Abonneer Log in

VS-verkiezingen 2004: het risico op een Republikeinse vergaloppering

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 39 tot 49

Een lichtpunt in de transatlantische duisternis?

De Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2 november liggen al enkele weken achter ons, maar de vraag waarmee velen worstelen blijft wat de impact ervan zal zijn op het beleid dat George W. Bush - nu hij herkozen is - de volgende vier jaar zal voeren. Het antwoord daarop is niet eenvoudig. Toch kunnen een reeks aanwijzingen daartoe gevonden worden, zowel in de uitslag van de verkiezingen voor president en Congres, in de wijze waarop president en Congres met elkaar omgaan als in de wijze waarop presidenten in het verleden met hun tweede ambtstermijn zijn omgegaan. Ook vormen een aantal ontwikkelingen sinds 2 november een mogelijke aanwijzing. Dit artikel neemt deze elementen dan ook in rekening in de zoektocht naar het antwoord op de vraag wat we van Bush en de Republikeinen de komende vier jaar kunnen verwachten. De stelling daarbij is dat de kans op Republikeinse conservatieve overmoed reëel is en daarmee ook de kans op een mogelijke electorale terugslag in 2006 of 2008. Voor de meer dan 70% van de Europeanen die Bush liever definitief uit het Witte Huis hadden zien vertrekken, kan dit misschien een magere troost vormen.

Vanwaar de uitslag van 2 november?

