Abonneer Log in

Interactief internetgebruik in tijden van verkiezingskoorts

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 73 tot 88

Inleiding

De opkomst van het internet leidde enkele jaren geleden tot grote verwachtingen over het democratiserend effect van dit nieuwe medium. Door internet werd het voortaan veel gemakkelijker overheidsdocumenten en informatie ter beschikking te stellen van het brede publiek. Maar men hoopte vooral dat het interactieve karakter van internet zou leiden tot een democratisering van de communicatie tussen burger en politici. Terwijl het gebruik van de traditionele media vaak gepaard gaat met een eenrichtingsverkeer, hoopte men dat internet een meer egalitair communicatiepatroon tot stand zou kunnen brengen, waarbij het voor de burger veel gemakkelijker wordt haar of zijn mening te kennen te geven aan politici. Auteurs als Bruce Bimber en Richard Davis (2003, 5-6) stellen in dit verband: ‘Het interactieve karakter van het nieuwe medium levert uiteraard een fundamenteel verschil op (...). Het betekent dat de informatie in meerdere richtingen tegelijk kan vloeien. Het internetpubliek ontvangt niet alleen informatie van de politici, maar zendt ook informatie uit, en dit zorgt ervoor dat de impact van internet helemaal anders kan zijn dan die van andere media.’ Toch stellen we in de praktijk vast dat het interactieve gebruik van internet danig tegenvalt. Ook tijdens verkiezingscampagnes gaat het meestal om eenrichtingscommunicatie, waarbij kandidaten en politieke partijen hun websites systematisch gebruiken als onderdeel van een bredere communicatiestrategie (Hooghe en Stouthuysen, 2001). Het aanvankelijk enthousiasme over de democratiserende werking van internet is dan ook grotendeels verdwenen in de meer recente literatuur (Ward et al., 2003; Norris, 2003).

Partijprofiel-websites (PPW)

Als de komst van internet al geleid heeft tot het ontstaan van nieuwsoortige vormen van politieke communicatie, dan vormen de partijprofiel-websites (of PPW) hiervan een belangrijk voorbeeld. Stemadviezen en kieshulpen bestonden gewoon niet voor dat er van internet sprake was: in principe zou je een dergelijke test ook kunnen afdrukken, maar de PPW’s ontlenen hun aantrekkingskracht precies aan het interactieve karakter ervan. Juist omdat je in een fractie van een seconde een geïndividualiseerd partijprofiel krijgt, is het gebruik van PPW’s op enkele jaren tijd een groot succes geworden. Dat is vooral het geval in meerpartijensystemen, waar het voor de modale kiezer een stuk moeilijker is een overzicht te krijgen van de programmapunten van alle partijen. Voor zover wij weten bestaat er geen PPW in landen met een tweepartijensysteem, en het is trouwens ook zeer twijfelachtig of een PPW bijzonder behulpzaam zou zijn voor Britse kiezers die zich afvragen of ze het dichtst aansluiten bij het gedachtegoed van de Conservatieven of bij dat van Labour. PPW’s kunnen dan ook beschouwd worden als een typisch product van een meerpartijensysteem en de allereerste website ging van start in Nederland in 1998. Op dat ogenblik was internet zeker nog geen gemeengoed in Nederland, en was het nieuwe medium nog lang niet doorgedrongen tot in de modale huiskamer. Toch maakten toen reeds ca. 250.000 mensen gebruik van die allereerste PPW’s. Vanaf 1998 werd het nieuwe fenomeen systematisch gebruikt bij elke nieuwe verkiezing. In 1999 kwam er een Wij kiezen partij voor u-website voor Vlaanderen, en die kreeg meer dan 150.000 gebruikers over de vloer. Bij de verkiezingen in Nederland in 2002 werden liefst 2.600.000 stemadviezen uitgedeeld, wat goed is voor zowat 20 procent van alle kiesgerechtigden. Ook in Duitsland werd de Wahl-O-Mat een groot succes, met bijna 4.000.000 individuele profielen.1
PPW’s zijn dus een belangrijk onderdeel geworden van een verkiezingscampagne, zeker indien de stemtest ook in televisie aan bod komt, zoals dat het geval is in Nederland en in België. In elk geval zien we dat de partijen zelf het uiterst belangrijk vinden zo gunstig mogelijk aan bod te komen in deze PPW’s en er zijn zelfs aanwijzingen dat een aantal partijen reeds programmapunten hebben gewijzigd, enkel en alleen om op die manier een beter profiel te krijgen in de PPW’s. Critici van het systeem wijzen dan ook op het feit dat PPW’s kunnen leiden tot een versimpeling of zelfs een vermarkting van de politiek. Alle ideologische verschillen worden dan herleid tot een meningsverschil over enkele zwart-witstellingen. Inhoudelijk moet hierbij echter opgemerkt worden dat PPW’s toch meer te bieden hebben dan louter een opsomming van opinies over de meest diverse onderwerpen. In een goed opgestelde PPW verwijst elke stellingname naar een onderliggende waardedimensie, waarvan we weten dat die het stemgedrag beïnvloedt. In die zin kan men de PPW zien als een afgeleide van het verkiezingsonderzoek, zoals zich dat de afgelopen decennia heeft ontwikkeld. Daarbij is het meestal de bedoeling partijkeuzes te voorspellen aan de hand van dieper liggende waardenoriëntaties. Een van de klassieke resultaten van dit soort onderzoek is dat kiezers van het Vlaams Blok vooral worden gemotiveerd door gevoelens van etnocentrisme, onveiligheid en wantrouwen. Een goed opgestelde PPW is gebaseerd op dezelfde verbanden: we peilen bij de gebruiker hoe wantrouwig/etnocentrisch/bang voor criminaliteit hij of zij is, en aan de hand van deze gegevens kunnen we dan min of meer voorspellen in hoeverre de waardenoriëntaties duiden op een voorkeur voor een politieke partij.
Een tweede belangrijk onderdeel van het opstellen van een stemtest is dat men vervolgens moet coderen hoe de partijen zich opstellen rond deze oriëntaties. Hiervoor bestaan twee verschillende methoden. Ofwel laat men onafhankelijke experts bepalen waar een bepaalde partij volgens hen voor staat. Het nadeel van deze methode is dat deze onafhankelijke deskundigen onvoldoende vertrouwd kunnen zijn met het gedachtegoed van die partij, of dat ze een verouderd beeld hebben van de ideologie van die partij. Men kan dit bezwaar gedeeltelijk opvangen door een beroep te doen op meerdere deskundigen, liefst met verschillende achtergronden. Een Wetstraatjournalist zal over het algemeen met een iets andere visie kijken naar de politieke partijen dan een politiek wetenschapper. Als beiden dan toch tot dezelfde inschatting komen van het ideologische profiel van een bepaalde politieke partij, dan kan men toch reeds een grotere validiteit toeschrijven aan die positionering. De alternatieve methode bestaat erin dat men de partijen zelf laat beslissen over hun ideologische positionering, door bijvoorbeeld aan een aantal kopstukken van de partij te vragen zelf de vragenlijst in te vullen. Vervolgens gaat men dan na in hoeverre de positie van de gebruiker overeenstemt met de positie van die partij-kopstukken. Het grote risico van deze methode is uiteraard dat de partijen zelf zich zeer goed bewust zijn van het strategisch belang van de PPW’s. Ze hebben er dus alle belang bij de PPW niet op een volstrekt eerlijke manier in te vullen, maar wel op een manier waardoor zo veel mogelijk potentiële kiezers ook bij die partij terechtkomen. Een partij die zou ijveren voor het verhogen van de belastingen, bijvoorbeeld, zal tijdens een dergelijke PPW-oefening uiteraard niet invullen dat men de belastingen zal verhogen, omdat er waarschijnlijk heel weinig kiezers gewonnen zijn voor een dergelijk standpunt. Het risico van deze tweede methode is dan ook dat de opstellers van de PPW gemanipuleerd worden door de campagnestrategie van de betrokken politieke partijen.
De inhoudelijke vraag of PPW’s goed of slecht zijn, kan dus niet eenduidig beantwoord worden. Er zijn goede en er zijn minder goed gemaakte PPW’s. Komt daarbij dat de omstandigheden waarin gewerkt wordt, sterk kunnen verschillen. Wie een PPW opstelt voor een geïnteresseerd en hoogopgeleid publiek kan werken met relatief complexe stellingen, waarin reeds ruimte is voor enige nuancering. Die ruimte is al stukken minder als men werkt voor een breder publiek: een PPW voor de krant Het Laatste Nieuws, zal er helemaal anders uitzien dan een PPW voor De Tijd. In elk geval kan men echter stellen dat een degelijk opgebouwde PPW een betrouwbaar beeld schetst van de politieke voorkeuren van de gebruiker, en die voorkeuren vervolgens uitdrukt in een afstand tot de politieke partijen.

