Log in

Elementen voor een groot verhaal. Socialisme voor de 21e eeuw

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 4 tot 14

De roots niet verloochenen, maar er toch niet in vasthaken

Het socialisme is een kind van de 19e eeuw. Het is natuurlijk niet zomaar uit de lucht gevallen. Men kan zelfs wortels terugvinden in de 14e-15e eeuw. De zogenaamde zwarte pest veroorzaakte niet alleen een ongelooflijke sterfte, de schaarste aan arbeidskrachten die daar een gevolg van was zorgde voor een druk op de lonen en doordat er zoveel minder mensen gevoed moesten worden, geraakte de graanprijs in vrije val. De hele samenleving raakte ontwricht en de kloof tussen arm en rijk werd steeds groter. In 1381 leidde dat tot een grote boerenopstand, die voor dood en vernieling zorgde. Vandaag kan men hier een verscherping van de klassentegenstellingen in een vroeg kapitalistische economie in zien.1 Maar meer dan een verre voorloper van het negentiende-eeuwse socialisme was het ook weer niet. De rebellen zetten zich af tegen hun situatie, maar ze hadden geen idee van waar ze naar toe wilden. Niet dat men dat in de negentiende eeuw altijd zo concreet uittekende, maar de richting was duidelijk. De arbeiders droomden van een betere wereld, ze wilden niet alleen maar meer eten zoals de boeren die net de pest overleefd hadden. Het negentiende-eeuwse socialisme was inderdaad een droom, de droom om zich eens en voorgoed van zijn ketenen te ontdoen. Het is een complexe geschiedenis. De eerste leiders waren vaak intellectuelen met een liberale achtergrond. Zij konden eerst de groep aanspreken van de iet of wat geschoolde arbeiders, zoals de letterzetters. Het zogenaamde lompenproletariaat volgde maar op verre afstand. Hoe dan ook, de arbeiders werden opgenomen in wat we vandaag een groot verhaal noemen. Het zogenaamde verlichtingsideaal werd door links en rechts gedeeld en was nauw verbonden met de Franse revolutie. Het was de diepe overtuiging dat de geschiedenis onvermijdelijk vooruitgang zou betekenen. In de verwachting dat alles terecht zou komen speelde de wetenschap, die echt alles leek aan te kunnen, een sleutelrol. Die optimistische visie op de geschiedenis werd voor de socialisten een begeesterend project, dat zich al vlug vertaalde in tastbare realisaties. Wie het prachtige boek van Guy Vanschoenbeek Novecento in Gent2 leest, krijgt een idee van de spectaculaire ontwikkelingen. Een heel - socialistisch - imperium van coöperatieve werkplaatsen werd uit de grond gestampt. Het begon met bakkerijen, maar het duurde niet lang vooraleer er ook eigen fabrieken draaiden. Daaraan was een beweging verbonden die opkwam voor algemeen stemrecht, een werkdag van 8 uren, sociale zekerheid en waardige arbeidsomstandigheden. Natuurlijk werd de grote droom niet onmiddellijk werkelijkheid. De arbeiders kregen nog steeds af te rekenen met zware tegenslagen, want crisissen waren inherent aan het kapitalisme. Maar door de concrete realisaties konden op zijn minst de westerse werknemers er blijven in geloven. Vooral na de tweede wereldoorlog ging het in een sneltreinvaart. De dreiging voor een communistische staatsgreep was voor de werkgevers een belangrijk motief om toe te geven, maar zeker ook de omschakeling op een productieapparaat dat gebaseerd was op massaproductie en dus ook op massaconsumptie. Het stemrecht werd gerealiseerd, de kathedraal van de sociale zekerheid werd uit de steigers gehaald, de arbeidsduur verminderde gestadig, de arbeidsomstandigheden werden menselijker en de welvaart werd algemener. De socialistische droom kwam dichter en dichter, zelfs op momenten dat het toch weer crisis was, zoals in de tweede helft van de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig. Hoewel er plots weer massale werkloosheid kwam, bleek het socialezekerheidssysteem een heel stevig vangnet. De echt ellendige toestanden uit de jaren dertig waren niet meer te zien, ook al bleef in België 20% van de mensen met bestaansonzekerheid en 6% met armoede geconfronteerd worden. Het wordt soms wat onder de mat geschoven dat een kwart van de Belgen het minstens voor enige tijd moeilijk tot heel moeilijk heeft. De vooruitgang was trouwens vooral op het Westen, op Europa en de VS, geconcentreerd. Grote delen van de wereldbevolking leven tot op vandaag in levensomstandigheden die te vergelijken zijn met deze van de Europese boeren en lijfeigenen in de Middeleeuwen.
Sommigen denken dat de droom uitgekomen is. Niet alleen de profeet van het einde van de geschiedenis, die ons ervan wil overtuigen dat met de vrije markt en de democratie het proces voltrokken is.3 Je hoort ook andere stemmen zeggen: zoals de Volksunie haar idealen van federalisering en dus haar bestaansgrond gerealiseerd zag, zo hebben de socialisten hun droom werkelijkheid zien worden. Eigenlijk hebben ze daardoor niet meer echt een eigen opdracht. Ze overleven met andere woorden zichzelf. Dat we er niet in geslaagd zijn iedereen een bestaanszekerheid te garanderen, maar ook dat het welvaartsmodel niet op wereldschaal kon ingevoerd worden is het simpele bewijs dat de droom nog altijd niet uitgekomen is. De ambitie van een rechtvaardige, betere wereld moet daarom nog steeds een belangrijke motivatie zijn. Ten andere, er is een fundamenteel verschil tussen het Europese model en dat van de VS, terwijl het Verenigd Koninkrijk daar ergens tussen hangt. In de VS vindt men - vanaf het ogenblik dat het economisch wat minder gaat - onmiddellijk toestanden die refereren naar de