Hoe kan men de uitslag van de verkiezingen van 2 november 2004 verklaren? Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig omdat er momenteel nog geen gedegen wetenschappelijk materiaal over deze verkiezingen beschikbaar is. Toch zijn er enkele belangrijke indicaties. De uitslag lijkt immers grotendeels vanuit twee perspectieven verklaard te kunnen worden: een opkomstperspectief en een inhoudelijk perspectief.
Het opkomstperspectief verwijst naar de invloed die de opkomst op het resultaat gehad heeft. Nu is genoegzaam geweten dat de opkomst bij verkiezingen in de VS aanzienlijk lager ligt dan deze in Europese landen zonder stemplicht. Zo bedroeg deze in 2000 ruim 51% van het aantal stemgerechtigde kiezers. In 1996 ging het zelfs om 49%. Verschillende verklaringen worden daarvoor aangereikt. Zo vinden de verkiezingen op een werkdag plaats (de dinsdag na de eerste maandag van november). In tweede instantie speelt de verkiezing via het Kiescollege een belangrijke rol. Omdat een belangrijke deel van de staten hetzij overtuigend Republikeins, hetzij overtuigd Democratisch stemt en de kiezers dat weten, getroosten de kiezers die voor de minderheidspartij zouden stemmen zich geen moeite meer om zich - op een werkdag nota bene - naar de stembus te begeven. Alleen de meest militante onder hen doen dit nog wel. Last but not least is er het inkomenseffect. De lagere inkomensgroepen participeren minder dan de hogere. In de leeftijdsgroepen duikt een analoog patroon op: de jongere leeftijdsgroepen participeren minder dan de oudere. Beide fenomenen spelen vooral in het nadeel van de Democraten.
Omwille van die opkomstproblemen wordt bij Amerikaanse verkiezingen (niet alleen voor de president overigens) een dubbele campagne gevoerd. Aan de ene kant is er de campagne ten gunste van de kandidaten. Daarnaast is er evenwel een campagne ten gunste van de opkomst. Deze start reeds bij de kiezersregistratie omdat de opkomst bij de geregistreerde kiezers traditioneel vrij hoog is (ongeveer 80%). Cruciaal is daarna dat deze geregistreerde kiezers ook effectief gaan stemmen. Dat proberen de partijen te bereiken door op de verkiezingsdag grote groepen vrijwilligers in te zetten die dan van deur tot deur de mensen proberen te overtuigen aan de verkiezingen deel te nemen en hen daartoe zelfs eventueel naar de stembus brengen. Ook wordt in eventuele kinderopvang voorzien.
De opkomst is in electorale termen niet neutraal. Traditioneel wordt aangenomen dat een hogere opkomst vooral in het voordeel van de Democraten speelt. Dat is het gevolg van de traditioneel lagere opkomst bij groepen die meer geneigd zijn op deze partij te stemmen (zoals de lagere inkomensgroepen). Maar dit veronderstelde gunstige effect van de opkomst op de kansen van Democratische kandidaten is geen ijzeren wet. Het hangt er met name vanaf welke groepen er precies via die get-out-the-vote-campagnes bereikt worden. Voor de verkiezingen van 2004 speelde daarnaast nog eens mee dat men tevens de opkomst probeerde te verhogen door in early voting te voorzien. In drieëntwintig staten was dit het geval. Als men het gemak in rekening brengt waarmee men dit jaar via de post kon stemmen - de zogenaamde absentee ballots - dan ging het om eenendertig staten die de facto in vervroegd stemmen voorzagen. De verhoogde opkomst als gevolg daarvan kon zeker niet altijd als een voordeel van de Democraten gezien worden. Gezien het vervroegd stemmen vooral een voordeel voor de werkende Amerikanen was, kan men zelfs veronderstellen dat de verhoogde opkomst als gevolg daarvan misschien wel eerder in het voordeel van de Republikeinen dan van de Democraten uitdraaide.
Bijzonder belangrijk als het over de opkomst gaat, is de conclusie die de Republikeinen uit de verkiezingen van 2000 getrokken hadden. Karl Rove - de politieke strateeg achter Bush - had immers vastgesteld dat in 2000 ruim 4 miljoen conservatieve Evangelische christenen niet aan de verkiezingen hadden deelgenomen. Voor deze groep was het alleszins plausibel te stellen dat ze nagenoeg allen voor Bush zouden gestemd hebben mochten ze wél deelgenomen hebben en met het nipte resultaat van 2000 kon dat tellen. De conclusie van Rove was dan ook duidelijk. In 2004 moesten deze vier miljoen in de stemhokjes gekregen worden. Moeite noch geld werden gespaard om dat doel te bereiken. De prominente aanwezigheid van enkele levenbeschouwelijke kwesties in de campagne - zoals het homohuwelijk en het stamcelonderzoek - en de duidelijk conservatieve standpunten van Bush daarover moesten dan een handje toesteken. Referendums in elf staten over de constitutionele verbanning van het homohuwelijk moesten hier eveneens toe bijdragen.1 Exit polls geven alvast aan dat van de betrokken vier miljoen ruim drie miljoen inderdaad zijn komen opdagen en dat Karl Rove dus grotendeels in zijn opzet is geslaagd. Ook al verklaart het misschien niet volledig waarom Bush de verkiezingen gewonnen heeft, de opkomst van deze groep christenen heeft er alvast een aandeel in gehad.
