale zekerheid, arbeidsmarkt, economie, gezondheidszorg, zorg, … zo zullen moeten organiseren, dat we de grote groep senioren een fijne en zorgeloze oude dag kunnen bezorgen. Maar als we het succesverhaal dat de vergrijzing is, écht willen verzilveren dan moeten we ook dringend werk maken van een andere uitdaging, namelijk: hoe creëren we een samenleving waar die ouderen zich ook thuis voelen, een maatschappij die zich in alle facetten van het samenleven heeft aangepast aan het feit dat de 65-plussers goed zijn voor 1/5 en later zelfs voor meer dan 1/4 van de bevolking, aangepast aan het historische gegeven dat we nog nooit met zoveel tegelijk zo oud worden?

De juiste mentaliteit

Is onze samenleving voldoende aangepast aan het feit dat we straks met zoveel ouderen zullen zijn en krijgen die ouderen hun plaats in de samenleving?
De krantenkop van 20 augustus in De Morgen blinkt alvast uit in duidelijkheid: ‘Oud voelt zich vaak out.’ Uit een behoefteonderzoek bij Brugse senioren (waar we verder nog op terugkomen) blijkt namelijk dat de maatschappij verre van klaar is voor de vergrijzing. Enkele treffende voorbeelden kunnen misschien het best de situatie schetsen. Slechts één op de vijf senioren woont in een volledig aangepaste woning. 60% van de ouderen is niet te spreken over de kwaliteit van de voetpaden. 40% van de Bruggelingen ouder dan 60 jaar komt ’s avonds nooit op straat. Meer dan één vijfde van de senioren zegt weinig kennissen, vrienden en familie te hebben.
We kunnen ons dus afvragen of we momenteel in een samenleving leven die plaats maakt voor haar ouderen, die hen naar waarde schat, … Alleen al het feit dat we over de vergrijzing als een probleem spreken, is al niet echt bemoedigend voor de ouderen. Je zegt dan eigenlijk net niet dat die ouderen zelf een probleem zijn.
Op de arbeidsmarkt vinden we het een grote schande als iemand wordt ontslagen omdat hij homo of migrant is, maar dat iemand ontslagen wordt omwille van zijn leeftijd (en die mensen zijn dan soms nog geen 50!), dat vinden we dan weer wel normaal. Wat die mensen soms niet allemaal moeten horen: ze kunnen niet meer mee, ze zijn te oud, te duur, ze werken te traag, ze passen zich niet meer aan, het gaat te snel voor hen, … De term leeftijdsdiscriminatie is soms echt op zijn plaats als het gaat over de manier waarop we omgaan op de arbeidsmarkt met de grote ervaring van oudere werknemers. In België geniet bijvoorbeeld ook maar 6% van de 55-plussers van een opleiding. Te bedenken dat dit in Zweden 30% is …
Maar het gaat verder dan de arbeidsmarkt. Waarom waren bij de verkiezingen van 13 juni bijvoorbeeld maar 7,7% van de kandidaten 60-plussers terwijl hun aandeel in de bevolking op dit ogenblik 22% bedraagt? Van de 194 verkiesbare plaatsen waren er overigens maar 6,2% voorbehouden voor 60-plussers. Van de uiteindelijke gekozenen zijn 7,1% 60-plussers.

