Log in

Financiering sociale zekerheid: oneliners of een echt debat?

Mag er nog een debat zijn ter linkerzijde?

Op het OESO-forum van 2 en 3 mei 2005 hield de Zweedse Premier Göran Persson een opgemerkte toespraak waarin hij het succes van Zweden en van de andere Scandinavische landen binnen een geglobaliseerde economie toelichtte. Hij toonde haarfijn aan dat een sterk uitgebouwde sociale bescherming geen hindernis hoeft te zijn voor een competitieve economie en hoge groeiprestaties. Wel integendeel: de Scandinavische landen hebben een sterk uitgebouwde sociale zekerheid en een hogere werkgelegenheidsgraad dan de meeste andere landen. Ze hebben hoge overheidsuitgaven én een hoge belastingdruk, maar zorgden de laatste tien jaar toch voor een krachtiger economische groei dan het OESO-gemiddelde. Zweden heeft een sterke openbare sector maar ook een krachtige en competitieve private sector. Het besluit van Persson was dat een welvaartstaat niet alleen zorgt voor sociale rechtvaardigheid maar ook een kader creëert dat mensen ontvankelijker maakt voor een aantal noodzakelijke structurele hervormingen.
In België congresseert de partij van Premier Verhofstadt over de socio-economische krijtlijnen voor de komende tien jaar. Het is duidelijk waar de VLD naartoe wil: verlaging van de belastingdruk, ontvetting van de overheid, lagere sociale uitkeringen, zoveel mogelijk liberalisering ook in het onderwijs, de welzijnsector en de gezondheidszorg. Paradepaardje is de invoering van slechts twee belastingvoeten (20% en 40%) en tot 2015 een jaarlijkse verlaging van de fiscale druk met een half procent van het bbp. De kosten van de vergrijzing worden even vergeten of zullen wel door de uitkeringstrekkers gedragen worden.
De toespraak van de Zweedse Premier en de congresteksten van Verhofstadts partij stellen haarscherp waar het debat over moet gaan: worden de sociale zekerheid en intelligent overheidsoptreden gezien als een kans of als een rem voor de creatie van meer welvaart?
Mag dit debat ook ter linkerzijde gevoerd worden? Wie - zoals het ABVV op 1 mei - een duidelijke keuze maakt, wordt met valse argumentaties in de hoek geduwd van ‘doctrinaire socialisten die tegen elke hervorming zijn en nog niet ontdekt hebben dat we in een geglobaliseerde economie leven.’ Of hoe een gevaarlijke mix van pre-electorale koorts en foute communicatie een inhoudelijk debat ontwijkt.

Een langetermijnvisie gevraagd

Het succes van de Scandinavische landen, die de oorspronkelijke doelstellingen van de Lissabonstrategie (krachtige economische groei, sociale en ecologische vooruitgang) in de praktijk brachten, moet ook voor ons een voorbeeld zijn. Een goede sociale bescherming, een sterke rol voor de overheid, een streng milieubeleid, ruime middelen voor onderwijs en levenslang leren, een actief arbeidsmarktbeleid én de uitbouw van een kwaliteitsconcurrentie door investeringen in innovatie, blijken doeltreffend te zijn. Doeltreffender alleszins dan een beleid dat de aandacht uitsluitend op kostenconcurrentie en lastenverlaging legt.
In België moet nog een lange weg worden afgelegd naar kwaliteitsconcurrentie en naar het heroriënteren van de economie naar een groeipad van duurzame ontwikkeling. Ons land hinkt hier achterop in vergelijking met de buurlanden en zeker met de Scandinavische landen. Het ABVV probeert al geruime tijd om dit debat op de agenda van het sociaal overleg te krijgen. Wij willen de werkgevers overtuigen om in het technisch verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven - dat vooral handelt over de kostenconcurrentie - een luik kwaliteitsconcurrentie toe te voegen. We worden daarin zowaar gesteund door de beleidsverklaring van Premier Verhofstadt. We zouden dan de situatie van België op het vlak van onderzoek en ontwikkeling en van innovatie in kaart kunnen brengen en jaarlijks evalueren of we onze achterstand inhalen en zien hoe er kan worden bijgestuurd. Zonder het belang van een verstandig loonbeleid te minimaliseren, denken we dat onze toekomstige welvaart eerder gebaat is met zo’n offensieve strategie dan met een louter defensieve kostenbenadering.
Terwijl België het slecht doet op het gebied van innovatie en overigens ook inzake investeringen in levenslang leren van de werknemers, hebben we één domein waar we het wel goed doen, nl. de sociale zekerheid. Deze troef moeten we dan ook behouden. De huidige financiering van de sociale zekerheid bedreigt op termijn echter zowel de houdbaarheid van het stelsel, als de vervangingsratio van de sociale uitkeringen.
Het ABVV ging na waarom het dreigt fout te lopen en werkte een plan uit voor een alternatieve financiering van de sociale zekerheid, een financiering die in ons plan ook tewerkstellingsvriendelijker is dan de bestaande.