Zoals gesteld vormt het opkomstperspectief één deel van de verklaring van Bush’ verkiezingsoverwinning. Het andere perspectief concentreert zich meer op de inhoudelijke argumenten op basis van dewelke de Amerikaanse kiezers hun keuze hebben gemaakt. De resultaten van de exit polls geven aan dat het om vier categorieën van argumenten gaat: morele waarden, de strijd tegen het terrorisme, de oorlog in Irak en de economische en werkgelegenheidssituatie. Het probleem met ‘morele waarden’ is evenwel dat het om een containerbegrip gaat waarin heel wat onder te brengen valt gaande van stamcelonderzoek, het homohuwelijk, abortus tot religie in het algemeen. Wat dat betreft zijn de oorlog tegen het terrorisme en de oorlog in Irak veel concreter. Eigenlijk kan men deze laatste twee zelfs samenvoegen tot de vraag naar de steun voor het militaire leiderschap van Bush. In de mate dat men dit doet vormt dit argument overigens het belangrijkste als verklaringsgrond voor het stemgedrag. Op zich valt dat overigens niet te verbazen. Tijdens de campagne had deze vraag een zeer prominente plaats enerzijds en gaven opiniepeilingen anderzijds vrij consistent aan dat het dit thema was dat de Amerikanen vooral zou bewegen bij het uitbrengen van hun stem. En wat dit betreft stond John Kerry bijna per definitie zwakker. Rond het thema van de oorlog tegen het terrorisme - want zo wordt de strijd tegen het terrorisme in de VS omschreven - scoorde hij vanaf zijn overwinning in de Democratische voorverkiezingen consistent lager dan Bush. Rond het thema van de oorlog in Irak lag hij voortdurend achter behalve in de twee weken die volgden op het eerste presidentiële debat (30 september). Kerry was er dan ook in geslaagd zijn uitspraak over Bush’ beleid ten aanzien van Irak te doen blijven hangen en met name dan zijn verwijzing naar a collosal error of judgement. Maar het effect daarvan was vrij snel uitgespeeld. Het feit dat Kerry niet echt met een geloofwaardig alternatief op de proppen kwam en tegelijk ook moeite had om zijn eigen stemgedrag inzake Irak op een eenvoudige wijze uit te leggen, holde alleszins zijn tijdelijke voordeel uit. En zelfs mét het tijdelijke voordeel van het eerste presidentiële debat bleven de meeste Amerikaanse kiezers Kerry als zwakker inschatten als het op leiderschap aankwam. De manier waarop deze zijn conventie had aangepakt had hem daar niet echt bij geholpen. Op de Democratische Nationale Conventie - de gebeurtenis waar Kerry officieel als presidentskandidaat genomineerd werd - speelde hij immers zijn Vietnamverleden uit om de Amerikaanse kiezer ervan te overtuigen dat hij als militair leider niet mis zou staan. Maar het effect van dit verhaal was op zijn zachtst gezegd beperkt gezien Kerry er na de Conventie - wat zijn score in de opiniepeilingen betreft - amper op vooruit ging. De zogenaamde post-convention bounce bleef uit. Bovendien kregen groepen van Vietnamveteranen die het hem nooit vergeven hadden dat hij zich als veteraan tegen de oorlog had gekeerd de kans om weerwraak te nemen. Via een eigen televisiecampagne trokken deze immers het verhaal van Kerry’s heldendaden in Vietnam in twijfel. De Kerry-campagne zag eigenlijk te laat in hoe groot de schade van dit alles wel was. Op het moment dat zij het door hadden en het verkiezingsthema op de toestand in Irak wilden focussen was het eigenlijk reeds te laat. Kerry’s sterke prestaties in de presidentiële debatten konden daar niet echt aan verhelpen ook al omdat tijdens die debatten zijn alternatief voor Irak niet echt overtuigend overkwam, althans niet bij de Amerikaanse kiezers. Bush kon zich dan ook vrij snel van de averij van de collosal error of judgement uit het eerste debat herstellen en vanuit pole position naar de verkiezingen gaan. Hij was er alleszins in geslaagd Kerry’s poging om er een Bush-referendum van te maken af te blokken en was er zelfs ten dele in geslaagd om er een referendum over Kerry van te maken. De enige hoop die Kerry, volgens de laatste opiniepeilingen voor verkiezingsdag, nog restte was te gaan voor een overwinning in het Kiescollege gezien de popular vote vrijwel zeker naar Bush zou gaan. Maar uiteindelijk telt alleen de uitslag in dat Kiescollege, dus zo slecht was die vaststelling voor hem nu ook weer niet. De intensieve campagne van zowel Bush als Kerry in de reeks battleground states - de staten waarvoor de uitslag nog geen uitgemaakte zaak is en nog alle kanten uitkan - vormde hiervan het zichtbare gevolg. Uiteindelijk kwam het op een honderdduizendtal stemmen in Ohio aan. Dat het Ohio was is interessant. In deze staat had men immers verwacht dat de economische situatie in Kerry’s voordeel zou spelen. De werkloosheid was er immers sneller dan elders in de VS toegenomen en de verloren jobs - in de traditionele industrie - konden niet volledig worden gecompenseerd in de dienstensector die nochtans ook in grote getale vertegenwoordigd is in deze staat. Maar ondanks dit feit slaagde Kerry er ook hier niet in de verkiezingen te winnen wat een indicatie is van zijn structurele kwetsbaarheid in deze verkiezingen gezien niet de economie als thema, maar wel dat van veiligheid en leiderschap doorwoog.