negentiende eeuw of naar situaties in de Derde Wereld. De socialistische beweging heeft op zijn minst de opdracht het Europese systeem te behoeden voor afbrokkeling, wat ook moet betekenen dat het hier en daar grondig gemoderniseerd wordt. En zolang er ergens onrecht blijft bestaan, is de sociaaldemocratie belangrijk. Maar zij moet ook een antwoord geven op nieuwe noden. De wereld is niet meer dezelfde als honderd, honderdvijftig jaar geleden. Toen kon men nog denken dat de problemen vroeg of laat wel in een goede richting zouden evolueren. Toen kon men zich ook beperken tot een gevecht om een eerlijk stuk van de welvaartstaart. Vandaag gaat dat niet meer. De uitdagingen zijn zo groot dat het niet eens zeker meer is dat er op termijn nog een taart te verdelen valt. Aan de sociale problemen en de problemen met het milieu en de grondstoffen valt niet meer te ontkomen. Het gaat niet meer alleen om de verdeling van de welvaart, het gaat om de vraag welke welvaart wij willen en vooral of wij onze kinderen en kleinkinderen nog welvaart gunnen. In een tijd waarin de mensen blijkbaar weer optimistisch zijn4, is dit geen makkelijke boodschap. Wij schuiven de problemen dan ook veel liever voor ons uit. Men weet al 30 jaar of langer dat zich vroeg of laat een bijna onoplosbaar energieprobleem zal stellen als we blijven verkwisten zoals we bezig zijn. Al 30 jaar is er nauwelijks iets gedaan om dat te voorkomen. Iedereen weet dat de olievoorraden aan het slinken zijn en dat binnenkort het punt bereikt wordt waarbij er gewoon minder olie kan bovengehaald worden. In plaats van ons gebruik te beperken voeren we oorlog om olie, zoals we morgen misschien oorlog zullen voeren om water. Al 30 jaar en langer weten we dat de kloof tussen Noord en Zuid op wereldniveau voor ongelooflijke spanningen zorgt, maar nog altijd blijft ontwikkelingssamenwerking een zaak van veel goede wil, maar vooral van Kurieren am symptom. Of om het nog anders en cynischer te zeggen: nog altijd haalt het Westen meer voordeel uit de ontwikkelingshulp dan de landen die de hulp ontvangen.
De sociaaldemocratie mag vandaag haar roots niet verloochenen, zeker niet als men daarmee naar haar inspiratie verwijst. De sociaaldemocratie mag trots zijn op haar verwezenlijkingen, die ten minste in het Westen voor welvaart gezorgd hebben. Zij is het dan ook aan zichzelf verplicht die verwezenlijkingen te verdedigen. Zij moet met andere woorden verder opkomen voor jobs, voor inkomen en voor sociale zekerheid. Maar zij moet tegelijk ook afscheid durven nemen van haar 19e- eeuwse inspiratiebron, het vooruitgangsoptimisme dat met het verlichtingsideaal samenhing. Een moderne sociaaldemocratie mag er niet vanuit gaan dat alles wel terecht komt, maar moet proberen de geschiedenis mee gestalte te geven. Want de geschiedenis is niet gedaan. Niet dat de vrije markt als zodanig in vraag moet worden gesteld. Het zogenaamde reëel bestaande socialisme heeft bewezen dat het niet mogelijk is de economie centraal te controleren. Ook al zullen in het begin vele bedoelingen goed geweest zijn, een communistisch systeem moet onvermijdelijk ontaarden. Stalin was geen aberratie. Zijn ambitie om de hele wereld naar zijn hand te zetten is inherent aan het totalitaire systeem dat hem heeft voortgebracht. Uniformisering is onleefbaar gebleken. Dit toegeven betekent echter niet dat de economie totale vrijheid mag gegeven worden. Ook een ongebreideld kapitalisme leidt onvermijdelijk naar aberraties. De oude socialistische doelstelling om een economie in dienst van de mensen uit te bouwen blijft actueler dan ooit. De markt mag vrij zijn, maar binnen regels die het grootste geluk voor zo veel mogelijk mensen garanderen. De markt mag vrij zijn, maar de markt is geen doel op zich. De sociaaldemocratie heeft zich heel lang - zeker op een theoretisch niveau - achter de slogan van de collectivisering van de productiemiddelen geschaard. Dat kwam in praktijk neer op een blind geloof dat de overheid op zijn minst de sleutelsectoren in handen moet krijgen. Het is ondertussen duidelijk geworden dat overheidsbedrijven absoluut geen garantie van goed beheer zijn. Ze zijn ook absoluut geen garantie voor een rechtvaardige verdeling. Niet de eigendom van de bedrijven is belangrijk, wel hoe zij bijdragen tot een rechtvaardige en welvarende samenleving, een samenleving die ook verzekert dat toekomstige generaties geen te zware prijs betalen voor het leven dat de huidige generaties leiden.
Ik had het erover dat de sociaaldemocratie in de 19e eeuw aansloot bij een groot verhaal. Dat verhaal is uitverteld. Velen willen het daarbij laten. Ze hollen van het ene project naar het andere, zonder dat hun gedrag veel samenhang vertoont. Ze werken vooral binnen een kortetermijnperspectief en durven zeker niet te ver vooruitblikken. Er bestaat daar een woord voor, dat voor sommigen een scheldwoord en voor anderen een eretitel is: postmodernisme. Dat leidt echter nergens toe. Vandaag moeten we meer dan ooit onze richting durven bepalen en ons niet overgeven aan wat buiten ons om gebeurt. Het negentiende-eeuwse verhaal vertrok vanuit de overweldigende industriële beweging. We kunnen ze ons haast niet meer voorstellen, het was bijna een wervelwind. Die beweging is tegenwoordig zo goed als uitgeraasd. Er is een fundamenteel andere beweging voor in de plaats gekomen. Daar moeten wij hoogdringend aansluiting bij vinden. Ik probeer drie uitdagingen in kaart te brengen, ook al kan dat hier maar op een rudimentaire wijze.

