Log in

Leven aan de onderkant

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 39 tot 43

Leven aan de onderkant

Theodore Dalrymple
Spectrum, Utrecht, 2004 (2001)

De aanleiding voor deze bijdrage is het boek Leven aan de onderkant van Theodore Dalrymple. Boekbesprekingen zijn nooit lang in Samenleving en politiek maar dit is dan ook meer dan een gewone boekbespreking.

Ik wil van bij het begin duidelijk stellen dat ik Leven aan de onderkant een passionerend boek vind. De auteur is conservatief, hij komt ervoor uit. Ik behoor tot een generatie die progressiviteit vanzelfsprekend vindt en daarenboven progressiviteit gelijk stelt aan links zijn. Wie zichzelf conservatief noemt, kan moeilijk ernstig genomen worden. Ja ik weet het, ik word oud. En ik geef toe dat ik die vanzelfsprekendheid minder en minder tegenkom. Maar ik heb ze nog. En toch heb ik het boek met grote belangstelling, in elk geval met een duidelijk gevoel van herkenning, gelezen. Je komt maar af en toe een publicatie tegen die je zo aangrijpt. Ik wil dan ook niet reageren met: zijn steekproef zal wel verkeerd zijn (p. 251). Ik besef dat iedereen zijn ervaringen op een beperkte steekproef ent en ik ben absoluut niet zeker dat die van mij zo overtuigend representatief is. Ik zal dus niet met statistische tegenargumentatie aanzeulen. De idee van verantwoordelijkheid spreekt mij gewoon aan. Ik was dertig jaar geleden al een bewonderaar van Jean-Paul Sartre. Dalrymple verwijst maar een tweetal keer naar hem en een keer is dat weinig flatterend, maar zijn idee van vrijheid als verantwoordelijkheid en zijn idee van kwade trouw zijn duidelijk aanwezig. Ik kwam zelfs even de uitdrukking ‘existentiële keuze’ tegen. Sartre kwam echter slechts op het eind van zijn leven met arbeiders in aanraking. De groep waar Dalrymple het over heeft, de onderklasse van dompelaars, heeft hij nooit ontmoet. Hen verantwoordelijk noemen is voor progressieven minder vanzelfsprekend. En dat is precies wat Dalrymple doet: hij weet hen gevangen in een systeem, een wereldbeeld. Maar zoals Marx het had over godsdienst als opium van het volk, zo noemt Dalrymple de onderkant verslaafd aan een wereldbeeld dat die klasse of liever kaste maar wat graag in stand houdt. Maar in afwijking van Marx, die intellectuelen geen belangrijke maatschappelijke rol toekende, vindt Dalrymple dat deze toch ook wel een eigen verantwoordelijkheid dragen. En in tegenstrijd met Marx vindt hij dat de maatschappelijke omstandigheden totaal ondergeschikt zijn aan het bewustzijn van mensen. ‘Als dit zo zou zijn, dan zouden mensen nog steeds in holen leven’ (p. 34). Je moet dus ermee beginnen het bewustzijn aan te pakken.

Wereldbeeld van de onderklasse

De auteur is psychiater in een ziekenhuis in een Britse achterstandswijk en in een gevangenis. Hij wordt dagdagelijks geconfronteerd met een geestelijk, culturele, emotionele en spirituele verarming van wat hij de onderklasse noemt. In zijn boek put hij dan ook voortdurend uit heel concrete ervaringen. De onderklasse vertoont volledig zelfdestructieve gedragspatronen: gewelddadigheid, verwaarlozing, misbruik van kinderen, verbroken relaties, slachtofferschap van misdaad, nihilisme en wanhoop. Dat gedrag kan hij niet terugvoeren naar een economisch determinisme, een genetisch of raciaal determinisme of gewoon aan de verzorgingsstaat. Er moet ‘iets’ bijkomen, dat te zoeken is in het wereldbeeld. Het zijn ideeën die vanuit de intelligentsia naar beneden zijn doorgesijpeld. Het begint dan ­met de idee dat grammatica en spelling niet belangrijk zijn. Maar eigenlijk gaat het om een moreel, cultureel en intellectueel relativisme, dat alle gedrag goedpraat. Het meest desastreus was dat de middenklasse op een bepaald moment ook een volledig vrije seksuele moraal predikte. Ze hebben er zichzelf nooit zover aan overgegeven dat ze hun kinderen verwaarloosden, maar ze hebben het ideaal dat geen enkel verlangen gefrustreerd hoeft te worden overdragen naar de lagere klassen. Daar is geen vrijheid, maar gewelddadigheid tussen de seksen uit voortgekomen. Geweld wordt voor de vrouw een signaal van de betrokkenheid van haar man! Stilaan komt dit relativisme trouwens weer terug naar de hogere klassen, die de grofheid van taal en manieren overneemt en er zelfs een modestijl van durft te maken: grove chique.

