Abonneer Log in

Als de trechter stilaan vol raakt, zet hem dan op zijn kop!

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 7 (september), pagina 24 tot 29

In de krant De Morgen van 11 juni 2005 publiceert redacteur Janine Meijer een artikel over de toeleiding en de begeleiding van werklozen naar werk onder de titel: ‘De trechter raakt stilaan vol’. In het artikel geeft ze aan dat de harde kern van de moeilijk te bemiddelen werklozen bereikt wordt. Ook gaat ze in op de recente kritiek die vanuit ACV-hoek geformuleerd wordt op de werking van de VDAB. Het artikel en de geformuleerde kritiek aan het adres van de VDAB hebben me ertoe aangezet in de pen te kruipen.

Werklozen begeleiden is geen eenvoudige opdracht

Ik sta elke dag met beide voeten tussen de werklozen. Met onze uitbetalingsinstelling betalen we gemiddeld 25.000 werklozen per maand hun uitkering. Ik weet dan ook hoe moeilijk het is om werkzoekenden naar werk en opleiding te begeleiden. Het stoort me dan ook mateloos dat de jongste tijd met scherp geschoten wordt naar de VDAB en zijn medewerkers. Dat het ACV dat doet vind ik dubbel erg, als vakbond zouden ze beter moeten weten en bovendien zijn ze zelf lid van het beheerscomité van diezelfde VDAB. Als er kritiek te formuleren valt is dat de plaats bij uitstek waar het moet gebeuren. De vraag is dan ook waarom Luc Cortebeeck, als nationaal voorzitter van het ACV, de kritiek formuleert in de media.
Het wordt de hoogste tijd om een genuanceerder beeld te brengen van de aanpak van toeleiding van werklozen naar opleiding en/of werk. Daarbij moeten we op de eerste plaats naar de VDAB kijken, maar ook naar vele andere partners: de derden, die vaak vergeten worden, de privédiensten die binnenkort via de tendering op de (arbeids)markt komen en niet in het minst de vakbonden zelf.

De VDAB werkt niet ondermaats

Het is bekend dat de VDAB in vergelijking met andere overheidsdiensten zeer goed scoort. De dienst werkte als eerste met moderne managementinstrumenten en is koploper in e-government. Ze hebben een kwaliteitslabel.
De basisdienstverlening van de VDAB heeft zijn plaats gevonden in de lokale werkwinkels. De drempel voor de werkzoekende is duidelijk lager geworden. De samenwerking met andere diensten heeft duidelijk een meerwaarde. Ook in de trainings- en opleidingscentra wordt hard gewerkt. Er zijn wachtlijsten, zoals Ilse Dielen van het ACV zegt, maar daarvoor zijn zeker niet de VDAB-instructeurs verantwoordelijk. Er zijn gewoon te weinig opleidingsplaatsen en te weinig middelen.
VDAB-opleidingen trachten zo goed mogelijk in te spelen op de behoeften van de arbeidsmarkt. Daarbij zijn de zogenaamde knelpuntenberoepen, beroepen waarbij het moeilijk gaat om de vacatures in te vullen, het referentiepunt. Ook wat opleidingen betreft heeft de VDAB al lang geen monopolie meer. Er is intensief overleg met de bedrijfssectoren en met de derden. Sommige opleidingen worden door de VDAB dan ook uitbesteed. Het is belangrijk dat de VDAB, als bewaker van het traject van de werkzoekende naar werk, de eindverantwoordelijkheid blijft behouden. Uit de cijfers blijkt dat de beroepsopleidingen ook bijzonder effectief zijn: ze hebben nog steeds een uitstroom van 70% naar werk.
Ook het instrument van de Individuele Beroepsopleiding, waarbij de werkloze tijdelijk een opleiding krijgt op de werkvloer is bijzonder effectief. Uit een recente evaluatie van het instrument blijkt dat het vaak gebruikt wordt en een grote kans op duurzame werkgelegenheid biedt. Om die reden wordt het instrument trouwens binnenkort uitgebreid met een korte formule gericht op jongere werklozen.
De VDAB is de voorbije jaren geplaagd door elkaar opvolgende herstructureringen. Er is nood aan wat zekerheid en stabiliteit. De medewerkers zijn het voortdurend herstructureren moe, maar blijven zich toch verder inzetten voor hun basisopdracht: werkzoekenden op weg zetten naar werk.Maakt de VDAB dan geen fouten? Natuurlijk wel. De VDAB heeft een goed uitgewerkt klachtenmanagement. Uit de rapporten van de klachtendienst blijkt dat die meer dan behoorlijk behandeld worden. Is men niet tevreden met de geboden oplossing van een klacht dan kan de betrokken werkloze ook in beroep gaan bij de STC-ombudsdienst. Elke klacht in verband met een doorverwijzing naar de RVA (en dus met een mogelijk gevolg voor de werkloosheidsuitkering) komt op diezelfde ombudsdienst. Mijn ervaring is dat deze ombudsdienst zich niet gedraagt als een vierschaar, maar zelfs als de VDAB geen fout treft op zoek gaat naar een uitweg voor de betrokken werkloze.
Fons Leroy, naaste medewerker van de ministers Landuyt en Vandenbroucke, staat nu aan het roer van de VDAB. Leroy stond mee aan de tekentafel van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid van de voorbije 10 jaar. Heel wat verfrissende ideeën en zeker de visie op de lange termijn komen ongetwijfeld uit zijn hoofd. De VDAB is dan ook in goede handen.

