Log in

Over de (on-)zin van de opkomstplicht op lokaal vlak

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 2 (februari), pagina 35 tot 44

Op 8 oktober 2006 trekken we met z’n allen terug naar de stembus om nieuwe gemeente- en provincieraden te kiezen. Met z’n allen, want tot nader order geldt in ons land nog steeds de opkomstplicht, waarnaar soms foutief wordt verwezen met de term ‘stemplicht’. In de meeste Westerse democratieën beschikken de burgers nochtans over een stemrecht bij verkiezingen. Binnen de Europese Unie geldt dit principe verder enkel in Luxemburg en Griekenland. Nederland schafte de opkomstplicht al in 1970 af. Buiten de EU komt het veeleer uitzonderlijk voor. Toch staat in Vlaanderen het al dan niet afschaffen van de opkomstplicht regelmatig op de politieke agenda.

Eind 2005 kwam CD&V’er Johan Sauwens op de proppen met het idee om voor de gemeenteraadsverkiezingen de opkomstplicht af te schaffen.
Hij werd door zijn partij echter teruggefloten. Dit idee is niet nieuw. Na elke verkiezing, en de spreekwoordelijke electorale kater, waarbij het Vlaams Blok1 zijn zoveelste overwinning op rij behaalde, laaide de discussie over opkomstplicht in Vlaanderen opnieuw op. Sommigen zien in de afschaffing van de opkomstplicht immers een remedie om het Vlaams Belang electoraal te bekampen. Na de regionale en Europese verkiezingen van 13 juni 2004 stelde Geert Bourgeois (N-VA): ‘Het Vlaams Blok heeft vooral veel foert-stemmen gehaald. Misschien moeten we wel eens gaan nadenken over de opkomstplicht. De N-VA is daar tegen. En veel mensen stemmen op het Blok omdat ze moeten gaan stemmen.’2 Ook de VLD legde het onderwerp tijdens de Vlaamse regeringsonderhandelingen opnieuw ter tafel.3 De afschaffing werd evenwel niet opgenomen in het regeerakkoord.

Opkomstplicht… wat denken de politieke partijen?