De uitdagingen van de 21e eeuw

Een wereldgemeenschap

Guy Verhofstadt heeft al een paar keer geprobeerd de jongeren die opkomen voor een andere globalisering naar zich toe te halen. Het lukte hem echter niet het wantrouwen te overwinnen. Hij probeert namelijk telkens de positieve kanten van globalisering in de verf te zetten. Hij benadrukt dan dat door globalisering de situatie van de wereld er reeds in belangrijke mate op vooruit gegaan zou zijn. Hij is ervan overtuigd dat enkel door meer globalisering steeds meer mensen van welvaart zullen genieten. Met deze redenering kon hij de jongeren niet overtuigen en zij hebben de cijfers aan hun kant. Het volstaat de jaarrapporten van het VN-agentschap voor Ontwikkeling, het UNDP, te lezen. Daaruit blijkt dat gedurende de jaren 1990 vele ontwikkelingslanden een economische neergang of op zijn minst stagnatie kenden. Zo’n 54 landen zijn nu armer dan in 1990. En het waren de wonderjaren van de globalisering! Het ene procent rijkste bewoners van deze planeet bezitten evenveel als de armste 57%. De rijkste 10% van de Amerikanen - dat zijn 25 miljoen mensen - verdienen evenveel als de 47% armsten - dat zijn 2 miljard mensen. Het inkomen van de 5% rijkste aardbewoners ligt 114 maal hoger dan dat van de armste 5%. Waarom geloven sommigen dan toch dat globalisering voor iedereen een zegen is? Zij bekijken alleen de grafiek van de globale groei en vergeten dat een groot deel van die groei gebeurt in het rijke Noorden, Zuidoost-Azië, China en, in mindere mate, India en Mexico. Haal deze landen uit de statistiek en je krijgt een heel ander beeld voor die andere helft van de wereldbevolking. Die krijgt met andere woorden maar uiterst weinig voordeel van de globalisering. Het is trouwens ook zo dat de groei in China, Mexico en India zeer breekbaar is. De situatie kan zo weer omslaan. Misschien is er op wereldniveau een lichte vermindering van de ongelijkheid tussen Noord en Zuid vast te stellen, maar men maakt zichzelf iets wijs dat de kloof op redelijke termijn vanzelf zal dichten door een verdere liberalisering of bevrijding van de wereldeconomie. Het is absoluut niet overdreven te stellen dat mondialisering voor de armste landen een armoedeval5 is. Dat betekent dan weer niet dat het proces van globalisering of mondialisering een halt zou moeten toegeroepen worden. Het is gewoon onomkeerbaar. Alleen moet men het aan regels onderwerpen, zoals men sinds de 19e eeuw de nationale economieën beperkingen opgelegd heeft. Nu de economie meer en meer aan die nationale regels ontsnapt, moeten er afspraken komen die op wereldniveau gelden. Anders zal het bijvoorbeeld onvermijdelijk eens ontploffen, al is het maar omdat het VS-imperium6 kennelijk alleen met oorlog te handhaven valt. De hele geschiedenis van de Irak-oorlog hoeft hier niet opgerakeld te worden. Het volstaat te verwijzen naar het begin. De vermeende wapens waren duidelijk een voorwendsel om de heerschappij van de VS, vooral over olie, te bevestigen.
Er moet een wereldregering komen, ook al lijkt dit vandaag onbereikbaar en zelfs naïef en al hoeven we bij het woord regering niet onmiddellijk te denken aan een klassieke regering. Op wereldschaal zou die onvermijdelijk een onwerkzaam groot orgaan worden. Ik kom daar op terug. Men moet zich ook niet voorstellen dat het in één keer kan. Een democratisering van een aantal internationale instellingen, als het IMF en de Wereldbank zou al een grote stap vooruit zijn. Het boek van Joseph Stiglitz Perverse globalisering7 is in dit verband van zeer groot belang. Stiglitz is geen gauchist, maar een winnaar van de Nobelprijs en ook een tijd lang hoofdeconoom van de Wereldbank. Als hij het over perverse effecten van de internationale instellingen heeft, dan spreekt en schrijft hij in termen van marktfundamentalisme. Als men dit Westers fundamentalisme op zijn beloop laat, komt men volgens hem nooit tot een verbetering van de situatie in de Derde Wereld. De overheid moet een duidelijke regulerende rol spelen. Ook de idee van een begin van een wereldwijde fiscaliteit is allerminst utopisch, al is ook die weg nog heel lang. Het verhaal van de Tobintaks kan hier niet uitvoerig geschreven worden, maar het voorstel is ondertussen voldoende uitgebalanceerd om op termijn gerealiseerd te kunnen worden. In ons land zijn het zeker de socialisten die heel hard aan de kar trekken.8
Over een wereldmarkt heet er een consensus te bestaan. Over de noodzaak van een wereldfiscaliteit wordt er veel meer getwijfeld, maar men hoort toch vooral praktische bezwaren. Ze is denkbaar. Men hoort nauwelijks iets over de behoefte aan een mondiale sociale zekerheid. En toch lijkt mij die, vanuit humanitair en socialistisch oogpunt, minstens even wenselijk. Het is een veel moeilijker idee, die een tijd terug door Glenn Rayp en Geert Mareels9 gelanceerd werd, maar die ondertussen ook in sp.a-teksten terug te vinden is. Zij denken aan een fonds waarin verplichte bijdragen gestort worden. Ontwikkelingslanden krijgen trekkingsrecht in functie van hun bnp. Het gaat om een vorm van gedwongen solidariteit, zoals bij de sociale zekerheid bij ons. Rayp en Mareels denken effectief aan een controleerbare bijdrage aan een internationaal stelsel van sociale zekerheid. Die kan de huidige bijdrage voor ontwikkelingssamenwerking vervangen. Het stelsel kan dienen om de millenniumdoelstellingen te halen. Het wordt dan een fonds, waarop ontwikkelingslanden trekkingsrechten kunnen krijgen voor hun sociale beschermingssystemen. Enkel wie sociale mininumnormen en mensenrechten respecteert, heeft recht. Uit het fonds kan geput worden om pensioenen, onderwijs en medische verzorging te financieren. Hoe hoger de bescherming die geboden wordt, hoe hoger de trekkingsrechten. De bijdrage van elk land aan het fonds wordt bepaald in functie van het BNP. Naarmate dat BNP stijgt dalen de trekkingsrechten. Als we dit konden realiseren, zou een wereldgemeenschap al een heel stuk dichterbij zijn.