De lokale werkwinkels zijn een ijzersterk concept

De belangrijkste ontwikkeling van de jongste jaren is de oprichting van lokale werkwinkels in het hele Vlaamse land. Per zorggebied (een cluster van gemeenten) werd er een enig loket opgericht voor de basisdienstverlening van de VDAB, de PWA, opleidings- en werkervaringsprojecten, trajectbegeleiding voor arbeidsgehandicapten, de arbeidszorg van het OCMW en de lokale dienstenwerkgelegenheid. Het heeft de VDAB dichter bij de werkzoekende en de lokale werkgelegenheid gebracht. Het heeft de structurele samenwerking met de derden (de niet commerciële opleidings- en werkervaringsprojecten) verbeterd en het heeft de lokale besturen nauwer betrokken bij het werkgelegenheidsthema.De VDAB-medewerkers die er met hun collega’s van de gemeente, PWA, OCMW en derden samen de eerste lijn verzorgen leveren uitstekend werk. Hoe meer de consulenten samenwerken, hoe beter de dienstverlening is.
De eerste jaren werd er leergeld betaald. Gelukkig wil minister Vandenbroucke het concept behouden en worden de werkwinkels decretaal verankerd voor de toekomst. Dat er verder moet gewerkt worden aan een verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening is duidelijk, maar het basisconcept zit goed.
Uit een recente evaluatie van de werkwinkelwerking in Gent blijkt dat dankzij de basisgedachte van het open partnerschap ‘Gent,stad in werking’ de vier Gentse werkwinkels uitstekende resultaten kunnen vastleggen met een hoge kwaliteit.
In de basisdienstverlening tracht men de werkzoekende zoveel mogelijk zelfredzaam te maken en wordt hij/zij geholpen om zelf op pc zijn dossier in orde te brengen en/of vacatures te raadplegen. Er staan steeds consulenten (met een beurtrol per partner) ter beschikking om de mensen op weg te helpen. Op die manier maken in Gent 61% van de werkzoekenden gebruik van de zelfbediening, een hoger percentage dan het Vlaamse gemiddelde (52%). De werkzoekende met pc-vrees of die niet in staat is zichzelf te bedienen wordt individueel geholpen door een consulent.
In Gent haalt de trajectbegeleiding een bijzonder hoog resultaat. In 2004 werden niet minder dan 4.763 nieuwe trajecten opgestart. Daarbij is duidelijk dat men, verhoudingsgewijs, de kansengroepen goed bereikt. In Gent bereikt men duidelijk meer jongeren, allochtonen en arbeidsgehandicapten dan hun gemiddelde aanwezigheid in de werkloosheidscijfers. Nog een andere opmerkelijke vaststelling daarbij is wel dat de derden het verschil maken. Zij bereiken duidelijk meer de kansengroepen dan de VDAB-trajectbegeleiders. Het legt meteen een knelpunt bloot. De instrumenten van de VDAB om trajecten te registreren en op te volgen staan soms haaks op het bochtige en langzame traject dat mensen uit de kansengroepen moeten volgen. Afstemming op elkaar is dan ook aangewezen.
De lokale werkwinkel kan ook extra diensten aanbieden. De werkwinkels in Gent doen dat ook. Zo bieden ze o.m. sollicitatiehulp (759 mensen in 2004), hebben ze een ervaringsdeskundige in de kansarmoede om de onderliggende problemen van de werkloosheid aan te pakken, bieden ze uitgebreide dienstverlening-dienstencheques, worden de dossiers geregeld verbeterd, werkt men samen met de bijblijfconsulenten van de vakbonden voor de 50-plussers en leiden ze kandidaten naar het project Bouwbaan (opleidings- en werkgelegenheidsproject voor knelpuntberoepen in de bouwsector). Het probleem met deze, uitstekende, extra diensten is dat ze maar tijdelijk gefinancierd worden. Ook hier is, uiteraard na grondige evaluatie, enige structurele financiering nodig.
De lokale werkwinkel vormt ook een aanspreekpunt voor werkgevers. Die komen duidelijk minder over de vloer. De werkwinkel kan nochtans perfect de informatie geven die werkgevers nodig hebben om geschikte werknemers te vinden. Hier is dus nog werk aan de (werk)winkel.