Een conservatief electoraal mandaat?

Welke conclusies kunnen uit dit alles worden getrokken? Hoewel de opkomst van de Evangelische christenen duidelijk een effect op de uitslag van deze verkiezingen heeft gehad, is de overwinning van Bush het gevolg van twee gecombineerde effecten: de betrokken opkomst enerzijds en het voordeel die de impact van een campagne gericht op leiderschap en nationale veiligheid Bush heeft gebracht anderzijds. Daaruit kan maar moeilijk besloten worden dat Bush een duidelijk conservatief mandaat heeft meegekregen. Andere elementen laten zelfs toe te concluderen dat er überhaupt geen sprake van een duidelijk electoraal mandaat kan zijn.
In eerste instantie behoort Bush met zijn score van 51% tot de middenmoot van de winnaars van Amerikaanse presidentsverkiezingen. Met dit resultaat slaagde hij er evenwel wel in de psychologisch belangrijke drempel van 50% te overschrijden. Zelfs Clinton - geplaagd door Ross Perot - kon hem dat niet voordoen gezien hij in 1992 strandde op 43% en in 1996 op 49%. Ook is het verschil met zijn opponent vanuit historisch perspectief niet bijzonder groot. Alleen Kennedy (1960), Nixon (1968) en Carter (1976) deden het minder goed indien alle verkiezingen sinds 1900 in rekening worden gebracht en indien deze van 2000 buiten beschouwing worden gelaten gezien de winnaar toen een lagere populaire score behaalde dan zijn opponent (Bush versus Gore).
Ook de score van 286 zetels in het Kiescollege is niet meteen indrukwekkend te noemen. Met deze 53,1% van het aantal zetels haalt hij de op twee na laagste score sinds 1900 (in 2000 haalde hijzelf de laagste score en in 1916 haalde Woodrow Wilson de tweede laagste met iets meet dan 52%). Daarnaast wordt doorgaans gesteld dat er voor een duidelijk mandaat minimum 400 zetels in het huidige Kiescollege moeten worden behaald. Daar zit Bush alleszins nog een flink eind van verwijderd.
Men mag echter tot de conclusie komen dat Bush in deze verkiezingen geen duidelijk electoraal mandaat, laat staan een duidelijk conservatief mandaat heeft meegekregen. De vraag is natuurlijk in hoeverre hij het zelf op deze manier bekijkt of aan de buitenwereld de indruk wil geven hoe hij het bekijkt. Afgaande op zijn uitspraken van de laatste weken kan immers vastgesteld worden dat hij wel degelijk vanuit het beeld van een sterk én conservatief mandaat zijn tweede ambtstermijn wil aanvatten. Maar hoeft dit te verbazen? Zelfs bij de start van zijn eerste ambtstermijn stelde hij zich op alsof er weinig twijfel over een beleidsmandaat kon bestaan. De eerste maanden van die termijn werden dan ook grotendeels besteed aan het kapitaliseren van dat denkbeeldige mandaat. Die strategie werkte ook omdat hij via zijn belastingsreductiepakket in eerste instantie de steun en loyauteit van de conservatieve vleugels van de Republikeinse Partij wilde bekomen en ook bekwam. Die steun stelde hem dan weer in staat om zijn beleidsagenda verder te realiseren door tegelijkertijd de conservatieve vleugel tevreden te houden en in sommige dossiers de steun van de meer gematigde Republikeinen en de conservatieve vleugel van de Democratische Partij te zoeken. De onderwijswetgeving (no child left behind) vormt een voorbeeld van het laatste. Want inderdaad, de twee grootste Amerikaanse politieke partijen vormen elk geen coherent geheel, maar wel een confederatie van hun staatspartijen (de partijen zoals die zich in elk van de 50 staten manifesteren) die er op ideologisch en beleidsvlak uiteenlopende visies op na kunnen houden. Dezelfde diversiteit komt men overigens ook binnen die staatspartijen zelf ook tegen.
Dezelfde strategie - waar dus vanuit een sterke conservatieve basis steun bij anderen wordt gezocht - mag ook nu weer van Bush verwacht worden. Thema’s zoals de gedeeltelijke privatisering van de sociale zekerheid (wat in de VS beperkt is tot het pensioenstelsel) en het permanent maken van de belastingsverminderingen van 2001 moeten dan die sterke conservatieve basis helpen opbouwen, of liever, bestendigen. Het gaat immers nu om een tweede, niet een eerste ambtstermijn.
Deze werkwijze zegt eigenlijk ook iets over de werking van het Amerikaanse federale politieke systeem. In dat systeem staat de interactie tussen de president en het Congres centraal. Beide zijn van elkaar afhankelijk voor de realisatie van hun beleidsagenda.
In deze interactie moet de president echt lobbyingen voor zijn agenda. Daarvoor beschikt hij overigens over een schare van lobbyisten die vanuit een specifieke unit in het Witte Huis - het Office of Legislative Affairs - opereren. Partijdiscipline zoals in onze contreien komt daar niet in voor. Wanneer dan de partij van de president de meerderheid in de beide kamers van het Congres heeft - zoals momenteel het geval is - moet men met de nodige omzichtigheid de verwijzing naar ‘de partij van de president’ hanteren. In feite gaat het niet om zijn partij waarvan hij bij wijze van spreken de troepen in het gareel kan houden. Neen, hij moet zich actief inzetten om de verkozenen van zijn partij achter zijn beleidsagenda te houden of te brengen. Dat vergt veel onderhandeling, lobbying (en dat niet alleen bij de partijleiders in het Congres) en campagnevoering. Dat laatste is dan weer nodig om via het bespelen van de publieke opinie de druk op de Congresleden te kunnen opdrijven.
Nu is de situatie in het Congres er voor Bush niet meteen op achteruit gegaan. Integendeel. De Republikeinse partij heeft immers zijn meerderheid in beide kamers kunnen uitbreiden op een wijze die de invloed van de conservatieve vleugel binnen de partij opnieuw versterkt heeft, zeker in de Senaat. In het Huis van Afgevaardigden was deze vleugel al een ongemeen sterke factor geworden.