Een duurzame economie

Het rapport van de Club van Rome verscheen voor het eerst in 1972.10 Het maakte toen heel veel ophef, omdat het voor veel lezers een eerste harde, want cijfermatige, confrontatie met de ernst van de milieuproblemen was. Vandaag wordt er meer en meer naar terugverwezen om juist te onderlijnen dat die problemen niet zo erg zijn, want de voorspellingen van de Club zijn niet uitgekomen! De redenering is dat men de problemen ondertussen al voor een stuk aangepakt heeft. En dat stelt gerust, want de rest zal men ook wel aankunnen, denkt men. De waarheid is dat het rapport geen enkele voorspelling bevat. Het maakte gewoon extrapolaties in de aard van: bij ongewijzigd gedrag zal de voorraad aan bijvoorbeeld olie nog zoveel jaar doorgaan. Bij wijziging van die of die gedragswijze zal men nog een aantal jaren langer kunnen pompen. De algemene conclusie was: als de huidige groei van de wereldbevolking, de industrialisatie, vervuiling, voedselproductie en uitputting van natuurlijke hulpbronnen niet omgebogen wordt, stevent de wereld op een catastrofe af. Onmiddellijk werd er aan toegevoegd dat die trend nog om te buigen was, als daartoe maar de politieke wil opgebracht werd. Er is veel methodologische kritiek op het rapport gekomen en terecht. Maar de algemene conclusie kon nooit op een ernstige wijze ontkracht worden. Ze is vandaag waarschijnlijk meer dan ooit waar.
Ik heb al allusie gemaakt op het punt vanaf waar de productie van gas en olie zal dalen. We zijn er nog 6 jaar van verwijderd!11 Dat is alvast de conclusie waar de meest vooraanstaande experts in 2003 toe komen. Ze verschillen hoogstens over een paar jaar meer of minder van mening. Het Wereld Natuur Fonds publiceerde in 2002 een Living Planet Report.12 De algemene teneur springt uit de vele statistieken: wij zijn de aarde aan het leeg consumeren! We verbruiken jaarlijks meer dan 20% meer natuurlijke bronnen dan de aarde kan vervangen en dat percentage neemt jaarlijks toe. Of om het nog op een onthutsender manier te zeggen: tegen 2050 zal de mens tussen de 180 en 220% van de biologische capaciteit consumeren. Het is absoluut niet mijn bedoeling de onheilsprofeet uit te hangen. Maar als men de uitdagingen voor de sociaaldemocratie op een rij wil zetten, kan men niet omheen de milieuproblematiek. Ik verwijs nog naar het klimaat. Iedereen heeft ondertussen door dat er iets mis mee is. Op relatief korte termijn dreigt dat voor een stijging van het zeeniveau te zorgen, voor werkelijk destructieve stormen en voor nog een aantal minder leefbare toestanden. Voor de rest kampen we nu al met uitstervende visgronden, inkrimpende bosgronden, eroderende bodems, verdwijnen van soorten enzovoort. Het meest sprekende voorbeeld is dat van de broeikasgassen. Ons land heeft het op zich genomen om de uitstoot met 7,5% te verminderen tegen ten laatste 2012. Dat zou een enorme vooruitgang zijn, maar nu reeds weten we dat we dan nog maar een allereerste stap gezet hebben om het probleem aan te pakken. En eigenlijk weten we nu al dat het doel ontzettend moeilijk bereikt kan worden. Ook op dit vlak tonen de VS zich trouwens een heel slechte wereldleider, want ze willen die minimale doelstelling niet eens onderschrijven. Dat leidt er onder meer toe dat de discussie over kernenergie terug opgerakeld wordt. Hoewel in ons land politiek beslist is die centrales op termijn stop te zetten, zien de voorstanders een nieuwe kans. Zij proberen zelfs te argumenteren dat kernenergie de enige mogelijkheid is om de Kyotodoelstellingen te halen. Liever dan het probleem echt aan te pakken willen zij de toekomstige generaties opzadelen met een ontstellend afvalprobleem.13
Een totaal vrije markt zal nooit in staat zijn het milieuprobleem ten gronde aan te pakken. En de reden is heel eenvoudig: in de vrije markt worden niet alle kosten aangerekend. De vrije markt betaalt de rekening voor de milieukost gewoon niet, of beter zij schuift die door naar toekomstige generaties.14 Dat is precies aan de hand in het vraagstuk van de kerncentrales. Nooit wordt de kost voor het afbreken van het afval en voor het opruimen van de afgeschreven fabrieken in rekening gebracht. Een sociaaldemocraat kan daar zijn ogen niet voor sluiten. Ook dat is een consequentie van een economie in dienst van de mensen. En dat veronderstelt dat de kosten op een billijke manier verdeeld worden. Het principe van de vervuiler die betaalt, moet rechtvaardig worden toegepast. Dat betekent dat inderdaad alle vervuilers hun deel betalen en daar horen bijvoorbeeld ook de huishoudens toe. Maar het betekent ook dat in de factuur die voorgelegd wordt rekening wordt gehouden met sociale criteria. Het rapport van de Club van Rome ging ervan uit dat de politiek in staat is de trend om te keren. Het is mijn overtuiging dat dit alleen een socialistische politiek kan zijn.