De nieuwe regionale overlegorganen en het lokaal werkgelegenheidsbeleid

Het regionaal werkgelegenheidsbeleid heeft sinds het einde van de jaren zestig een stevig draagvlak gehad met de Subregionale Tewerkstellingscomité’s, de zogenaamde STC’s. Door de jaren heen is dit uitsluitend paritair orgaan van sociale partners (werknemers en werkgevers) uitgegroeid tot een meer open forum (ook lokale overheden en derden) en de opdrachten van het STC zijn ook geëvolueerd. Naast de adviesopdracht in tal van beleidsdossiers, op vraag van de Vlaamse overheid, stuurde het STC in belangrijke mate ook het regionaal beleidsplan van de VDAB. De jongste tijd werd er onder impuls van de VZW’s die aan elk STC werden verbonden met een ploeg projectontwikkelaars veel meer aan beleidsvoorbereidend werk gedaan.
De aandacht voor het lokale werkgelegenheidsbeleid, gevoed door de inbreng van de lokale fora werkgelegenheid van de lokale werkwinkels, en voor regionale werkgelegenheidsinitiatieven vonden hun weerslag in het STC-beleidsplan. De hervorming van het sociaaleconomisch streekbeleid waarbij de RESOC’s en de SERR’s de STC’s vervangen dreigt de kritische inspraak in het lokaal VDAB-beleid te verminderen. Ook de impact op het lokaal en regionaal werkgelegenheidsbeleid zou kunnen afnemen.
Deze hervorming, die cynisch genoeg nog steeds gekaderd wordt binnen het Beter Bestuurlijk Beleid, heeft heel lang aangesleept. Het enthousiasme van de ‘levende krachten’ in de regio’s is dan ook erg getemperd. De concrete uitvoering zorgt ook voor de nodige problemen. Zo zijn de werkgevers het nog niet overal eens over de onderlinge verdeling van de mandaten in hun delegatie. Het terugplooien op het paritaire model is een andere bedreiging. Vooral de ACV-vertegenwoordigers dringen aan om de sociale partners het quasi alleenrecht te geven in bepaalde dossiers.
De band met de VDAB is structureel doorgeknipt. Hun aanwezigheid in de RESOC’s en SERR’s is decretaal niet voorzien. Het hangt dan ook van elke individuele RESOC of SERR af of VDAB mee aan tafel zit. Er zou best een duidelijke aanbeveling komen van de Vlaamse overheid om overal de VDAB op te nemen in de nieuwe organen.
Op het terrein werd met de projectontwikkelaars van de STC-vzw’s veel knowhow opgebouwd. Veel uitstekende projecten zagen het levenslicht. De diversiteitplannen werden goed opgevolgd. Ook deze medewerkers blijven wat verweesd achter in deze hervorming. De komende weken en maanden zullen de nieuwe werkgelegenheidsfora hun nieuwe adem moeten vinden en hopelijk ook het nodige enthousiasme om de positieve ervaringen uit het verleden te verzilveren en om de nieuwe uitdagingen van de toekomst aan te gaan.