De versterking van de conservatieve vleugel in het Huis van Afgevaardigden is sinds 1995 gepaard gegaan met een toenemende polarisering in deze kamer. Daarbij is het ideologische profiel van de Afgevaardigden aan beide kanten - de Republikeinen én de Democraten - meer uitgesproken geworden. Bij de eersten gaat het dan om een conservatief profiel (waarbij binnen dit profiel ook heel wat variaties opduiken) en bij de laatsten om een ‘liberaal’ profiel. Het woord ‘liberaal’ moet dan wel begrepen worden op de manier zoals dat in de VS gebeurt. In onze woorden zou het met de nodige voorzichtigheid eerder als progressief en sociaaldemocratisch kunnen worden omschreven. In die polarisering is het profiel van de conservatieven conservatiever geworden, en dat van de liberals meer liberal. Vooral op het terrein van de levensbeschouwelijke vraagstukken is dit duidelijk gebleken zoals uit recente discussies omtrent abortus, euthanasie, stamcelonderzoek en het homohuwelijk kan worden afgeleid. In die toenemende polarisering heeft de conservatieve vleugel van de Republikeinse Partij een duidelijke dominante binnen de eigen fractie in het Huis van Afgevaardigden verworven en daarmee ook over de leiding van het Huis zelf. De Republikeinen hebben er immers de meerderheid en de meerderheidspartij heeft traditioneel alle voorzittersposities in handen, gaande van het Huis zelf (de Speaker) tot deze van de verschillende parlementaire commissies (Committees). Daarmee kan deze vleugel de agenda van het Huis grotendeels bepalen hoewel het op steun van - en dus onderhandeling met - de meer gematigde vleugels van de partij aangewezen blijft (of toch veelal blijft). De agenda bepalen is immers één zaak, een meerderheid voor concrete wetsvoorstellen vinden een andere. Maar de versterking van de conservatieve vleugel zorgt er alleszins voor dat de gematigden binnen de Partij in een verzwakte positie terechtgekomen zijn. Willen zij immers met concrete realisaties naar hun kiezers kunnen weerkeren dan moeten zij door toegevingen aan de conservatieven de steun van deze laatsten voor hun agenda afkopen. Kortom, het Huis van Afgevaardigden is duidelijk een belangrijk bastion van de conservatieve Republikeinen geworden.
Dat het zover is kunnen komen, kan vanuit verschillende hoeken verklaard worden. Maar één element dat voor het Huis van bijzonder belang is, is van institutionele aard. Voor de verkiezing van de leden van het Huis wordt immers het principe van de single-member districts gebruikt. Dit betekent dat elke Afgevaardigde verkozen is in een kiesdistrict waarin slechts één Huiszetel behaald kon worden en waarin hij of zij de relatieve meerderheid van de kiezers achter zich heeft gekregen. Elke Amerikaanse staat wordt dus onderverdeeld in congressionele districten waarvan het aantal gelijk is aan het aantal zetels waarop de staat - krachtens zijn aandeel in de totale Amerikaanse bevolking - recht heeft. Elke tien jaar wordt op basis van een volkstelling tot een herverdeling van de betrokken zetels over de verschillende staten overgegaan (de zgn. reapportionment). Er wordt dan immers vastgesteld of de betrokken staat zetels moet bij krijgen, moet afgeven of het toegewezen aantal mag behouden. Bepalend daarbij is de evolutie van het aandeel van de bevolking van de betrokken staat in de totale Amerikaanse bevolking. Sommige staten verliezen dus en andere winnen terwijl de meeste hun aantal gewoon kunnen behouden. Voor die staten waarvan het aantal zetels aan wijziging blootstaat, is een hertekening van de kiesdistricten nodig (de zogenaamde redistricting). Daar staan de staatsparlementen (State Legislatures) voor in. In de praktijk worden de betrokken grenzen echter zodanig uitgetekend dat op voorhand quasi vaststaat welke partij het in de betrokken districten zal kunnen halen. Men trekt de grenzen immers zodanig dat de opponenten over verschillende districten versnipperd worden. Door deze praktijk - die de gerrymandering wordt genoemd - ontstaat een systeem waarin de overgrote meerderheid van de leden van het Huis van Afgevaardigden met een zeer grote mate van zekerheid op herverkiezing kunnen rekenen. Het gevolg daarvan is tweeërlei. Aan de ene kant haken heel wat kiezers af, wat de lage opkomst bij Congresverkiezingen verklaart (minder dan 40% in de jaren dat ze niet met de presidentsverkiezingen samenvallen, ongeveer 50% wanneer ze er wel mee samenvallen). Degene die nog wel gaan stemmen hebben doorgaans een ideologisch meer uitgesproken profiel. Het zijn immers de echte overtuigden die nog meedoen.
Aan de andere kant hoeft de verkozene steeds minder rekening te houden met de gemiddelde Amerikaan (de median voter) die hoewel de VS de laatste vijfentwintig jaar globaal conservatiever geworden is niet meteen als aarts- of zeer conservatief omschreven kan worden. Maar deze median voter blijft wel steeds meer thuis als het over Congresverkiezingen gaat. De combinatie van beide gevolgen maakt dat er in het Huis een polarisering is kunnen optreden. Dat deze in het voordeel van de conservatieve Republikeinen is uitgedraaid, is een gevolg van het feit dat de VS inderdaad meer conservatief geworden zijn enerzijds en van de zichtbaarheid van de soms verlammende interne verdeeldheid van de Democraten anderzijds.
De conclusie voor Bush is duidelijk. Zijn tweede ambstermijn start met een Huis van Afgevaardigden waarin de conservatieve Republikeinen nog meer dan tijdens de eerste de dienst zullen uitmaken.
Het beeld is wat de Senaat betreft minder uitgesproken maar wel gelijklopend. De verkiezingen van 2 november hebben immers wat dit betreft enkele significante veranderingen opgeleverd. In eerste instantie waren een aantal zuidelijke zetels open gekomen door het ontslag van enkele Democratische senatoren. Dat was het geval in South Carolina (Ernest Hollings), North Carolina (John Edwards), Georgia (Zell Miller), Louisiana (John Breaux) en Florida (Bob Graham). Al deze zetels gingen naar Republikeinen waarvan sommigen een uitgesproken conservatief profiel hebben. De nieuw verkozen senator van South Carolina, Jim DeMint, behoort b.v. zonder meer tot de meest conservatieve senatoren van de nieuwe Senaat.
In tweede instantie werd de voorzitter van de Democratische fractie - Tom Daschle - in de strijd voor zijn herverkiezing als senator van South Dakota nipt verslagen door de Republikeinse John Thune. De symbolische slag in het Democratische aangezicht kon moeilijk harder aankomen, vooral omdat Daschle zich de laatste jaren als dam tegen de benoeming van conservatieve federale rechters door de Bush-regering had opgeworpen. Ook al is het niet duidelijk of hij omwille van die reden zijn herverkiezing verloor (Thune’s campagne was veelal op het verwijt gebouwd dat Daschle meer met Washington DC dan met South Dakota bezig was geweest) en ook al was zijn nederlaag nipt, voor de conservatieve Republikeinen was het alleszins de zoveelste opsteker.
Hoewel de Democraten twee succesjes in de wacht konden slepen door twee open Republikeinse zetels af te snoepen (Barack Obama in Illinois en Ken Salazar in Colorado) blijft het totaalbeeld duidelijk: ook de Senaat is conservatiever geworden.

