Log in

Adoptieouder, zorgouder, meeouder, voogdijouder, ...?

In de Kamer van Volksvertegenwoordigers is de discussie rond adoptie door personen van gelijk geslacht volop aan de gang. Het leek er lang op dat deze mogelijkheid, die tijdens de vorige legislatuur nog afgeblokt werd, probleemloos gestemd zou worden. Onder druk van (een deel van) de achterban heeft CD&V evenwel haar aanvankelijke steun voor het wetsvoorstel Swennen1 terzake teruggetrokken en een alternatief voor de adoptiemogelijkheid voor holebi’s gelanceerd.

Het is dus de vraag of deze paren ook de kans moeten krijgen te voldoen aan hun kinderwens en hoe dan wel. Maar in deze discussie werd en wordt ook lang stilgestaan bij de positie van de persoon die (al dan niet gehuwd) samenwoont met een ouder met kinderen uit een vorige relatie. In de feiten is die persoon ouder, in rechte evenwel niet. Als er problemen rijzen staat hij of zij rechteloos én plichteloos.
Hoe de wetgever een mouw kan passen aan beide situaties is dus de vraag. Het antwoord is voorlopig koffiedik kijken. In deze bijdrage pogen we een overzicht te geven van de discussie, die bemoeilijkt wordt doordat diverse feitelijke situaties door elkaar geklutst worden en met termen als adoptie, zorgouderschap, voogdij en meeouderschap gelardeerd wordt.

Nieuwe samenlevingsvormen stellen juridische problemen

Het traditionele gezin, zoals dat voor enkele tientallen jaren de regel was, is in onze moderne samenleving eerder uitzondering dan regel. Andere leefvormen nemen de overhand: alleenstaande ouders met kinderen, hersamengestelde gezinnen, holebikoppels met kinderen, … Het stelt de juridische wereld voor tal van problemen. Het Burgerlijk Wetboek gaat immers nog steeds uit van het model van het klassieke gezin. Rechten en plichten van ouders en kinderen zijn op maat van dat model geschreven. Ze voldoen dan ook niet langer meer om een afdoend antwoord te geven aan de problemen waarmee anderssamengestelde gezinnen geconfronteerd worden. Dat is nogmaals duidelijk naar voren gekomen in de discussie rond het openstellen van adoptie voor holebi’s.
Naar Belgisch recht ontstaan of bestaan immers alleen rechten en plichten tussen kind en ouder indien er tussen beiden een afstammingsband is. Die band wordt vastgesteld bij de geboorte van het kind en berust ietwat schematisch voorgesteld op de biologische werkelijkheid: het kind stamt af van de moeder die het gebaard heeft (daarover kan nauwelijks betwisting bestaan) en de man die de moeder bevrucht heeft (waarover al meer betwisting kan bestaan). Ontbreekt die biologische band, dan kan het (feitelijke) ouderschap alsnog juridisch verworven worden door adoptie. Het gaat dan om wat juristen een fictie noemen: zelfs al heeft de persoon (of de personen) in kwestie helemaal geen uitstaans met (de verwekking van) het kind, hij of zij (of beide) krijgt de ouderlijke macht toegedeeld met alle rechten en plichten die daaraan verbonden zijn. Het duidelijkste voorbeeld is uiteraard de interlandelijke adoptie, waarbij een kind van vreemde origine door een Belgisch koppel geadopteerd wordt.
Bij holebi’s ontbreekt uiteraard die biologische band in hoofde van een of van beide partners. Is slechts een van de partners biologische ouder, dan kan ook vandaag de andere het ouderschap bekomen via (eenouder)adoptie (tenminste in de mate dat er geen andere ouder is die zich daartegen verzet). Een groter probleem is er als geen van beide ouders een band heeft zoals bijvoorbeeld twee homo’s of twee lesbiennes, die beide onvruchtbaar zijn, met een kinderwens. Zij kunnen niet samen tot adoptie overgaan omdat de wet uitdrukkelijk stelt dat de koppels van verschillend geslacht moeten zijn.2 Deze bepaling was de pasmunt tijdens de vorige legislatuur om de MR over de brug te halen voor het openstellen van het huwelijk voor koppels van gelijk geslacht.
Weliswaar kunnen holebikoppels overgaan tot eenouderadoptie (een van beide adopteert het kind), maar dan ontstaan net zoals bij nieuwsamengestelde gezinnen problemen voor de niet-adopterende partner. In deze gezinnen staat de partner van de vader of moeder in de praktijk wel mee in voor de opvoeding van het kind en oefent mee het ouderlijk gezag uit. Hij of zij is dus letterlijk een ‘meeouder’. Tenminste zolang er geen problemen rijzen tussen de partners (en de kinderen) of de partner niet overlijdt. Deze feitelijke situatie heeft immers geen juridische onderbouw. Als de partners uit elkaar gaan of de biologische ouder komt te overlijden, wordt de band tussen de meeouder en het kind letterlijk doorgeknipt. De meeouder kan geen rechten ten aanzien van het kind laten gelden (hoederecht, bezoekrecht, …) en ook omgekeerd kan het kind geen rechten ten aanzien van de meeouder laten gelden (zoals bijvoorbeeld onderhoudsgeld).