De Vlaamse politieke partijen zijn in deze discussie eigenlijk in te delen in twee groepen, de voorstanders en de tegenstanders van het behoud van de opkomstplicht. Onder de voorstanders vinden we de sp.a en de CD&V. De tegenstanders vinden we terug bij de VLD, Spirit, Groen!, het Vlaams Belang en de N-VA. Toch is het ongetwijfeld zo dat binnen sommige partijen bepaalde leden het officiële partijstandpunt niet langer volgen.
De sp.a keurde in 2002, op het najaarscongres van 23 november, een vernieuwd programma goed. Daaruit bleek dat de partij gewonnen is voor de opkomstplicht. ‘Stemmen is een recht, opkomen een plicht’4, zo luidt het bij de sp.a. De argumentatie verwijst naar de vaststelling dat vooral de laaggeschoolden eerder afhaken bij verkiezingen en dan ook minder zullen doorwegen op het beleid. Om dit te verhinderen moeten ook deze mensen verplicht worden om te blijven opdagen bij de verkiezingen.5 De partij gaat zelfs zo ver dat ze de opkomstplicht ook wil uitbreiden naar referenda en volksraadplegingen toe.
Ook de CD&V is voorstander van het behoud van de opkomstplicht. De partij wijst erop dat vooral de lagere sociale bevolkingsgroepen het eerst afhaken bij een eventuele afschaffing van de opkomstplicht. Daarom vreest men dat deze groepen vrij snel minder aandacht zullen krijgen en hun belangen dan ook minder zullen worden verdedigd in de politiek. Verder wijst de partij erop dat een democratie naast rechten ook plichten met zich meebrengt. De opkomstplicht is daar één van.6
De kartelpartner waarmee de christendemocraten in 2004 naar de Vlaamse en Europese verkiezingen trokken en in 2006 in sommige gemeenten naar de gemeenteraadsverkiezingen trekken, de N-VA, houdt er een andere mening op na. De partij gaat ervan uit dat de burgers ‘vrij en verantwoordelijk’ genoeg zijn om zelf te beslissen of ze al dan niet deelnemen aan de democratie en dat er bijgevolg geen nood is aan een verplichting.7
De VLD neemt in de discussie een gelijkaardig standpunt in. De opkomstplicht moet worden afgeschaft. De argumentatie over dit standpunt vinden we terug in de Novemberverklaring8 van de partij. Onder het motto van de vrijheid zegt de partij dat de opkomstplicht moet worden afgeschaft.
spirit is eveneens voorstander van het afschaffen van de opkomstplicht.9 Het heeft volgens de partij geen zin om mensen te laten deelnemen aan iets dat hen eigenlijk niet interesseert. Verder benadrukt men dat een afschaffing van de opkomstplicht niet mag ingegeven zijn vanuit het eigen politieke belang: ‘Kiesregels mogen niet geformatteerd worden vanuit partijbelang’.10
De groenen zijn voorstanders van een afschaffing van de opkomstplicht.11 Maar deze moet dan wel samengaan met maatregelen die de politieke participatie versterken. Politieke partijen zullen inspanningen moeten doen om zichzelf als het ware aan de kiezer aan te bieden en die dan te overtuigen om voor de partij te gaan stemmen. Op deze manier zal de politieke participatie volgens Groen! gemotiveerder en authentieker zijn.
Het Vlaams Belang ten slotte wil eveneens de opkomstplicht afschaffen.12 De partij motiveert deze beslissing door te stellen dat de burgers die aan de verkiezingen blijven deelnemen beter geïnformeerde en mondige burgers zullen zijn. Dit alles moet voor de partij dan wel gepaard gaan met een ‘actieve openbaarheid van bestuur’. De burgers moeten zich dus voldoende kunnen informeren en op basis van deze informatie kunnen ze dan zelf een goed onderbouwde keuze maken. Het standpunt van het Vlaams Belang in dit debat is opmerkelijk. Velen zien de afschaffing van de opkomstplicht net als een maatregel om het Vlaams Belang electoraal te bekampen. Mocht het ooit zover komen dan is de partij daar naar eigen zeggen op voorbereid. Men zou specifieke campagnes voeren om de kiezer te overtuigen om toch te komen stemmen. Trouwens, het is geen evidentie dat het Vlaams Belang bij een afschaffing als een kaartenhuisje in elkaar zal vallen. Sommige onderzoeken tonen aan dat de zogenaamde ‘underdogpositie’ een mobiliserend effect kan hebben.13

Opkomstplicht… wat denken de wetenschappers?