Wij kiezen partij voor u

Naast deze inhoudelijke argumenten is er echter ook enige bezorgdheid omtrent de mogelijke effecten van het PPW-gebruik op de politieke krachtsverhoudingen. Dit soort klachten gaat ervan uit dat sommige politieke partijen, die een ‘gemakkelijk’ en goed verteerbaar programma hebben, beter zullen ‘scoren’ op een PPW dan partijen die wat moeilijker standpunten vertolken. De vrees is vervolgens dat mensen die een geïndividualiseerd partijprofiel krijgen dat dicht aanleunt bij die ‘vlotte’ partij, vervolgens ook op die partij zullen stemmen. PPW’s zouden op die manier een belangrijke impact kunnen hebben op het verloop van de verkiezingscampagne, en ze zouden ook een dankbaar object kunnen worden voor manipulatie. Als we willen nagaan of die vrees terecht is, moeten we eerst nagaan wie er juist een PPW gebruikt. Als dat reeds allemaal verstokte partijleden zijn, die enkel een bevestiging zoeken van hun oorspronkelijke voorkeur, is het risico op beïnvloeding natuurlijk gering. Een lid van Groen! dat als advies meekrijgt dat hij het dichtst bij het gedachtegoed van de VLD staat, zal zich in het kieshokje allicht weinig gelegen laten liggen aan dat ‘stemadvies’. Vandaar dat het belangrijk is om een zicht te krijgen op het profiel van de PPW-gebruiker. Afhankelijk van de kenmerken van de gebruikers, is het immers meer of minder waarschijnlijk dat gebruikers zich ook daadwerkelijk zullen laten leiden door het gegeven ‘stemadvies’.
Zowel in 2003 als in 2004 waren wij beiden betrokken bij het opstellen van de PPW die gebruikt werd door De Standaard. In 2003 werd deze PPW ook actief gepromoot door de website politicsinfo.net, terwijl dit in 2004 niet langer het geval was. Telkens werd het Stemadvies gelanceerd ruim een maand voor de verkiezingen, en werd het gedurende de hele verdere campagne gepromoot, wat resulteerde in een gestage stroom gebruikers. De vragen voor de website werden telkens opnieuw opgesteld, en werden gewogen op basis van het advies van onafhankelijke experten over de standpunten van de verschillende partijen in Vlaanderen. Op basis van de logfiles van de website werden enkele algemene gegevens verzameld over de gebruikers van de PPW. Het is belangrijk hierbij op te merken dat deze informatie werd bijgehouden met toestemming van de gebruiker, en op basis van een volledig geanonimiseerde interface. Deze gegevens laten met andere woorden op geen enkele wijze toe een verband te maken tussen identiteit van de gebruiker, ideologische voorkeuren of gegeven stemadvies. De privacy van de PPW-gebruiker wordt hier dus op de meest scrupuleuze manier gewaarborgd. Desalniettemin laten deze logfiles een fascinerend beeld zien van wie nu eigenlijk een PPW gebruikt, wanneer men dat doet, met welke verwachtingen, en welke verschuivingen er daarbij optreden. Voor zover wij weten is het de allereerste keer dat een dergelijke analyse op dit soort cijfergegevens kan worden uitgevoerd.