Ter verduidelijking: enkele concrete situaties

Gaby en Gisèle zijn vanaf 1 september 2004 gelukkig getrouwd. Gaby is gescheiden van Sam, met wie ze een dochtertje van 2 jaar, Yorda, heeft. Beide vrouwen zien een nieuw kindje wel zitten en Gaby laat zich kunstmatig insemineren en op 17 juli ziet zoon Yolan het levenslicht. Gisèle kan zowel Yorda als Yolan adopteren. Wat Yorda betreft, bestaat evenwel de mogelijkheid dat Sam zich daartegen verzet, zodat deze adoptie niet kan doorgaan. Maar veronderstellen we even dat beide vrouwen onvruchtbaar zijn. Om hun kinderwens te vervullen kunnen zij overgaan tot adoptie, maar niet samen. Slechts een van beide kan dat, bijvoorbeeld Gaby, en slechts zij heeft dan ook het juridisch ouderschap met alle rechten en plichten. Gisèle is dan wel in de feiten meeouder maar juridisch niet en Gisèle kan dat niet (meer) oplossen door te adopteren.
Jan en Elke wonen samen. Beide zijn ze gescheiden en hebben elk twee kinderen uit hun vorig huwelijk. Samen willen ze nog een kindje en wanneer hun dochter Elika geboren wordt gaan ze samen de geboorte aangeven. Zo wordt Jan de wettelijke vader (via erkenning bij de aangifte van de geboorte) en Elke de wettelijke moeder van Elika. Zowel Jan als Elke kunnen de kinderen van hun partner adopteren (mits toestemming van de respectieve ex-partners).
Stan en Dan zijn een samenwonend homokoppel. Geen van beide heeft kinderen en om de kinderwens te vervullen moeten zij hun toevlucht nemen tot adoptie. Samen kunnen ze dat niet en bijgevolg adopteert Stan via eenouderadoptie het meisje Dani.
Deze voorbeelden maken duidelijk dat de openstaande oplossingen verschillen naargelang de geaardheid van de koppels. Een tweede vaststelling is dat er een hemelsbreed verschil is wanneer het gaat om een kind binnen de relatie dan wel uit een vorige relatie. Voor een (nieuw) kind binnen een bestaande relatie ligt de situatie van heterokoppels veel gemakkelijker dan voor holebikoppels. Bij die laatste valt de kinderwens bij lesbische koppels dan weer makkelijker in te vullen dan bij homokoppels. Maar ongeacht de geaardheid is het probleem voor al deze koppels om kinderen uit een vorige relatie te adopteren dezelfde: de toestemming van de ex-partner is vereist. Wordt die niet gegeven, is de nieuwe partner in de feiten ouder, maar juridisch dus niet.

