Log in

De Grote Coalitie in Duitsland: volstaat één potje Pattex?

Duitsland gaat de volgende vier jaar in met een grote coalitie en - voor het eerst - een Oost-Duitse en - ook voor het eerst - vrouwelijke kanselier. De coalitievorming heeft heel wat voeten in de aarde gehad. De vervroegde verkiezingen van 18 september in Duitsland hadden immers geen echte overwinnaar opgeleverd. Geen van de grote blokken haalde een meerderheid en het verschil tussen christen- en sociaaldemocraten was met vier zetels minimaal. De uitslag kwam eigenlijk toch een beetje als een verrassing.1 Na een kort overzicht van de resultaten van de hoofdspelers, volgt een bespreking van de verschuivingen en van de coalitieonderhandelingen die eruit voortvloeiden. Een kijk op de debatten die waarschijnlijk de besprekingen van het regeringsprogramma zullen bepalen, werpt licht op de houdbaarheid van de Grote Coalitie, waarvan het bindmiddel op zijn zachtst gezegd onduidelijk is.

De uitslag was een flinke tegenvaller voor de CDU/CSU van Merkel - nochtans de grote favoriet voor deze verkiezingen. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog haalden de christendemocraten zo een slecht resultaat enkel in 1949 en 1998, toen Schröder kanselier werd. De Union is met 35,2 procent nu wel de grootste partij in het Duitse parlement, maar verliest 3,3 procent. Daarmee haalden de christendemocraten veel minder stemmen dan voorspeld, en slechts een procent meer dan de SPD van bondskanselier Schröder, die net beter scoorde dan verwacht.
De rood-groene coalitie van bondskanselier Gerhard Schröder is echter ook haar meerderheid kwijt. De SPD kreeg ruim 4 procent minder stemmen en komt uit op 34,2 procent. Die Grünen van Joschka Fischer, die campagne voerden met de slogan ‘De zomer zal groen zijn’, leden slechts een licht verlies en haalden nog steeds 8,1 procent.
De liberale FDP onder leiding van Guido Westerwelle haalde 9,8 procent van de stemmen, een winst van bijna 2,5 procent. Voor de Duitse liberalen een opvallend goed resultaat. De FDP wordt met 61 zetels de derde partij van Duitsland, nog voor de Groenen. Deze winst was echter onvoldoende om samen met CDU/CSU een zwart-gele meerderheid te vormen.
De tweede winnaar in deze bundestagverkiezingen is de Linkspartei, een fusie van de hervormde postcommunistische partij PDS, geleid door Gregor Gysi, en de linkse SPD-afsplitsing Wahlalternative Arbeit & soziale Gerechtigkeit (WASG) onder leiding van Oskar Lafontaine. De Linkspartei ‘debuteert’ met 8,7 procent, waar de PDS bij de verkiezingen van 2002 met 4 procent de kiesdrempel niet haalde. De bijna 4,1 miljoen stemmen nationaal, halen ze (nog steeds) vooral in het oosten, maar in het westen scoorden ze ook bijna vijf procent.2 Andere partijen haalden de kiesdrempel niet.

Sociale proteststemmen

De SPD verliest dus stemmen, maar niet zoveel als verwacht. Nochtans is er tijdens de voorbije jaren veel protest gerezen - grote demonstraties, maandagbetogingen, ...- tegen de maatregelen in het kader van Agenda 2010. Dit ingrijpende herstructureringsplan voor de arbeidsmarkt en het sociaal stelsel moest de Duitse economie afstemmen op een geglobaliseerde wereld en de economische gevolgen van de vergrijzing opvangen, voornamelijk door de loonkosten en sociale lasten te drukken. Het plan draagt een duidelijke Die Neue Mitte-stempel - al wordt de term vandaag in de meeste sociaaldemocratische partijen geschuwd - een lijn die Schröder al aan het begin van zijn eerste ambtstermijn voorstond. Men herinnere zich het gemeenschappelijk manifest Der Weg nach Vorne für Europas Sozialdemokratie - The Way Forward for Europe’s Social Democrats van 8 juni 1999, waarmee Schröder en Blair de Derde Weg uitriepen tot nieuw ideologisch richtsnoer voor de Europese sociaaldemocratie op de drempel van het nieuwe millennium.