Niet enkel in de politieke wereld, ook in politiek-wetenschappelijke kringen, bestaat heel wat discussie en verdeeldheid over de vraag of de opkomstplicht al dan niet behouden moet blijven. Af en toe nemen sommige politieke wetenschappers daarover, bijv. via opiniestukken of mediaoptredens, publiekelijk stelling in, maar het blijft vooralsnog onduidelijk wat een grotere groep van politieke wetenschappers daarover denkt. Om daarover meer duidelijkheid te krijgen contacteerden we 20 Vlaamse politieke wetenschappers die - onder andere of uitsluitend - werken over de Belgische binnenlandse politiek. Het betreft hier uiteraard een beperkte steekproef, maar één die o.i. een goede indicatie geeft van de opvattingen die daarover in de ruimere - maar al bij al beperkte - gemeenschap van Vlaamse politieke wetenschappers bestaan.14
Uit deze bevraging bleek dat 13 van de 20 politieke wetenschappers die we contacteerden voor het behoud van de opkomstplicht zijn. Vijf collega’s antwoordden negatief op deze vraag, twee hebben terzake geen mening. Voorstanders van de afschaffing motiveren hun opinie o.a. met de principiële stelling dat participatie niet afgedwongen kan worden, de uitzonderlijke situatie van België en het feit dat er in stemrechtlanden geen sociaal bloedbad bestaat. Verder wordt geargumenteerd dat veel kiezers die tot opkomst gedwongen worden - ondanks een laks vervolgingsbeleid - niet goed geïnformeerd of niet gemotiveerd zijn om hun stem uit te brengen en dus negatieve of antistemmen zullen uitbrengen (de zgn. ‘kwaliteit’ van een stem), dat de afschaffing partijen ertoe zal aanzetten kiezers beter te informeren over politiek en kiezers te mobiliseren om te gaan stemmen, dat opkomstplicht een onaanvaardbare beknotting van de individuele vrijheid is, enz.
De voorstanders van het behoud wijzen er daarentegen op dat opkomen kan worden gezien als een burgerplicht, op de noodzaak om alle bevolkingsgroepen in het kiezerskorps te houden en sociale vertekening dus te vermijden, uit vrees dat politici er anders minder of geen rekening mee zullen houden, op de verantwoordingsplicht van politici t.a.v. alle kiezers die anders beperkt zouden worden tot een geïnformeerde elite, met daartegenover een zwijgende massa die iedereen naar believen kan invullen, op het waarschuwingssignaal van ongenoegen en extremisme, op de legitimiteit van het politiek bestel, enz.

Enkele onderzoeken terzake

Vooraleer over te gaan tot de bespreking van onze eigen onderzoeksresultaten kijken we eerst wat er in de nationale en internationale literatuur hierover te vinden is. Uit onderzoek van Lijphart blijkt dat het steeds de ‘beteren’ zijn die meer participeren dan diegene die minder goed af zijn. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de invloed die deze groepen op het beleid hebben. Verkiezingsonderzoek in de VS, Zwitserland, Duitsland, Denemarken, Oostenrijk en Zweden - allemaal landen zonder opkomstplicht - wijst allemaal in dezelfde richting. De conventionele politieke participatie (m.a.w. het gaan stemmen) neemt steeds toe naarmate de sociale positie van de persoon verbetert. Dit betekent dat de politieke participatie dus niet voor elk individu gelijk is.15
Een lage opkomst betekent dat de opkomst vertekenend werkt. Het zijn steeds de lagere sociale klassen die als eerste afhaken op het politieke toneel. Dit is vooral zo in de VS, maar er zijn voldoende redenen en bewijzen om aan te tonen dat ook andere democratieën hiermee te maken hebben.16 Ten tweede is het zo dat wie stemt ook mee bepaalt wie er verkozen is. Dit heeft op zijn beurt gevolgen voor wat er op de politieke agenda komt te staan. De resultaten van verschillende onderzoeken wijzen uit dat politici vrij snel minder aandacht gaan besteden aan die groepen die niet meer gaan stemmen.
Verder staat het vast dat de opkomstcijfers in zo goed als alle moderne democratieën aan het dalen zijn. Denken we aan Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk of misschien wel het meest extreme voorbeeld, de Verenigde Staten. De opkomst bij verkiezingen is dikwijls ook afhankelijk van het politieke niveau waarvoor men naar de stembus trekt. Bij verkiezingen voor het Europees parlement, lokale verkiezingen, verkiezingen voor allerhande deelstaten worden in Europa steeds lagere opkomstcijfers genoteerd dan bij de nationale verkiezingen. Men noemt dit niet voor niets second-order elections.17
Een tweede onderzoek (M. Hooghe en K. Pelleriaux van de VUB) legt bijkomende accenten in het debat. Zij simuleerden wat de gevolgen van een afschaffing van de opkomstplicht voor Vlaanderen zouden betekenen. Zo wijzen ze op de rol van het absenteïsme. Bij een afschaffing van de opkomstplicht zullen de thuisblijvers enkel in aantal toenemen.18 Daarnaast komen de auteurs tot de conclusie dat de politieke verschuivingen al bij al vrij beperkt zouden blijven. De belangrijkste bevindingen zijn dat vooral de groenen winst zouden halen uit een afschaffing van de opkomstplicht. Ook de christendemocraten en de liberalen zouden een lichte winst boeken. De verliezers zijn de socialisten en het Vlaams Blok. Beide partijen zouden een klein deel van hun electoraat zien afhaken. De globale verschuivingen tussen de partijen blijven evenwel heel klein.
Een derde interessante bijdrage met betrekking tot de gevolgen van een afschaffing van de opkomstplicht is van de hand van J. Billiet (KULeuven - ISPO). Volgens hem zijn de twee belangrijkste argumenten voor de opkomstplicht ‘de maatschappelijke ongelijkheid en de vertekening inzake sociale samenstelling van het kiezerskorps’.19 Hierdoor zullen op termijn bepaalde groepen aan de zijlijn blijven staan. Het grootste tegenargument dat hij opnoemt is het feit dat velen ongeïnteresseerd naar de stembus trekken om daar toch maar een ‘waardeloze’ stem uit te brengen.