De derden zijn nodig

Het werk dat door kleine en middelgrote opleidingsorganisaties, begeleidingsdiensten en werkervaringsprojecten gepresteerd wordt kan niet onderschat worden. De derden hebben niet alleen de idee van de trajectwerking aangebracht, zij vullen op uitstekende wijze de basisdienstverlening van de VDAB aan. De derden bereiken beter de kansengroepen door hun soepel en intensieve inzet. Doordat ze in een meer vertrouwelijke sfeer kunnen werken zijn ze in staat om de mazen in het VDAB-net te dichten.
De evaluatie van de Gentse lokale werkwinkels toont dit ook cijfermatig aan. De derden zorgen voor vernieuwende methodes in de begeleiding. Deze methodes zijn soms zeer arbeidsintensief maar leveren resultaat op. Toen onlangs werd vastgesteld dat bepaalde allochtone vrouwen niet bereid waren om met dienstencheques te gaan poetsen bij particulieren omdat hun partner dat niet aanvaardde, heeft Job en Co, een belangrijke derde in Oost-Vlaanderen de inspanning geleverd om niet alleen de werkzoekende, maar ook haar partner te overtuigen om dit werk te doen. In elk geval met een redelijk positief resultaat tot gevolg.
Het probleem met de derden is dat ze erg afhankelijk blijven van een tijdelijke en onzekere financiering. Bovendien worden de meeste projecten via Europese programma’s gecofinancierd. Wie ervaring heeft met deze projecten kent de problemen met de administratieve overlast en de steeds weerkerende druk om zelf voor te financieren.
Aan de basiswerking van de derden zou beter een duurzame en structurele financiering worden gegeven. De komende tendering, het uitbesteden van VDAB-trajecten aan de privésector, dreigt de derden te wurgen. Vooral de kleine derden zijn onmogelijk in staat om de concurrentie met de commerciële sector aan te gaan. Het zou een erg spijtige zaak zijn, want de derden zijn en blijven nodig.

De tendering: Het paard van Troje?

Nog vooraleer de uitbesteding van begeleidingstrajecten aan de privésector een feit is, rijzen er veel twijfels over dit initiatief. Het betekent een (kleine) dijkbreuk in ons arbeidsmarktbeleid waarin de publieke dienst (VDAB) nagenoeg een monopolie van bemiddeling bezit. De VDAB voelt zich dan ook bedreigd. Dat hoeft niet zo te zijn als de tendering goed omkaderd wordt en de VDAB de trajectbewaking houdt. Het kan de VDAB scherp en alert houden. Ik hoop alleen dat de recente kritiek op de werking van de VDAB niet als bijbedoeling heeft om de tendering kritiekloos zijn gang te laten gaan. De uitzendkantoren, die blijkbaar staan te trappelen om dit begeleidingswerk te doen en ongetwijfeld bijkomende troeven hebben, moeten we afrekenen op hun resultaten met de kansengroepen, niet op de prestaties van de VDAB.

De vakbonden: van poortwachten tot bijblijfconsulenten.