Een kenniseconomie zonder uitsluiting

Een fundamentele socialistische overtuiging blijft ook dat iedereen recht heeft op werk, ook al is dat voor sommigen aangepast werk of al hoeft niet iedereen in een fulltime job terecht te komen die garantie biedt voor een hele loopbaan. Met werk verdient men niet alleen zijn brood. Werk geeft ook zin aan het leven. Het geeft ritme, structuur, genoegdoening en vooral sociale contacten. Het simpele bewijs is dat wie voor lange tijd geen werk heeft op dat vlak problemen krijgt, op een of andere manier ziek wordt. De strijd voor werk is vandaag nog altijd de strijd voor behoorlijke lonen, veilige werkomstandigheden en respect voor gemaakte afspraken. De vakbonden blijven daarin een sleutelpositie vervullen, ook al twijfelt men hier en daar aan hun bestaansgrond. Veel moderne werknemers leven in de illusie dat ze al hun boontjes wel alleen kunnen doppen. En vaak is dat ook zo, maar zelfs voor hen zijn er momenten dat ze het niet alleen aankunnen. Vakbonden bundelen de krachten, zijn een zaak van solidariteit. De meerderheid van de werknemers heeft die solidariteit nodig en dat zal zo blijven. Maar inzake werk zijn de uitdagingen zeker niet alleen van traditionele aard. Juist op dat vlak zijn we misschien wel getuige van een zeer fundamentele verschuiving. Hoe werk en vrije tijd en vooral werk en gezinsleven te combineren is daar een belangrijk, maar eigenlijk maar een beperkt onderdeel van.
De Nederlandse Nobelprijswinnaar economie, Nico Tinbergen, zei het al in de jaren zestig: kennis wordt de vierde productiefactor voor economie en welvaart. We evolueren met andere woorden naar een kenniseconomie en moeten ons daaraan aanpassen. Tinbergen adviseerde zijn land om de strijd voor het behoud van de industrie niet aan te gaan. In Nederland is dan ook effectief meer traditionele industrie verdwenen dan bijvoorbeeld in België. Zo is er nog nauwelijks textielindustrie en beperkt men zich vooral tot handel. Nederlanders zijn kooplui en daar hebben ze zich ook op geconcentreerd. En toch kon deze strategie niet beletten dat tegenwoordig ook in Nederland opnieuw grote problemen met tewerkstelling zijn. Aan de andere kant wordt in ons land nog altijd krampachtig strijd gevoerd om de traditionele industrieën niet helemaal te laten verdwijnen. Bij ons raadt de liberale professor De Grauwe af om daar nog veel energie in te steken. Hij vreest dat bijvoorbeeld de gehele automobielnijverheid gedoemd is om uit West-Europa te verdwijnen. De overheid kan haar middelen beter op een andere manier besteden. Het drama van Ford-Genk lijkt hem daarin gelijk te geven. Maar laten we niet te vlug conclusies trekken.
Wat betekent dat eigenlijk: kenniseconomie? Laat het onmiddellijk duidelijk zijn dat het om meer gaat dan een economie waar de kenniswerkers het voor het zeggen hebben. Men denkt dan aan ingenieurs die plannen maken, die daarna uitgevoerd worden in landen waar de arbeidskracht goedkoop is. Dit beeld leek op een bepaald moment naar een ideaal te evolueren.15 Er stak een zeker Europacentrisme achter, precies alsof iedereen in het Westen in staat zou zijn om ingenieur te worden en alsof de Derde Wereld niet zelf in staat zou zijn kenniswerkers te leveren. Ondertussen wordt ook het werk van de ingenieur meer en meer uitbesteed in lageloonlanden. Sommigen hadden de sluiting van Philips Hasselt nodig om tot dat besef te komen. KBC besteedt al een deel van zijn softwarewerkzaamheden uit aan India. Andere banken zullen volgen. Het moet gewoon de bedoeling zijn dat die zogenaamde lageloonlanden een eigen ontwikkeling op gang brengen, dat zij ooit eens loskomen uit die postkoloniale verhouding.
De evolutie naar een kenniseconomie slaat op een fundamenteler proces. De Amerikaan Jeremy Rifkin heeft er een goede analyse van gegeven.16 Het is een economie waarin eigendom een radicale verandering ondergaat. Ze draait niet meer om eigendom, ook al blijft die belangrijk. Maar immobiliën, stocks en zelfs geld zijn ondergeschikt. Het gaat op de eerste plaats om toegang, om de aansluiting op netwerken. De echte motor is het intellectueel kapitaal, zijn concepten, ideeën en beelden. McDonald’s heeft in België slechts twee zaken in eigendom. Al de andere restaurants zijn een zaak van franchisering. En toch kan McDonald’s in al die zetels heel strakke richtlijnen opleggen, zodat de consument de indruk krijgt dat hij overal hetzelfde eten krijgt en op dezelfde manier bediend wordt. Nike is een ander voorbeeld van een hedendaags economisch bedrijf: het produceert zijn sportschoenen niet zelf, maar laat dat over aan arbeiders in lageloonlanden. Zelf beperkt het bedrijf zich tot het ontwikkelen van concepten en marketing. Naomi Klein merkt precies hetzelfde op: succesvolle ondernemingen produceren geen producten, maar merken, logo’s. Zij voeren een wedloop om zo gewichtloos mogelijk te worden, om zelf met zo weinig mogelijk werknemers over te blijven.17 Klein klaagt die evolutie aan, Rifkin wijst hoogstens op een nieuw uitsluitingsmechanisme voor wie de toegang niet vindt. Maar duidelijk is dat beide een fundamentele verandering in de economie aantonen, die zelfs effecten zou kunnen hebben op hoe de mensen denken en voelen. Rifkin ziet zelfs een nieuw type mens opkomen, dat denkt zoals het met de computer omgaat, namelijk fragmentair en oppervlakkig.

