Log in

De oorlog tegen het terrorisme in Indonesië. Een strijd op vele fronten

‘One of the reasons a state of war is preferable to peace is that it gives
moral justification to acts of violence. Violence, in turn, offers
the illusion of power’ 1

Sinds 9/11 staan terrorisme en veiligheid terug prominent op de agenda van de nationale en internationale politiek. De Zuidoost-Aziatische regio vormt hier geen uitzondering op. Een week na 09/11 werd Megawati Soekarnopotri, toenmalig presidente van Indonesië, persoonlijk uitgenodigd op het Witte Huis, waar ze haar volle engagement in de oorlog tegen het terrorisme bevestigde. Kort nadien verklaarden ook de Filippijnen, Singapore, Maleisië, en na wat tegenstribbelen ook Thailand, hun volledige medewerking in de strijd tegen het terrorisme. Betekende dit dat de gehele Zuidoost-Aziatische regio nu slaafs een door Washington opgelegde agenda volgde? Natuurlijk niet, eerst en vooral blijkt dat de formele verklaringen van nationale regeringen in Zuidoost-Azië vaak niet overeen komen met wat deze regeringen in de praktijk doen. Daarnaast wordt de oorlog tegen het terrorisme door lokale machtscentra en gewapende groeperingen gepercipieerd als een kans en als een bedreiging om hun eisen op de nationale en de internationale agenda te plaatsen. Dit heeft een verandering tot gevolg in het gedrag van deze lokale machtscentra en gewapende groeperingen. Om deze redenen moet de oorlog tegen het terrorisme als een uitermate complex en multidimensionaal gegeven geïnterpreteerd worden. Ondanks deze complexiteit zien we toch dat in het discours over terrorisme vaak een uitermate simplistische retoriek wordt gebruikt. Deze retoriek gaat in essentie uit van een eenvoudige opdeling tussen goed (wij) en kwaad (zij).

Verhelderend hierin is de argumentatie waarom Paul Wolfowitz, Deputy Secretary of Defense in de Bush junior I-administratie en voormalig Amerikaans ambassadeur in Indonesië, de Jemaah Islamiyah (JI) als een terroristische organisatie bestempelt. Volgens hem handelt de JI vanuit een deep-seated sort of malice die volledig losstaat van de sociale en economische marginalisatie van waaruit de meeste andere gewapende groeperingen handelen.2 Het gaat dus om een soort van slechteriken die iedere zin voor redelijkheid en rationaliteit verloren hebben en geïsoleerd staan van iedere maatschappelijke realiteit.
Een gevolg van deze benadering van terrorisme is dat de oplossing voor het probleem hierdoor niet kan gezocht worden in een verbetering van de sociaaleconomische gemarginaliseerde positie maar dat deze ‘diepgewortelde boosaardigheid’ dus op een andere manier bestreden moet worden.
Deze invalshoek op terrorisme in Zuidoost-Azië (maar ook elders in de wereld), is uitermate problematisch. Omdat het concept terrorisme contextloos benaderd wordt, zoals Wolfowitz doet, slaagt men erin terrorisme voor te stellen als een soort persoon of groepering, in plaats van de politieke methode die het eigenlijk is. Uit onderstaande analyse zal daarentegen blijken dat deze benadering van terrorisme volkomen ontoereikend is en onze ogen sluit voor essentiële dynamieken binnen gewapende groeperingen. Gewapende groepering handelen altijd binnen een welbepaalde maatschappelijke context en binnen die maatschappelijke context wordt op een uiterst dynamische manier gebruik gemaakt van netwerken. Net deze dynamiek van gewapende groeperingen maakt het onmogelijk om op een arbitraire manier bepaalde groeperingen als terroristisch te bestempelen en anderen niet. We zullen deze stelling hard proberen te maken aan de hand van het voorbeeld van de Jemaah Islamiyah, één van de bekendste terreurnetwerken in Zuidoost-Azië.