Een ander signaal was het manifest van Jaak Gabriëls en verwante zielen van 3 maart 2004 waarin ze hun beklag deden over het feit dat vijftigplussers botweg worden opzij geschoven voor de nietsontziende verjonging en opriepen om er iets aan te doen. Volgende citaten uit dat manifest zijn sprekend: ‘Er moet onmiddellijk een einde komen aan de uitstoot van vijftigplussers in onze maatschappij. Zoals de Europese Unie stelt, vormen de 50-plussers een reserve van mogelijkheden (potentieel) die niet voldoende wordt onderkend en sterk onderbenut blijft. Ondergetekenden doen een oproep aan, en eisen van de beleidsverantwoordelijken en al de andere betrokken maatschappelijke actoren om onmiddellijk een einde te stellen aan de uitstoot van vijftigplussers in onze maatschappij en alles in het werk te stellen om binnen hun eigen verantwoordelijkheidssfeer de mogelijkheden te creëren om deze mensen, als zij dit zelf wensen, actief te houden tot aan hun pensioengerechtigde leeftijd.’
Mijns inziens moeten we bij een evaluatie van de mentaliteit tegenover ouderen in Vlaanderen wel een onderscheid maken tussen ouderen uit de nabije omgeving en ouderen in het algemeen. Mijn aanvoelen is namelijk dat we toch een stuk positiever staan tegenover ouderen in de nabije omgeving dan tegenover ouderen in het algemeen. Het is misschien een gevaarlijke vergelijking, maar misschien ook net daarom nodig om ze te maken: het Nigeriaanse vriendje van mijn zoontje vind ik leuk, maar ‘de negers’ zijn wel criminelen en pakken ons werk, onze sociale woning of onze uitkering af. Mijn opa vind ik heel boeiend en interessant en ik heb al veel van hem geleerd, maar ‘de ouderen’ vertrekken beter op brugpensioen om plaats te maken voor de jongeren. Een nog veel hardere en zelfs cynische vergelijking is natuurlijk de uitdrukking ‘we zijn al even verdraagzaam tegenover de ouderen als tegenover de migranten, de enen steken we weg in asielcentra en de anderen in rusthuizen.’
Dit onderscheid leidt ons wel tot het besluit dat een generatieconflict weinig waarschijnlijk is. In 2002 deed Mark Elchardus een onderzoek naar het draagvlak van de solidariteit in Vlaanderen. Het was opvallend dat ook een overgrote meerderheid van de jongeren (18-25 jarigen) voorstander bleek te zijn van een verhoging van de pensioenen. Dit hoeft eigenlijk ook niet te verwonderen. De nabijheid is immers het sterkste wapen van de intergenerationele solidariteit en dit op twee manieren. Ten eerste heeft iedereen wel ouders, grootouders of vrienden die de pensioenleeftijd naderen of reeds overschreden hebben. Een tweede en misschien zelfs belangrijker reden is het gegeven dat we straks allemaal wel eens aan de beurt komen, wat kan leiden tot de houding ‘behandel ouderen niet zoals je later zelf niet wil behandeld worden.’ Het feit dat we straks allemaal wel eens aan de beurt komen en dat we zelf niet verantwoordelijk zijn voor onze ouderdom, zal ook de verklaring zijn voor de vaststelling in hetzelfde onderzoek dat de solidariteit met gepensioneerden veel hoger was als die met werklozen bijvoorbeeld. Werkloosheid wordt namelijk veel meer beschouwd als een indicatie van persoonlijk falen. Dit past overigens ook in de these van de nieuwe sociale kwestie waarbij men uitgaat van een aanzienlijke bereidheid tot solidariteit met mensen die ziek of oud zijn en dus omwille van omstandigheden buiten hun wil behoeftig zijn, maar een veel mindere bereidheid tot solidariteit met mensen die ‘hun verantwoordelijkheid ontlopen.’
Kortom, qua mentaliteit kan het zeker nog een stuk beter, maar de bereidheid tot solidariteit en tot inspanningen maakt de kans op een generatieconflict wel klein. Voorwaarde is waarschijnlijk wel dat de jongere generatie niet volledig moet opdraaien voor de kosten van de vergrijzing. Dan zou wel het gevaar reëel zijn dat ze op een bepaald moment van oordeel zullen zijn dat het genoeg is geweest. Naast intergenerationele solidariteit is intragenerationele solidariteit dan ook minstens even belangrijk. De ongelijkheid binnen de groep van ouderen is namelijk zeer groot, zeker als men rekening houdt met vermogensinkomsten. Voorkomen dat de lasten van de vergrijzing exclusief door de werkende bevolking worden gedragen, resulteert natuurlijk wel in een beleid dat de lasten ten dele legt bij niet-meer actieven die daartoe de nodige draagkracht hebben.

Een politiek antwoord?