Wat loopt er fout met onze sociale zekerheid?

Het is door de vakbonden al vaak herhaald. Ook al wordt het door sommigen halsstarrig ontkend: de sociale zekerheid heeft vandaag niet zozeer een probleem van uitgaven, dan wel van inkomstenstijging. De socialezekerheidsuitgaven stijgen globaal al meer dan twee decennia, ongeveer gelijkopgaand met het bbp en vertegenwoordigen 17 à 18% van het bbp. De inkomsten echter blijven achter op de groei van het bbp door bijdrageverlagingen en door de uitbreiding van een aantal voordelen waarop geen of minder bijdragen ingehouden worden. Dit leidt tot een structureel financieringsprobleem en tot jaarlijkse tekorten die tot nog toe, onder syndicale druk, wel elk jaar bijgepast worden door de regering. Maar het plaatst de sociale zekerheid wel voor een zeer onzekere toekomst. Dat is een eerste fundamentele reden waarom we naar een structurele oplossing voor dit financieringsprobleem zoeken.
Een tweede probleem is dat onze sociale zekerheid, meer dan in andere Europese landen, door sociale bijdragen op lonen gefinancierd wordt. Een verschuiving naar een financieringsbron die minder de lonen aanspreekt en ons meer doet aansluiten op de situatie in de buurlanden is ongetwijfeld verstandig.
Een derde probleem is dat meer dan de helft van de uitgaven van de sociale zekerheid, die betaald worden door bijdragen van de werknemers, naar zogenaamde solidariteitsuitgaven gaan. Dit zijn niet alleen uitgaven die de solidariteit binnen de werknemersgroep dekken, zoals de gelijkgestelde periodes in de pensioenwetgeving (waardoor periodes van werkloosheid en ziekte toch meetellen in de pensioenberekening) maar ook gewaarborgde kinderbijslag, minima voor invaliden die onvoldoende bijdragen betaalden in het werknemersstelsel, sociale bescherming van artiesten en voetballers en de gezondheidszorg van de hele bevolking!
Vooral de uitgaven voor de gezondheidszorg zijn belangrijk in dit debat. Omdat ze de grootste uitgavenpost vormen binnen de sociale zekerheid en vooral de grootste uitgavenstijger zijn: van 24,5% van de totale uitgaven sociale zekerheid in 1980 naar 35% in 2005. Bovendien en vooral omdat de gezondheidszorg steeds meer geëvolueerd is naar een universeel stelsel waar de hele bevolking van geniet, maar dat voor bijna 95% betaald wordt door de loontrekkenden! Ook hier is België een buitenbeentje, want in de andere Europese landen wordt een veel groter deel van de gezondheidsuitgaven betaald door fiscale middelen. Dit is een derde reden om iets aan de financiering te doen.
Een vierde probleem is dat, als het werknemersstelsel alleen moet blijven zorgen voor de financiering van de uitgavengroei van de gezondheidszorgen, er onvoldoende ruimte zal zijn voor het welvaartsvast maken van de uitkeringen. Hierdoor dreigt het mechanisme van tweejaarlijkse aanpassing van de sociale uitkeringen aan de welvaart, dat vanaf eind 2006 moet opstarten, een dode mus te worden.
Deze vicieuze cirkel moet worden doorbroken door een tweesporenbeleid te volgen waarbij enerzijds de groei van de gezondheidsuitgaven - beter dan vandaag - onder controle wordt gehouden en waarbij een deel van de uitgavenstijging niet langer door bijdragen maar door de opbrengst van een alternatieve financiering wordt betaald.

Welke alternatieve financiering?