Vooral de arbeidsmarktmaatregelen deden stof opwaaien. De werkloosheidsuitkering voor mensen jonger dan vijfenvijftig werd beperkt tot twaalf maanden; voor werklozen boven de vijfenvijftig tot achttien maanden. De overgangsregeling, Arbeitslosenhilfe, die daar tot dan toe op volgde, werd afgeschaft, waardoor werklozen na die eerste periode van een jaar meteen in de lagere bijstandsuitkering, Sozialhilfe - de hoogte is afhankelijk van het aantal kinderen, het inkomen van de partner, het spaargeld én of men een Oost- of West-Duitser is - terecht komen. De jaarlijkse aanpassing van de werkloosheidsuitkeringen aan de loon- en prijsontwikkeling verviel. Deze maatregelen pasten in het kader van de al eerder gepresenteerde Hartz-Reformen, genoemd naar de voorzitter van de commissie die de voorstellen deed, Volkswagen-topman Peter Hartz. Hier maakte men werk van een modernisering van het arbeidsbemiddelingstelsel - een prioriteit na het schandaal rond valse succesratio-cijfers in verband met de bemiddeling. De 181 arbeidsbureaus werden Job Centers met één loket en elke werkloze kreeg een persoonlijke begeleider. Door de oprichting van Personal-Service-Agenturen (PSA’s) in elk arbeidsbureau, moesten deze ook bemiddelen in parttime en tijdelijke jobs. Uitzendwerk zet mensen sneller aan het werk waardoor de uitkerings- én bemiddelingskosten lager liggen en men zwartwerk tegengaat. Werklozen werden verplicht zich in te schrijven in een PSA na een half jaar werkloosheid.
Verder werden de voorwaarden voor werkzoekenden om recht te hebben op een werkloosheidsuitkering strenger. De bewijslast bij verdenking van fraude werd omgedraaid en lag nu bij de werkloze. Door de uitbreiding van het begrip ‘passende arbeid’ werd geografische mobiliteit en flexibiliteit gepromoot: een werkloze zonder directe familieverplichtingen werd geacht een passende job eender waar in Duitsland te aanvaarden. Jonge werklozen zonder kinderen werden ‘gestimuleerd’ onder andere door het terugschroeven van hun uitkering als ze hun sollicitatieverplichtingen niet nakomen. Werknemers ouder dan vijftig werden door een toelage gemotiveerd een lager betaalde baan te accepteren om werkloosheid te vermijden. Werkgevers die werklozen ouder dan vijfenvijftig aanwierven moesten bovendien geen bijdragen voor de werkloosheidsverzekering betalen. Werknemers werden verplicht zich te melden als werkzoekende bij het arbeidsbureau zodra ze op de hoogte waren dat ze hun job zouden verliezen, anders verviel de eerste maand hun recht op een werkloosheidsuitkering.
Het paradepaardje van de arbeidsmarktmaatregels was het programma ter promotie van de Ich-Ags - letterlijk de ‘ik-NV’s’- éénmans- of familiebedrijfjes, dat het vooropgestelde aantal te bereiken werklozen in recordtijd ruim overtrof. Het programma moest werklozen helpen de stap te zetten naar een zelfstandige onderneming door bij de oprichting van een Ich-AG nog drie jaar lang maandelijks een mooi bedrag3 uit te keren. Een kwart miljoen werklozen werd op deze manier zelfstandige in een eenmanszaak. Ook Minijobs - de zogenaamde 400 eurojobs4 - moesten zwartwerk tegengaan. Om de activering van langdurig werklozen te bevorderen werden zelfs zogenaamde ééneurobanen in het leven geroepen. Verder moesten stageplaatsen jongeren kansen bieden. Deze mogelijkheden om met overheidssteun laagbetaalde jobs te creëren, zorgden voor 200.000 nieuwe banen, waartegenover staat dat gewone jobs uit de markt werden geprijsd.5 De ongenaakbaar gewaande Kündigungsschutz, de ontslagbescherming, werd flexibeler gemaakt voor (tijdelijke) uitzendkrachten in kleine bedrijven.
Hervormingen in het onderwijs, de pensioenen en de gezondheidszorg voorzagen allemaal een verhoogde privatisering. Gepensioneerden kregen hun pensioen niet alleen later uitbetaald, maar moesten ook de volledige bijdrage voor ziekteverzekering en zorgverzekering betalen, waar ze die voordien maar voor de helft betaalden. In de gezondheidszorg werden bepaalde vergoedingen afgeschaft en andere sterk beperkt en werd de eigen bijdrage voor huisarts- en ziekenhuisbezoek ingevoerd. De vakbonden zijn van mening dat de bezuinigingen op sociale overheidsuitgaven vooral de lagere inkomens treffen.