Het lijkt er dus sterk op dat we een tandje zullen moeten bijsteken, willen we kunnen zeggen dat we in een samenleving leven die openstaat voor zijn ouderen en hen waardeert, een samenleving die zich in al haar facetten heeft aangepast aan het feit dat zowat één op vier de pensioengerechtigde leeftijd heeft overschreden.
In dat opzicht is het dan ook zeer interessant om het kersverse regeerakkoord even van naderbij te bekijken om te zien of de Vlaamse regering van plan is om een poging te ondernemen een mentaliteitsverandering op gang te brengen.
Uiteraard vinden we in het regeerakkoord een behoorlijk stuk terug over de ouderen in het hoofdstuk zorg en wordt de link ook gelegd in de hoofdstukken werk en huisvesting en is het principe van basismobiliteit en de ondersteuning van buurtwinkels belangrijk voor ouderen. Als je echter het volledige regeerakkoord leest, dan heb je toch niet de indruk dat we hier te maken hebben met de laatste Vlaamse regering die de vergrijzing kan voorbereiden. Nochtans is dit wel zo. De legislatuur loopt namelijk af in 2009 en alle prognoses voorspellen ons dat de vergrijzing het sterkst voelbaar zal zijn in de periode 2010-2030.
Los van het Vlaams regeerakkoord, is het wel zo dat er reeds een wettelijk initiatief werd genomen in het Vlaams parlement om in samenwerking met de ouderen een actiever ouderenbeleid uit te stippelen. Het decreet ‘houdende de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen’ werd in plenaire vergadering goedgekeurd op 21 april 2004.

Een lokaal zilverplan

Dit decreet bestaat uit drie onderdelen. Een eerste betreft het Vlaamse niveau. Er wordt een coördinerend minister aangesteld voor het Vlaamse ouderenbeleid, de Vlaamse regering stelt binnen een jaar na haar aantreden een ouderenbeleidsplan op in overleg met de doelgroep en de Vlaamse regering rapporteert hierover aan het Vlaams parlement. Een tweede deel betreft de oprichting van een ouderenraad voor de Vlaamse Gemeenschap, naar analogie van de Vlaamse Jeugdraad. Een derde deel gaat over de ontwikkeling en stimulering van een lokaal ouderenbeleid. Over dit alles niets in het regeerakkoord.
Zeker het laatste punt, het lokale ouderenbeleid, is in het licht van de vergrijzing van groot belang. Als er één niveau is dat een cruciale rol kan spelen in de participatie van ouderen, in de creatie van concrete instrumenten om onze doelstelling te bereiken, nl. een samenleving waar de ouderen zich ook thuis voelen, dan is het wel het lokale niveau.

De gemeentes hebben het decreet echter niet afgewacht. Al 190 van de 308 Vlaamse gemeentes beschikken bijvoorbeeld over een ouderenadviesraad. Dit komt neer op 61%. Veel, maar eigenlijk ook nog veel te weinig. De aanwezigheid van een ouderenadviesraad zegt overigens nog niet veel over de participatie van de senioren in de gemeentes, laat staan over de vraag of er een beleidsplanning wordt opgesteld waarbij rekening wordt gehouden met de aankomende vergrijzing. Vandaar het belang van dit decreet. Het decreet kent gemeentes subsidies toe op basis van het aantal ouderen in die gemeente. (Bemerk dat men in het decreet een oudere definieert als iemand vanaf 60 jaar, terwijl de Van Dale deze term voorbehoudt voor mensen vanaf 65.) Daartoe moet men wel aan heel wat voorwaarden voldoen:
- tweemaal per legislatuur een lokaal ouderenbeleidsplan opstellen en laten goedkeuren in de gemeenteraad;
- een schepen aanwijzen die verantwoordelijk is voor het ouderenbeleid;
- een ouderenbeleidscoördinator aanduiden;
- bij de Vlaamse regering tweemaal per legislatuur een voortgangsrapport indienen;
- minimum 1 ouderenadviesraad hebben met een pluralistische afspiegeling van de lokale ouderenbevolking;
- de deelname van ouderen aan andere lokale adviesraden en de beheerraden van de ouderenvoorzieningen stimuleren;
- een afsprakennota opstellen en eenmaal per legislatuur laten goedkeuren in de gemeenteraad, waarin de inspraak- en participatieprocedures tussen het lokaal bestuur en de betrokken ouderen, instellingen en initiatieven en adviesraden worden vastgelegd;
- particuliere verenigingen en instellingen ondersteunen via subsidies voor een totaalbedrag van minstens 1 euro per oudere inwoner of door de gemeentelijke infrastructuur of andere instrumenten gratis ter beschikking te stellen voor een tegenwaarde van minstens 1 euro per oudere inwoner.