Als er gezocht wordt naar een grotere alternatieve financiering van de sociale zekerheid moet men niet over één nacht ijs gaan. Sommige politieke strategen laten zich in de eerste plaats leiden door de mogelijke electorale gevolgen van hun keuzes en/of door de gevolgen ervan op de regeringscoalitie.
Het ABVV kiest voor een meer wetenschappelijke aanpak en laat zich inspireren door de werkzaamheden van het federale Planbureau. In verschillende rapporten (december 1995, augustus 1999 en september 2004) werden de macro-economische effecten van diverse types van alternatieve financiering van de sociale zekerheid onderzocht. Telkens bleek dat een formule zoals een Algemene Sociale Bijdrage, de ASB - waarbij een brede waaier van inkomensbronnen worden aangesproken, goede resultaten geeft. Die inkomensbronnen zijn lonen, vervangingsinkomens, roerend en onroerend inkomen en vennootschapswinsten. Een verhoging van onrechtstreekse belastingen bleek het heel wat slechter te doen. Het ABVV- plan zocht inspiratie bij het Planbureau maar legde eigen accenten, zowel inzake financiering als inzake aanwending van de opbrengst.
Om te beginnen wil het ABVV-plan de opbrengst van een ASB aanvullen met de extra inkomsten die verwacht worden van de Europese spaarrichtlijn. Door deze richtlijn kan redelijkerwijze verwacht worden dat de roerende voorheffing opnieuw een inkomstenbron in expansie zal worden. De spaarrichtlijn voorziet immers dat België, Luxemburg en Oostenrijk - landen die geen informatie-uitwisseling zullen doen zoals de andere Europese landen - een roerende voorheffing zullen invoeren van 15% op 1 juli 2005 en vervolgens van 20% in 2008 en 35% in 2011. We weten dat 75% van deze roerende voorheffing op buitenlands spaargeld naar het land van oorsprong van de spaarder gestort wordt. Ofwel blijft het spaargeld in het buitenland en komt er geld terug naar België ofwel komt het spaargeld terug naar België en kan er hier roerende voorheffing op ingehouden worden, als het in beleggingen geplaatst wordt waar voorheffing op verschuldigd is. Deze nieuwe Europese fiscale context zou overigens een extra uitnodiging moeten zijn om Belgische uitzonderingsregimes - die toelaten om aan een voorheffing te ontsnappen - af te schaffen. Op die manier moet het mogelijk zijn om - zoals vandaag met de BTW-opbrengsten - een percentage van de roerende voorheffing toe te wijzen aan de sociale zekerheid.
Met de ASB wil het ABVV, net zoals het Planbureau, een ruimere grondslag invoeren waarop dan een bijdrage met een laag tarief kan toegepast worden. Volgens de berekeningen van het Planbureau zou zo’n bijdrage op alle gekende inkomens voor de helft betaald worden door kapitaalinkomsten. Maar daar waar het Federaal Planbureau in zijn oefening een vrijstelling (een drempel) wil invoeren waardoor de eerste 10.000 euro van het inkomen vrijgesteld worden, wil het ABVV deze vrijstelling verhogen voor de loontrekkenden en de vervangingsinkomens. We willen met de opbrengst van de ASB immers twee andere bestaande bijdragen afschaffen, nl. de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid (BBSZ) en de crisisbijdrage voor de gepensioneerden. Vooral de BBSZ is een ouderwetse en onrechtvaardige bijdrage. Ze treft enkel de werknemers en sommige sociale uitkeringstrekkers en ze wordt berekend op het gezinsinkomen vanaf 18.592 euro.
Met de invoering van een ASB wensen we de werknemers niet meer, maar minder te laten betalen dan vandaag! Daarom stellen we een vrijstelling voor die minstens even hoog ligt als deze van de BBSZ (of hoger, want er werden verschillende scenario’s uitgewerkt). Bovendien wordt de ASB op het individuele inkomen berekend, in plaats van op het gezinsinkomen.
Aangezien het tarief van de ASB (1,5 à 2%) lager ligt dan de BBSZ betekent het ABVV-voorstel voor de meeste loontrekkenden een inkomensverhoging en geen belastingverhoging. Daarom schreef een journalist die ons voorstel goed begrepen heeft dat ons plan neerkomt op ‘een betere bescherming voor de werknemers, door minder te betalen.’
Naast de afschaffing van beide bestaande heffingen willen we het overschot van de opbrengst dus gebruiken voor de financiering van een gedeelte van de uitgavenstijging in de gezondheidszorgen.