Agenda 2010 hield ook een verlaging van de belastingen in: de belastingvrije inkomensschijf werd verhoogd met 429 euro tot 7.664 euro; het basistarief werd teruggebracht van 19,9 procent tot 15 procent; het hoogste tarief van 48,5 procent tot 42 procent; voor alleenstaande ouders werd er een bijkomende vrijstelling van 1.308 euro ingevoerd.
Door de Gemeindefinanzreform en de Gesetz zur Reform der Gewerbesteuer in het voordeel van de gemeenten kregen die laatsten meer ruimte voor de nodige lokale investeringen wat vooral werk in de bouw en de ambachtelijke sector moet opleveren. Vooralsnog hadden de hervormingen nog niet het gewenste effect: de economie van het dynamisch Wirtschaftswunder van weleer bleef sputteren en Duitsland telde in het eerste trimester van dit jaar meer dan vijf miljoen werklozen - een naoorlogs record - en dat aan de vooravond van de verkiezingen waarin één van de belangrijkste onderwerpen net die werkloosheid zou zijn. De herinnering aan de massawerkeloosheid die vooraf ging aan de opkomst van het nationaalsocialisme, maakt dat dit in Duitsland nog een gevoeliger onderwerp is. Schröder die vanaf zijn aantreden als bondskanselier zijn lot verbond aan het terugdringen van die werkloosheid, kon zijn beloften ook met die ingrijpende maatregelen niet nakomen.
De oppositiepartijen steunden het pakket langetermijnhervormingsplannen ook; enkel de Linkspartei.PDS was tegen Agenda 2010 en de Hartz-hervormingen. Naarmate de verkiezingen naderden, distantiëerden alle partijen zich wel steeds meer van de controversiële maatregelen. Zelfs de regeringspartijen SPD en Die Grünen, pleitten nu voor een aanpassing van de plannen. Desalniettemin bleven alle partijen er in hun verkiezingsprogramma op hameren dat lagere loonkosten en sociale lasten noodzakelijk zijn voor het scheppen van werkgelegenheid. Aan de andere kant werd ook het sociale aspect van de Duitse markteconomie gesteund door alle partijen. Sociale dumping is geen optie, heette het in de rethoriek.
Waarschijnlijk hebben vele Duitsers die hun levensstandaard en -omstandigheden bedreigd zagen, ondanks hun ontgoocheling in het beleid van de voorbije jaren, uiteindelijk uit strategische overwegingen toch op Schröder gestemd. Een verlies van SPD zou vooral ten goede komen aan de tweede grote partij, CDU-CSU, die een coalitie met de liberale FPD beloofde. Een centrumrechtse regering zou de sociaaleconomische hervormingen drastischer verderzetten. Met een meerderheid in zowel de Bondsdag als de Bondsraad zou ze ook een stuk slagvaardiger kunnen regeren en hebben de plannen een grote kans van slagen. Een deel van de Duitse kiezers koos wellicht voor het ‘minste kwaad’.
De SPD verloor vooral stemmen aan de Linkspartei.PDS.6 Sinds Oskar Lafontaine - voormalige SPD-voorzitter die in mei uit de partij stapte omdat hij het niet eens was met de neoliberale hervormingspolitiek van Schröder - het gezicht van nieuw verenigd links geworden is, worden ze ernstig genomen en hebben ze ook in het westen van Duitsland een solide achterban kunnen opbouwen. De Linkspartei spreekt zich uit als fundamenteel tegen de neoliberale politiek en voor de sociale rechten en verworvenheden. Ze verzet zich tegen de economische hervormingen die de gevestigde partijen voorstaan. De partij wil de Hartz-wetten terugdraaien - met name de plicht van werklozen om elke baan aan te nemen en de één-eurobanen. De werkloosheid moet worden aangepakt door arbeidsduurverkorting en het scheppen van banen in de publieke sector. Werklozen moeten langer de werkloosheidsuitkering berekend op basis van het laatste loon ontvangen. Bovendien moet de bijstand worden verhoogd en het verschil in uitkeringen tussen Oost- en West-Duitsland - een pijnpunt in het sociale beleid van rood-groen - verdwijnen. De hoogte van de uitkering mag ook niet te sterk worden bepaald door het inkomen van de levenspartner. Het minimumloon tenslotte, moet worden opgetrokken tot 1.400 euro. Op deze manier ijvert de partij voor het behoud van de ‘solidaire samenleving’. Een boodschap die aansloeg (naast de banvloek die de andere partijen uitriepen over de Die Linke en die waarschijnlijk proteststemmers aantrok): uit verkiezingsanalyses blijkt dat ongeveer 10 procent van alle arbeiders en 22 procent van de werkloze arbeiders stemden voor Die Linke.