De politieke antwoorden

De politieke wereld heeft reeds gepoogd de situatie van de meeouder juridisch te kaderen. Veelal door een nieuw juridisch statuut uit te werken voor de meeouder, vergelijkbaar met het klassieke ouderlijk gezag. In de talrijke hoorzittingen die rond deze problematiek georganiseerd werden in de subcommissie Familierecht van de Kamer lieten diverse professoren zich ten andere kritisch uit over de noodzaak om nog maar eens een specifiek nieuw juridisch statuut voor meeouders uit te werken. De huidige adoptiewet is immers specifiek bedoeld om een juridische band te scheppen tussen een kind en een ‘derde’. Waarom dan niet die weg verkiezen boven nog maar eens iets compleet nieuw?3
Dat was ook de reden waarom CD&V in de subcommissie uiteindelijk haar verzet tegen de mogelijkheid voor het openstellen van de adoptie voor holebikoppels liet varen. Als alternatief voor deze openstelling had deze partij aanvankelijk immers het zogeheten zorgouderschap naar voren geschoven. Dit zorgouderschap houdt in dat de meeouder, ongeacht de geaardheid, de ouderlijke macht (mee) uitoefent en dus mee instaat voor de huisvesting en de opleiding totdat het kind meerderjarig is geworden (of tot het beëindigen van de studies).4 Meer niet. Nadat CD&V tot veler verbazing liet verstaan het adoptierecht voor holebi’s te zullen steunen - met vrije stemming van de parlementsleden zoals in ethische dossiers door alle partijen wordt aangehangen - kwam langs verschillende kanten het verzet tegen deze stellingname op gang. Inzonderheid de uitspraken van de voorzitter van de Gezinsbond Roger Pauly5 dat een kind toch maar beter af is met een vader en een moeder, zoals dat normaal is, wogen zwaar door. Een steunbetuiging vanwege de voorzitters van de KWB en de KAV6 aan het openstellen van adoptie voor holebi’s kon de twijfels rond dit partijstandpunt niet meer sussen. CD&V-ondervoorzitster Cathy Berx werd dan maar uitgestuurd om de koerswijziging van de partij toe te lichten: adoptie kan niet, meeouderschap wel.7
Ook binnen de MR waren de meningen verdeeld. Uiteindelijk sprak ze zich bij monde van voorzitter Didier Reynders uit tegen adoptie.8 Tot politiek jolijt van cdH, dat zich consequent tegen de adoptiemogelijkheid voor holebi’s had uitgesproken. Ondertussen hebben de voorstanders van holebiadoptie een eerste ronde gewonnen. Vooraleer op verlof te gaan heeft de Kamercommissie justitie immers de diverse artikelen van het wetsvoorstel Swennen meerderheid tegen minderheid gestemd. Verwacht wordt dat de stemming in het najaar in deze commissie over het geheel van het voorstel identiek verloopt. Elke volgende stap in de parlementaire behandeling van het voorstel (met eerst de stemming in de voltallige Kamer en vervolgens de afwikkeling van het voorstel in de Senaat) wordt evenwel een dubbeltje op zijn kant.

Wat houdt adoptie nu eigenlijk in?

De adoptiewetgeving werd vorige legislatuur grondig hervormd en treedt dit najaar in werking. Zoals in het verleden zijn er twee vormen van adoptie: de gewone en de volle adoptie. Het verschil tussen beide komt er op neer dat bij volle adoptie de band tussen het kind en zijn of haar oorspronkelijke familie volledig doorgeknipt wordt. Bij gewone adoptie is dat niet zo. Deze vorm van adoptie opent dan ook mogelijkheden voor de meeouder, zoals blijkt uit het volgend (sterk vereenvoudigd) overzicht.

1. Wie kan adopteren?
Eén persoon, echtgenoten of samenwonenden (nu nog van verschillend geslacht) mits zij de leeftijd van vijfentwintig jaar hebben bereikt en ten minste vijftien jaar ouder zijn dan de geadopteerde. Evenwel volstaat de leeftijd van achttien jaar en een leeftijdsverschil van ten minste tien jaar wanneer het gaat om een kind van de echtgenoot of van de samenwonende van de adoptant (de persoon die adopteert).

2. Mits geschikt te zijn
De adoptant of de adoptanten die een kind wensen te adopteren moeten bekwaam en geschikt zijn om te adopteren. Deze geschiktheid wordt door de jeugdrechtbank beoordeeld op grond van een maatschappelijk onderzoek. Het maatschappelijk onderzoek is echter niet verplicht wanneer de adoptant een kind wenst te adopteren:
- dat met hem, met zijn echtgenoot of met de persoon met wie hij samenwoont, verwant is tot in de derde graad; of - met wie hij reeds het dagelijkse leven deelt of met wie hij reeds een sociale en affectieve band heeft.

3. En met de vereiste toestemming(en)
De jongere die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet in zijn adoptie toestemmen of daarin hebben toegestemd. Wanneer de afstamming van een kind ten aanzien van zijn moeder en van zijn vader vaststaat, moeten beide in de adoptie toestemmen. Wanneer de afstamming van een kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat, dient enkel deze in de adoptie toe te stemmen. Zowel de moeder als de vader kunnen hun toestemming slechts geven twee maanden na de geboorte van het kind.