Klein hoopt dat de mensen zich kunnen verweren tegen de nieuwe economie en zij geeft een aantal recepten. Ik denk dat ze moeten uitgeprobeerd worden. Tegelijk moet men er zich bij neerleggen dat een aantal processen onomkeerbaar zijn. Het industriële tijdperk is voorbij, we zijn begonnen aan een nieuwe productiewijze, waar we de consequenties nog lang niet van overzien. Precies daarom heeft de sociaaldemocratie vandaag nog zo’n grote opgave. Ik had het daarnet over dat ik maar een rudimentaire kaart zou kunnen tekenen. Dat sloeg op de eerste plaats op de beperkte ruimte die beschikbaar is. Maar eigenlijk moeten wij ook durven toegeven dat de toekomst op het vlak van werk nog heel onduidelijk is. We zijn bezig met een tocht naar het onbekende. En net als bij Columbus geven onze kaarten slechts vage aanduidingen van de richting waarin we aan het gaan zijn. Moeten wij onze autoassemblagebedrijven opgeven? We moeten naar een wereld waarin iedereen recht op arbeid en een behoorlijk inkomen heeft. We moeten af van de onmenselijke concurrentie, waarbij bedrijven steeds opnieuw naar het laagste punt verplaatst worden. Maar dat kan enkel een samenleving zijn waar totaal anders gewerkt wordt dan vandaag. Op dit punt moet het socialisme zichzelf nog uitvinden!