Formele verklaringen versus verborgen agenda’s

Washington zou al snel ervaren dat de formele beloftes van presidente Megawati een week na 9/11 over de coöperatie van Indonesië in de strijd tegen het terrorisme met de nodige korrel zout te nemen waren. De Indonesische regering hoopte in de eerste plaats de rebellenbeweging GAM (Free Aceh Movement) op de VS-lijst van terroristische organisaties te plaatsen om op die manier logistieke en morele steun in de strijd tegen de GAM te verkrijgen. Wanneer de Bush-administratie dit echter weigerde, werd het enthousiasme in Jakarta om steun te verlenen aan Washington al snel getemperd. Vanaf de oorlog in Afghanistan begon de Indonesische regering (vooral binnenlands) zelfs alsmaar meer een uiterst kritische houding aan te nemen tegenover de politiek van Washington. Daarnaast werd in alle toonaarden ontkend dat er zich terroristen op Indonesische bodem zouden bevinden. Deze houding van de Indonesische regering kan door verschillende zaken verklaard worden. Eerst en vooral werd president Megawati in Indonesië als een secularistisch nationaliste gezien en werd ze dan ook geconfronteerd met een kritische, fervente en sterke oppositie die zowel vanuit de conservatieve Islampartijen als vanuit belangrijke conservatieve Islamitische ngo’s kwam. Daarenboven had Megawati’s partij, de PDI-P, in het nationaal parlement de steun van enkele gematigde moslimpartijen nodig om een meerderheid te bereiken. Door een te opzichtige pro-Amerikaanse koers te varen, riskeerde ze de essentiële steun van deze partijen te verliezen waardoor haar politieke positie onhoudbaar zou worden. Daarnaast bestond er ook binnen de TNI, het nationale leger van Indonesië, vooral vanaf het begin van de jaren negentig, een sterk anti-Amerikaans gevoel dat nog versterkt werd na de sancties dat het werd opgelegd ten gevolge van de crisis in Oost-Timor in 1999. Terug kon Megawati, gezien haar zwakke politieke positie, het zich niet permitteren tegen de haren van het leger in te strijken door te opzichtig een pro-Amerikaanse koers te varen.
Op deze manier kwam Megawati tussen twee vuren te staan met langs de ene kant de eisen van de Amerikaanse overheid (en daaraan gekoppelde economische en militaire steun) en langs de andere kant een groot deel van de publieke opinie en het Indonesisch politiek establishment waarin sterke anti-VS gevoelens leefden. Ondanks dus de vele beloftes en zwaarwichtige verklaringen, was de wil van Jakarta om Washington te steunen in zijn strijd tegen het terrorisme op een bepaald moment zo goed als onbestaand.

De aanslagen op Bali

Het breukmoment in de politiek van Megawati komt er met de bomaanslagen op twee populaire toeristische bars op Bali op 12 oktober 2002, die het leven kostte aan 202 mensen, waaronder 80 Australiërs. Het belang van deze bomaanslagen zit hem in twee zaken. Ten eerste is de bereidheid van Jakarta om nauwer en concreter samen te werken met Washington veel groter. Deze bocht kwam er enerzijds omdat de druk van de VS, met de dreiging van politieke en economische sancties, hiervoor extreem hoog werd. Anderzijds vielen ook enkele interne barrières weg omdat na de aanslagen enkele belangrijke conservatieve Islamitische ngo’s en partijen een minder kritisch discours aannamen tegenover de VS. Een tweede belangrijk gevolg is dat de Jemaah Islamiyah de absolute focus werd van zowel de Indonesische als de Amerikaanse regering in de strijd tegen het terrorisme in Indonesië en vanaf 2003 in de officiële CIA-lijst van terroristische organisaties opgenomen werd. Concreet betekent dit dat de JI vanuit verschillende hoeken het etiket deep-seated sort of malice opgeplakt kreeg. Het overgrote deel van de publieke opinie en de internationale media, grotendeels door een gebrekkige kennis van de Zuidoost-Aziatische regio, namen dit etiket kritiekloos over.