4. Wat als de toestemming geweigerd wordt?
Wanneer de vader of de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen, kan de rechtbank de adoptie pas uitspreken wanneer na een grondig maatschappelijk onderzoek gebleken is dat deze persoon zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht.

5. De gevolgen van de adoptie
5.1. De naam
Het uitgangspunt is dat de adoptie aan de geadopteerde in plaats van zijn naam, die van zijn adoptant of bij gelijktijdige adoptie door twee echtgenoten of samenwonenden, die van de man, verleent.
Deze naamkwestie is evenwel veel ingewikkelder geregeld dan dat omdat heel wat uitzonderingen mogelijk zijn, waarbij voornamelijk naar een dubbele naam gestreefd wordt. Ook kan gekozen worden om de naam niet te veranderen. Daarenboven is er samenhang met de huidige naamwetgeving, waarbij de naam van de man primeert. Zo bijvoorbeeld wordt uitdrukkelijk gesteld dat de adoptie door een vrouw van het kind of adoptief kind van haar echtgenoot of van de persoon met wie zij samenwoont geen wijziging in de naam van de geadopteerde brengt. De (eventuele) naamsverandering van de geadopteerde geldt ook voor diens afstammelingen.

5.2. Het ouderlijk gezag
De adoptant verkrijgt ten aanzien van de geadopteerde het ouderlijk gezag.
Bij adoptie door echtgenoten of samenwonenden wordt het ouderlijk gezag gezamenlijk door beide echtgenoten of samenwonenden uitgeoefend. Bij overlijden van de adoptant of van de adoptanten, kunnen de moeder en de vader van het geadopteerde kind gezamenlijk of alleen aan de jeugdrechtbank vragen dat het kind opnieuw onder hun ouderlijk gezag wordt geplaatst. De band van verwantschap die uit de adoptie ontstaat, strekt zich uit tot de afstammelingen van de geadopteerde.

5.3. De huwelijksverboden
Net zoals bij familieleden ontstaan door de adoptie huwelijksverboden tussen (familie van) de adoptant en (familie van) de geadopteerde. En ja, ook hier kan de Koning op sommige huwelijksverboden ontheffing verlenen.

5.4. De onderhoudsplicht
De adoptant of de adoptanten zijn levensonderhoud verschuldigd aan de geadopteerde en aan diens afstammelingen indien zij behoeftig zijn. En omgekeerd: de geadopteerde en zijn afstammelingen zijn levensonderhoud verschuldigd aan de adoptant of aan de adoptanten, indien zij behoeftig zijn. Maar ook de verplichting tot uitkering van levensonderhoud tussen de geadopteerde en zijn (echte) ouders blijft bestaan. Deze laatste zijn aan de geadopteerde evenwel alleen levensonderhoud verplicht indien hij dit niet kan verkrijgen van de adoptant of adoptanten. Ingeval een persoon het kind van zijn echtgenoot of van de persoon met wie hij samenwoont, adopteert, zijn zowel de adoptant als zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenwoont hem levensonderhoud verschuldigd.

5.5. Het erfrecht
De geadopteerde en zijn afstammelingen behouden hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie. Zij verkrijgen op de nalatenschap van de adoptant of adoptanten dezelfde rechten als een kind maar verkrijgen geen enkel recht op de nalatenschap van de bloedverwanten van de adoptant of adoptanten. Indien de geadopteerde eerst komt te overlijden worden de goederen van de geadopteerde in twee gelijke helften verdeeld tussen de oorspronkelijke en de adoptieve familie.

De voorgestelde alternatieven: hoe noem je niet-adoptie?

