Log in

'De smaak van ongelijkheid. Een andere kijk op de multiculturele samenleving'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 55 tot 56

De smaak van ongelijkheid. Een andere kijk op de multiculturele samenleving

Tarik Fraihi
Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2004

De smaak van ongelijkheid van Tarik Fraihi biedt op een heldere manier inzicht in de breuklijnen van het actuele debat over de multiculturele samenleving. Haarfijn legt Fraihi de patronen bloot die deze discussie structureren en oplossingen in de weg staan of bevorderen. De basisgedachte is dat we best niet in dezelfde vallen trappen als de ‘cultuurabsolutisten’ en ‘cultuurrelativisten’. Beide strekkingen spelen volgens Fraihi een belangrijke rol in het debat. De eerste groep beschouwt culturen als nagenoeg onveranderlijk en meent aan de hand van cultuur heel wat problemen te kunnen verklaren, zoals sociaaleconomische achterstand, vrouwenonderdrukking of criminaliteit. Vanuit dit standpunt vloeit ook een assimilatiedwang voort: de goede allochtoon is de allochtoon die grotendeels van de eigen achtergrond afstand heeft genomen. Met dit denken gaat een sterk hokjes-denken gepaard. In feite leidt het cultuurabsolutisme vaak tot een vorm van racisme, dat minder grof, subtieler en meer aanvaard is dan het racisme dat vooral op biologische kenmerken steunt. Maar even problematisch zijn de ‘cultuurrelativisten’, die een onbegrensde tolerantie aan de dag leggen voor om het even welk cultureel verschijnsel. Eigenlijk vinden cultuurrelativisten cultuur niet zo belangrijk; mogelijke culturele verschillen hebben weinig maatschappelijke betekenis. Vanuit hun naïeve omarming van het multiculturalisme zijn zij blind voor het verband dat er wel degelijk is tussen welbepaalde cultuurbelevingen en een aantal maatschappelijke wantoestanden, zoals gedwongen huwelijken of vrouwenbesnijdenis. Als ze toch met bepaalde wantoestanden uitgaande van allochtonen worden geconfronteerd, proberen ze steevast de verklaring te zoeken bij de sociaaleconomische achterstelling of discriminatie door de autochtonen. Met hun eenzijdige en oppervlakkige benadering bewijzen ze de naar emancipatie zoekende bevolkingsgroepen geen dienst. Fraihi pleit onomwonden voor ‘cultuurrealisme’. Enerzijds is de aanwezigheid van verscheidene culturen een feit, en bovendien kunnen individuen tot verscheidene culturen tegelijkertijd behoren. Culturen zijn dynamisch, en kunnen dan ook niet opgezadeld worden met een hoop intrinsieke negatieve eigenschappen. Daarenboven kunnen de sociaaleconomische achterstand en discriminatie niet ontkend worden. De overheid en de autochtone gemeenschap hebben wel degelijk een grote verantwoordelijkheid om de multiculturele samenleving tot een succes te maken. De auteur wijst er terecht op dat sociaaleconomische emancipatie ook bijdraagt tot het wegwerken van problemen in de culturele sfeer, een link die in het politieke debat te weinig aandacht krijgt. Anderzijds erkent Fraihi ook het bestaan van ondemocratische en reactionaire tendensen binnen culturen. Die worden al te zeer weggerelativeerd.

Een bijkomende meerwaarde is de manier waarop Fraihi in zijn vlot geschreven maar daarom niet minder degelijk boek verscheidene filosofen en andere denkers de revue laat passeren, en hun opvattingen toepast op deze discussie die iedereen bezighoudt. Voorbeelden zijn Michel Foucault, Antonio Gramsci en Frans Fanon. Zij hebben het elk over dominante opvattingen en bijhorende machtsrelaties die in de samenleving vorm krijgen. Deze opvattingen worden gezien als gematigd, objectief, normaal en vanzelfsprekend, en worden voor de rest niet meer kritisch bevraagd. De massa is zich er niet altijd goed van bewust, maar ze houden wel de ondergeschikte positie van bepaalde bevolkingsgroepen in stand. Dit onbewuste fenomeen - met name het onderscheid in de geesten tussen ‘normaal’ en ‘niet-normaal’, en de consequenties die daaraan verbonden zijn - is volop aan de orde bij de positie van allochtone medeburgers in de samenleving, aan wie in de feiten vaak geen volwaardig burgerschap is toegekend. De Franse antropoloog Lévy-Strauss en de Soedanese mensenrechtenfilosoof Ahmed An-Naim menen dan weer dat sommige centrale menselijke waarden in bijna alle culturen aanwezig zijn. Culturen, die altijd dynamisch zijn, hebben een gemeenschappelijke basis van waaruit zij verder kunnen evolueren, maar waarbij de ene cultuur niet inherent en niet altijd superieur is ten opzichte van de andere. In het boek staan nog meer leerrijke inzichten te lezen ontleend aan de filosofie, de geschiedenis en andere menswetenschappen.