Van impasse tot Grote Coalitie

Het was meteen duidelijk dat de uitslag niet voor de stabiliteit had gezorgd waar velen op hoopten en dat onderhandelingen over een nieuwe regeerploeg lang zouden kunnen duren. Toen duidelijk werd dat noch rood-groen, noch zwart-geel een meerderheid zou hebben in het parlement, werd er druk gespeculeerd over de samenstelling van de toekomstige regering. De partijen die samen een regering zouden willen vormen, hadden te weinig zetels, en de combinaties die theoretisch een regering konden vormen, zagen dat samen niet zitten.
De twee grootste partijen zijn te klein om met één kleintje een meerderheid te vormen. De rood-groene coalitie van bondskanselier Schröder is haar meerderheid kwijt. Merkel had een coalitie met de liberale FDP op het oog. Ook een geel-zwarte coalitie verwierf echter geen overwicht. Tenzij Schröder en Merkel zich konden verzoenen, was een regering van één van hun partijen met twee van de drie kleintjes - FDP, die Grünen of Linkspartei - de enige optie. Alle varianten met meerdere partijen - iets dat voor de Bondsrepubliek relatief ongewoon is - bleken eigenlijk meteen onhaalbaar. Nochtans zijn dit soort coalities op lokaal niveau wel al levensvatbaar gebleken.
Met deze uitslag had Schröder het meeste kans om regeringsleider te blijven in een Ampelkoalition. Een voortzetting van de rood-groene coalitie van de voorbije zeven jaar, aangevuld met de liberale FDP was rekenkundig mogelijk. Een coalitie van Groenen/SPD/FDP is echter geen reële optie omdat de Groenen en FDP ideologisch te ver van elkaar staan. De opstelling van een regeerprogramma wordt onmogelijk met partijen als de FDP en de Groenen die programmatisch en qua mentaliteit zo verschillen. FDP-leider Guido Westerwelle maakte bovendien meteen duidelijk dat hij niet zou ingaan op een uitnodiging van de SPD.
Om gelijkaardige redenen was ook zwart-geel-groen - de kleuren van de Jamaicaanse vlag - een rekenkundige, maar weinig realistische optie. Merkel ging vanzelfsprekend als eerste praten met de FDP, maar kon alleen een regering vormen met de liberalen als ook De Groenen meewerkten. In alle drie de partijen heerst er eigenlijk weerstand tegen de Jamaika-Koalition, hoewel Westerwelle en Merkel belangstelling voor deze optie toonden.7 Vlak na de Bondsdagverkiezingen van zondag liet groene Joschka Fischer weten deze coalitievariant niet uit te sluiten, om kort daarop echter totaal onverwacht zijn vertrek uit de partijtop aan te kondigen, wat door de meeste waarnemers geïnterpreteerd werd als een teken dat hij niet langer in regeringsdeelname van zijn partij kon/wilde geloven.
Noch SPD, noch CDU/CSU wilden een coalitie vormen met de Linkspartei. De vorming van een linkse rood-rood-groenecoalitie is derhalve een onwaarschijnlijk alternatief, hoewel een samenwerkingsverband tussen rood-groen en de nieuwe Linkspartei kan rekenen op een duidelijke meerderheid in de bondsdag. Een samenwerking met een partij die een compleet andere visie heeft op het socio-economische beleid, de neoliberale consensus niet deelt, en dus op een fundamenteel andere politieke basis wil werken, zou waarschijnlijk ook geen lang leven beschoren zijn.
Er werd ook even gegokt op een zwart-gele of rood-groeneminderheidsregering. Binnen Die Linke gingen zelfs wat stemmen op om een eventuele rood-groenecoalitie te dulden of zelfs te steunen. Een oplossing die op weinig vertrouwen kon rekenen.
Een grote coalitie van sociaal- en christendemocraten werd door de meeste politieke waarnemers dan ook al snel als de enige werkbare optie gezien.