Ontstaan van de Jemaah Islamiyah

Officieel is de Jemaah Islamiyah gesticht in Maleisië op 1 januari 1993 door Abdullah Sungkar. Maar de eerste echte tekenen van het bestaan van de JI worden meestal getraceerd in 1995-1996 wanneer enkele Indonesische Afghanistan-veteranen de grondbeginselen van de beweging samenvatten in het boek General Guidelines for the Jemaah Islamiyah Struggle. Hoogst waarschijnlijk bestonden er hiervoor al enkele losse samenwerkingsverbanden tussen Indonesische ex-mujahideen. Maar het is pas vanaf 1995-1996 dat we echt van de organisatie JI kunnen spreken. Hoewel de JI overwegend een Indonesische groepering is, werd de beweging gesticht in Maleisië omdat het overgrote deel van de Indonesische radicaal-conservatieve Moslims naar dit land vluchtten vanwege de repressie van het autoritaire Soeharto-regime. Wanneer Soeharto het pad moest ruimen in 1998 keerden de verschillende radicaal-conservatieve moslimgroeperingen (waaronder de JI) naar Indonesië. Tegelijk zien we dat vanaf 1998 de JI zich sterker begint te concentreren op concrete operaties hoewel de omvang en impact van deze aanslagen uitermate beperkt blijft. Voor de Bali-bomaanslagen had de JI al van zich laten horen door aanslagen te plegen op christelijke kerken. Maar de dodenaantallen bleven hierbij beperkt, en vooral, de aanslagen richtten zich niet op buitenlandse doelwitten. Tot aan de aanslagen in Bali leidde de organisatie dan ook een schimmig ondergronds bestaan zonder iemand veel kopzorgen te baren. Dit blijkt ook uit het feit dat na 9/11 niemand in Jakarta de ambitie had om de JI op de lijst van terroristische organisaties te zetten. Dit verandert allemaal wanneer de JI zichzelf op 12 oktober 2002 in het centrum van de internationale media-aandacht bombardeert.
Dat het Jakarta na Bali menens was met de strijd tegen het terrorisme blijkt al op 20 oktober 2002, wanneer door hoge internationale druk en zonder effectieve bewijzen, Abu Bakar Ba’asyir, de zogenaamde spirituele leider van de JI, gearresteerd wordt. Deze arrestatie moet vooral symbolisch geïnterpreteerd worden omdat Indonesië zijn coöperatieve houding tegenover de internationale gemeenschap in de strijd tegen het terrorisme met alle macht wilde bewijzen.3 Naast deze ‘symbolische arrestatie’ werden er in het zog van de bomaanslagen, met een sterke logistieke ondersteuning van de Australische geheime diensten, nog verschillende arrestaties ondernomen waarbij ook effectieve daders en aanstichters van de aanslagen werden gevat. Ook wordt na Bali directer ingegaan op de vragen van de VS in het kader van de oorlog tegen terrorisme.4 Dit betekende onder meer een sterkere greep van de VS op het militair Indonesisch apparaat en het gemakkelijker uitwisselen van gevoelige intelligence-informatie.
Dat de JI door deze verschillende maatregelen sterk verzwakt werd, staat buiten kijf maar het staat even goed buiten kijf dat nog geen jaar later, op 5 augustus 2003, de JI terug een aanslag pleegde op het Marriott-hotel in Jakarta waarbij 13 doden en meer dan 100 gewonden vielen. Deze aanslag bewijst dat de JI na Bali dus een bepaalde operationele basis heeft overgehouden. Deze aanslag werd ook gevolgd door een golf van arrestaties met als belangrijkste de arrestatie van Hambali, één van de meest gezochte operationele leiders van de JI, in Zuid-Thailand midden augustus 2003. Vooral deze arrestatie verleidde de Indonesische autoriteiten ertoe in grootse en ambitieuze bewoordingen te verklaren dat het spook van het terrorisme in Indonesië onder controle was. Deze conclusies bleken terug vrij voorbarig. Een jaar later werd in het centrum van Jakarta, op 9 september 2004, een aanslag gepleegd op de Australische ambassade waarbij 9 doden en 182 gewonden vielen. Het ziet er dus sterk naar uit dat, hoewel belangrijke figuren werden opgepakt, de JI na de arrestaties die volgden op de Marriott-bomaanslag, terug een operationele basis overhield waarmee de aanslagen op de Australische ambassade gepleegd konden worden. We kunnen dan ook stellen dat de aanpak van zowel de Indonesische als de Amerikaanse en Australische veiligheidsdiensten niet volledig succesvol is geweest.