Dat het wereldbeeld bepalend is voor de situatie van de onderklasse, betekent dat zij voor haar situatie verantwoordelijkheid draagt. Dat komt niet overeen met wat die groep zichzelf aanpraat, namelijk dat ze slachtoffer is van de omstandigheden, dat ze juist geen vrijheid heeft. Men merkt dat in de manier waarop ze over zichzelf spreken, in een passieve wijs: een messentrekker heeft het over het mes ‘dat erin ging’, of een inbreker over zijn verslaving om auto’s open te breken. Vrouwen die aan een relatie beginnen lijken nooit op voorhand door te hebben dat hun man gewelddadig zal zijn. Ze zijn er kennelijk blind voor, wat hen toelaat zichzelf als slachtoffer te blijven zien en niet verantwoordelijk gesteld te worden. Dat dit een vorm is van kwade trouw, blijkt uit het feit dat een andere taal gesproken wordt als de welzijnswerkers er niet bij zijn dan wanneer ze een uitleg vragen. Welzijnswerkers doen ten andere heel sterk mee aan het gevoel dat mensen niet in staat zijn hun eigen lot in handen te nemen. Ze hebben daar gewoon hun levensonderhoud aan te danken: ‘Daklozen zijn juist een bron van werkgelegenheid voor een behoorlijk aantal mensen uit de middenklasse’(p. 128)! Maar die daklozen blijken een existentiële keuze te maken voor een leven dat hen ook veiligheid verschaft. Ze kiezen met andere woorden voor een parasitair leven en rekenen op een samenleving die bereid is niets van hen te eisen, die hen zelfs uitkeringen geeft waar ze zichzelf helemaal suf en zelfs dood mee kunnen drinken (p. 135).

Ook sociologen interpreteren de statistische werkelijkheid graag in een richting die van verantwoordelijkheid ontslaat. Ze merken dan weer niet op dat bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden daalt op het moment van de Europese kampioenschappen voetbal. Op die momenten zijn mensen gewoon minder met zichzelf bezig. Of dat overdosissen vaak genomen worden vlak voor mensen voor de rechter moeten verschijnen, of zelfs vlak voor werklozen een baan zouden moeten aannemen … Op het onderwijs hoef je ook niet te rekenen. In Engeland heerst een ‘stupiditeitscultus’: een jongere uit de onderklasse brengt zichzelf in problemen als hij of zij te veel belangstelling voor onderwijs en opleiding vertoont. De leraren durven trouwens geen eisen te stellen en geven op die manier eigenlijk een opvoedingsbeeld door van ‘laat maar waaien’. Het beeld dat ze in hun volwassen leven zullen doorzetten. De minachting van de blanke onderklasse voor ontwikkeling laat hen nog maar eens toe zichzelf een slachtofferrol aan te meten. Ze sluiten zich op in de zogenaamde vicieuze cirkel van de armoede.

Dalrymple vindt immigratie gezond en stelt vast dat heel veel immigranten zonder enig probleem in twee culturen leven. Maar hij doet niet mee aan het multiculturalisme, dat ervan uit gaat dat alle aspecten van alle culturen evenwaardig zijn. Hij vindt het gewoon absurd te denken dat een samenleving gebaseerd kan worden op geen enkele filosofische of culturele veronderstelling. De normen en de juridische en filosofische grondslagen van de liberale democratie moeten primeren. Gedwongen huwelijken of verbod voor meisjes om school te lopen bijvoorbeeld kunnen niet. Onverdraagzaamheid is absoluut geen monopolie van de Westerse landen waar immigranten naar toe trekken. Tot wat het beleid ten aanzien van immigratie geleid heeft, kan je zien in de Franse cités, voorsteden waar bijna uitsluitend migranten wonen. Er is een antimaatschappij ontstaan, een bom van haat tegen de castrerende afhankelijkheid. Want de jongeren die er leven zijn verzekerd van huisvesting, uitkeringen en medische verzorging, maar niet van werk. Ze krijgen subsidies om niets te doen, terwijl de overheid terugschrikt om haar verantwoordelijkheid te nemen inzake recht en orde. Gevolg is ‘een economie en een informeel wettelijk systeem gebaseerd op diefstal en drugshandel’ (p. 180). Het ziet ernaar uit dat de overheid daar alleen weet op te reageren door nog meer uitkeringen en rechten, terwijl de moslimjongeren op die manier in de armen van het terrorisme worden geduwd.

