Log in

'Bruggen over woelig water. Is het mogelijk om uit de generatie-armoede te geraken?'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 54 tot 56

Bruggen over woelig water. Is het mogelijk om uit de generatie-armoede te geraken?

Rebecca Thys, Wies De Raedemaecker, Jan Vranken
Acco, Leuven / Voorburg, 2004

Het onderzoek werd verricht in het kader van OASeS, de onderzoeksgroep Armoede, Sociale Uitsluiting en Stad van de Universiteit Antwerpen.

Bruggen over woelig water vertelt het verhaal van een biografisch onderzoek naar de opwaartse sociale mobiliteit van de chronisch armen in Vlaanderen. Van generatiearmen verwacht men immers niet zo gauw dat ze aan de armoede ontsnappen, en het is daarom zeer verdienstelijk dat een dergelijk onderzoek werd gevoerd om na te gaan wie wel en wie er niet in slaagt, en waarom dat zo is. Zeker, het is een ‘wervend thema’, zoals de onderzoekers zelf stellen, en we moeten hopen dat dit even zo blijft, want deze eerste resultaten zijn meer dan interessant.

In een eerste hoofdstuk wordt uitgelegd hoe moeilijk een dergelijk onderzoek is, omdat je niet met vastliggende concepten kunt beginnen, zelfs niet voor het samenstellen van de onderzoeksgroep. De sociale realiteit die de respondenten beleven valt nooit terug te brengen tot één uniforme opvoedingssituatie en het zijn de verhalen van de armen zelf die vorm geven aan de concepten. Doordat mensen die uit de armoede komen vaak breken met hun familie en oude netwerken, zou het databestand volkomen worden scheef getrokken indien men enkel zou werken met families van ‘geslaagden’ en ‘mislukten’ die het goed met elkaar kunnen vinden. Er werd uiteindelijk gekozen voor 30 respondenten, 14 mannen en 16 vrouwen, waarvan de meesten laaggeschoold. Elf van hen hebben geen financiële problemen, 8 hebben zware problemen en de anderen zitten er ergens midden in.

Er werd aan de respondenten zelf gevraagd om te definiëren wat ‘vooruitgaan in het leven’ voor hen betekent. Deze definities zijn erg verscheiden, en opvallend is dat onderwijs en werk niet centraal staan erin. Enkel wie een positieve onderwijservaring heeft beleefd, zoals diegenen die een opleiding als ervaringsdeskundige volgen, staan er positief tegenover. Wel wordt veel meer naar inkomen en relaties verwezen, en naar werk in functie van het inkomen. Duidelijk uit deze antwoorden wordt dat vooral de hoger geschoolden verwijzen naar levenskwaliteit, zelfontplooiing en wilskracht, terwijl diegenen die lager op de maatschappelijke ladder staan eerst inkomen vermelden. Dat inkomen kan echter niet als een materialistisch verlangen beschouwd worden, maar dient om ‘iets te zijn’ of ‘iets te doen’. Het materiële en het emotionele kunnen nooit van elkaar gescheiden worden en staan altijd met elkaar in wisselwerking.

In een volgende stap van het onderzoek probeert men de levensgebeurtenissen te achterhalen die er kunnen toe leiden dat mensen al dan niet uit de armoede komen. Men onderzoekt de negatieve en de positieve breukmomenten en stelt vast dat een instrumentele, feitelijke vooruitgang altijd expressief of emotioneel moet ondersteund worden. Iemand die kan studeren, zal daar pas ook echt gebruik kunnen van maken wanneer hij of zij vrienden maakt in de studie-omgeving. Sterke impulsmomenten hangen dus samen met de al dan niet aanwezige wisselwerking tussen de verschillende componenten van sociale mobiliteit.
In een derde fase tenslotte kunnen de eigenlijke vragen van het onderzoek beantwoord worden. De respondenten vallen uiteen in vier verschillende groepen. Een eerste groep scoort goed op inkomen, is niet laaggeschoold en is beroepsactief. Deze mensen hebben via hun studies of via een partner aansluiting gevonden met een hogere sociale klasse. Hiervoor moet echter een sociale prijs worden betaald in de vorm van een breuk met de oude omgeving. De mythe van de self made man wordt doorprikt. In de tweede groep vindt men diegenen die financieel geen problemen hebben, maar wel laaggeschoold blijven en een lage beroepspositie innemen. Hier speelt vooral de partnerkeuze een rol, hoewel dit enkel een bescherming tegen terugval betekent wanneer er ook emotioneel welzijn mee gepaard gaat. In de derde groep vinden we diegenen terug die nog wél financiële problemen hebben, maar toch ‘vooruitgaan’ in termen van opleiding en beroepssituatie. Zij bevinden zich in een mobiliteitsproces en men stelt vast dat het moeilijker wordt om van netwerk te veranderen naarmate men ouder wordt.
In een vierde groep tenslotte zitten de laaggeschoolde werklozen met financiële problemen. Zij hebben een minder goed tot slecht zelfbeeld en men moet vaststellen dat noch een instrumentele noch een emotionele vooruitgang apart voor hen voldoende kan zijn.