Netwerkstructuur van de Jemaah Islamiyah

Dit gegeven noopt ons tot de volgende stelling: de drie bovenvermelde aanslagen, in Bali, op het Marriott-hotel en op de Australische ambassade, zijn intrinsiek niet gepleegd door de JI, hoewel de meeste autoriteiten en media daarvan uitgaan. Het is wel zo dat verschillende JI-leden een grote eindverantwoordelijkheid dragen in het uitvoeren van de aanslagen maar enkel de JI als groepering volledig verantwoordelijk stellen voor de aanslagen is onjuist. Wat zowat iedereen in z’n analyse van de JI vergeet te doen is de bredere cirkels rond de uitermate kleine organisatie te bekijken. Zoals hierboven al gesteld, opereert de JI niet in een maatschappelijk vacuüm. Het gaat hier dus niet om een ‘diepgewortelde boosaardigheid’ die losstaat van iedere maatschappelijke realiteit. Maar wel om een losse en uitermate kleine organisatie waar een gemeenschappelijke Afghaanse ervaring aan de grondslag van ligt en die in de voorbereiding van iedere aanslag nieuwe allianties aangaat en op die manier een nieuwe gedaante aanneemt. Wat dus systematisch vergeten wordt is te kijken naar de netwerken die aan de JI gelieerd zijn maar niet als dusdanig JI genoemd kunnen worden.
Volgens ons kan deze eenzijdige visie op de JI in de eerste plaats verklaard worden doordat zowel academici, journalisten als beleidsmakers buitenmatig veel aandacht besteden aan de zogenaamde banden tussen de JI en Al Qaeda. De stelling dat de JI de gewapende arm van Al Qaeda in Zuidoost-Azië zou zijn is volgens ons onjuist.5 Zo goed als alle operationele beslissingen van de JI worden regionaal genomen en ook de inkomsten, uitgezonderd enkele kleine giften midden jaren negentig, worden regionaal gegenereerd. Het is wel zo dat een gemeenschappelijke Afghaanse ervaring in de jaren tachtig één van de steunpilaren van het huidige netwerk vormt, maar dit betekent helemaal niet dat de JI een gewapende arm van Al Qaeda zou zijn. Al Qaeda is niet meer dan één van de vele netwerken die rond de JI gevormd zijn en daarin zelfs een van de minder belangrijke. Wanneer je gedetailleerde rapporten leest over de voorbije twee aanslagen in Jakarta, komt daar duidelijk naar voor dat de hand van Al Qaeda uitermate beperkt is.6 Het is overigens opvallend dat de JI eigenlijk pas echt actief is geworden na de aanslagen van 9/11 wanneer de centrale structuur van Al Qaeda grotendeels is opgelost en gedecentraliseerd. Het lijkt ons dan ook duidelijk dat de greep van Al Qaeda op de JI in de voorbereiding van de voorbije bomaanslagen, onmogelijk zeer groot kan geweest zijn. Veel belangrijker dan het Al Qaeda-netwerk zijn de regionale netwerken die gevormd zijn rond de restanten van de Darul Islam-beweging en de pesantrens.7
De Darul Islam was oorspronkelijk een moslimrebellie met een duidelijk conservatieve ondertoon die gevoerd werd vanaf het einde van de jaren veertig tot begin jaren zestig tegen het secularistisch karakter van de grondwet van de nieuwe Indonesische staat. In 1962, na militair volledig verslaan te zijn, gaat de beweging ondergronds. Onder het autoritaire Soeharto-regime blijft de Darul Islam-beweging bestaan maar wordt hardhandig onderdrukt, wat een sterke, regionale fragmentatie tot gevolg had. Hierdoor krijgen we doorheen de jaren tachtig te maken met een beweging die sterk gedecentraliseerd is met quasi onafhankelijke regionaal verankerde structuren. Het zijn verschillende van deze structuren die de basis zullen vormen en eigenlijk nog altijd vormen voor de huidige JI. We zien dat bijna uitsluitend Darul Islam-militanten in de jaren tachtig zich engageerden als mujahideen, alle belangrijke leiders bij de JI een Darul Islam verleden hebben, en dat restanten van de Darul Islam altijd een logistieke basis hebben gevormd in de voorbereiding van de voorbije drie belangrijkste aanslagen van de JI. Ook het pesantren-netwerk rond de JI vervult een gelijkaardige logistieke functie. Pesantren zijn traditionele Islamscholen met een sterk conservatieve inslag die het best kunnen gezien worden als een soort Indonesische madrassa’s. Bij bepaalde van deze pesantren heeft de JI een uitermate sterke invloed en deze hebben dan ook deels een functie als rekruteringspoel en als logistieke ondersteuning voor bepaalde operaties van de JI. Naast deze twee zeer belangrijke netwerken zijn ook nog andere netwerken belangrijk zoals het Mindanao-netwerk dat vooral loopt via opleidingscentra van de MILF in de Zuidelijke Filippijnen, bepaalde businessnetwerken die de JI van de nodige fondsen voorzien en het gevangenisnetwerk waarin radicale islamieten die elkaar ontmoet hebben in de gevangenis contact met elkaar blijven onderhouden.