Netwerken voor mondiale problemen

Ik heb drie uitdagingen aangegeven waar de sociaaldemocratie voor staat: de problemen op een wereldniveau aanpakken, zorgen voor duurzame oplossingen voor de milieuproblemen en proberen aan de nieuwe economische realiteit een socialistisch antwoord te geven. Natuurlijk is de vraag nu: hoe begin je daaraan? Ik zal op die vraag op twee manieren proberen te antwoorden. Eerst nog op een abstracte manier, in de lijn van het grote verhaal waarvan ik de contouren heb proberen te schetsen. Daarna zal ik nog proberen te antwoorden vanuit de Belgische context.
Ik had het al over de wenselijkheid van een wereldregering. Eigenlijk bedoelde ik een wereldaanpak, want ik besef dat een echte regering niet zo eenvoudig te realiseren valt. Jean-François Rischard is onderdirecteur van de Europese afdeling van de Wereldbank. De Luxemburger schreef in 2002 een boek, waar naar mijn oordeel te weinig discussie over gevoerd werd.18 Hij resumeert 20 problemen met een mondiale omvang en doet een voorstel om ze binnen de 20 jaar op te lossen. Het is een methodologisch voorstel, een strategie. De problemen waar hij het over heeft zijn stuk voor stuk problemen die zo omvangrijk en zo dringend zijn dat ze echt wel op een afzienbare tijd opgelost zouden moeten zijn. Het gaat om milieuproblemen, maar ook om samenlevingsproblemen als armoede, vredeshandhaving, onderwijs, besmettelijke ziekten, biotechnologie, intellectueel eigendomsrecht enzovoort. Hij beschrijft en documenteert ze uitvoerig. Met de huidige methoden gaat het niet lukken, maar misschien kan netwerkbestuur dat wel. Netwerkbestuur wil complexiteit en hiërarchie tot een minimum herleiden. Ieder mondiaal probleem moet zijn eigen oplossingsorgaan krijgen, dat vooral een open structuur heeft. Er mag ook geen lange opstarttijd en opleveringstijd voorzien worden. Rischard droomt van een nieuw soort openbare ruimte. Je neemt een van de wereldproblemen en roept een netwerk bijeen dat het moet aanpakken. Daarin zitten drie soorten partners: nationale regeringen uit ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, internationale organisaties (ngo’s) en bedrijven die het probleem kennen. Die partners werken volgens de ‘open source’-methode, die bij internet opgang maakt en waar zeer duidelijk een visie op democratie en inspraak aan verbonden is. Het kan trouwens niet anders dan dat internet bij netwerkbestuur een centrale rol moet spelen. Het komt erop neer dat iedereen die deelneemt zijn eigen bijdrage aan de oplossing van een probleem levert. Je werkt niet afzonderlijk en in afzondering, je werkt samen en in openheid. Van bij het begin is afgesproken dat het eindresultaat en de collectiviteit belangrijker zijn dan je persoonlijke bijdrage. Je wordt bijvoorbeeld niet verondersteld de mening van jouw organisatie of regering te formuleren, je moet bijdragen aan de oplossing. Je streeft ook geen akkoord na over alle details, je zoekt een ‘ruwe consensus’, je werkt mee aan een werk in uitvoering. Rischard beschrijft zijn aanpak meer in detail, maar dat zou ons te ver leiden. Het gaat er mij ten andere niet om of het precies die methode moet zijn. Ik haal ze alleen maar aan, om erop te wijzen dat zich nieuwe wegen aankondigen. Het klassieke gepalaver in de grote internationale instellingen heeft tot vandaag niet zoveel bijgebracht aan echte oplossingen. De sociaaldemocraten moeten zich durven overgeven aan nieuwe experimenten, ook als die impliceren dat de uitkomst niet op voorhand gegeven is, ook als die impliceren dat aan de oplossing gewerkt wordt door een bonte pleiade van stromingen en meningen. Ik constateer op dat vlak te veel koudwatervrees, om niet te zeggen conservatisme.
Maar misschien zal men nu en zelfs met enige ergernis repliceren: dat grote verhaal is allemaal goed en wel, in de praktijk van alledag is een socialistische partij toch wel op heel korte termijn bezig. Zij probeert, net als alle andere partijen, de gunst van de kiezer te verwerven en schuift daartoe ook op naar het midden. Hoe kan men zich voorstellen dat de doelstellingen van het grote verhaal op die manier ooit binnen bereik kunnen raken? Is die partij trouwens nog wel met enige inhoud bezig en laat zij zich niet volledig door marketing op sleeptouw nemen? Ik wil bekennen dat ik die eventuele ergernis begrijp. Maar tegelijk besef ik dat mijn doelstellingen alleen kunnen gerealiseerd worden doordat de kiezer ervoor opteert. Zelfs als ik dat zou willen, kan ik ze niet opdringen. En de kiezer is om allerlei redenen opgeschoven naar het midden.19 Het is de taak van de politicus om, in alle bescheidenheid, de weg aan te geven. Maar de politicus zal in die opdracht alleen slagen als hij ook vertrekt van wat zijn publiek dagdagelijks beleeft en nastreeft. Ik ben het volledig eens met Wouter Bos, die schrijft dat zich afkeren van het midden onvermijdelijk betekent dat men afziet van iedere daadwerkelijke progressieve politiek. Maar zoals hij wil ik niet in de val trappen van een zodanige fixatie op het midden dat alleen een slappe en waterige politiek overblijft, die vooral niemand voor het hoofd wil stoten. Over dat midden gaat het immers niet: ‘Nee, het is het midden van gewone mensen voor wie we altijd iets hebben willen betekenen. Om middengroepen aan te spreken heb je geen middenpolitiek nodig. Integendeel, onze uitdaging moet zijn om juist ook deze mensen te verleiden en overtuigen met radicale en progressieve keuzes voor goed onderwijs, solidaire zorg, leefbare buurten, duurzame groei, kortom voor een sterk en sociaal Nederland.’20 Ik voeg hier alleen aan toe dat een sterk en sociaal Nederland of België enkel mogelijk zijn in een internationaal rechtvaardige context.