De gebruikers van het

Stemadvies

Een belangrijke belemmering voor het aanwenden van internet voor democratische doeleinden is het feit dat niet alle bevolkingsgroepen in gelijke mate toegang hebben tot het medium. Deze digital divide bestaat niet alleen tussen meer en minder welvarende landen, maar ook binnen welvarende landen zelf. In de begindagen van het internet waren de gebruikers voornamelijk mannelijk en hoger opgeleid of goedverdienend. Dit fenomeen is steeds kleiner aan het worden naarmate meer huishoudens op internet aangesloten worden (Katz et al., 2001). In België groeit het internetgebruik snel, en telde de Internet Service Providers Assocation in oktober 2004 een totaal van 1.622.000 internetaansluitingen aan huis, wat een dekkingsgraad van 40% van alle huishoudens betekent. Belangrijker is nog dat 73% hiervan breedbandaansluitingen zijn, waarbij gebruikers een vast bedrag per maand betalen. Dat betekent dat het geen extra geld kost om een bepaalde tijd online te zijn (ISPA, 2004). Door deze snel veranderende omstandigheden van internetgebruik is het extra belangrijk te bepalen wie de gebruikers van PPW’s zijn. De gegevens over het aantal internetaansluitingen zouden kunnen laten vermoeden dat zowat iedereen tegenwoordig online is, maar dat betekent uiteraard nog niet dat ook alle bevolkingsgroepen het internet zullen gebruiken voor politieke doeleinden.
Het meten van bezoekersaantallen van websites is echter een lastig, om niet te zeggen onoplosbaar probleem. Houders van websites hebben doorgaans de neiging de aantallen erg rooskleurig voor te spiegelen, bijvoorbeeld omdat ze belang hebben bij een hoog bezoekersaantal (bijvoorbeeld omwille van advertentieinkomsten). Deze neiging is niet verenigbaar met de vereiste dat alle getelde gebruikers ook unieke, serieuze en nieuwe gebruikers representeren. Om elke schijn van te positief voorspiegelen tegen te gaan, hebben we de meest conservatieve aanpak gekozen, door elk betwistbaar datapunt te schrappen uit onze dataset. Het belangrijkste probleem hierbij is dat het onmogelijk is om op technische wijze onderscheid te maken tussen het geval van een gebruiker die tweemaal de lijst invult (bijvoorbeeld om te kijken wat het effect is van het anders beantwoorden van een paar vragen), en het geval van een huishouden waar verschillende gezinsleden na elkaar de lijst invullen via dezelfde computer. Om aan de veilige kant te zitten, hebben we alle opeenvolgende invullingen via dezelfde computer verwijderd uit de dataset.

Per elk uitgedeeld partijprofiel zijn onder meer de volgende gegevens verzameld:
1. De antwoorden en gewichten die de gebruikers als reactie op de stellingen gaven,
2. De antwoorden op de socio-demografische vragen (gebruikers mochten deze vragen desgewenst onbeantwoord laten): leeftijd, opleiding, geslacht en stemgedrag bij de laatste verkiezingen,
3. Het gegeven partijprofiel,
4. De datum en exacte tijd van het geven van het partijprofiel,
5. Het geanonimiseerde IP-adres2 van de gebruiker, en als de gebruiker de site bezocht via een zgn. proxy, samengevoegd met het geanonimiseerde IP-adres van de proxy,
6. De landencode van het IP-adres3 van de gebruiker, en als de gebruiker de site bezocht via een zgn. proxy, samengevoegd met de landencode van de proxy,
7. Of de webbrowser van de gebruiker een zgn. permanent cookie accepteert,
8. Het tijdelijke session cookie van de webbrowser van de gebruiker.4