Hoe geraak je daar wel uit? De oplossing van Dalrymple is vrij eenvoudig: aanvaard je verantwoordelijkheid. Als hulpverlener doet hij niet mee aan het zich onthouden van een oordeel, vanuit de overtuiging dat iedereen recht heeft op zijn waarheid. Onder de mom van mededogen, steekt onverschilligheid voor het lijden van anderen en soms zelfs vermomd sadisme. Hij vertelt zijn patiënten eenvoudig dat ze medeauteur zijn van hun eigen ellende. Hij begint ermee hen de waarheid te zeggen. En pas als ze die accepteren - wat niet altijd makkelijk lukt - is een wending in hun lot denkbaar. Dan moeten ze aanvaarden dat hun kinderen kost wat kost uit de geweldspiraal moeten. In praktijk betekent dit dat moeders hun gewelddadige mannen buiten moeten houden, dat ze tijd en belangstelling aan hun kinderen moeten besteden en ook nee moeten durven zeggen. Zelf moeten ze proberen een opleiding te volgen. Op die manier probeert hij een eind te maken aan het chronisch lijden dat terug te brengen is op het niet weten hoe te leven of de inbeelding dat het leven geleefd kan worden als een vorm van amusement (p. 190). Hij zet zich daarmee uitdrukkelijk af tegen de progressieve intellectuelen die de waarheid proberen te verdoezelen. Hij schrikt er op de laatste bladzijden niet voor terug om elke rampzalige sociale ontwikkeling van de afgelopen 40 jaar in hun schoenen te schuiven: ‘Zij zagen de maatschappij als zo onrechtvaardig dat niets ervan het waard was bewaard te blijven. En ze dachten dat al het menselijke ongeluk voortvloeide uit de willekeurige en kunstmatige belemmeringen die de maatschappij oplegde aan de bevrediging van begeerten. Ze waren zo verblind door hun visioen van volmaaktheid, dat ze de mogelijkheid van ontaarding niet konden zien’ (p. 257).

Wat doen we hier nu mee?

Ik heb nu geprobeerd het boek samen te vatten. Daarmee heb ik zowat alle levendige illustraties uit de praktijk van de psychiater overboord gegooid. Maar ik wil toch nog een stap verder zetten en proberen de moraal van het verhaal in mijn eigen bewoordingen weer te geven.

We moeten ons afzetten tegen een te vergaand relativisme. Een doorgedreven moreel, cultureel en intellectueel relativisme praat alle gedrag goed. Geweld, brutaliteit, dwaasheid, verslaving, … mogen dan niet veroordeeld worden. We moeten ons onthouden van een oordeel en ons overgeven aan mededogen. Niemand is verantwoordelijk, iedereen is slachtoffer van de omstandigheden. In dezelfde lijn ligt de overtuiging dat alle culturen evenwaardig zijn en daarom geen enkele manifestatie kan veroordeeld worden. Zo’n houding valt niet vol te houden. We moeten vasthouden aan de normen en de juridische en filosofische grondslagen van de democratie. Wie deze erkent, kan aanvaarden dat verschillende culturen tegelijk en zonder problemen kunnen samenleven. Immigratie is dan een gezond verschijnsel. Maar een aantal aspecten van de culturen die de migranten meebrengen kunnen niet door de beugel: gedwongen huwelijken, jonge vrouwen geen onderwijs geven … Zich onthouden van een oordeel, omdat er zogenaamd geen waarheid is, verbergt onverschilligheid en misschien zelfs een vorm van sadisme. Mededogen helpt niemand, houdt mensen integendeel vast in hun problemen. Het gedrag van de onderklasse, op de eerste plaats het geweld, de bruutheid en de verwaarlozing van kinderen, kunnen niet aanvaard worden. De progressieve intelligentsia moet oordelen, ook in het belang van de mensen die lijden. Zij moet hen voor hun verantwoordelijkheid stellen en mag niet aanvaarden dat ze alleen maar slachtoffer zijn. Doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is en alle problemen herleiden tot maatschappelijke omstandigheden is geen aanvaardbare oplossing. In zoverre ze zichzelf een slachtofferrol toemeet, is de onderklasse te kwader trouw. Ze weet eigenlijk wel dat dit niet waar is. Ze maakt een existentiële keuze voor haar eigen situatie, waar ze ook ‘gewin’ uit haalt. Welzijnswerkers verdienen hun boterham met de problemen van hun cliënten. Door hen echter te bevestigen in hun slachtofferrol verlenen ze alleen zichzelf en niet hun cliënten een dienst. Wil dit zeggen dat ze aan hun lot moeten worden overgelaten? Geenszins. Maar van iemand die, om wat voor reden dan ook, aan de onderkant van de samenleving terechtkwam, moet worden verwacht dat hij of zij vecht om eruit te komen. Hij of zij moet voor zichzelf en zijn kinderen zijn verantwoordelijkheid opnemen. Simpelweg doorgeven van een cultuur van geweld en brutaliteit is niet aanvaardbaar. Kinderen hebben recht op structuur en liefde. Hun ouders moeten nieuwe kansen krijgen, maar ook nemen, tot opleiding en vorming. Ze moeten gewoon aan het werk geraken. Werk is belangrijker dan uitkeringen. De moderne welvaartsmaatschappij zorgt wel voor uitkeringen, medische verzorging en huisvesting, maar duwt mensen te vaak in een ziekelijke - een castrerende - afhankelijkheid, waar jongeren in opstand moeten tegen komen. Nog meer uitkeringen en rechten lost niets op. Getto’s rond de grote steden kunnen dan alleen maar voedingsbodem worden voor uitzichtloos fanatisme. Het spreekt vanzelf dat onderwijs cruciaal is. Onderwijs dat de levenswijze van de onderklasse (laat maar waaien) bevestigt, is noch min noch meer crimineel. Een samenleving moet zich met alle middelen verzetten tegen een cultus van de stupiditeit, die jongeren afschrikt om belangstelling te tonen voor wat het onderwijs te bieden heeft.