De te toetsen argumenten

We hebben gezien dat zowel de politieke als de academische wereld erg verdeeld zijn rond dit onderwerp. In deze bijdrage willen wij vooral nagaan in welke mate de wetenschap haar steentje kan bijdragen door enkele van de bovenvermelde argumenten empirisch te toetsen. Wij kunnen uiteraard niet alle argumenten uit het debat onderzoeken, maar sommige argumenten zijn zeker empirisch te onderbouwen.
Zal de afschaffing van de opkomstplicht politieke gevolgen hebben? Met andere woorden: als een deel van het kiespubliek meer geneigd zou zijn thuis te blijven, zullen de verhoudingen tussen de partijen dan wijzigen? Wie zijn dan de eventuele ‘winnaars’ en ‘verliezers’? En meer in het bijzonder: zal het afschaffen van de opkomstplicht de steun voor het Vlaams Belang in elkaar doen zakken?20 We kunnen dit argument met onze databank empirisch ondersteunen.
Zal de afschaffing van de opkomstplicht aanleiding geven tot wat wij politieke marginalisatie noemen? Met andere woorden: indien veel kiezers (zouden) afhaken, is deze ‘uitval’ dan selectief? Deze politieke marginalisatie kan worden getoetst aan de hand van verschillende variabelen uit onze dataset. Wat zouden de gevolgen kunnen zijn voor de samenstelling van het kiezerskorps inzake geslachtsverhoudingen, leeftijd, opleidingsniveau, sociale klasse en specifieke beroepssituatie?
Kan opkomstplicht werken als een stimulans om zich goed over de politiek te informeren? Politieke interesse omschrijven wij hier als het zich informeren over datgene wat er zich in de buurt afspeelt, de bereidheid die men aan de dag legt om hier effectief tijd voor vrij te maken, enz.
Tot slot, brengen mensen die meer geneigd zijn te blijven stemmen, een kwalitatief betere stem uit? Zo kan onder meer worden nagegaan of de mensen die meer geneigd zijn te blijven stemmen, significant meer in politiek geïnteresseerd zijn.