Een gevoel dat bij het lezen van het boek toch opborrelt, is of de auteur toch niet iets te braaf is. Zo hecht hij veel belang aan de zogenaamde ‘cultuurrelativisten’, maar is dat nog wel echt een belangrijke strekking, en zijn ze dat ooit geweest? Zijn er in onze contreien dan zoveel ‘naïeve multiculturalisten’ voor wie alles kan en alles mag, en allochtonen per definitie van elke verantwoordelijkheid vrijpleiten? Het zou wel eens kunnen dat het fenomeen van de ‘cultuurrelativisten’ ten dele ook een functionele geestesconstructie van de ‘cultuurabsolutisten’ is. Wat we op het terrein wel hebben gezien, is een zekere onverschilligheid en non-beleid omtrent de echte problemen vanwege de overheid gedurende vele jaren. Een ander gevaar - en dat is momenteel volop aan de gang - is dat progressieve ‘cultuurrealisten’ binnen het dominante denken verkeerdelijk bij de ‘cultuurrelativisten’ worden gerekend. Dat overkomt bijvoorbeeld mensen die ondanks de tijdsgeest toch nog de structurele hinderpalen voor de emancipatie blijven aankaarten, weigeren maatschappelijke problemen als criminaliteit of schoolachterstand door een hoofdzakelijk etnisch-culturele bril te bekijken, en blijven vechten tegen veralgemeningen. Hiermee verbonden is de realiteit dat ‘progressief Vlaanderen’ tegen honderd per uur het mainstream-denken aan het overnemen is. Dat dominante denken vertoont ‘cultuurabsolutistische’ trekjes, in de zin dat behalve de punctuele problemen die er effectief zijn, steevast de ‘multiculturele samenleving’ als zodanig wordt geproblematiseerd. De aanwezigheid van verschillende culturen en vooral de islam vormen het voorwerp van een negatieve stemmingmakerij, waarbij ook ‘progressieve’ en ‘centrumlinkse’ commentatoren een soms erg onzorgvuldig taalgebruik hanteren. Tussendoor wordt met betrekking tot de sociaaleconomische problemen van allochtonen een haast neoliberaal discours ontwikkeld, dat fel de nadruk legt op individuele verantwoordelijkheid, maar structurele problemen die het individu overstijgen, onder de mat veegt. Op die manier krijgen ook ‘cultuurrealisten’ het moeilijk. Gelukkig zijn er nog kritische journalisten die reportages over discriminatie op de arbeidsmarkt willen maken, en op die manier weldenkend Vlaanderen terug met de neus op de feiten drukken. Structureel links denken gebeurt in het algemeen trouwens niet meer zoveel.

Ondertussen krijgt de mainstream onvoldoende tegenspraak, onvoldoende weerwerk, zodat die alsmaar meer terrein verovert, ook binnen de progressieve politieke partijen. Op deze realiteit en de gewijzigde krachtsverhoudingen gaat Fraihi iets te weinig in. In het algemeen blijven we ook wat op onze honger zitten aangaande de concrete hefbomen en strategieën om emancipatie en wederzijds respect vooruit te helpen. Het is bijvoorbeeld jammer dat de auteur zijn standpunt pro indijking van de volgmigratie niet nader toelicht. Interessant is alvast zijn pleidooi voor een actiever beleid vanwege de Europese Unie om in de mediterrane landen een duurzame politieke, sociale en economische ontwikkeling na te streven. Dit moet om meer gaan dan culturele uitwisselingen en vrijhandel. Zo’n politiek zal ook leiden tot minder volgmigratie. In dit boek, dat ondanks de enkele leemtes verplichte lectuur is voor wie het huidige debat wil doorgronden, ligt een deel van het antwoord op de verrechtsing, maar er zal toch veel nagedacht, geschreven en vooral gediscussieerd moeten worden om tot een doeltreffende tegenstrategie te komen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 55 tot 56