De kans op een overmoedig beleid…. en de terugslag ervan

De conclusie van dit alles is al even duidelijk. In het Witte Huis zit een president die de indruk wekt zijn herverkiezing als een conservatief mandaat te beschouwen. In het Huis van Afgevaardigden zijn de conservatieve Republikeinen dominant geworden. En ook de Senaat is conservatiever geworden. Het is dus bijna logisch van de nieuwe Amerikaanse regering en het nieuwe Amerikaanse Congres een duidelijk conservatief beleid te verwachten. Daar staan op het eerste gezicht geen remmen meer op. De verleiding voor de betrokken Republikeinen is dan ook zeer groot om ervoor te gaan. Maar meteen is het risico ontstaan dat de partij zich zal vergalopperen, net zoals de Democraten - weliswaar in andere omstandigheden en met een meer uitgesproken verkiezingsresultaat - deden in de periode na 1964. Want de uitslag mag wat de toegenomen invloed van het conservatisme in het Congres en het Witte Huis betreft min of meer duidelijk zijn, de uitslag is wat de beweegredenen van de kiezers betreft veel meer troebel, zoals boven werd aangegeven. De kans is dan ook reëel dat de Republikeinen zich aan overmoed zullen zondigen. De voorbije weken hebben dit, wat het Congres betreft, reeds aangetoond. Zo was er de opname van een anti-abortusclausule in de uitgavenwet voor het fiscale jaar 2005. Zo was er ook de blokkering van de wet op de hervorming van de inlichtingendiensten onder druk van de conservatieve Republikeinen die zich ook als bondgenoten van de legertop in het Pentagon opwerpen (en wellicht - maar dat is nog niet echt duidelijk - met de latente steun van Bush), wetende dat de publieke druk tot een dergelijke hervorming vrij groot is. Zo was er ten slotte ook de bescherming van de leiderspositie van het boegbeeld van de conservatieven in het Huis - Tom DeLay - ondanks een aantal bedenkelijke praktijken inzake partijfinanciering waarin hij betrokken blijkt te zijn.
Er zijn dus nu reeds redenen om aan te nemen dat de Republikeinen niet echt hun lessen hebben getrokken uit hun eigen ervaringen in de periode 1994-1996. De Republikeinse overwinning in de Congresverkiezingen van 1994 had er immers toen ook voor gezorgd dat alle remmen voor de realisatie van een conservatieve agenda los gegooid werden, vooral dan in het Huis. Newt Gingrich was de vader van deze ontwikkeling en het Contract with America zijn programma. Maar door de zwenking naar rechts die dit met zich meebracht lokten de Republikeinen zelf een tegenreactie uit waarvan president Clinton garen heeft kunnen spinnen. Gezien deze de Republikeinen als extremisten kon afschilderen kon hij zichzelf als dam tegen dat extremisme opwerpen en daarmee zijn herverkiezing als president in 1996 veilig stellen. De situatie is nu enigszins anders, zeker in het Amerika van na 11 september 2001. Maar het is niet voldoende anders om aan te nemen dat de gemiddelde Amerikaanse kiezer een vorm van conservatief extremisme of radicalisme zou aanvaarden. Als de conservatieve Republikeinen de conservatieve teugels laten vieren - en er zijn redenen om aan te nemen dat dit ook aan het gebeuren is - dan zou de terugslag wel eens niet lang op zich kunnen laten wachten. In 2006 zijn er immers weer Congresverkiezingen, in 2008 weer presidentsverkiezingen.
Toch moet een noot van voorzichtigheid aan dit verhaal worden toegevoegd en deze ligt bij Bush zelf. Deze begint immers aan een tweede ambtstermijn. Een tweede ambtstermijn is anders dan de eerste. Die vaststelling is niet onbelangrijk. In eerste instantie is er natuurlijk de ervaring. De euforie rond de verkiezingsoverwinning en de opportuniteit van een nieuwe formele start geeft een president immers de kans om een aantal zaken recht te zetten en fouten goed te maken die misschien gedurende de voorgaande vier jaren werden gemaakt. Een president wordt immers ook bij de aanvang van zijn tweede ambtstermijn formeel ingezworen met de luister die doorgaans met inauguraties gepaard gaat. Binnen de administratie stelt zich daardoor de kans van een groot- of kleinschalige zuivering. Gezien de toplaag van de Amerikaanse administratie uit politiek benoemden bestaat die komen en gaan met een president, vormt de start van een nieuw mandaat de gelegenheid om een aantal van hen te vervangen. De drempel daartoe is alleszins lager dan tijdens een presidentieel mandaat wanneer een ontslag tot de nodige speculaties of insinuaties aanleiding geeft.
Een president kan dus lessen uit het eerste mandaat trekken en bepaalde posities op een andere manier bemannen. Hij kent ook meer de klappen van de administratieve zweep en is dus doorgaans minder afhankelijk van de input van zijn adviseurs op dit vlak. De overgang van de eerste Clinton Administratie naar de tweede vormde hier b.v. een duidelijk voorbeeld van. Van beginnersfouten was geen sprake meer.