De onderzoeksresultaten

Methode

Het empirische deel van onze bijdrage steunt op data die we verzamelden door middel van surveyonderzoek. Meer specifiek worden sinds 2000 jaarlijks enquêtes face-to-face afgenomen bij kiesgerechtigde inwoners van de stad Gent.21 In 2003 werd de onderzoekspopulatie aanzienlijk uitgebreid door ook enquêtes af te nemen bij kiesgerechtigde inwoners van de steden Brugge en Antwerpen. Het zijn de data van 2003 die in deze bijdrage worden besproken, tenzij anders vermeld. Het universum van onze studie bestaat dus uit de kiesgerechtigde inwoners van de steden Gent, Brugge en Antwerpen. De geplande steekproeven werden telkens volkomen aselect getrokken op basis van het bevolkingsregister. De grootte van de geplande steekproeven bedraagt 1.752 voor Gent, 1.200 voor Brugge en 1.700 voor Antwerpen. De feitelijk gerealiseerde steekproeven in Gent, Brugge en Antwerpen omvatten, na de kwaliteitscontrole, uiteindelijk de gegevens van respectievelijk 699, 495 en 680 kiesgerechtigde inwoners. De responserate in Gent, Brugge en Antwerpen bedraagt met andere woorden respectievelijk 39,9%, 41,3% en 38,8%. Bij de overige bevragingen van kiesgerechtigde Gentenaars, werden er telkens 1.700 respondenten benaderd. Dit resulteerde telkens in een respons die ongeveer 40% bedroeg, wat normaal is voor een dergelijk onderzoek.

Algemene evolutie

Enkel voor Gent kunnen we de evolutie schetsen van de verschillende variabelen doorheen de tijd, meer bepaald voor de periode 2000 tot en met 2005. Een eerste belangrijke, algemene vaststelling is de trage maar geleidelijke groei van de groep personen die antwoordde ‘altijd’ of ‘meestal’ te blijven stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen, indien de opkomstplicht zou worden afgeschaft (van 61% in 2000 naar 68,6% in 2005). Daartegenover staat een tweede vaststelling, namelijk de geleidelijke inkrimping van de groep personen die antwoordde ‘nooit’ meer te gaan stemmen (van 21,6% in 2000 naar 16% in 2005). Beide vaststellingen impliceren dat het effect van een eventuele afschaffing geleidelijk aan minder groot zou worden. Het valt af te wachten of deze tendens zich ook in de komende jaren zal verderzetten.

De gevolgen voor de politieke partijen22_ _

De cijfers over de evolutie in de stad Gent per partij voor de periode 2000 tot 2005 tonen dat de socialistische kiezers heel sterk overtuigd zijn van het nut van hun stem: 75 à 80% van de socialisten zou altijd of meestal blijven stemmen mocht de opkomstplicht worden afgeschaft.23 Daar staat tegenover dat slechts 10 à 15% van het socialistische kiespubliek te kennen gaf ‘nooit’ nog te zullen stemmen.24 Enkel bij het kiespubliek van de groenen kunnen we een nog meer uitgesproken houding vaststellen: bij Agalev zou 80 à 90% van het kiespubliek altijd of meestal blijven stemmen25, terwijl een te verwaarlozen aantal (5% of minder) te kennen gaf ‘nooit’ meer te zullen stemmen.26 Het kiespubliek van het Vlaams Blok/Vlaams Belang geeft blijk van een heel andere houding tegenover de opkomstplicht: 45 à 60% antwoordde dat ze ‘altijd’ of ‘meestal’ zouden blijven stemmen. Anderzijds zou 30 à 40% ‘nooit’ meer stemmen, mocht de opkomstplicht worden afgeschaft.27 Hieruit blijkt alvast dat de kiezers die in 2000 bij de gemeenteraadsverkiezingen voor het Vlaams Blok stemden veel minder overtuigd zijn van het nut van hun stem dan de kiezers die op een andere partij stemden. Om het beeld te vervolledigen geven we nog de waarden van de liberale en christendemocratische kiezers. Bij beiden noteren we 60 à 70% van de kiezers in de categorieën ‘altijd’ en ‘meestal’28 - waarbij moet worden opgemerkt dat de ‘liberale’ respondenten hier verhoudingsgewijs meer dan bij andere partijen de categorie ‘meestal’ aankruisten.29 Anderzijds noteerden we bij de liberale kiezers 15 à 25% in de categorie ‘nooit’, terwijl dit bij de christendemocraten 10 à 15% bedraagt.30
Uit onze bevraging in Gent, Brugge en Antwerpen in 2003 blijkt dat de respondenten die antwoordden dat ze ‘altijd’ of ‘meestal’ nog zouden stemmen bij de lokale verkiezingen hoofdzakelijk bestaan uit kiezers van Agalev, de CVP en de SP. Anderzijds zijn het de kiezers van het Vlaams Blok en de VLD die het snelst zouden afhaken. Verder zijn de Vlaams Blok-kiezers onder diegene die ‘nooit’ meer zouden gaan stemmen het best vertegenwoordigd. Daar komt bij dat het Vlaams Blok als enige partij ondervertegenwoordigd is bij de meest overtuigde kiezers: de partij vertegenwoordigt 11,1% van de kiezers en ‘maar’ 9,8% van de respondenten die altijd of meestal zouden blijven stemmen. Natuurlijk lopen deze percentages niet zeer sterk uiteen, maar het is opvallend dat we bij de andere partijen verhoudingsgewijs een groter aandeel van de meest overtuigde kiezers noteren.

