Abonneer Log in

Geen reden tot paniek, wel dringende aanpassingswerken nodig

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 7

Denken voor de langere termijn

Hoe de wereldeconomie zal evolueren is niet zomaar te voorspellen. Maar dat de globalisering op onze eigen economie zal drukken is een feit. Hoe de bevolking zal evolueren weten we wel vrij goed. Tegen 2030 neemt de Belgische bevolking met 600.000 toe. En dat terwijl de bevolking op arbeidsleeftijd met 200.000 zal dalen. Deze cijfers spreken voor zichzelf. Ons sociale zekerheidssysteem komt in de problemen als we niet ingrijpen. Te weinig mensen ­zullen anders actief zijn en dus het geld bijeen verdienen om het apparaat te betalen. De kosten voor dat apparaat zullen trouwens onvermijdelijk stijgen naarmate de bevolking ouder wordt. Daarom moeten mensen langer aan het werk zijn. Dat is een doelstelling op middellange en lange termijn, inderdaad. En dan zegt u ongetwijfeld: ‘wat met de huidige werkloosheid?’ Vandaag mogen we echter niet alleen op de korte termijn redeneren, hoe ontzettend groot de problemen ook zijn. We moeten tegelijk de toekomst voorbereiden. Anders zou er wel eens werk kunnen zijn, maar geen mensen meer om dat werk te doen

Een goed draaiende economie, maar op mensenmaat

Alles begint met een goed draaiende economie. Ook al blijft de industrie cruciaal, het is meer en meer een diensteneconomie. En ook al zullen we altijd werk nodig hebben voor minder lang geschoolde mensen, het is ook meer en meer een kenniseconomie. Op opleiding en vorming mogen we niet zuinig zijn. De globalisering dwingt van de competitiviteit van de bedrijven een constante zorg te maken. We kunnen echter onze lonen niet op het niveau van China brengen, zelfs niet op dat van een aantal nieuwe Europese lidstaten. En hoewel een hoge productiviteit de loonkost kan compenseren, zijn ook daar grenzen aan. We kunnen de productiviteit niet zover opdrijven dat alleen nog supermensen mee kunnen. Er moet ook binnen de bedrijven zelf nog een zekere marge opengehouden worden, die toelaat om mensen die al dan niet tijdelijk wat minder sterk zijn een plaats te geven. We leggen terecht de nadruk op innovatie van producten en productieprocessen, maar we mogen niet terugschrikken om ook inzake arbeidsorganisatie en arbeidsmarkt te innoveren. Groei moet ook duurzaam zijn, willen we de toekomst van onze kinderen niet hypothekeren.

Werk: achterstand inhalen

Werkgelegenheid moet een topprioriteit zijn. De cijfers spreken voor zich. België heeft een aanzienlijke jobachterstand: op 100 personen op arbeidsleeftijd zijn er 60 aan het werk. Dat is 4 minder dan in de Europese Unie. Die achterstand wordt groter, vooral tegenover de Scandinavische landen. De achterstand is vooral groot bij (allochtone) jongeren, minder geschoolden en ouderen. Voor al deze groepen moeten bijkomende inspanningen gebeuren. Jongeren willen werken, maar ze moeten er de kans toe krijgen. Het onderwijs kan beter afgestemd worden op wat de bedrijven nodig hebben, maar de bedrijven moeten bereid zijn jongeren ook kansen te geven. Zij moeten aanvaarden dat zijzelf ook nog een rol moeten spelen in de voorbereiding op het werk. Het kan echt niet dat jongeren niet aan de bak komen omdat ze Mohammed heten of omdat ze een bruin velletje hebben.
De overheid alleen kan geen wonderen doen, ook de bedrijfswereld moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Zij moet vooral zorgen voor een bedrijfsvriendelijk klimaat. En zij moet werklozen zoveel mogelijk begeleiden naar een nieuwe baan. De overheid moet werklozen niet achtervolgen, zij moet hen bijstaan en hen een traject naar opleiding en werk aanbieden. Werk blijft immers essentieel: het geeft inkomen en bestaanszekerheid, maar het geeft ook zin aan het leven en zorgt voor een gezond sociaal netwerk.