Hieruit blijkt dus duidelijk dat het zinloos is om de JI los te proberen zien van de maatschappelijke context waarin ze opereren. Het is namelijk zo dat, zeker sinds de aanslagen in Bali, in de voorbereiding van een operatie de JI een beroep doet op niet-formele leden die enkel voor die bepaalde operatie wel bij het JI-netwerk worden betrokken. Het is zelfs zo dat bij deze operaties, zoals de voorbereidingen van de laatste bomaanslag in Jakarta op de Australische ambassade, het aandeel van echt formele JI-leden vrij klein lijkt te zijn. Deze dynamische netwerkstructuur impliceert daarenboven dat er niet enkel input is van bepaalde netwerken rond de JI in de activiteiten van de JI maar dat de JI zelf ook een input levert in bepaalde gewapende groeperingen in de gehele Zuidoost-Aziatische regio. In zowat alle gevallen gaat het hier zelfs om groeperingen waarvan iedereen erkent dat ze niet als terroristisch bestempeld kunnen worden. Een interessant voorbeeld hiervan is de Laskar Jihad, een militante gewapende moslimgroepering die in 1999 ontstond om de moslims te ondersteunen in hun strijd tegen de christenen in het conflict in de Molukken. Het is onder meer bekend dat de JI de Laskar Jihad actief ondersteunde in het verschepen van strijders naar de Molukken in 2000 en dat er ook nog andere vormen van coöperatie tussen de twee gewapende groeperingen bestond.8 Net interessant is evenwel dat Paul Wolfowitz in het reeds vermelde interview expliciet stelt dat de Laskar Jihad, in tegenstelling tot de JI, niet kan gepercipieerd worden als een terroristische organisatie omdat deze gegroeid is vanuit een gevoel van sociaal-politieke marginalisatie.9 Niettegenstaande deze stelling van Wolfowitz zien we dat de Laskar Jihad en de JI elkaar dus wederzijds ondersteunden en ook de Laskar Jihad bepaalde banden onderhield met Al Qaeda en de Filippijnse Abu Sayyaf. Het lijkt er dan ook sterk op dat wat door bepaalde instanties als terroristisch bestempeld wordt, eigenlijk vrij arbitrair is en weinig steunt op afgelijnde standaarden.
Ook uit de interne structuur van de JI blijkt overigens dat het zeer moeilijk is deze organisatie als terroristisch te bestempelen. Los van het feit dat niet-formele leden vaak binnen de netwerkstructuur worden opgenomen, kunnen de formele leden ook niet over dezelfde kam gescheerd worden. Het is duidelijk dat ook binnen de JI verschillende netwerken bestaan die elkaar niet noodzakelijk bekampen maar er toch duidelijk andere rekruteringsbronnen en agenda’s op na houden. Een bekende factie binnen de JI, niet toevallig omdat ze zeer actief was bij het voorbereiden van enkele aanslagen en omdat het netwerk voor een groot deel werd opgerold met de arrestatie van Hambali in augustus 2003, is de Hambali-factie. Opvallend is dat de leden van deze factie bijna allemaal studeerden aan de Lukman ul-Hakiem pesantren, hoofdzakelijk een Maleisische achtergrond hebben en als enige factie binnen de JI echt sterke contacten in Afghanistan hebben. Het lijkt er dan ook sterk op dat de Hambali-factie een quasi autonoom bestaan had binnen de JI.
Het bestaan van verschillende facties binnen de JI betekent ook dat deze organisatie helemaal niet alleen maar gericht is op het plegen van bomaanslagen maar dat dit enkel een onderdeel van een breder ‘takenpakket’ vormt.10 Zo is de JI onder meer ook actief in het verschaffen van religieus onderwijs en bepaalde vormen van publieke voorzieningen zoals sociale bijstand. Aspecten met andere woorden die door de organisatie eenzijdig als terroristisch te bestempelen, weinig tot nooit aan bod komen.