De tegenstanders van adoptierecht voor holebi’s (en dus de schrapping van de voorwaarde dat adoptanten van verschillend geslacht moeten zijn) hebben elk een apart alternatief neergelegd. Grosso modo beogen deze alternatieven hetzelfde, maar de naam die er aan gegeven wordt, verschilt. CD&V spreekt van meeouderschap, cdH van zorgouderschap en MR van voogdijouderschap.9 Je zal het kind maar een naam geven, denken we dan.
Telkens gaat het om een nieuwe rechtsfiguur, gelijkaardig aan, maar dus niet hetzelfde als adoptie. Die nieuwe rechtsfiguur staat uitsluitend open indien slechts met één ouder een biologische band bestaat. Heeft het kind een afstammingsband met twee personen, dan kan de meeouder zich niet op de voorgestelde mogelijkheid beroepen (wat in adoptie wel kan als de betrokken ouder tenminste toestemming tot adoptie geeft).
In tegenstelling tot adoptie doen de naar voren geschoven alternatieven geen (juridische) afstammingsband ontstaan tussen ouder en kind. Vermits adoptie dit alleen puur fictief doet (de niet-biologische ouder wordt geacht toch de biologische ouder te zijn), zal (het belang van) dit onderscheid de meeste mensen allicht ontgaan. En dan spreek je van juridische spitstechnologie.
Een ander verschil met adoptie is dat de naam van het kind hoe dan ook niet wijzigt. Dat je dat ook via een simpele toevoeging aan de huidige adoptiewetgeving had kunnen regelen, getuigt wellicht van slechte wil van onzentwege.
Daarmee lijkt deze discussie sterk op deze over het openstellen van het huwelijk voor holebi’s. Ook toen leek het vooral om de semantiek te gaan. Holebi’s mochten wel een instituut krijgen gelijk aan het huwelijk, alleen mocht het zo niet noemen. Het verwijt van ‘etikettenplakkerij’ is dan ook snel bovengehaald.10 Maar wat bovenal stoort is dat voor eenzelfde situatie verschillende (rechts)figuren gemaakt worden en het (familie)recht nog maar eens ingewikkelder gemaakt wordt. Zo maak je het recht onnodig complex.11

En daarmee is de kous nog niet af …

Of de meest eenvoudige oplossing - het adoptierecht voor holebi’s openstellen - het uiteindelijk ook zal halen, blijft koffiedik kijken. Maar het verder afstemmen van het familierecht op de hedendaagse werkelijkheid blijft een uitdaging, ongeacht de einduitslag van dit debat. De wettelijke positie van de meeouder van een kind, dat reeds een afstammingsband heeft ten aanzien van twee personen, blijft immers deels onopgelost. Ook hier opent adoptie meer mogelijkheden (in theorie kan het immers, al zal in de praktijk de toestemming van de ex-partner een praktisch beletsel zijn) dan de voorgestelde alternatieven, die het gewoonweg uitsluiten.

Eddy Imbrechts
Stafmedewerker sp.a studiedienst

Noten
Vooraf even duidelijk stellen dat deze bijdrage geen enkele juridische pretentie heeft. Daarvoor is de tekst te vulgariserend en beknopt.

1/ Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde adoptie door koppels van gelijk geslacht toe te laten, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 51-664/1. Gelijkaardige voorstellen werden later neergelegd door de VLD (51-666/1), Spirit (51-667/1), Ecolo (51- 980/1) en PS (51-1144/1).
2/ De eenvoud van het wetsvoorstel Swennen is dat het gewoonweg de woorden ‘van ongelijk geslacht’ schrapt.
3/ Zo o.m. de heren Castelein, assistent aan de KUL en De Schutter - UCL in het verslag namens de subcommissie ‘familierecht’, uitgebracht door mevrouw Annelies Storms. Dit document is (nog) niet openbaar gemaakt, maar zal allicht in het verslag van de besprekingen in de commissie Justitie worden opgenomen.
4/ Wetsvoorstel tot aanvulling van het Burgerlijk Wetboek, met bepalingen inzake het zorgouderschap, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 51-393/1.
5/ Verklaringen in de pers, later minder uitgesproken in de hoorzittingen die de commissie Justitie op verzoek van de oppositie organiseerde; zie o.m. De Standaard 23 juni 2005; Knack 22 juni 2005.
6/ De Morgen 17 juni 2005.
7/ De opeenvolgende partijstandpunten zijn terug te vinden in De Standaard van 23 juni 2005; zie ook de verklaringen van Berx in De Standaard 25 juni 2005.
8/ Kranten 5 juli 2005; volgens Reynders is de ‘maatschappij niet klaar voor holebiadoptie’.
9/ Kamer van Volksvertegenwoordigers, stukken 51-664/4 (MR) en 5 (CD&V en cdH).
10/ Struikelen over een etiketje’, vrije tribune van Martine Taelman en Annemie Turtelboom in De Standaard 23 juni 2005. ‘Mee-ouderschap is juridische miskleun’, interview met Castelein, assistent KUL, in De Standaard 24 juni 2005.
11/ Zie Castelein, hierboven geciteerd.

adoptie - holebi-adoptie

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 19 tot 24