Toen de vorige Vlaamse minister voor werk, Renaat Landuyt de vakbonden in zijn beleidsnota de poortwachters van de sociale zekerheid noemde was dat een kritiek van formaat. De vakbonden hielden zich teveel bezig met het verdedigen van de Sociale Zekerheid, waar natuurlijk niets mis mee is. Vakbonden moesten ook hun rol opnemen in de toeleiding van werklozen vond de minister. De vakbonden hebben deze uitdaging met beide handen aangegrepen en hebben nu al enkele jaren bijblijfconsulenten in dienst. Het zijn vakbondsmedewerkers die in een vertrouwelijke sfeer werkloze leden begeleiden naar de lokale werkwinkel, opleiding of werk.
Deze nieuwe dienstverlening van de vakbond kent een groot succes. Zo realiseerde het ABVV Scheldeland in de eerste 8 maanden van 2005 met 1,5 voltijdse bijblijfconsulent 290 begeleidingen. Het toont echter ook aan hoe moeilijk het begeleidingswerk van werklozen is. In elk geval nemen de vakbonden ook hun verantwoordelijkheid in het hele toeleidingsverhaal.

Werk of geen werk? Dat is de vraag.

Er is op dit ogenblik geen werk voor iedereen. Dat is zonneklaar. De volledige werkgelegenheid zal altijd een utopie blijven. Toch moeten we alles in het werk stellen om de volledige werkgelegenheid te benaderen. Werklozen begeleiden en opleiden om dan op het einde van het traject geen werk te kunnen aanbieden is onaanvaardbaar.
Maar vandaag geraken veel knelpuntenvacatures niet ingevuld en vinden we geen goede kandidaten voor dienstenchequebanen. In de nabijheidsdiensten, de sociale economie en de welzijnssector zit er zeker nog groei.Werklozen uit hun isolement halen is op zich al een belangrijke maatschappelijke opdracht. Toch blijft het werk van trajectbegeleiders vaak Sisifusarbeid. Ze brengen moeizaam enkele honderden werklozen aan het werk en dan beslist één of andere zetel van een multinational om enkele honderden banen te schrappen! Het siert de trajectbegeleiders dat ze de moed niet opgeven en hun werk verderzetten. Zij zijn de echte helden.
Toen minister Vandenbroucke als federaal minister van Werk maatregelen nam om het zoekgedrag van werkzoekenden te stimuleren schreeuwden bepaalde organisaties moord en brand. In Wallonië spraken zelfs diverse comités over een jacht op de werklozen. Nu de maatregel ruim een jaar loopt blijkt dat er helemaal geen sprake is van deze jacht.
Om te beginnen worden de gesprekken door de RVA-medewerkers op een redelijke manier aangepakt. Van zware sancties is voorlopig niet echt sprake. Belangrijk is wel dat deze maatregel zowel bij werkzoekenden als de VDAB een extra stimulans heeft gegeven om een opleiding te volgen of werk te zoeken. In die zin heeft de Vlaamse minister van Werk perfect ingespeeld op deze maatregel en de VDAB extra middelen gegeven om de ‘sluitende aanpak’ (de uitdaging om elke werkloze in begeleiding te nemen vooraleer hij/zij door de RVA wordt opgeroepen) te organiseren. De organisatie van de sluitende aanpak is niet alleen de verantwoordelijkheid van de VDAB. Alle partners moeten er hun deel van opnemen.
Ook als vakbond hebben we deze op het eerste gezicht repressieve maatregel omgebogen tot een intensieve begeleiding van onze leden. De ABVV-leden die een RVA-uitnodiging ontvangen worden intensief begeleid vóór, tijdens en na het RVA-gesprek. Het is een belangrijke bijkomende dienstverlening van de vakbond geworden.
Wat daarbij verheugend kan worden genoemd is dat de financiering van deze dienstverlening voor de helft betaald wordt uit de interprofessionele kas en voor de helft door de beroepscentrales. Als elke trajectbegeleider in zijn hokje blijft en alleen de eigen resultaten voor ogen heeft, dan dreigt de trajectbegeleiding maar een beperkt effect te hebben.
Samenwerken is dus de boodschap: VDAB, derden, de commerciële sector en de vakbeweging. Elk van de partners moet op de eigen sterke punten een inbreng doen. Op elkaar afstemmen van de acties zodat die elkaar versterken is aangewezen. Het geheel schragen en opvolgen met een open partnerschap is de beste keuze.

Mil Kooyman
Redactielid en Algemene gewestelijke secretaris ABVV Scheldeland

arbeid - tewerkstelling - vakbond - werkloosheid - VDAB

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 7 (september), pagina 24 tot 29