Besluit

Zolang er geen afgelijnde en min of meer aanvaarde definitie van het begrip terrorisme bestaat, zal dit begrip op een arbitraire manier gebruikt worden. We denken dat we aan de hand van de netwerkstructuur van de JI hebben aangetoond dat de stempel ‘terrorisme’, met de nodige voorzichtigheid benaderd moet worden. Het is onmogelijk om gewapende groeperingen, hoe gruwelijk hun acties ook soms zijn, te reduceren tot een deep seated sort of malice. Door een gewapende groepering als terroristisch te bestempelen, zoals met de JI gebeurt, worden systematisch bepaalde aspecten overbelicht. We denken hier aan een overmatige aandacht voor het geweld zelf of de befaamde banden met Al Qaeda. Tegelijk worden bepaalde facetten van de beweging onderbelicht, waardoor ons beeld van de beweging in kwestie vertroebelt. Zo komt de dynamische netwerkstructuur van de JI of het feit dat deze groepering ook in bepaalde publieke diensten voorziet, nauwelijks aan bod.
Het belangrijkste gevolg van de benadering van terrorisme in termen van goed en kwaad is waarschijnlijk dat het discours om op een militaire manier gewapende groeperingen te bestrijden, veel aan kracht heeft gewonnen. We zien dit duidelijk in de Indonesische maatschappij waar de oorlog tegen het terrorisme bepaalde rechtse en reactionaire krachten terug in het middelpunt van het maatschappelijk debat heeft geplaatst.
Met de val van Soeharto in 1998 kwam de TNI, het nationale leger van Indonesië, kort in een identiteitscrisis te zitten omdat de mogelijkheden om het politieke (en economische) beleid naar hun hand te zetten, sterk verminderd waren. Lang heeft dit echter niet geduurd omdat na 1998 doorheen Indonesië verschillende lokale conflicten uitbraken. Dit gaf de kans aan de TNI om zich te profileren als de behoeder van de eenheid van het vaderland.11 De oorlog tegen het terrorisme heeft aan dit beeld nog een extra dimensie gegeven omdat de TNI zich nu ook kan profileren als behoeder van de veiligheid van alle Indonesiërs.12 Ook veiligheids- en informatiediensten hebben voor het eerst sinds 1998 een hernieuwde adem gevonden. Waar zij voordien het dictatoriale Soeharto-regime ondersteunden, profileren zij zich nu als de strijders tegen het terrorisme en de behoeders van de veiligheid. We vrezen dat deze evolutie voor een aantasting van de fragiele democratie in Indonesië zal zorgen.13 Net die instituties zoals het leger en de veiligheidsdiensten, waarvan de reformasi-beweging uit 1998 hoopte dat hun invloed en macht aan banden kon worden gelegd, krijgen met de oorlog tegen het terrorisme een open doelkans om hun relevantie aan de bevolking te bewijzen. Ook het feit dat een maand geleden Susilo Bambang Yudhyono, ex-generaal en voormalig minister van veiligheid, werd verkozen als nieuwe president van Indonesië bewijst dat het militaire discours terug aan slagkracht wint. Het lijkt er dan ook op dat de oorlog tegen het terrorisme een alsmaar sterker obstakel vormt voor de democratiseringsbeweging die zich vanaf 1998 in Indonesië heeft ontplooid en de rechtse en reactionaire krachten in het land een nieuwe kans heeft gegeven.