Is dit nu een progressief of een conservatief verhaal? Ik denk niet dat het progressief is om mensen in hun miserie te laten stikken. Natuurlijk help je hen er niet uit door op hun verantwoordelijkheid te wijzen. Je moet hen reddingsboeien toewerpen. Het onderwijs moet erop afgestemd zijn om kinderen die maatschappelijk belast zijn bij te trekken. Het volstaat niet te stellen dat werklozen werk moeten zoeken, de samenleving moet bereid zijn werk op maat te bieden. Maar het volstaat zeker niet om zich te beperken tot uitkeringen. In het bijzonder hebben migrantenjongeren nood aan werk. Als de samenleving dat maar niet aanbiedt, kan zij zich er niet mee vanaf maken dat die jongeren verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven. Maar die jongeren kunnen zich ook niet beperken tot het afreageren van hun grote en begrijpelijke woede. In elk geval kan men er niet onderuit om keuzes te maken. Niet alle opties zijn even goed. Ik ben eigenlijk niet helemaal zeker of de onderklasse aangestoken werd door de intelligentsia, die zich overgaf aan relativisme. Maar als het waar is dat de zogenaamde hogere klassen het wereldbeeld van de onderklasse na-apen en van grove chique een modestijl maken, dan kan men alleen van decadentie spreken. De middenklassen die zich in hooliganisme aan puur geweld te buiten gaan, moeten dan ook zo hard mogelijk tot de orde geroepen worden. Ook dat is een implicatie van de stelling dat een doorgedreven relativisme niet kan.

Eigenlijk zegt Dalrymple dat alles begint met de moraal en ik kan hem daarin volgen. Is dat een logenstraffing van de oude marxistische stelling dat de bovenbouw bepaald wordt door de economische basis? Eind de jaren 70 begin de jaren 80 heb ik mij in dat debat gewaagd. Ik dacht dat het over was. Maar ik heb nooit gedacht dat de moraal er niets toe zou doen, zelfs niet bij Marx. Men moet er zich alleen voor hoeden daaruit niet de conclusie te trekken dat de maatschappelijke omstandigheden dan maar ondergeschikt zijn. Als de maatschappelijke voorwaarden er niet voor zijn, dan kan de onderklasse nog zo veel proberen zichzelf te bevrijden, het zal hoogstens individuen en niet de klasse lukken. De cités zijn daar een trieste illustratie van. Let wel, Dalrymple trekt die conclusie zeker niet. Ik denk dan ook dat hij niet zo conservatief kan zijn, zodat ik vrees dat mijn begrippen wat verouderd zijn. Ik hoorde onlangs een hooggeplaatste vakbondsman zegen dat de theorie van de activering nu toch wel definitief zijn ondeugdelijkheid heeft bewezen. In zijn visie zal een groep werklozen nooit of te nimmer aan de bak komen, zodat men precies voor die groep niet moet zorgen voor activering, maar voor betere uitkeringen. Ik ben niet per se tegen betere uitkeringen en ik besef dat er voor sommige werklozen heel moeilijk een echte oplossing te vinden is, maar toch weiger ik het op te geven. Ik aanvaard met andere woorden niet dat er twee soorten mensen zouden zijn. Als er dus moet worden gekozen tussen hogere uitkeringen en activeren, dan kies ik zonder lang na te denken voor het laatste. Ik besef dat dit mij in sommige ogen in het kamp van de conservatieven plaatst. Of hoe een dubbeltje rollen kan.

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 39 tot 43