Besluit

Wie op zoek gaat naar het socialisme voor de 21e eeuw kan er niet omheen: er is een nieuw groot verhaal nodig. In de 19e eeuw leek de toekomst verzekerd. Het vooruitgangsoptimisme kon zich stapsgewijs waarmaken. De socialistische beweging is een kind van de 19e eeuw. Er is geen enkele reden om haar wortels te verloochenen. Ook vandaag nog behoren de bekommernissen om werk en sociale zekerheid tot de corebusiness. Maar er stellen zich ook nieuwe uitdagingen. De globalisering leidt duidelijk niet vanzelf tot meer welvaart voor iedereen. Er is een wereldwijde regulering van de economie nodig. Ook de milieuproblemen vereisen een wereldwijde aanpak. De kenniseconomie is niet alleen maar een verschuiving van handenarbeid naar intellectuele arbeid en diensten. De hele economie verandert fundamenteel en brengt ook nieuwe uitsluitingsmechanismen mee.
De drie uitdagingen moeten gevat worden in een nieuw verhaal. Dat hoeft niet uit de lucht gegrepen te worden, maar moet aansluiten bij wat de mensen willen. Alleen moeten deze aangespoord worden ook aan een iets verdere toekomst te denken. De oude socialistische inspiratiebronnen hoeven zeker niet genegeerd te worden. Maar men moet ook bereid zijn te denken vanuit nieuwe uitdagingen. Wat op ons afkomt is niet gering, maar zonder socialisme zal het de mensheid waarschijnlijk niet eens lukken te overleven. Toen Jean-Paul Sartre al oud en ziek was, zei hij eens in een gesprek met Benny Lévy: ‘De linkse beweging moet kapot gaan, maar daarmee gaat ook de mens kapot, of ze moet nieuwe uitgangspunten krijgen.’21 Bijna een kwarteeuw geleden vond hij al dat links morsdood was, omdat het zijn beginsel verloren was. Dat algemeen politiek en menselijk beginsel had gedurende de negentiende en het begin van de twintigste eeuw gezorgd voor een eenheid binnen links. Ook al waren er tientallen strekkingen, men kon links duidelijk onderscheiden. Wil men links opnieuw tot leven wekken, dan moet men opnieuw de beginselen op papier zetten en doordenken.22 Als Benny Lévy hem voorhoudt dat dit beginsel wel eens zou kunnen gedefinieerd worden als ‘De broederschap’, zegt Sartre niet onmiddellijk nee. Hij vreest alleen dat die broederschap moeilijk te definiëren is.23

Luc Vanneste
Redactielid en Directeur beleidscel Werk van de Minister van Werk

Noten
1/ Cantor N.F. (2001), De zwarte dood - hoe de pest de wereld veranderde. Kampen: Agora.
2/ Vanschoenbeek G. (1995), Novecento in Gent - De wortels van de sociaaldemocratie in Vlaanderen. Antwerpen-Gent: Hadewijch-Amsab.
3/ Fukuyama F. (1992), Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Amsterdam: Contact.
4/ Althans volgens de golventheorie van Helmut Gaus. Zie: Gaus H.(2000), De sp en de maatschappelijke veranderingen, analyse en voorstel tot nieuwe doelstellingen, in: Samenleving en politiek, jg. 7, nr.3 (april).
5/ Mestrum F., Verhofstadt volhardt in de boosheid, De Standaard, 23/10/2002. Zie ook: Mestrum F. (2002), Globalisering en armoede, Over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde. Berchem: Epo.
6/ Hardt M. & Negri A. (2000), Empire, London: Harvard University Press.
7/ Stiglitz J. (2002), Perverse globalisering. Utrecht: Het Spectrum.
8/ Het initiatief kwam van het sp.a parlementslid Dirk Vandermaelen.
9/ Rayp G. en Mareels G., Internationale sociale zekerheid, FET 23/10/02.
10/ Meadows D. ea (1972), Rapport van de club van Rome, de grenzen aan de groei. Utrecht: Het Spectrum.
11/ Voor een samenvatting van de meest recente onderzoeksresultaten: Dejonghe W., Olie- en gasproductie daalt vanaf 2010. E-mailkrant, studiedienst sp.a, sept. 2003.
12/ Te verkrijgen op het internet: www.panda.org.
13/ Schaut C. (2004), De donkere kant van het sprookje, in: Samenleving en politiek, jg. 11, nr.4 (april).
14/ Brown L. R. (2001), Eco-economy, building an economy for the earth. London: Earthscan publications.
15/ Bijvoorbeeld voor Blanpain R. (1993), Heb ik morgen nog een job? Elementen voor een nieuw sociaal pact. Leuven: Peeters.
16/ Rifkin J. (2000), The age of acces, The new culture of hypercapitalism where all of life is a Paid-for experience. New York: J.P. Tacher/G.P. Putnam’s sons.
17/ Klein N. (2000), No logo, de strijd tegen de dwang van de wereldmerken. Rotterdam: Lemniscaat.
18/ Rischard JF. (2002), Vijf voor twaalf, Twintig wereldproblemen, twintig jaar om ze op te lossen. Rotterdam: Lemniscaat.
19/ Galbraith J.K. (1992), De cultuur van tevredenheid. Baarn: Sesam.
20/ Bos W., Gelijkheid moet een stap terug ten faveure van participatie. Ik heb deze tekst gevonden op de persoonlijke website van Bos: www.wouterbos.pvda.nl.
21/ Sartre JP. en Lévy B.(2004), Wat blijft is de hoop, de gesprekken van 1980. Kampen: Klement/Pelckmans, blz. 41.
22/ O.c. blz. 56-57.
23/ O.c. blz. 58

sociaaldemocratie - ideologie - sp.a - ideologisch congres sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 4 tot 14