Jeroen Adam
Conflict Research Group, Universiteit Gent

Noten
1/ Juergensmeyer M., Terror in the Mind of God, California, Univeristy of California Press, 2000, p.154
2/ ‘Active Engagement: U.S. - Indonesia relations’, An interview by Jaideep Singh with Paul Wolfowitz, Washington D.C., 7 april 2002, in: Brown Journal of World Affairs, Spring 2002, Vol. IX, Issue 1.
3/ Ongeveer een jaar na z’n arrestatie naar aanleiding van de bomaanslagen in Bali werd Abu Bakar Ba’asyir terug vrijgelaten door gebrek aan effectieve bewijzen. Volgens de Indonesische autoriteiten droeg Ba’asyir geen directe verantwoordelijkheid maar heeft hij wel een morele verantwoordelijkheid in de bomaanslagen op Bali. Z’n vrijlating werd echter sterk bekritiseerd en onder internationale druk werd Ba’asyir eind oktober 2004 terug opgepakt en ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor de Bali-bomaanslagen. Vreemd is alleszins dat Ba’asyir beschuldigd is van de aanslag op het Marriot-hotel in Jakarta. Een aanslag die plaatsvond terwijl hij in de gevangenis zat. Voor meer informatie: http://news.bbc.co.uk/1/hi/world/asia-pacific.
4/ Smith A.L., ‘A Glass Half Full: Indonesia-U.S. Relations in the Age of Terror’, in: Contemporary Southeast Asia, XXV, No. 3, 2003, p.450
5/ Voorbeeld van een werk dat deze stelling verdedigt: Gunaratna R., Inside Al Qaeda. Global Network of Terror, Columbia University Press, 2002, p.192
6/ Zie hiervoor onder meer de rapporten gepubliceerd door het ICG. Deze geven een uitgebreide en genuanceerde beschrijving van de contacten en netwerken rond de JI, o.a. Jemaah Islamiyah in South East Asia: Damaged but still dangerous, ICG Asia Report No. 63, Jakarta/Brussel, augustus 2003.
7/ Soort Indonesische madrassa’s
8/ Desker B., ‘The Jemaah Islamiyah (JI) Phenomenon in Singapore’, in: Contemporary Southeast Asia, No. 3 (2003), p. 498.
9/ ‘Active Engagement: U.S. - Indonesia relations’, An interview by Jaideep Singh with Paul Wolfowitz, Washington D.C., 7 april 2002, in: Brown Journal of World Affairs, Spring 2002, Vol. IX, Issue 1.
10/ Fealy G., ‘Islamic Radicalism in Indonesia. The faltering revival?’, in: Southeast Asian Affairs, 2004.
11/ Mietzner M., ‘Politics of Engagement: The Indonesian Armed Forces, Islamic Extremism and the ‘War on Terror’’, in: Brown Journal of World Affairs, Spring 2002 - Vol. IX, Issue 1. p. 76.
12/ Hafidz T.S., The War on Terror and the Future of Indonesian Democracy, Singapore, Working Paper No. 46: Institute of Defense and Strategic Studies, maart 2003.
13/ Een gelijkaardige evolutie is ook bezig in andere Zuidoost-Aziatische landen zoals de Filippijnen, Maleisië of Singapore.

9/11 - terrorisme - Indonesië

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 7 tot 14