Het proces van het schrappen is een opeenvolging van reductiestappen. Om te beginnen schrapten we alle punten behalve de eerste voorkomens van elk geanonimiseerd IP-adres, permanent cookie en session cookie. Vervolgens zijn alle datapunten die van buiten België kwamen verwijderd, en alle datapunten van gebruikers die minder dan 35 vragen beantwoordden (van de 42 of 48). Als gevolg hiervan zijn bijna de helft van alle datapunten verwijderd, en kunnen we met grote zekerheid stellen dat de datapunten die we wel overhouden unieke gebruikers representeren die de lijst voor het eerst invullen. Dit is een reëel aantal, gezien het feit dat nogal wat gebruikers na het verkrijgen van hun eerste partijprofiel, graag nog even experimenteren met het systeem. In de overgebleven dataset hebben we gezocht naar patronen die zouden kunnen wijzen op gebruikers die proberen de statistieken van het systeem te beïnvloeden (een veelvoorkomend probleem bij online stemprogramma’s) maar we hebben geen enkele aanwijzing gevonden dat dergelijke patronen aanwezig zouden zijn. Wij veronderstellen dat dit te danken is aan de erg strikte reductiestappen.5 Omdat geen geaggregeerde gegevens gepubliceerd werden tijdens de campagne, hadden partijen geen belang bij het beïnvloeden van hun score.

Tabel 1: Aantallen gebruikers van Wij kiezen partij voor u in 2003 and 2004

Tabel 1 vat samen hoeveel partijprofielen er werden gegeven, en hoeveel daarvan wij beschouwen als ‘onbetwistbare’ partijprofielen die gegeven werden aan unieke, serieuze en nieuwe gebruikers. In totaal gaat het dus om ten minste 120.000 gebruikers in 2003 en 86.000 in 2004. Het gaat hier dus telkens om 1,5 à 2 procent van het totale aantal kiezers in Vlaanderen, en enkel en alleen al uit deze cijfers blijkt dat PPW’s een niet onbelangrijk fenomeen zijn geworden in de verkiezingscampagne. Er kan niet aangenomen worden dat de gebruikersgroepen van 2003 en 2004 grotendeels overlappen, omdat voor de PPW van 2003 door grotendeels andere media werd geadverteerd dan voor de PPW van 2004.

Figuur 1: Leeftijdsverdeling (verticaal) en geslachtsverdeling (horizontaal) van de gebruikers. Ter vergelijking is dezelfde verdeling weergegeven voor de Vlaamse populatie

Figuur 2: Het opleidingsniveau en stemgedrag van de gebruikers

| | |

Om te beginnen schetsen we het achtergrondprofiel van de PPW-gebruikers qua leeftijd, geslacht en opleidingsniveau. We vergelijken deze gegevens met de officiële bevolkingscijfers (Nationaal Instituut voor de Statistiek, 2003; Nationaal Instituut voor de Statistiek, 2002). Wat betreft de leeftijd zien we een duidelijke overrepresentatie van jonge gebruikers: het leeftijdssegment van 15 tot 29 jaar neemt meer dan de helft van alle gebruikers voor zich, zowel in 2003 als 2004. Ook in 2004 is dit het dominante patroon, ondanks het feit dat de PPW dat jaar enkel door de krant De Standaard werd gepromoot. Het aantal gebruikers neemt snel af naarmate de leeftijd boven de 65 komt, en ook zien we nauwelijks gebruikers van onder de 15. Ondanks het feit dat veel scholen de PPW gebruiken in hun lessen, maken schoolkinderen duidelijk niet de bulk uit van de gebruikers. Verder zien we dat de politieke internetgebruikers nog steeds overwegend mannelijk zijn, met ruim 60% van alle gebruikers. Ook wat betreft opleidingsniveau worden eerdere bevindingen qua politiek internetgebruik bevestigd, gezien het grote aandeel hoog opgeleide gebruikers. Dat de gebruikers in 2004 een grotere bias vertonen dan in 2003 kan verklaard worden doordat de PPW 2004 actief gepromoot werd door De Standaard, een krant die een doorgaans hoger opgeleid publiek bedient. Maar zelfs voor de gebruikers van 2003 zien we een duidelijke bias naar hoger opgeleiden, ondanks de ruimere weerklank die de PPW toen kreeg.

Figuur 3: Het stemgedrag van de gebruikers vergeleken met de verkiezingsuitslagen

Tot slot heeft in 2003 82% van de meegetelde gebruikers de vraag beantwoord wat men gestemd heeft bij de op dat moment meest recente verkiezingen; in 2004 heeft 90% van de meegetelde gebruikers deze vraag beantwoord.7 Deze gegevens bevatten geen verrassingen: de meeste partijen zijn goed vertegenwoordigd in onze dataset. Uitzonderingen zijn het Vlaams Blok (waarvan we weten dat deze voornamelijk lager opgeleide stemmers trekt) en het CD&V, dat vooral oudere kiezers aantrekt. Gegeven dat onze gebruikers voornamelijk jong en hoger opgeleid zijn, is dit een goed te verklaren bevinding; de overige partijen zijn allemaal goed vertegenwoordigd, redelijk in overeenstemming met hun electorale sterkte.8
Samenvattend kunnen we stellen dat bij de gebruikers van deze PPW er een sterke bias is naar jonge mensen, mannen en hoogopgeleiden. Hun stemgedrag is in overeenstemming met deze achtergrondvariabelen, met een lichte voorkeur voor Agalev/Groen! en SP/sp.a, en kent een ondervertegenwoordiging van het Vlaams Blok en het CD&V. Waar in de meest recente literatuur gesuggereerd wordt dat het internetgebruik sterk gedemocratiseerd is, blijkt dit duidelijk (nog?) niet het geval voor het politieke internetgebruik. Hierbij speelt natuurlijk ook een rol dat deze PPW voornamelijk van gebruikers werd ‘bevoorraad’ door De Standaard, een krant voor hooggeschoolden. Maar ook in 2003, toen er andere content-providers betrokken waren bij deze PPW, blijft de bias heel sterk in de richting van de hooggeschoolden.