In tweede instantie kan een Amerikaanse president maximum twee volledige ambtstermijnen aan de macht blijven. Het tweeëntwintigste amendement op de Amerikaanse Grondwet (1951) heeft deze beperking ingevoerd.2 Voor een president in tweede ambtstermijn betekent dit dus dat deze niet meer aan een electorale sanctie kan worden blootgesteld, toch niet als president. Er zijn natuurlijk nog wel de Congressionele verkiezingen bijna halverwege de tweede ambtstermijn (in dit geval november 2006).
Die afwezigheid van een electorale sanctie geeft een president op het eerste gezicht meer bewegingsruimte. Maar de praktijk heeft uitgewezen dat heel wat presidenten in de plaats daarvan met een andere bekommernis lijken te worstelen. Welke is de plaats die zij historisch zullen innemen? Wat is het beeld dat van hen zal blijven hangen lang nadat hun tweede ambtstermijn voorbij zal zijn? Daarnaast is er ook het gevoel van de laatste kans. Als ze nog iets specifieks wensen te realiseren dan moeten ze het nu doen. Daarna is er geen kans meer toe. Daarbij moet eveneens rekening worden gehouden met het feit dat een president in een tweede ambtstermijn tijdens het laatste jaar van die termijn geconfronteerd wordt met de electorale koorts - in de eigen partij - omtrent de opvolging enerzijds en door steeds meer mensen in Washington DC gezien wordt als een lame duck anderzijds. Dat laatste betekent dan dat men ervan uitgaat dat gezien de betrokkene naar het einde van zijn politieke carrière loopt, deze over een uitdovende politieke macht beschikt. De neiging bestaat dan om zich meer te richten op de meer duurzame machtshebbers in DC, zoals deze in het Huis of de Senaat. Deze blijven immers veelal veel langer in functie dan de president. Een president begint zich in die situatie soms ook te vergalopperen beseffende dat de tijd beperkt is. Een voorbeeld is Clinton en de bemiddelingspogingen in Camp David en Taba in de loop van 2000-2001.
Samenvattend kan men dan ook stellen dat een president gedurende zijn tweede ambtstermijn vanuit een positie met meer bewegingsruimte kan vertrekken dan tijdens zijn eerste maar dat op deze ruimte twee beperkingen staan. Aan de ene kant is er de beperking die een president zichzelf oplegt, met name dan door zijn bekommernis over de legacy die hij wil achterlaten. Aan de andere kant is er de klok die tikt en die naar het laatste jaar van de tweede ambtstermijn toe de presidentiële positie verzwakt, weliswaar meer op het binnenlandse dan op het buitenlandse vlak. Kortom, een tweede ambtstermijn kan gezien worden als een window of opportunity die verder openstaat dan in een eerste ambtstermijn maar die zich onder de druk van de vorderende jaren langzaam maar zeker sluit. Voor Bush zal dat niet anders zijn dan voor zijn recente twee-termijn-voorgangers zoals Reagan en Clinton.3 Maar in het geval van Bush - anders dan voor Reagan en Clinton - zal alvast de bekommernis niet moeten meespelen dat men het electorale bed moet spreiden van een gedoodverfde opvolger binnen de regering zelf. Noch vice-president Dick Cheney, noch andere leden van de regering lijken de ambitie te koesteren om in 2008 naar het hoogste ambt te dingen.
Hoe dit alles zich zal vertalen naar het beleid van Bush toe, is momenteel wat onduidelijk. Er is inderdaad de indruk die Bush wekt dat hij voor een conservatief beleid zal gaan, maar hoever zal dat beleid gaan? Er zijn ook de reeds aangekondigde benoemingen van nieuwe regeringsleden en nieuwe medewerkers in het Witte Huis en deze wijzen niet per definitie in dezelfde richting. De aanstelling van Condoleezza Rice op buitenlandse zaken is een teken dat wijst in de richting van een verderzetting van het buitenlands beleid van de eerste ambtstermijn. De aanstelling van Stephen Hadley als nieuwe nationale veiligheidsadviseur doet dat ook. Dat lijkt overigens ook te passen in de legacy waarvan men mag verwachten dat Bush ze in zijn buitenlands beleid zal nastreven: een legacy van missionair leiderschap (iets waarvan menig Europeaan koude rillingen krijgt). De laatste vier jaar - en dan zeker de laatste twee jaar - zijn er immers voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat Bush als persoon op deze wijze over het presidentschap denkt en ernaar wil handelen ook. Maar tegelijkertijd blijft het onduidelijk hoe het verloop van de bezetting in Irak intern in het Witte Huis geëvalueerd wordt en of dit de nieuwe Bush-administratie tot meer samenwerking met anderen zal aanzetten. Het is wel plausibel te verwachten dat als er meer samenwerking komt (en er zijn reeds zeer tentatieve aanwijzingen in die zin) dat deze volgens de beproefde formule van de coalitions of the willing eerder dan via vaste bondgenootschappen zal verlopen.