Grote coalitiegesprekken

Alles wees erop dat de twee grote Duitse partijen zich instelden op een verstandshuwelijk. CDU/CSU en SPD hebben met 448 zetels samen een grote meerderheid in de Duitse bondsdag die nu uit 614 leden zou bestaan. Uit peilingen bleek dat ook veel Duitse kiezers een grote coalitie zien zitten, ook al zijn sommigen bang dat zo´n grote coalitie te weinig slagkracht heeft omdat de twee machtsblokken ongeveer even groot zijn.
Vooraf - onder andere in het laatste televisiedebat voor de verkiezingen - maakten bondskanselier Schröder en oppositieleider Merkel echter al duidelijk dat ze niets voelden voor een ‘grote coalitie’ van hun partijen. Merkel liet zich ontvallen dat een grote coalitie voor stilstand staat.
Bovendien eisten zowel Merkel als Schröder de overwinning en dus het leiderschap van een dergelijke grote coalitie op. Beide kanselierskandidaten sloten een coalitie onder leiding van de andere zonder meer uit. Als grootste partij zou de CDU/CSU van Angela Merkel, naar gewoonte in de Duitse politiek, de nieuwe kanselier mogen leveren. Angela Merkel noemde het na de verkiezingen ‘goed nieuws dat rood-groen nu is weggestemd’ en zei er als sterkste politieke macht van uit te gaan de opdracht te krijgen om een ‘stabiele regering’ te vormen. Ze drong er derhalve bij de SPD op aan zich neer te leggen bij haar overwinning en nodigde de partij uit voor gesprekken over een door de CDU-CSU geleide grote coalitie.
De CDU/CSU haalde echter slechts een nipte overwinning op de SPD: 226 tegenover 222 zetels. De SPD, die beter presteerde dan verwacht, beschouwde de verkiezingsuitslag als een grote overwinning voor links en wilde daarom dat Schröder ook in een coalitie met de CDU aanbleef als bondskanselier. Schröder verklaarde meteen na de verkiezingen dat hij de uitslag - dit ‘desastreus resultaat’ voor Merkel - interpreteerde als een nieuw mandaat van het volk om nog eens vier jaar te regeren.
Bovendien wees Schröder erop dat als men de CDU en de CSU in het parlement als twee afzonderlijke christendemocratische partijen zou behandelen, de sociaaldemocraten niet alleen aanspraak zouden kunnen maken op het bondskanselierschap, maar ook op het voorzitterschap van de Bondsdag. De CDU minus haar Beierse zusterpartij CSU is inderdaad kleiner dan de sociaaldemocraten. Er werd aangekondigd dat de SPD het huisreglement van de Bondsdag wilde aanpassen om de splitsing af te dwingen. Het oordeel van buiten de partij was evenwel streng. Men had het over een ‘vergrijp tegen de parlementaire traditie’ of zelfs ‘een staatsgreep’. Tot daar aan toe dat het spel hard gespeeld werd, maar de regels van het spel veranderen voor het einde van de wedstrijd kon uiteraard niet. De Linkspartei maakte duidelijk dat ze de SPD niet aan de meerderheid nodig om de huisreglementen te veranderen zou helpen. Ook binnen de eigen partij was er forse kritiek over deze ‘destructieve strategie’. Prominente partijleden raadden de bondskanselier aan te erkennen dat de christendemocratische fractie de grootste is in de Bondsdag. Enkele dagen later bond Schröder in en bood hij de christendemocraten in Die Zeit zijn excuses aan en de aankondiging dat het huisreglement zou worden aangepast werd ingetrokken. Deze actie is de populariteit van Schröder niet ten goede gekomen. Uit de peilingen bleek dat een kleine meerderheid van de Duitsers intussen liever Merkel als bondskanselier zag dan Schröder, die voordien nochtans sympathieker bevonden werd.
Het was duidelijk dat het kanseliersvraagstuk moest worden opgelost voor er sprake kon zijn van een grote coalitie. Vooraanstaande leden van de SPD-fractie in de Bondsdag opperden zelfs een roulerend kanselierschap - Schröder de eerste twee jaar, Merkel de twee volgende - om de impasse te doorbreken, maar dat voorstel werd meteen afgeschoten door de christendemocraten. Er werd ook even voorgesteld dat Merkel en Schröder, als ze elkaar als regeringsleider bleven uitsluiten, allebei terug zouden treden om onderhandelingen over een grote coalitie mogelijk te maken. Dat is niet nodig gebleken. De uitgestelde verkiezing in Dresden8 die de CDU een extra zetel opleverde veranderde de uitkomst van de verkiezingen niet ten gronde - de CDU-CSU haalt een nipte overwinning op de regerende SociaalDemocraten - maar betekende wel een belangrijke symbolische overwinning. Waarschijnlijk net het steuntje in de rug dat Merkel nodig had.