De uitgedeelde partijprofielen

Het volgende onderwerp dat we willen onderzoeken betreft de gegeven partijprofielen zelf. Elke gebruiker heeft een persoonlijk partijprofiel gekregen, waarbij een afstandsmaat wordt gegeven tussen de eigen politieke voorkeuren, en de voorkeuren van de diverse politieke partijen. Het samenvatten van de gegeven partijprofielen is een ingewikkelde bezigheid, omdat een partijprofiel niet slechts één partij bevat, maar een inschaling van álle 8 partijen. Elke gebruiker krijgt voor elke partij een waarde die weergeeft hoe goed de partij bij de gebruiker aansluit. Voor het samenvatten van de gegeven partijprofielen negeren we de absolute waarden, en vereenvoudigen we het profiel door het te beschouwen als een sequentie, een sortering van partijen. In elk vereenvoudigd profiel heeft elke partij een rank, een plaats in de volgorde van passendheid van partijen. De best passende partij staat vooraan, gevolgd door de op-een-na-beste partij, zo door tot de minst passende partij. In de verdere analyse houden we dus geen rekening meer met de hoogte van de staafjes, enkel nog met de volgorde van de partijen. We tellen nu voor elke partij op hoe vaak deze voorkomt op elke plaats van de sequentie. Dit levert ons figuur 4.

Figuur 4: Geaggregeerde partijprofielen voor 2003 en 2004. Het nummer is de plaats in de sequentie (rank) die de partij inneemt

| | |

Elke partij komt voor in elk profiel, daardoor tellen de totalen telkens op tot 100%. Het samenvatten van de partijprofielen op deze wijze staat ons toe om in detail te kijken naar de verzameling partijprofielen. Zo krijgt het Vlaams Blok bijvoorbeeld bij 17% van de gebruikers plaats 1 (de hoogste score), maar tevens plaats 8 (de laagste score) bij een andere 31% van de gebruikers in 2003, en zelfs 42% van alle gebruikers in 2004. Daarentegen zien we voor Spirit, een partij die meer in het politieke midden zit, slechts een klein percentage op plaats 1, maar ook slechts een klein percentage op plaats 8. Daar waar het Vlaams Blok leidt tot een polarisatie in de opinie, heeft een middenpartij als Spirit een heel andere appeal op het publiek. Meer algemeen zien we dat de partijen aan de uiteinden van het politieke spectrum maar weinig voorkomen in het midden van de schaal (op plaatsen 3 tot en met 6). Dat is natuurlijk te verwachten, omdat naarmate een partij extremere standpunten inneemt, mensen ook een uitgesprokener mening over een dergelijke partij hebben. Als we het percentage gebruikers dat een partij in het midden van de schaal krijgt, uitzetten tegen de partijen, wordt dit effect nog duidelijker zichtbaar (zie figuur 5). Deze grafiek laat perfect de mate van extremiteit zien van de Belgische politieke partijen: Vlaams Blok, PvdA en Groen! zijn het meest extreem, Spirit, CD&V en NVA zitten het dichtst tegen het politieke midden aan, en de sp.a en VLD zitten daar ergens tussenin (Deschouwer, 2004). De plaats van Vivant is moeilijk te interpreteren, omdat het (vrijwel) een one-issue partij is. Anders gesteld: CD&V en Spirit zijn typische mainstream partijen, zonder al te veel echt grote vijanden, en die fellere gevoelens leven wel omtrent partijen als het Vlaams Blok, Groen! of de Partij van de Arbeid.

Figuur 5: De fractie van de partijen die eindigen op de plaatsen 3 tot en met 6

Gebruik van de PPW door de tijd

Uiteraard kunnen we ook zien wanneer precies kiezers een partijprofiel vragen, en dit levert interessante informatie op, omdat het ons toelaat iets te zeggen over het tijdstip wanneer mensen blijkbaar behoefte hebben aan een dergelijke oefening. Deze informatie is interessant omdat ze inspeelt op een ruimere theoretische discussie over de impact van verkiezingscampagnes. Terwijl sommige auteurs stellen dat de belangstelling voor politiek gedurende de hele campagne op een hoger niveau wordt getild, gaan anderen ervan uit dat de publieke opinie slechts echt aandacht schenkt aan de politiek gedurende de laatste dagen voor de campagne. Het tijdstip waarop kiezers hun persoonlijke profiel willen kennen, kan uiteraard verschillend zijn voor verschillende delen van de kiezerspopulatie. We geven hier gebruikersaantallen van dag tot dag (figuur 6), en de verdeling van geslacht (figuur 7) en opleidingsniveau (figuur 8) van dag tot dag. In 2004 is de PPW gelanceerd exact 40 dagen voor de verkiezingen. In 2003 was de lancering iets eerder. Voor het gemak van vergelijking tonen we hier alleen de gegevens vanaf 40 dagen voor de verkiezingen. In beide jaren zakte het gebruik van de PPW direct na de verkiezingen tot vrijwel nul. Bij alle figuren toont telkens de linker grafiek de gegevens voor 2003 en de rechter grafiek de gegevens voor 2004. Terwijl in 2003 de website elke werkdag 2 à 4.000 gebruikers trok, was dat in 2004 gemiddeld een goede 2.000 per werkdag.