Een lokale meerjarenplanning mee opgesteld door de senioren zelf is inderdaad van uitermate groot belang. Een dergelijke meerjarenplanning mag niet alleen gaan over ouderenzorg (aanbod van thuiszorg, rusthuizen, serviceflats, …), maar over maatregelen en initiatieven op álle terreinen die ouderen aangaan en waarvoor de gemeente of een andere betrokken overheid bevoegd is. Voorts kan het over alle mogelijke problemen en zorgen van ouderen gaan: inkomen, zorg, wonen, mobiliteit, veiligheid, vereenzaming, participatie, vorming en educatie, …
Een actief ouderenbeleid houdt dus ook in, dat er op álle beleidsterreinen rekening wordt gehouden met ouderen, en niet enkel met de ouderen die in een probleemsituatie verkeren. Met andere woorden, er moeten niet alleen genoeg rust- en verzorgingstehuizen zijn, ook sportvoorzieningen, winkels, diensten en culturele voorzieningen moeten bereikbaar, toegankelijk en aantrekkelijk zijn voor ouderen.
Vaak gaat het om heel kleine zaken die voor de betrokkenen wel een wereld van verschil maken. Enkele voorbeelden: opstappen bij voetpaden verlagen, de controle van een huis op mogelijke valpartijen door het vastkleven van tapijten of door het plaatsen van een handvat in het bad of toilet, enz.
Naast de meerjarenplanning zelf is het al minstens even belangrijk dat zo’n lokaal zilverplan mee wordt opgesteld door de senioren. Dit kan uiteraard op verschillende manieren: de klassieke seniorenadviesraden, thematische werkgroepen, enquêtes, hoorzittingen, discussiefora op het internet, … Idealiter wordt niet alleen gepolst naar de mening van de senioren van nu, maar wordt ook al geluisterd naar zij die straks tot die groep behoren zodat ook al met hun wensen, verwachtingen en verzuchtingen kan worden rekening gehouden. Sint-Niklaas gaf op dit vlak het goede voorbeeld door de vergelijking te maken van de enquêteresultaten van de ouderen en die van de hele bevolking.
Een stimulerend beleid van de Vlaamse overheid is dus met andere woorden nuttig en noodzakelijk. Vraag is wel of het decreet zoals het nu is goedgekeurd voldoende is. Daar kunnen we toch wel onze twijfels bij hebben en net daarom is het jammer dat het regeerakkoord niet verwijst naar dat decreet.
Ten eerste is het zo dat de beloofde subsidies afhangen van de ‘beschikbare begrotingskredieten.’ Gemeentes zouden dus allerlei inspanningen moeten leveren in de hoop maar allesbehalve met de zekerheid dat ze er ook financieel zullen voor worden ondersteund of beloond. De nogal vage stimulans zou dus veel krachtiger kunnen zijn als de regering een vast bedrag zou kleven op de ondersteuning van de lokale inspanningen. De indienster van het decreet wou een ondersteuning voor de gemeentes naar rato van 1 euro per 60-plusser in die gemeente. Dit voorstel heeft het uiteindelijk niet gehaald. Het was misschien ook niet het beste voorstel, maar alvast wel concreter dan de ondersteuning afhankelijk te maken van de ‘beschikbare begrotingskredieten.’
Ten tweede zou je van een overheid die het echt meent met de stimulering van het lokale niveau in de voorbereiding van de vergrijzing ook inhoudelijke ondersteuning mogen verwachten. Naast de financiële en decretale ondersteuning en stimulans van de Vlaamse overheid, ligt er vast en zeker ook een taak weggelegd voor de Vlaamse regelgever inzake expertiseontwikkeling en -verspreiding. De Vlaamse seniorenraad die door het decreet werd opgericht kan hier de motor van zijn en de uitvoering kan bijvoorbeeld liggen bij een taskforce binnen de administratie. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot een draaiboek of stappenplan voor gemeentes die willen starten met een lokaal zilverplan, tot een lijst en uitwisseling van expertise, experimenten en best practices. Er zijn immers al talloze experimenten, informatie en knowhow voorhanden bij de gemeentes en de provincies.
In West-Vlaanderen heeft het WOAS, de West-Vlaamse Overleg- en Adviesraad van Senioren, een project opgestart om gemeentes te stimuleren een enquête uit te voeren bij de seniorenbevolking ter voorbereiding van een zilverplan. De bevraging is een ideale manier om de noden en de stand van zaken te leren kennen. De gemeentes krijgen bij de enquête ook een draaiboek en kunnen zo met vrijwilligers zelf de bevraging organiseren en de resultaten verwerken. Voor 2004 schreven al 11 gemeentes (Brugge, Wervik, Tielt, Houthulst, Kortemark, Koekelare, Zwevegem, Menen, Anzegem, Ieper en Veurne) zich in en ook voor 2005 zijn al 5 inschrijvingen binnen (Meulebeke, Diksmuide, Knokke-Heist, Koksijde en Staden). De enquête werd wetenschappelijk opgesteld door Dominique Verté, professor aan de VUB. De resultaten van het Brugse onderzoek kwamen hierboven reeds ter sprake.