Merkel wordt de nieuwe Duitse bondskanselier in deze grote coalitie, maar Schröder heeft zijn vel duur vekocht. Er staan heel wat toegevingen tegenover het kanselierschap van ‘Angie’. De SPD krijgt acht van de veertien ‘vakministeries’: zware posten als vice-kanselier/buitenlandse zaken, arbeid, gezondheidszorg, financiën, justitie, alsook milieu, ontwikkelingssamenwerking en verkeer. Voor CDU/CSU blijft naast de Bondskanselier, de ‘Kanseliersminister’ (in feite de kabinetschef van de kanselier), economie en technologie - dat naar CSU-voorman Stoiber gaat, defensie, binnenlandse zaken, consumentenbescherming en landbouw, onderwijs en onderzoek en familiezaken. De SPD heeft met andere woorden, op het kanselierschap na, meer en zwaarder wegende ministeries binnengehaald dan de CDU/CSU. Toch keurde het partijbestuur van de SPD - in tegenstelling tot de partijbesturen van CDU en CSU - het onderhandelingsresultaat niet zomaar unaniem goed.9 Zwaarwichtig betekent immers vaak ook minder populair, terwijl de ministeries van CDU/CSU eerder soft zijn en er gemakkelijker mee te scoren valt.
Al moesten op het moment van het schrijven van dit artikel de gedetailleerde coalitieonderhandelingen nog beginnen en was het regeringsprogramma nog niet rond, toch viel op dat de Union ook op inhoudelijk vlak al toegevingen deed aan haar coalitiepartner. De standpunten van de twee partijen verschillen op de meeste thema’s die deze verkiezingsstrijd bepaalden.
In het kader van de hervormingen van de arbeidsmarkt pleit de CDU - anders dan de SPD - bijvoorbeeld wel voor een sterke versoepeling van de voorwaarden voor ontslagregelingen en tijdelijke arbeidscontracten. Een verlaging van de werkloosheidsverzekeringsbijdragen, moet voor de christendemocraten gecompenseerd worden door een stijging van de btw, om de loonkosten naar beneden te halen. De CDU blijft lager betaalde jobs - zogenaamde ééneurobanen - een centrale plaats geven als oplossing voor langdurig werklozen.
In de discussie over de manier waarop de - in 2004 hervormde - gezondheidszorg gefinancierd moet worden verkiest CDU/CSU het Gesundheitsprämie-systeem, terwijl SPD de voorkeur geeft aan de Bürgerversicherung. CDU/CSU wil per persoon - ook niet-werkende partners - een vaste premie die voor iedereen gelijk is, waaruit alle ziektekosten vergoed kunnen worden. Kinderen tot 18 zouden gratis meeverzekerd zijn en voor lage inkomens zou er een compensatie zijn via de belastingen. In het systeem van de SPD dragen mensen bij naar vermogen: het inkomen, maar ook onder andere pensioenen, dividenden en rente worden in rekening gebracht. Familieleden zonder inkomen, dus ook niet-werkende partners, worden gratis meeverzekerd. In het SPD-systeem staat solidariteit tussen hoge en lage inkomens centraal. Voor de CDU/CSU moet de marktwerking in de gezondheidszorg worden versterkt en het werkgeversaandeel aan een maximum worden gebonden.
Ook op het vlak van pensioenen lopen de meningen uiteen en legt de SPD meer de nadruk op het collectieve pensioenfonds en CDU/CSU op de uitbouw van particuliere en bedrijfsinterne pensioenfondsen.
De sociaaldemocraten willen verder dat onderwijs gratis blijft voor iedereen en zijn tegen invoering van collegegeld. CDU vindt dat de deelstaten zelf moeten kunnen blijven beslissen of ze collegegeld willen invoeren of niet. SPD houdt vast aan de huidige studiefinanciering, CDU geeft de voorkeur aan een mengeling van giften, leningen en toelages, waarbij armere en zeer begaafde studenten minder zelf moeten betalen.