Figuur 6: Aantallen gebruikers per dag

| | |

Figuur 7: Verdeling over geslacht per dag

| | |

Figuur 8: Verdeling over opleidingsniveau per dag

| | |

In 2003 zond de VRT op D-28 de partijprofielshow Doe de stemtest uit, hetgeen de scherpe piek op D-28 in de 2003 grafiek lijkt te verklaren. In 2004 lanceerde De Standaard de PPW met een groot artikel op de voorpagina, hetgeen de piek op D-40 in de 2004 grafiek verklaart. Verder zien we duidelijk een wekelijks ritme in de grafieken, met meer bezoekers op doordeweekse dagen dan in het weekeinde. Dit laat vermoeden dat nogal wat gebruikers hiervoor hun kantoorcomputer inschakelen. Het politiek gebruik van het internet is blijkbaar minder vanzelfsprekend in het weekend, wanneer internetgebruik blijkbaar meer in het teken staat van de ontspanningsfunctie. Ook zien we een duidelijke groei van het aantal gebruikers in de dagen vlak voor de verkiezingen.
Als we vervolgens kijken naar verschillen bij de achtergrondkenmerken van de gebruikers, dan zien we een duidelijke evolutie in de loop van de campagne: in beide jaren is de verdeling op D-40 schever dan op D-0. In de begindagen zijn de gebruikers bijzonder hoog opgeleid, en overwegend van het mannelijk geslacht. Dit zijn de early adopters van de PPW, maar naarmate de tijd vordert, wordt de groep van gebruikers representatiever voor het electoraat. Dat in 2004 de selectiviteit in het begin hoger is dan in 2003 kan gedeeltelijk verklaard worden door het feit dat de PPW in 2004 gepromoot werd door De Standaard. We weten dat deze krant een doorgaans hoger opgeleid publiek aantrekt.
De verdeling in zowel geslacht als opleidingsniveau verandert nogal in de tijd, zoals in de grafieken gezien kan worden, en het mannelijk en het hooggeschoold karakter van de gebruikers wordt geleidelijk minder uitgesproken. De leeftijdsopbouw en het stemgedrag vertonen echter slechts zeer kleine fluctuaties over de tijd, en daarom zijn deze grafieken hier weggelaten.

Kiezersvolatiliteit tijdens de campagne

Doordat we weten wat de gebruikers bij de laatste verkiezingen gestemd hebben, kunnen we zien in hoeverre de opinie van gebruikers tijdens de campagne correleert met de opinie (althans het stemgedrag) bij de laatste verkiezingen (dus drie jaar eerder in 2003, en een jaar eerder in 2004). Om deze relatie te laten zien, hebben we voor elke partij het percentage van haar stemmers weergegeven die de partij in de eerste plaats in het partijprofiel krijgen. Dit is weergegeven in figuur 9.

Figuur 9: De relatie tussen stemgedrag bij de laatste verkiezingen en de gegeven partijprofielen. N is weergegeven boven elke grafiekbalk.

| | |

Zo zien we bijvoorbeeld dat 67% van de mensen die in 2003 voor het Vlaams Blok kozen, in 2004 deze partij op plaats 1 in hun partijprofiel terugvonden. We zien, zoals te verwachten is, dat voor kiezers van de extremere partijen (Agalev/Groen!, Vlaams Blok, PvdA) het voorbije stemgedrag een betere voorspeller is voor het partijprofiel dan voor kiezers van de middenpartijen (Spirit, CD&V, N-VA). Een vaststelling die misschien in het verleden te weinig aandacht kreeg, is dat kiezersvolatiliteit een heel ander probleem is voor extreme partijen dan voor partijen die zich meer in het centrum opstellen. De kiezer van een extreme partij als het Vlaams Blok, die ontevreden is over zijn initiële partij, kan in principe slechts één kant op, namelijk meer naar het midden. De kiezer van een centrumpartij als Spirit, daarentegen, kan gemakkelijk naar alle mogelijke richtingen gebruik maken van de exitoptie.
Dankzij onze unieke gegevensverzameling kunnen we ook een gedetailleerde beschrijving geven van de publieke opinie van dag tot dag. Onder andere kunnen we laten zien in welke mate het partijprofiel nog overeenkomt met het stemgedrag bij de laatste verkiezingen. Dit zijn cruciale gegevens als we willen onderzoeken op welk moment tijdens een campagne kiezers hun daadwerkelijke stem bepalen (Norris et al., 1999). In figuur 10 hebben we de gemiddelde adviesplaats van de partij waar de gebruiker bij de laatste verkiezingen voor koos, uitgezet tegen de tijd. Zo zien we bijvoorbeeld dat bij de mensen die in 2000 op de VLD hebben gestemd, de VLD in 2003 gemiddeld op de tweede plaats van het advies terechtkomt, met slechts weinig variaties in de tijd.