Conclusie

De verschillende elementen die tijdens en na de verkiezingen van 2 november ll. zijn opgedoken geven duidelijk aan dat de kans van een conservatieve Republikeinse overmoed zeer reëel is. Het beeld is wat dit betreft minder dubbelzinnig op binnen- dan op buitenlands vlak. Op het binnenlandse vlak lijken de remmen daartoe - zeker in het Congres - immers nu reeds losgegooid te worden.
Op het buitenlandse vlak is het beeld meer troebel. Hoewel Bush zijn tweede ambtstermijn als een conservatief mandaat lijkt te bekijken, blijft de vraag hoe hij dat concreet met een mogelijke bekommernis over zijn legacy zal combineren. En ook al is het plausibel aan te nemen dat missionair leiderschap daarin als beeld een belangrijke rol zal spelen, dan nog blijft de vraag hoe zich dit op het terrein zal vertalen. Toch zijn er enkele elementen duidelijk.
De relaties tussen de VS en Europa zullen moeizaam blijven verlopen. Het wereldbeeld van Bush en zijn belangrijkste medewerkers is duidelijk anders dan dat van de meeste Europese politieke leiders, zelfs deze in Groot-Brittannië. Met een man die zo een groot geloof in leiderschap en de missionaire taken daarvan heeft ontwikkeld - in 2000 was de missionaire component wat het buitenlands beleid betreft immers amper of niet aanwezig - is de kans immers klein dat fundamentele concessies op de uitgangspunten van het Amerikaanse buitenlandse beleid zullen worden gedaan. Tegelijkertijd is in Europa de gevoeligheid daarvoor - of liever, de irritatie daarover - aanzienlijk toegenomen.
Voor de toekomst van de Republikeinse partij zullen de binnenlandse ontwikkelingen echter zwaarder meespelen dan de buitenlandse, tenzij zich een nieuw 11 september zou voordoen. En de toekomst van die partij zal ongetwijfeld ook voor Europa van belang zijn omdat er immers na 2008 ook nog leven is. Misschien is dat de troost die gekoesterd kan worden door de meer dan 70% van de Europeanen die Kerry in het Witte Huis hadden gewenst. De kans op Republikeinse overmoedigheid op het binnenlandse vlak is immers reëel en daarmee ook de kans op een terugslag daarvan in de Congresverkiezingen van 2006 of de presidentsverkiezingen van 2008. Met deze voorspelling moet evenwel voorzichtig worden omgesprongen. Vier jaar is immers een eeuwigheid in de politiek. Maar voor vele Europeanen kan het een lichtpuntje zijn in de transatlantische duisternis.

Bart Kerremans
Hoogleraar internationale betrekkingen en Amerikaanse politiek aan de KU Leuven

Noten
1/ Hoewel hier moet worden opgemerkt dat Bush zijn resultaat in staten mét een dergelijk referendum in vergelijking met 2000 minder verbeterde dan in de staten zonder een dergelijk referendum.
2/ Het betrokken amendement stelt duidelijk ‘No person shall be elected to the office of President more than twice (..).’
3/ Vóór Reagan moeten we al terug gaan naar Eisenhower om een president in een dergelijke situatie te kunnen tegenkomen. Nixon was weliswaar ook herkozen, maar kreeg al snel na de aanvang van zijn tweede ambtstermijn met het Watergate-schandaal te maken. Zoals bekend heeft hij omwille van dat schandaal zijn tweede termijn zelfs niet kunnen afmaken. Op 9 augustus 1974 gooide hij inderdaad de handdoek in de ring.

Verenigde Staten - George Bush - verkiezingen - 9/11

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 39 tot 49