Onder rood-groen is Duitsland koploper geworden op het vlak van duurzame energie, hernieuwbare energiebronnen werden drastisch uitgebouwd en vuile energievoorzieners - ook kernenergie - afgebouwd. Men sprak van de Energiewende. De sociaaldemocraten willen dit beleid ook zonder de groenen verderzetten. Ze blijven de Atomausstieg doorvoeren en het gebruik van duurzame energie stimuleren. Ze benadrukken de nieuwe arbeidsplaatsen die investeringen hier kunnen opleveren. Als het aan CDU/CSU ligt komt er echter een Wende van de Energiewende onder het motto ’minder ideologie, meer verstand’. De CDU/CSU wil de kerncentrales juist langer in gebruik houden. Ze zouden geen nieuwe centrales bijbouwen, maar de bestaande zeker niet sluiten. Ze maken duidelijk dat de doelstelling van rood-groen om het aandeel duurzame energie in 2020 op 20 procent te brengen, niet de hunne is. De ‘exorbitant hoge’ subsidies voor duurzame energie moeten worden teruggeschroefd.
Onder de regeringen Schröder trad Duitsland op internationaal niveau zelfbewust en vastberaden op en de SPD wil dat beleid evenzeer verderzetten. Ze zouden onder andere blijven streven naar een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad. ‘Wir wollen ein selbstbewusstes und friedliches Deutschland, das seine globale Verantwortung wahrnimmt.’ Duitsland is een groot land en moet ook als een groot land handelen. Ook in de Irak-kwestie trad Schröder kordaat op. Dit laatste haalde Merkel in deze verkiezingscampagne aan: zij wil de betrekkingen met de Verenigde Staten - verslechterd na de kritiek van Schröder op de oorlog in Irak - herstellen. Dit betekent uiteraard niet het einde van de Frans-Duitse samenwerking, maar die mag niet meer ten koste gaan van de betrekkingen met de Verenigde Staten.
Ook over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie zijn de partijen verdeeld. De SPD vindt dat Turkije moet kunnen toetreden tot de Europese Unie als volwaardige lidstaat, maar de CDU wil hooguit een ‘geprivilegieerd partnerschap’ voor de Turken. Waarnemers in de EU verwachten onder Merkel een betere relatie met de Commissie dan onder Schröder, ook al omdat ze een lossere band met Frankrijk in het vooruitzicht stelde, maar nu ze moet samenwerken met de SPD, wordt eerder afwachtend gereageerd. De onenigheid tussen beide partijen, zal éénduidige Duitse standpunten - bijvoorbeeld in verband met de dienstenrichtlijn - waarschijnlijk vertragen.
Als bovendien Stoiber - opperman uit conservatief, landbouwland Beieren - minister van economie wordt, met daarenboven verruimde Europese bevoegdheden, ziet de toekomst er niet rooskleurig uit voor de onderhandelingen over het budget en de hervorming van het landbouwbeleid.
Toeval of niet, de SPD heeft alle vakministeries verantwoordelijk voor deze onderwerpen binnengerijfd en zal dus kunnen wegen op de beleidskeuzes. De inhoudelijke concessies die de christendemocraten op sociaal vlak al hebben gedaan liggen in die lijn: de strikte bescherming tegen ontslag blijft behouden; aan de manier waarop arbeidsvoorwaarden worden vastgelegd in cao’s onderhandeld tussen de sociale partners wordt niet gesleuteld; en de fiscale voordelen voor nacht- en zondagswerk blijven bestaan.

Lang zal ze leven?

De meeste onderwerpen van deze verkiezingsstrijd waren erg herkenbaar: de flexibilisering van de arbeidsmarkt, het verlagen van de loonkost, de kost van pensioenen en de sociale zekerheid, gratis onderwijs, het verhogen van de activiteitsgraad en of ééneurojobs daarvoor volstaan; de oplossing voor het energievraagstuk, de uitstap uit de kernenergie; een onafhankelijk buitenlands beleid, de uitbreiding van de Unie. Op de meeste van deze onderwerpen zijn de meningsverschillen tussen de coalitiepartners CDU/CSU en SPD groot; zo niet wat betreft hun fundamentele instelling, dan wel qua uitwerking van het beleid.