De studies

In het bijzonder moeten we de werkgelegenheidsgraad van 55- tot 65-jarigen opkrikken. Tussen nu en 2010 stijgt precies die leeftijdsgroep heel sterk. Bovendien is de werkgelegenheidsgraad van 55-plussers de zwakste van de EU: in 2003 werkte nog nauwelijks 28%, tegenover 41,5% in de EU. Het rapport van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid, het jaarverslag van de studiecommissie voor de vergrijzing van de Hoge Raad voor Financiën, het rapport over vergrijzing van de kamercommissie voor sociale zaken hebben allemaal dezelfde conclusie: we hypothekeren de toekomst van onze welvaart, in het bijzonder van onze sociale zekerheid, als we er niet in slagen meer mensen langer aan het werk te houden. Want niet alleen de kosten van de vergrijzing, voor pensioenen en gezondheidszorgen lopen op, de overheid wil dat mensen het morgen nog beter hebben dan vandaag. Met een status-quo kan de overheid eenvoudigweg geen genoegen nemen. De Studiecommissie voor de Vergrijzing en de Hoge Raad voor Werkgelegenheid hebben scenario’s uitgewerkt waaruit blijkt dat dit tussen 2003 en 2030 leidt tot een budgettaire kost van 2,8 tot 3,4% van het BBP. Daarenboven dreigen er structurele tekorten aan arbeidskrachten. Dat klinkt vandaag wat vreemd, nu er nog zoveel werklozen en vooral werkloze jongeren zijn. De problemen met de knelpuntberoepen zijn echter een voorafspiegeling van hoe het steeds moeilijker dreigt te worden om geschikte arbeidskrachten te vinden. We moeten daar nu op vooruitzien en alle mogelijke inspanningen doen om mensen de goede opleiding te geven. Maar zowel werkgevers als werknemers moeten het ook als hun absolute plicht zien om de doelstelling te halen dat meer werknemers langer werken. Het moet hierbij duidelijk zijn dat het geen zaak is om de wettelijke pensioenleeftijd op te trekken, maar om de reële leeftijd waarop mensen uit het arbeidsproces verdwijnen te verhogen. Die ligt nu gemiddeld op 58 jaar. Die leeftijd is te laag, niet de pensioenleeftijd van 65. Het is dan wel niet zo dat iedereen op dezelfde leeftijd moet stoppen. De duur van een loopbaan moet mee bepaald worden door het moment waarop men met werken begonnen is en door de zwaarte van de arbeid die men verricht heeft.

Ontspannen loopbaan

Het doel kan enkel bereikt worden, als de loopbaan meer ontspannen wordt. Vandaag begint een werknemer steeds later te werken, werkt dan een periode heel intensief en treedt daarna bij voorkeur zo vroeg mogelijk uit het arbeidsproces. Een loopbaan is veel te veel samengedrukt in een korte periode. Ze moet meer ontspannen worden. Jobzekerheid blijft heel belangrijk, maar we moeten die meer over een hele loopbaan durven zien en het eerder hebben over loopbaanzekerheid. Tijdelijke uitstap of tijdelijke vermindering van prestaties moeten gemakkelijker kunnen. Stress heeft dikwijls niet alleen te maken met het werk, maar ook met de combinatie van arbeid en gezinsleven. Willen we dat mensen op hun vijftigste niet opgebrand zijn, dan zullen we moeten zorgen voor een harmonieuzere verhouding tussen werk en vrije tijd. Het moet ook heel normaal zijn dat werknemers zich herbronnen. Wanneer ze daarna terug aan de slag gaan, zullen ze dat met des te meer enthousiasme en inzet doen. Vooral in kleinere bedrijven levert dat vaak organisatorische moeilijkheden op, misschien moeten we voor deze nieuwe formules uitdenken. En meer welzijn op het werk in het algemeen zal werknemers zeker stimuleren om langer aan de slag te blijven. Veiligheid en gezondheid moeten vooraan op de agenda staan.

Vervroegde uittreding: niet voor iedereen

Brugpensioen is in de jaren 70 ingevoerd als een systeem om jongeren aan werk te helpen. Laten we vooral de mensen die ervan genoten niet met schuldgevoelens opzadelen. Vaak hadden ze geen keuze. En vaak hadden zij inderdaad echt de bedoeling om plaats te maken voor de jeugd.
Ondertussen is brugpensioen een verworven recht geworden, althans in het hoofd van velen. Werknemers vinden het heel gewoon om vervroegd met werken te kunnen stoppen. Het spreekt vanzelf dat werknemers die er vandaag van genieten niet hoeven te vrezen dat aan hun overeenkomst geraakt wordt. Ook in de toekomst moet het mogelijk blijven om vervroegd op pensioen te gaan. Zo zal dat bij herstructurering noodzakelijk blijven. Alleen moeten bedrijven die willen beroep doen op vroege brugpensioen, aantonen dat ze in het verleden voldoende in vorming hebben geïnvesteerd. Het kan ook niet langer dat bedrijven hun oudere werknemers samenbrengen in afzonderlijke bedrijfseenheden om zo gemakkelijker aan het vereiste percentage voor collectief ontslag te komen. Of dat bedrijven die inspanningen geleverd hebben voor arbeidsduurvermindering net moeilijker aan dat percentage komen. Laat het duidelijk zijn: ook de overheid draagt verantwoordelijkheid. Zij heeft regels uitgezet die werken te veel belast en niet werken ontlast. Het is dus tijd om die regels aan te passen aan de maatschappelijke realiteit en noden. We moeten vooral komaf maken met de mentaliteit of de cultuur dat vervroegde uittreding een evidentie is. Zo mag brugpensioen zelfs bij herstructureringen niet de eerste optie zijn. Werkgevers en werknemers moeten eerst alle mogelijke alternatieven uitgezocht hebben, vooraleer naar extra vervroegde (brug)pensionering te grijpen. Tewerkstellingscellen moeten georiënteerd worden naar het opnieuw verwerven van werk, niet op het voorbereiden van het pensioen. We moeten een brug slaan naar werk, niet naar pensioen. Kwaliteitsvolle formules van outplacement moeten daarin een hoofdrol spelen. Iedereen, niet enkel 45-plussers, moeten recht krijgen op betere kansen voor een nieuwe job. Op kansen geven, staat immers geen leeftijd. Het spreekt dan wel voor zich dat de werknemer deze kans grijpt. Doet hij dat niet, dan moet hij daarvan een tijdelijke weerslag voelen in de werkloosheidsuitkering. Werk zoeken doen we immers samen: de overheid, de werkgever en ook de werknemer.