Ik wil uit dit verhaal twee conclusies trekken.
De eerste heeft te maken met het beleid en wordt in het boek zelf al hier en daar naar voren gebracht. Indien men armen kansen wil geven, dan moeten die armen de kansen ook kunnen herkennen. Met onderwijs en werk is dit duidelijk niet het geval. Onderwijs is geen solide brug over de kloof tussen arm en niet-arm, hooguit een touwladder waar men altijd af kan vallen. Kansarme jongeren missen doorgaans de emotioneel ondersteunende contacten om de kansen die zich voordoen ook te kunnen grijpen. Beleid dat daar geen rekening mee houdt, kan nooit slagen. Dit is geen makkelijke opdracht, want de overheid c.q. hulpverlening kunnen moeilijk instaan voor de emotionele ondersteuning. Er wordt in het boek erg positief gedaan over de opleiding tot ervaringsdeskundige. Dit is duidelijk een combinatie van persoonlijke en maatschappelijke emancipatie, het is een therapie waarbij de emotionele ondersteuning niet aan het persoonlijke netwerk wordt overgelaten. Het systeem lijkt vrij goed te functioneren, hoewel natuurlijk niet alle armen tot ervaringsdeskundige kunnen opgeleid worden. Ietwat bevreemdend is dat de concrete levensverhalen van de armen niet aangeven dat de verenigingen ‘waar armen het woord voeren’ als een positief breukpunt worden beschouwd. Hier zal dus inderdaad nog meer onderzoek moeten naar gebeuren om te zien wat hun rol in het beleid kan zijn.

Mijn tweede conclusie heeft te maken met de armoededefinities. Dit boek geeft op een heldere manier de vele wisselwerkingen weer tussen materiële en niet-materiële dimensies van armoede. Het toont aan dat enkel arbeid niet noodzakelijk een uitweg uit armoede is en dat zelfs de keuze van een niet-arme partner niet noodzakelijk tot emotioneel geluk leidt. Armoede wordt gedefinieerd als multi-aspectueel, het is een netwerk van sociale uitsluitingen en, hoe chronischer de armoede, hoe multi-aspectueler. Dit onderzoek toont duidelijk aan dat er heel wat verschillende dimensies vastzitten aan armoede en dat op veel verschillende terreinen moet worden gewerkt om uit die armoede te geraken. En toch is dit minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Dit onderzoek toont ook aan dat hoe armer men is, hoe prominenter aanwezig de vraag naar een inkomen is. Dat inkomen is uiteraard geen doel op zich, het dient om schulden af te betalen, om met vrienden te kunnen gaan stappen, om cadeautjes voor de kinderen te kopen. Maar betekent die wisselwerking tussen materiële en emotionele aspecten ook dat die laatste mee in de definitie moeten zitten? Zouden veel van die emotionele aspecten niet als sneeuw voor de zon verdwijnen met het verstrekken van een voldoende hoog inkomen? En de problemen die niet verdwijnen, komen die niet in dezelfde mate voor bij niet-armen? Het gebrek aan zelfwaarde en zelfrespect bijvoorbeeld, is helemaal geen monopolie van de armen. En noemen we een laaggeschoolde werkloze die comfortabel leeft met een niet-arme partner ook arm? Kortom, er kunnen heel wat vragen gesteld worden bij de nieuwste trend om armoede ‘multi-aspectueel’ te noemen. Dit is wellicht één van de zeldzame wetenschappelijk bestudeerde fenomenen waarbij de oorzaken en de gevolgen mee in de definitie van het fenomeen worden opgenomen. Zeker, het beleid voor de bestrijding van armoede kan multi-aspectueel zijn, maar het zou kunnen beginnen met het verstrekken van een inkomen. Voor de oplossing van psychologische, emotionele en andere problemen van mensen met een voldoende inkomen zijn er heel wat mechanismen aanwezig in onze samenleving, en het lijkt me niet noodzakelijk speciale armenmechanismen uit te werken.

We weten dat armoede een dubbele realiteit is. Het is het objectief gebrek aan middelen van sommige mensen om in hun levensonderhoud te voorzien. Daarnaast is armoede ook altijd een sociale constructie, een concept dat door niet-arme mensen wordt opgebouwd, niet-arme mensen die er geen belang bij hebben om armen een inkomen te geven. Het is geen toeval dat armoede door het grote publiek meestal wordt gezien als een ‘inkomenstekort’. Dit inkomenstekort is het enige specifieke kenmerk van arme mensen, alle andere dimensies die met armoede in verband worden gebracht komen net zo goed voor bij niet-arme mensen.
De onderzoekers besluiten hun werk met de stelling dat inzichten een belangrijke voorwaarde zijn om de eigen situatie te veranderen. Beslist, voor arm en niet-arm. Gelukkig stellen ze ook voor om biografisch onderzoek te gaan doen naar sociale mobiliteitsprocessen in andere sociale bevolkingslagen. We moeten hopen dat dit een even ‘wervend’ thema is om financiering te krijgen, en dat daar net zoals bij de armen zal worden vastgesteld hoe belangrijk netwerken en sociaal kapitaal wel zijn, en hoe emotionele en materiële dimensies elkaar doorkruisen. Vandaag de dag wordt het inkomen immers maar al te makkelijk terzijde geschoven. ‘Kansen’ worden belangrijker, armoede wordt discriminatie, het inkomen wordt een individuele verantwoordelijkheid. In Vlaanderen zijn we gelukkig nog lang niet zo ver, maar het is beter toch voorzichtig te zijn met goedbedoelde, trendy definities.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 54 tot 56