De gevolgen voor de samenstelling van het kiezerskorps

Wanneer we heel specifiek de gevolgen nagaan voor het kiezerskorps bij een afschaffing van de stemplicht, dan stellen we vast dat vrouwen sneller zouden afhaken dan mannen. Verder zien we dat de jongeren meer overtuigd zijn van hun stem dan de ouderen en dat het vooral de hoger opgeleiden zijn die ‘altijd’ of ‘meestal’ nog zouden gaan stemmen mocht de verplichting wegvallen. Verder zien we ook dat er relatief weinig verschil zit in de antwoorden van de respondenten die al dan niet een job uitoefenen.
Uit de steekproef van 2003 (Gent, Brugge en Antwerpen) blijkt dat respondenten die ‘veel’ of ‘heel veel’ interesse hebben voor politiek duidelijk sneller bereid zijn om nog te gaan stemmen. 77,9% uit deze categorie zegt ‘altijd’ nog te gaan stemmen. Bij de mensen die te kennen gaven dat ze ‘geen’ politieke interesse hebben zien we dat amper 12,6% nog ‘altijd’ zou gaan stemmen. 63,5% uit deze groep zal ‘nooit’ meer gaan stemmen. De gevoelens die politiek oproept bij mensen hebben ook een invloed op de bereidheid om nog te gaan stemmen. Mensen bij wie politiek uitsluitend positieve gevoelens oproept tonen duidelijk meer bereidheid om ‘altijd’ nog te gaan stemmen dan mensen bij wie politiek negatieve gevoelens oproept (59,7% tegenover 28,6%).
Tot slot zien we dat ook de mate waarin men zich politiek machteloos voelt een rol speelt. Wie een geringe mate van politieke machteloosheid ervaart heeft een veel grotere bereidheid om ‘altijd’ te gaan stemmen dan wie veel politieke machteloosheid ervaart, respectievelijk 74,4% tegenover 22,3%. Mensen met een hoge mate van politieke machteloosheid zullen bijgevolg veel sneller afhaken.

Wie zijn de afhakers?

Aan de hand van een hele reeks variabelen krijgen we een beeld van wat nu zo typerend is voor de ‘afhakende’ kiezer. Zo kunnen we vaststellen dat er op de afhakende kiezer een partijprofiel kan worden gekleefd. Niettemin moeten we deze vaststelling onmiddellijk nuanceren door erop te wijzen dat vele andere kenmerken ons veel meer zeggen over de groep afhakers. Ook het sociaaldemografisch profiel van de afhakers speelt een rol, al kan ook dat worden genuanceerd. Zo zien we dat vooral de interesse voor politiek, de mate van politieke machteloosheid alsook het belang dat men hecht aan politiek op zich typerend zijn voor de afhakende kiezer. Daarmee zeggen we niet dat deze houdingen totaal los staan van het sociaaldemografisch profiel van de kiezers. Wel benadrukken deze gegevens de aandacht die o.i. nodig is voor de specifieke politieke houdingen van zij die nooit meer zouden stemmen indien het stemmen geen verplichting meer zou zijn.