De CDU/CSU die in deze een liberalere koers voorstaat, strandde op 18 september op 35,2 procent van de stemmen, zeven procent minder dan de peilingen hadden voorspeld en drie minder dan in 2002. Moet Merkel met de vinger worden gewezen? De CDU/CSU sloot niettemin de rangen - een openlijke aanval op Merkel zou alleen de positie van de sociaaldemocraten hebben versterkt - en Merkel ging als toekomstig bondskanselier de gesprekken over een grote coalitie met de SPD in.
Schröder heeft door zijn fanatieke optreden na de verkiezingen misschien het kanselierschap niet binnengerijfd, hij gaf zijn partij wel een stevigere vertrekbasis bij de coalitieondehandelingen. Tactisch gespeeld? In ruil voor het kanseliersschap krijgt de SPD acht van de veertien ministerporteffeuilles, en niet de minste. Waar Merkel in haar verkiezingscampagne een doorgedreven socio-economische hervorming beloofde, hebben de coalitiepartners al aangekondigd een ‘gematigd hervormingsbeleid’ te voeren - in de lijn van de hervormingen die Schröder eerder doorvoerde met zijn ‘Agenda 2010’, zo lijkt het. Vooral de SPD lijkt de grenzen van het coalitieakkoord te hebben vastgelegd, maar is hoedanook de ‘kleinere partner’ in de grote coalitie.10
De vorige grote coalitie regeerde van 1966 tot en met 1969. Als voordeel van een grote coalitie wordt vaak genoemd, dat zo een regering maatregelen ook daadwerkelijk kan doorvoeren. Met een riante meerderheid in de Bondsdag en de Bondsraad zou wetgeving vlot moeten kunnen worden aangenomen. Merkel zal zich echter moeten bewijzen. Twee mastodonten samen in een coalitie zou garant kunnen staan voor een star status quo. Een grote coalitie met een bijna evenwaardige partner is immers niet te vergelijken met de zwart-gelecoalitie, met het veel kleinere FPD, waarop ze had gehoopt. De vraag blijft of ze deze grote coalitie lang samen zal kunnen houden, gezien de aanvankelijk onmiskenbare weigerachtigheid van beide partijen tegenover een gezamelijke Grote Coalitie en de uitgesproken verschillen tussen beide partijen op bepaalde - zwaarwegende - onderwerpen. Hoewel de linkse PDS al spotte dat met de komst van Angie niets verandert in de Duitse bondskanselarij: ‘enkel het kapsel’.

Liesbeth Taverniers
Assistente aan de vakgroep Politieke Wetenschappen (UGent)

Noten
1/ De officiële definitieve verkiezingsuitslag is terug te vinden op http://www.bundeswahlleiter.de/de/bundestagswahlen/fruehere\_bundestagswahlen/btw2005.html
2/ In het Saarland, de thuisbasis van Lafontaine, haalde de Linkspartei zelfs 18 procent van de stemmen.
3/ 600 euro tijdens de eerste twaalf maanden, 360 in het tweede jaar en 240 in het derde.
4/ De werkgever betaalt voor deze banen een vast percentage van 25% aan belastingen en sociale premies (12% pensioenverzekering, 11% ziektekostenverzekering, 2% voor overige). Het is toegestaan een 400 eurobaan als bijbaan te hebben. Voor huishoudelijke diensten betaalt de werkgever slechts een vast percentage van 12% aan belastingen en sociale premies (5% voor pensioen- en 5% voor ziektekostenverzekering, 2% voor overige). De werkgever kan bovendien een bepaald bedrag van de belasting aftrekken (‘Dienstmädchenprivileg’).
5/ Uit Wolfgang Riepl, Duitse heropleving: nu of nooit, in Trends.be, 15 september 2005
6/ http://stat.tagesschau.de/wahlarchiv/wid246/analysewanderung0.shtml
7/ In de peilingen bleek dat een Jamaica-coalitie ook veel sympathie genoot bij de Duitsers.
8/ De inwoners van Dresden mochten hun stem uitbrengen in de Duitse parlementsverkiezingen op zondag 2 oktober, twee weken na de rest van het land, ten gevolge van de dood van een extreemrechtse kandidate vlak voor de verkiezingen op 18 september in kiesdistrict 160, een deel van Dresden.
9/ Twee van de veertig leden stemden tegen en zeven onthielden zich van stemming.
10/ Er wordt zelfs gefluisterd dat een aantal parlementsleden bij het stemmen van het kanselierschap door de Bondsdag niet zomaar voor Angela Merkel zouden stemmen.

Duitsland - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 (december), pagina 33 tot 41