De provincie Limburg heeft dan weer zelf een zeer gedetailleerd draaiboek opgesteld om haar gemeentes op weg te helpen bij het opstellen van een zilverplan.
De provincie Oost-Vlaanderen organiseert opleidingen voor seniorenconsulenten. Deze consulenten staan dan in hun gemeentes in voor de voorbereiding en de uitvoering van een geïntegreerd lokaal seniorenbeleid. Hij/zij is verantwoordelijk voor de feitelijke coördinatie en de inhoudelijke ondersteuning van de gemeentelijke seniorenraad. De lokale seniorenconsulent geeft informatie, advies en andere dienstverlening en moet zo de vertrouwensfiguur zijn voor de ouderen, de seniorenverenigingen, de rust- en verzorgingstehuizen. Binnen de provincies zelf (ook Antwerpen en Vlaams-Brabant uiteraard) hebben gemeentes reeds talloze initiatieven genomen.

Besluit

We moeten onze samenleving voorbereiden op de vergrijzing. Om dit succesverhaal te verzilveren, zullen we niet alleen de organisatie van onze arbeidsmarkt, economie, (gezondheids)zorg, sociale zekerheid moeten aanpassen opdat de welvaartsstaat betaalbaar blijft, maar tegelijk ook de volledige maatschappij aanpassen en voorbereiden op het gegeven dat straks 1 op 5 en later zelfs 1 op 4 onder ons ouder zal zijn dan 65 jaar.
De Vlaamse regeerperiode die net is van start gegaan is de laatste waarin die voorbereiding kan gebeuren, aangezien ze in 2009 ten einde loopt en de vergrijzingsgolf in 2010 losbarst. Daarnaast vallen er ook gemeenteraadsverkiezingen temidden van deze regeerperiode (in 2006). Beide gegevens zouden aanleiding moeten vormen voor de Vlaamse regering om het lokale niveau sterker dan nu te ondersteunen en stimuleren in een actief en inclusief ouderenbeleid. Het lokale niveau leent zich overigens uitstekend voor de opmaak van een meerjarenplanning in de vorm van lokale zilverplannen in samenspraak met de senioren zelf. De Vlaamse regering is dan weer uitstekend geplaatst om die lokale zilverplannen te ondersteunen. De meest voor de hand liggende ondersteuning is natuurlijk de financiële. Aan de andere kant kan de Vlaamse regering ook zijn steentje bijdragen door de nodige expertiseontwikkeling en -verspreiding. Een taskforce binnen de administratie kan misschien deze taak op zich nemen met het doel om de vele experimenten, knowhow en voorbeelden die er reeds voorhanden zijn in de Vlaamse gemeenten en steden in kaart te brengen en te verspreiden. Deze inhoudelijke ondersteuning is minstens even belangrijk als de financiële.

Kevin Brackx
Stafmedewerker sp.a-studiedienst

Bronnen
- Nationaal Instituut voor de Statistiek
- Het profiel van de kandidaten op de lijsten bij de Vlaamse, Europese en Brusselse verkiezingen van 13 juni 2004. Stefaan Fiers, Jo Noppe, Sam Depauw en Liselotte Libbrecht, 6 juni 2004
- Het profiel van de gekozenen bij de verkiezingen van 13 juni 2004. Sam Depauw, Liselotte Libbrecht, Jo Noppe en Stefaan Fiers, 16 juni 2004
- ‘Vijftigplussers zijn onmisbaar’, Jaak Gabriëls e.a., De Standaard, 3 maart 2004
- Het draagvlak van de solidariteit, Mark Elchardus, Anton Derks, Christine Tresignie, Michael Debusscher, vakgroep sociologie, onderzoeksgroep TOR, VUB, 2002
- Decreet houdende de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen, 21 april 2004
- Werken aan een ouderenbeleidsplan, provinciale dienst ouderen Limburg, 2001
- ‘Oud voelt zich vaak out. Studie onder Brugse senioren leert dat maatschappij niet klaar is voor verdere vergrijzing’, De Morgen, 20 augustus 2004

vergrijzing - sociale zekerheid - werkloosheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 7 (september), pagina 15 tot 21