De invloed van politieke participatie

Bijkomend gingen we na wat de invloed is van de mate waarin mensen politiek participeren op hun houding tegenover de stemplicht. Daaruit blijkt dat mensen die zich via een vereniging sociaal engageren een grotere bereidheid hebben om te gaan stemmen, ook al valt de verplichting daarvoor weg. Ook het lidmaatschap van een politieke partij heeft een positieve invloed om nog aan de lokale verkiezingen deel te nemen.31 Ook wie regelmatig ingaat op een vraag van het stadsbestuur over zijn mening, heeft een veel grotere kans om nog aan de lokale verkiezingen deel te nemen wanneer de verplichting hiervoor zou wegvallen. Respondenten die zelf lid zijn van een bewonersgroep of actief deelnemen aan een hoorzitting of een overlegmoment hebben eveneens een positievere houding tegenover de stemplicht dan anderen. Mensen die zich sociaal engageren hebben dus duidelijke een kleinere kans om af te haken bij de lokale verkiezingen.

Besluit

We stellen vast dat het debat met een zekere regelmaat de kop opsteekt, en dan vooral na verkiezingen waarbij het Vlaams Blok succes boekt. Het is dan ook niet toevallig dat de afschaffing van de opkomstplicht door sommigen wordt gezien als een ‘remedie’ tegen het succes van deze partij. Of de opkomstplicht in Vlaanderen zal worden afgeschaft zal afhangen van vele factoren. Zowel de politieke als de academische wereld zijn over dit gevoelige onderwerp sterk verdeeld.
Bij de politieke partijen zijn zowel voor- als tegenstanders te vinden van de opkomstplicht. De voorstanders (sp.a en CD&V) wijzen er vooral op dat de politieke participatie van laaggeschoolden en zwakkere bevolkingsgroepen op die manier verzekerd is. Daarnaast wordt het argument aangehaald dat burgers naast rechten ook plichten hebben. De tegenstanders van de opkomstplicht (VLD, N-VA, spirit, Groen! en Vlaams Belang) leggen vooral de nadruk op de vrijheid van de kiezer. Voor sommigen onder hen zou de afschaffing wel gepaard moeten gaan met maatregelen om de politieke participatie te verhogen. De pleitbezorgers van een afschaffing beklemtonen verder de uitzonderingssituatie (er zijn quasi geen landen meer waar de opkomstplicht nog bestaat) en het feit dat politici zich meer en met zinvolle argumenten zullen moeten bewijzen, iets wat het politieke debat ten goede zou komen.
Uit het wetenschappelijk onderzoek dat terzake is uitgevoerd komen wel enkele belangrijke vaststellingen naar voren. Zo is het bewezen dat politieke participatie sterk wordt beïnvloed door de sociaaleconomische situatie van de burger. Dat inkomen en opleiding een grote rol spelen komt er in wezen op neer dat hogere sociale klassen meer participeren. Dit is met andere woorden een bevestiging van het feit dat vooral sociaal zwakkeren en minder hoog opgeleiden zouden afhaken. Een andere vaststelling is de dalende opkomst bij verkiezingen in het buitenland. Er worden in de wetenschappelijke literatuur ook verschillende oplossingen gesuggereerd om hieraan te remediëren, maar de beste remedie is gewoonweg de invoering van … de opkomstplicht.
Met deze bijdrage wilden wij het debat op een zinvolle manier ondersteunen. We deden dit door, waar mogelijk, enkele van de gangbare argumenten te toetsen aan de beschikbare empirische data op lokaal vlak. Daaruit bleek, opmerkelijk genoeg, vooreerst een geleidelijke toename van de groep meest overtuigde kiezers. Verder stelden we vast dat het argument van ‘politieke marginalisatie’ inderdaad opgaat. Bepaalde groepen (vrouwen, ouderen en lager opgeleiden) uit de samenleving zullen effectief afhaken, waardoor de vertegenwoordiging van hun belangen op het politieke toneel potentieel in gevaar komt en bijgevolg ook vragen gesteld kunnen worden bij de legitimiteit van de verkozenen. Daarnaast werd ook aangetoond dat de bereidheid om te blijven deelnemen aan verkiezingen nauw samenhangt met de politieke interesse van de mensen. Met andere woorden, bij een eventuele afschaffing van de opkomstplicht zullen de inspanningen om deze mensen te doen opdagen bij verkiezingen verveelvoudigd moeten worden. De hypothese dat extreme partijen, zoals het Vlaams Belang, kiezers zouden ‘verliezen’ (omdat ze niet voldoende gemotiveerd zijn om te blijven stemmen) kunnen we eveneens bevestigen. Maar we moeten daar meteen aan toevoegen dat niet alleen het Vlaams Belang daardoor getroffen zou worden, maar ook andere partijen zoals bijvoorbeeld de VLD. Bovendien moeten we beklemtonen dat de gemeten intentie bij de kiesgerechtigde bevolking op lokaal vlak (de basis van onze empirische data) niet gelijkstaat met een voorspelling van het effectieve kiesgedrag bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen in oktober 2006. In wat voorafgaat werd er reeds op gewezen dat het Vlaams Belang (en wellicht niet alleen die ene partij) bij een eventuele afschaffing een gerichte campagne zou voeren om het kiespubliek te overtuigen effectief gebruik te maken van het stemrecht. ‘We zouden specifieke campagnes voeren om die proteststemmers te overtuigen om toch naar de stembus te trekken’32 aldus Filip Dewinter. Daardoor zou de context totaal gewijzigd zijn en de uitslag onvoorspelbaar worden. Het zou in ieder geval verkeerd zijn de afschaffing van de opkomstplicht louter als remedie te hanteren. De, in de ogen van de voorstanders, ‘positieve’ gevolgen wegen hoegenaamd niet op tegen de negatieve gevolgen zoals de politieke marginalisatie.