Een zaak moet duidelijk zijn: er kan geen sprake van zijn de leeftijdsgrenzen voor brugpensioen op te trekken. Wel moeten de toegangsvoorwaarden voor het gewone brugpensioen geleidelijk aan strenger worden, om het stelsel te kunnen differentiëren naargelang het verrichte werk en naargelang de lengte van de loopbaan. Canada Dry-systemen, die een opleg geven bij werkloosheidsuitkeringen, mogen de optie om meer mensen langer aan het werk te houden niet tegenwerken. Dat perverse systeem van Canada Dry moet in de eerste plaats aangepakt worden. Teveel mensen die te jong zijn voor brugpensioen krijgen een toeslag bovenop hun werkloosheidsuitkering of zelfs tijdskrediet. Die toeslag wordt behouden zolang ze werkloos blijven. Voor bedrijven is het een gemakkelijke uitweg want zij betalen geen bijdragen op die toeslag. Voor de werknemers is die extra toeslag niet echt een motivatie om terug aan de slag te gaan. Bedrijven betalen mensen extra om niet opnieuw te gaan werken en de overheid laat dit zomaar toe. Dit is de wereld op zijn kop. Er is maar een conclusie mogelijk: dit systeem moet zo vlug mogelijk uit de wereld geholpen worden. Voortaan moet de werkloze die vergoeding, in een rugzakje, kunnen meenemen naar een volgende job.

Meer inspanningen voor opleiding

Werkgevers investeren sowieso te weinig in opleiding en vorming. Hoe dikwijls is de vergelijking met het buitenland al niet gemaakt? Er is hoger gewezen op de noodzaak om meer inspanningen voor jongeren te doen. Bedrijven moeten ook oudere werknemers stimuleren om opleiding te volgen. Dat is misschien ook voor die groep niet altijd vanzelfsprekend. Zijn ze immers niet ervaren en weten ze niet alles? En toch is het ook voor hen nodig. De personen die niet lang naar school gingen, zijn geconcentreerd bij de oudere werknemers. Formele opleiding is echter niet alles. Daarom moeten we komen tot een systeem dat verworven competenties registreert en valoriseert. Maar zelfs dan evolueert de kennis zo vlug dat niemand nog meekan, zonder zich voortdurend bij te spijkeren. Maar het is toch ook wel normaal dat de manier waarop jongeren kennis verwerven niet noodzakelijk ook voor oudere werknemers geschikt is. In elk geval doen de Scandinavische landen beduidend meer inspanningen voor de opleiding van oudere werknemers: in Zweden neemt 30% van de 55- tot 64-jarigen deel aan een opleiding! Dat is ook een zeer hoog percentage ten opzichte van de andere Scandinavische landen, maar het aandeel schommelt toch tussen de 10 en 16%, terwijl men zich in België beperkt tot 6%. Het is dan ook niet verwonderlijk dat niet de mobiliteit, maar ook de werkgelegenheidsgraad in dat land, aanzienlijk hoger is dan hier.

Denken voor de langere termijn

Er is helemaal geen reden tot paniek. De welvaartsstaat staat niet onmiddellijk op instorten. Maar niemand mag ontkennen dat het meer dan tijd wordt om voorzorgen te nemen. Wie uitvluchten zoekt laadt vandaag een heel zware verantwoordelijkheid op zich. Het is normaal dat vakbonden vechten voor verworven rechten, maar die gezonde conservatieve reflex mag geen voorwendsel worden om noodzakelijke ingrepen op de Griekse kalender te plaatsen. Het is normaal dat werkgeversorganisaties proberen de lasten zo veel mogelijk van zich af te schuiven. Ze zijn verwikkeld in een bikkelharde strijd om het voortbestaan van hun bedrijven. Maar die bedrijven zullen op termijn ook alleen maar overleven in een gezond maatschappelijk kader. En een samenleving kan pas echt gezond zijn als iedereen telt en iedereen meekan.

Freya Van den Bossche
Minister van Werk en Consumentenzaken

vergrijzing - tewerkstelling - sociale bescherming

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 7