Figuur 10: De gemiddelde adviesplaats van de partij waar de gebruiker voor koos bij de laatste verkiezingen, uitgezet tegen de tijd.

| | |

We zien dat de gemiddelde adviesplaats langzaam stijgt in de tijd, wat suggereert dat in de loop van de campagne de kiezers langzaam van hun keuze bij de vorige verkiezingen afdrijven. De snelheid van deze divergentie wordt groter in de laatste paar dagen voor de verkiezingen. Verder zien we dat de snelheid van afdrijving ongeveer even groot is voor alle partijen, waarbij de absolute mate van afdrijving duidelijk gerelateerd is aan de extremiteit van de partij.9

Een gerelateerde vraag die onderzocht kan worden met gebruikmaking van onze dataset is of de opinie van kiezers uitgesprokener raakt naarmate de campagne vordert, of juist niet. De uitgesprokenheid kan op twee wijzen gemeten worden. De eerste wijze is door te kijken naar de verschillen in de lengtes van de staven in het partijprofiel, en de Shannon Entropie (Shannon, 1948; Stefik, 1995) van het partijprofiel te berekenen. Dit geeft weer in welke mate de favoriete partijen uitsteken boven de minder favoriete partijen in het partijprofiel. Deze maat bleek over de tijd nagenoeg constant te zijn. De tweede wijze is door te kijken naar de niet opgeschaalde staven van het partijprofiel, en het absolute verschil tussen de meest favoriete en minst favoriete partij te meten, en dit geeft weer hoeveel de meest favoriete partij beter is dan de minst favoriete partij.10 Hoe deze maat zich gedraagt over de tijd is te zien in figuur 11. De maat zakt zeer langzaam over de tijd. Als er dus iets afgeleid kan worden uit deze gegevens, is dat kiezers juist minder uitgesproken worden in de loop van de campagne, hoewel dit effect tamelijk zwak blijft.

Figuur 11: De afstand tussen de meest favoriete en minst favoriete partij uitgezet tegen de tijd, gemeten in eenheden.

| | |

Conclusie

Democratische theorieën gaan vaak uit van de idee van de geïnformeerde kiezer, die weet heeft van de inhoud van de verkiezingsprogramma’s. In de praktijk blijkt de geïnformeerde kiezer echter een bijzonder en weinig frequent voorkomend specimen. Voor het eerst is het nu mogelijk dat kiezers kunnen bepalen welke partij het beste bij hen past. Uiteraard weten we niet in hoeverre de gebruiker het verkregen partijprofiel meeneemt in de uiteindelijke stem, of dat de gebruiker het systeem enkel bij wijze van entertainment gebruikt. PPW’s zijn het eerste politieke fenomeen dat daadwerkelijk gebruik maakt van het interactieve en gepersonaliseerde potentieel van het Internet.
Wat opvalt bij de analyse van het profiel van de PPW-gebruikers is dat de toegang tot de politieke toepassingen van het internetgebruik, tot nader order beperkt blijft tot enkele duidelijk afgebakende groepen binnen de bevolking. Ondanks de democratisering van de toegang tot het internet, blijkt dat de modale kiezer niet onmiddellijk politieke informatie zal opzoeken via dit nieuwe medium. Dit duidelijk afwijkend profiel betekent vooralsnog dat de gebruikers van politieke internet-toepassingen niet representatief zijn voor de bevolking in het algemeen, en dus zeker niet kunnen gebruikt worden om uitspraken te doen over de publieke opinie.
Anderzijds laat het specifieke profiel van de PPW-gebruikers ons ook toe enigszins sceptisch te zijn over de veronderstelde manipulatieve effecten van stemtesten. PPW’s worden gebruikt door kiezers met een hoog opleidingsniveau, die reeds van bij de aanvang een meer dan gemiddelde interesse hebben voor het politieke gebeuren. Dit betekent uiteraard niet dat ze immuun zouden zijn voor politieke beïnvloeding of manipulatie, maar wel dat die beïnvloeding een stuk moeilijker zal zijn dan bij mensen die slechts om oppervlakkige motieven een PPW bezoeken. Hoewel we rekening moeten houden met het feit dat deze PPW zeer specifiek onder hoogopgeleiden recruteerde, is de voor de hand liggende conclusie dat de beïnvloeding door PPW’s relatief gering zal zijn, juist omdat we te maken hebben met zelfselectie van de gebruikers. Diegenen die reeds op voorhand geïnteresseerd zijn, zullen ook diegenen zijn die het moeilijkst te overtuigen zijn.
Dat betekent uiteraard niet dat de PPW’s helemaal geen invloed zouden hebben op verkiezingscampagnes. Alleen zal die invloed waarschijnlijk niet in eerste instantie verlopen via de kiezers, maar wel via de partij-elites. Zij staren zich blind op het verloop van de stemtesten, en zij trekken daar ten onrechte conclusies uit omtrent het verloop van de publieke opinie in het algemeen, zonder rekening te houden met het selecte karakter van de PPW-gebruikers. De uitschuiver van sp.a-voorzitter Steve Stevaert omtrent de Wet-Lejeune vormt hiervan een uitstekend voorbeeld.
PPW-gegevens kunnen echter niet gebruikt worden om uitspraken te doen over de bevolking in het algemeen, en om dergelijke verkeerde interpretaties te vermijden, verdient het dan ook aanbeveling dat de PPW-verantwoordelijken dergelijke geaggregeerde gegevens niet zouden vrijgeven tijdens de verkiezingscampagne, maar dat enkel achteraf zouden doen, bijvoorbeeld in een wetenschappelijke publicatie.
Als de stemtesten al een negatieve impact zouden hebben op de kwaliteit van het politieke debat, dan is dat misschien niet omwille van de invloed die de stemtesten hebben op de gebruikers, maar wel omwille van de manier waarop de partijhoofdkwartieren zelf reageren op dit nieuwe campagnemedium.