Het onbegrip van de sp.a

Het ABVV-plan werd op de vooravond van 1 mei bekend gemaakt en aan de pers voorgesteld, met gedetailleerde berekeningen voor de gevolgen op de inkomenssituatie van de loontrekkenden. Op 1 mei was de vrees groot dat ‘probleem 177 Brussel-Halle-Vilvoorde’ tot vervroegde verkiezingen zou leiden. Alle sp.a-sprekers kregen blijkbaar de boodschap mee om een electoraal geïnspireerd ‘neen’ tegen het ABVV-plan te verspreiden. Tijd voor een grondig debat tussen partij en vakbond werd voor het ASB-plan niet uitgetrokken. Zien we het verkeerd als we vermoeden dat de sp.a kiezers uit de Vlaamse middenklasse wou afsnoepen van de VLD en dus geen behoefte had aan een duidelijke socialistische boodschap?
De reacties in de media waren verdeeld. Opmerkelijk was dat sommige journalisten blijkbaar negatief commentaar gaven zonder het plan grondig te hebben gelezen, laat staan verduidelijkingen te hebben gevraagd.
Een ‘kwaliteitskrant’ ging zover op de voorpagina een correcte analyse van het plan te geven, in het edito het plan af te kraken - op basis van een totaal verkeerde voorstelling - en op de financiële pagina’s op een badinerende toon nog andere informatie te geven over de ASB. Wij verwachten niet dat elke journalist het eens is met ons voorstel, maar wel dat er minstens correcte informatie wordt gegeven als men werkelijk ‘gebeten is om te weten.’
Is het onredelijk om naar alternatieve inkomsten te zoeken die andere inkomensbronnen aanspreken in een land waar 40% van de belastinginkomsten via de bedrijfsvoorheffing door de loontrekkenden wordt betaald, waar 35% van de inkomsten uit BTW en accijnzen komt - die ook vooral door loontrekkenden en uitkeringstrekkers worden betaald - en waar meer dan 75% van de inkomsten van de sociale zekerheid door bijdragen op de lonen wordt gehaald?
Worden de werkenden slecht verdedigd als een vakbond vaststelt dat België een belastingparadijs voor kapitaalinkomens is in vergelijking met de meeste andere Europese landen: effecten aan toonder (tot 31 december 2007 en met overgangsperiode tot 2012 voor toondereffecten die vóór die datum werden uitgegeven), geen meerwaardebelasting, huurinkomsten waarvan het aan te geven belastbaar bedrag niet in verhouding staat tot de reële opbrengst maar steunt op de huurmarkt van 30 jaar geleden, vrijstelling van beleggingsfondsen die interest herkapitaliseren, fiscaal bankgeheim dat in de meeste andere landen niet bestaat, een royale subsidiëring van de financiële sector door dure belastingaftrekken ter aanmoediging van langetermijnsparen, een lage en bevrijdende roerende voorheffing…?
Is een vakbond die hierover dringend een debat wenst achterlijk en doctrinair? Is een debat over fiscale rechtvaardigheid voorbijgestreefd? Moeten we ons neerleggen bij de ongelijke verdeling van inkomens en vermogens? Doet het ondraaglijk pijn als we naar voorbeelden verwijzen waar goede sociale bescherming en mooie economische resultaten hand in hand gaan? Wil de sp.a daar geen debat meer over voeren?

Komt er een debat?

Het ABVV heeft nergens gezegd dat ons voorstel te nemen of te laten is. Het is ook geen pleidooi voor alleen maar nieuwe inkomsten. Het ASB-voorstel is een onderdeel van een globale strategie om de toekomst voor te bereiden en om de sociale zekerheid te versterken en aan te passen aan de nieuwe noden. Inzake gezondheidszorgen pleiten we voor structurele maatregelen tegen misbruiken. We denken dat het inkomensluik van het plan slim is. Omdat het voor een deel en dit zonder nieuwe belastingverhoging, bijkomende middelen kan bieden uit inkomensbronnen die tot nog toe nagenoeg niets bijdroegen aan de sociale zekerheid. Dit is het geval voor de opbrengst van de spaarrichtlijn.
De algemene sociale bijdrage vervangt twee domme, want onrechtvaardige, bijdragen door een bijdrage op een bredere grondslag. Dit is geen ouderwetse heffing. Hiermee worden aanbevelingen van de Europese Commissie en van de OESO gevolgd. Dat een deel van de opbrengst gebruikt wordt voor de financiering van de gezondheidsnormen speelt in op de vaststelling dat we hier steeds meer met een universele regeling te maken hebben. Het is logisch dat niet enkel loontrekkenden hiervoor betalen.
We hopen dat de oneliners van 1 mei zullen geruild worden voor een serene inhoudelijke discussie, die oog heeft voor de lange termijn.

Luc Voets
Directeur federale studiedienst ABVV

vakbond - sociale bescherming - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 6 (juni), pagina 6 tot 10