Abonneer Log in

Toledo's Malaise

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 (december), pagina 42 tot 44

Toen Alejandro Toledo in 2001 verkozen werd tot president van Peru, was het land optimistisch. Ondanks de positieve macro-economische cijfers, groeide echter al snel ontevredenheid onder de bevolking. Met de verkiezingen van 2006 in aantocht, blijft een vervroegde verkiezing of een volksopstand zoals in Bolivia of Ecuador wellicht uit, maar de politieke malaise is algemeen. Een analyse van de redenen.

In het voorjaar van 2006 worden er in Peru algemene verkiezingen georganiseerd en meer nog dan tevoren staat de bevolking afkerig tegenover de binnenlandse politiek. Huidig president Alejandro Toledo kwam in 2001 aan de macht in de nasleep van de val van Alberto Fujimori, die Peru op autoritaire wijze bestuurde tussen 1990 en 2000. Het verhaal-Toledo sloeg in de hele wereld aan: opgegroeid als straatarme schoenpoetser in de Andes, had Toledo een beurs weten te behalen aan de universiteit van Stanford en werd zo een gerenomeerd econoom. Geflankeerd door zijn Belgische vrouw zou hij de eerste Peruaanse president worden van indiaanse oorsprong. En Toledo beloofde veel: met een gematigd sociaaldemocratisch programma zou hij één miljoen nieuwe jobs creëren, eenheid brengen onder de etnisch verscheurde bevolking en het staatsapparaat eindelijk laten doordringen in het gemarginaliseerde Peruaanse binnenland. Toledo zou na vijfhonderd jaar blanke onderdrukking een nieuwe fase inluiden in Peru’s geschiedenis.
Na nauwelijks één jaar aan de macht, stond nog slechts 20% van de bevolking achter haar president en de daaropvolgende jaren stond Toledo bekend als minst geliefde leider van het continent. Macro-economisch ging het Peru nochtans voor de wind: de laatste jaren groeide de economie met gemiddeld 5% (terwijl de meeste buurlanden in recessie verkeerden), de inflatie bleef beperkt tot 2% en de export verdubbelde in vier jaar waardoor Peru sinds lang opnieuw een positieve handelsbalans heeft.
In een poging om de situatie te verklaren, wezen analisten op onder meer het gebrek aan leiderscapaciteit en communicatie van de president, de confrontatiepolitiek van oppositie en pers, het voortwoekeren van een aantal belangen gelinkt aan het Fujimori-regime en racisme tegenover de president. Hoewel deze factoren zeker een rol spelen, moet de huidige malaise vooral worden begrepen als het resultaat van een drietal structurele processen, met name het gebrek aan een stabiel partijlandschap in Peru, het gevoerde economische beleid en het historisch zwakke staatsapparaat.
Met uitzondering van een korte episode in de jaren tachtig, heeft Peru nooit een stabiel, ideologisch gedifferentieerd partijlandschap gekend. Als er dan al partijen bestonden (zoals de populistische APRA of de rechtse PPC), dan bleven deze volledig verzwakt achter na het antipolitieke discours van Alberto Fujimori. Fujimori zag zich als een ‘onafhankelijk’ technicus die Peru’s problemen zou oplossen zonder een beroep te doen op ideologieën of partijstructuren. In navolging van de ex-president, zagen de politieke protagonisten de toekomst in movimientos (in plaats van partidos): losse bewegingen die ad hoc werden opgericht in de aanloop naar verkiezingen rond één figuur met een zogenaamd onafhankelijk, anti-ideologisch karakter. Onder de tientallen ‘bewegingen’ in de aanloop naar de verkiezingen van 2000, bevond zich ook Toledo’s Perú Posible (PP), aanvankelijk louter een amalgaam van diens vrienden en familieleden. Eenmaal Toledo echter op een aantal weken van de verkiezingen, als gevolg van een aantal factoren waar ik hier niet verder op inga, algemeen werd aanzien als de enige die Fujimori kon verslaan, wist PP een veelheid aan mensen aan te trekken, ieder met eigen politieke belangen. Het optimisme dat volgde op de val van het Fujimori-regime, en vooral de illusie dat, eerder dan interne tegenstellingen, Toledo een einde had gemaakt aan het fujimorisme, zorgde ervoor dat voor velen - ook in het buitenland - Perú Posible een geloofwaardige politieke beweging was. Na een overgangsregering onder leiding van Valentín Paniagua en nieuwe verkiezingen in 2001 waar Toledo uiteindelijk nipt won, werd pas duidelijk hoe zwak de beweging Perú Posible was. Vooreerst had PP verre van een meerderheid bereikt in het Congres. Zelfs na een coalitie met een andere beweging, het FIM, had men slechts 56 van de 120 parlementszetels. Daarnaast, als gevolg van de ad-hocsamenstelling van de beweging, kon men de capaciteiten en de ‘partijdiscipline’ van heel wat PP-congresleden in vraag stellen. Tenslotte stelde Toledo al snel vast dat zijn beweging in geen geval een stabiele basis kon vormen voor zijn beleid, aangezien de partij niet eens beschikte over een regeerprogramma of enige coherente analyse van Peru’s problemen. Eenmaal aan de macht, moest Toledo uiteindelijk een kabinet samenstellen van personen die, hoewel ze professioneel gezien prestige hadden, geen enkele band hadden noch met de PP-congresleden, noch met de, weliswaar schaarse, ‘ideologen’ van Toledo’s beweging. Temeer omdat de meeste van deze técnicos van neoliberale strekking waren, zorgde dit voor spanning met de militanten van Perú Posible, die enerzijds een openbare functie eisten als ‘beloning’ voor de geleverde inspanningen tijdens de campagne en anderzijds een eerder populistisch gezind economisch beleid wilden om zo onder de bevolking een machtsbasis uit te bouwen. Deze spanning tussen regering en PP leidde soms tot latente, maar ook vaak tot open conflicten of zelfs ronduit sabotage van regeringsvoorstellen door de PP-congresleden. Een andere uiting van dit ongenoegen was het fenomeen van de tránsfugos of politieke overlopers: maar liefst 13 van de 47 PP-congresleden verliet de beweging, waardoor Toledo’s positie in het Congres nóg zwakker werd. In deze gespannen situatie probeerde Toledo steeds een middenweg te zoeken door zich nu eens aan de kant te scharen van zijn congresleden en dan weer van zijn ministerteam, waarvan hij de samenstelling ook constant wijzigde. Voor de meeste Peruanen was dit illustrerend voor het ontstabiele, zwakke en incoherente karakter van Toledo - terwijl het voornamelijk een structurele oorzaak had.
Het gevoerde economische beleid is een tweede reden van ontevredenheid onder de Peruanen. Weliswaar scoort het land uitstekend wanneer het gaat om macro-economische cijfers, maar deze cijfers gaan aan de meeste Peruanen - vooralsnog? - voorbij, wat ook blijkt uit het feit dat de armoede met nauwelijks 3% is afgenomen in de afgelopen vier jaar. De grootste reden hiervoor is de enorme economische ongelijkheid onder de Peruanen, die geldt als één van de grootste van Latijns-Amerika. Bovendien was de recente groei, met uitzondering van een aantal regio’s (zoals Ica en Piura) waar de massale export van enkele landbouwproducten voor enige ontwikkeling heeft gezorgd, voor een groot stuk te wijten aan de stijgende wereldprijzen van een aantal mijnproducten. Vanwege de arbeidsextensiviteit van de (Peruaanse) mijnbouw, brachten de gunstige macro-economische cijfers dan ook niet meteen een verbetering teweeg in de werkgelegenheid van het land.
Tenslotte zijn er de afgelopen jaren ook weinig economische hervormingen doorgevoerd die het lot van de armere Peruanen verbeteren. Dit komt onder andere door het feit dat enkele belangengroepen hardnekkig iedere hervorming als populisme bestempelen. Een illustratie hiervan is dat ondanks de groei geen belastingshervorming werd doorgevoerd.
Ondanks Toledo’s bewering dat de mooie cijfers stilaan ook een tastbare verbetering van het lot van de armsten in de samenleving zal teweegbrengen (chorreo of trickle down), zorgt de kloof tussen de macro-economie en de werkelijke levensstandaard van het grootste deel van de bevolking voor instabiliteit in de Peruaanse maatschappij.
Een laatste structurele reden voor de politieke crisis in Peru ligt in de historische zwakte van het staatsapparaat. Tot op de dag van vandaag is de Peruaanse staat niet in staat om een antwoord te bieden op de problemen van de bevolking: zowel het gezondheids- als het onderwijsstelsel werken ondermaats, het gerechtsapparaat is uitgehold door corruptie en de delinquentie groeit iedere dag aan. Ondanks de vele beloften, wist Toledo aan deze situatie weinig te veranderen. Daardoor wordt de legitimiteit van zowel de staat als het democratisch systeem op zich ondermijnd.
De drie besproken factoren leidden niet alleen tot de impopulariteit van Toledo maar ook tot talrijke - meestal lokale, maar niettemin vaak gewelddadige - protestacties met als extreem de moord op een tweetal burgemeesters. Bovendien groeit ook de steun aan antisysteemfiguren (outsiders) of -bewegingen, zoals het maoïstische Sendero Luminoso - dat opnieuw groeit in een aantal regio’s - en de zogenaamde ‘etnocaceristische beweging’ van Antauro en Ollanta Humala. Volgens opiniepeilingen van eind november kan deze militaristisch-nationalistische beweging, die op de etnische tegenstellingen in Peru inspeelt, rekenen op de steun van bijna 14% van de bevolking.
Na de instelling van een kiesdrempel (4%) is het aantal kandidaten dat kans maakt op het presidentschap behoorlijk beperkt. De conservatieve Lourdes Flores lijkt voorlopig het meest populair, gevolgd door overgangspresident Paniagua. Ex-president Alan García van de links-populistische APRA lijkt voorlopig, na aanvankelijk succes, wat uitgeblust en Fujimori, momenteel gevangen in Chili, lijkt gezien de talrijke rechtszaken die tegen hem pleiten, onverkiesbaar. Links tenslotte weet zich nog steeds niet te verenigen en biedt aldus geen geloofwaardig alternatief.
Gezien de poging van alle kandidaten om zich zoveel mogelijk als centrumkandidaat te profileren, mag men misschien een verandering in stijl, maar zeker niet in beleid verwachten - tenzij er uiteraard een outsider de verkiezingen zou winnen. Voor Peru is het wellicht, opnieuw, wachten geblazen.

Sebastien Adins
Licentiaat in de politieke wetenschappen (Universiteit Gent)

Toledo - Alejandro Toledo

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 (december), pagina 42 tot 44