Wouter Teepe
Kunstmatige Intelligentie, Rijksuniversiteit Groningen
Marc Hooghe
Departement Politieke Wetenschappen, Katholieke Universiteit Leuven

Noten
1/ De aantallen betreffen de totaal uitgedeelde ’stemadviezen’. Omdat sommige gebruikers echter vaker om een ‘stemadvies’ vragen, zal het daadwerkelijke aantal lager liggen.
2/ Op het moment van het geven van het stemadvies is het IP-adres van de gebruiker door een secure hash function (MD5) gehaald. Dit betekent dat als hetzelfde IP-adres later voorbijkomt, herkend kan worden dat het om hetzelfde IP-adres gaat. Desalniettemin is het niet mogelijk om van de hashwaarde het IP-adres te bepalen, en op deze manier is de anonimiteit van de gebruiker volledig gewaarborgd.
3/ Op het moment van het geven van het stemadvies is het IP-adres opgezocht in een lokale database die IP-adressen in landencodes vertaalt. Na het bepalen van de landencode is het IP-adres niet langer opgeslagen.
4/ Elke pagina die een gebruiker opvraagt zonder de browser af te sluiten krijgt automatisch hetzelfde session cookie. Hierdoor is er een extra controle op het dubbel invullen van de vragenlijst.
5/ Daar komt bij dat het zeer de vraag is wat het belang zou kunnen zijn van partijfanaten om de score van hun partij te verhogen. Gemiddelden van de adviezen, noch andere gegevens werden gepubliceerd, en dit is het eerste verschijnen van cijfers over de gebruikers en de adviezen.
6/ In 2003 werd de PPW gepromoot door http://www.msn.be, http://www.politicsinfo.net en http://www.standaard.be. In 2004 werd de PPW enkel en alleen gepromoot door De Standaard, zowel online (http://www.standaard.be) als in de krant.
7/ Deze respons is veel hoger dan we verwachtten: kennelijk vinden de gebruikers het niet zo erg deze gegevens te geven, en vertrouwt men de PPW voldoende. Deze hoge respons laat zien dat onze gebruikersselectie zeer zinvol was. Als we alle gegeven stemadviezen tellen, was de respons op deze vragen 54% in 2003 en 74% in 2004. Onze strikte filtering op datapunten drijft de respons op deze gevoelige vraag op tot 82% in 2003 en 90% in 2004.
8/ De verkiezingen in 2000 werden gehouden op gemeentelijk niveau, en op dit niveau bestonden op dat moment 295 verschillende lokale politieke partijen. Deze vormen samen het segment other in de kolom van de verkiezingen van 2000. In 2003 waren er verkiezingen voor de kamer en de senaat. Hier zijn de gegevens getoond voor de senaat. In 2004 waren er verkiezingen voor het Vlaamse parlement en het Europees parlement. Hier zijn de gegevens getoond voor het Vlaams parlement.
9/ Hierbij moet worden opgemerkt dat figuur 10 niet gecorrigeerd is voor de scheefheid van de gebruikers in de tijd. Indien voor elk van de deelgroepen dezelfde grafiek geplot wordt, zijn echter dezelfde effecten zichtbaar.
10/ Dit is een eenheidsloos domein, en kan om technische redenen niet gecalibreerd worden tussen de twee systemen.

Referenties
- Bimber B. en Davis R. (2003). Campaigning Online. The Internet in U.S. Elections. Oxford University Press, New York.
- Deschouwer K. (2004). Political Parties and Reactions to the Erosion of Voter Loyalty in Belgium. In Mair P., Müller W. en Plasser F., editors, Political Parties and Electoral Change, Sage, London, pp. 179-206.
- Hooghe M. en Stouthuysen P. (2001). Het gebruik van het Internet door de Vlaamse politieke partijen. Res Publica, 43(4):507-527.
- ISPA (2004). 20ste marktonderzoek: 31 maart 2004. Internet Service Providers Assocation, Brussels (http://www.ispa.be).
- Katz J., Rice R. en Aspden P. (2001). The Internet, 1995-2000, Access, Civic Involvement, and Social Interaction. American Behavioral Scientist, 45(3):405-419.
- Nationaal Instituut voor de Statistiek (2002). Enquête naar de arbeidskrachten 2002. Nationaal Instituut voor de Statistiek, Brussels (http://statbel.fgov.be/downloads/lfs2017-2003\nl.xls).
- Nationaal Instituut voor de Statistiek (2003). _Bevolking en huishoudens. Totale en Belgische bevolking.
Nationaal Instituut voor de Statistiek, Brussels (http://statbel.fgov.be/pub/d2/p201y2003\nl.pdf).
- Norris P. (2003). Preaching to the Converted? Pluralism, participation and party websites. _Party Politics
, 9(1):21-45.
- Norris P., Curtice J., Sanders D., Scammell M. en Semetko H. (1999). On Message: Communicating the Campaign. Sage, London.
- Shannon C. (1948). A mathematical theory of communication. Bell System Technical Journal, 27:379-423 and 623-656.
- Stefik M. J. (1995). Introduction to Knowledge Systems. Morgan Kaufmann Publishers, San Francisco, California.
- Ward S., Gibson R. en Lusoli W. (2003). Online Participation and Mobilisation in Britain. Hype, Hope and Reality. Parliamentary Affairs, 56:652-668.

stemtesten - verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 73 tot 88