De discussie over de opkomstplicht raakt aan de fundamenten van ons democratisch politiek stelsel. Het is dan ook goed hierbij rekening te houden met de eventuele gevolgen op lange termijn die een afschaffing van de opkomstplicht kan hebben en niet louter electorale argumenten te hanteren.

Koenraad De Ceuninck, projectmedewerker
Carl Devos, docent
Herwig Reynaert, docent
Tony Valcke, assistent
Dries Verlet, doctor-assistent
vakgroep politieke wetenschappen Universiteit Gent 33

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ We spreken hier over het ‘Vlaams Blok’ omdat onze data slaan op vroegere verkiezingen. Wanneer we het hebben over de toekomst, spreken we van ‘Vlaams Belang’.
2/ Bourgeois G., Foert-stemmen. In: De Standaard, 14 juni 2004.
3/ Dobbelaere B., Had iemand soms beweerd dat het gemakkelijk zou zijn? In: De Standaard, 26 juni 2004. Zie ook DS van 4 januari 2005, waar Didier Ramoudt (VLD) in een interview liet optekenen: ‘…en mensen stemmen dan Vlaams Belang. Daar bestaat maar één oplossing voor: de stemplicht afschaffen.’
4/ Democratie, overal en voor iedereen. Eindtekst werkgroep maatschappelijke participatie sp.a - 30/03/2002 - p.5.
5/ De partij bezorgde ons hierover een mail op 3 september 2004. Mail van P. Scheir aan K. De Ceuninck met als bijlage: Resolutietekst ‘Beter een boze stem dan geen stem’ - aangenomen op het congres van de sp.a op 30 november 2002, p.19. Voor meer info zie ook de website van de partij op http://www.s-p-a.be/nationaal/index.asp
6/ De partij bezorgde ons hierover een mail op 3 november 2004. Mail van J. Smits aan K. De Ceuninck met als bijlage de nota: ‘Stemplicht of stemrecht’ - Nota van de CD&V-Kamerfractie 16 april 2003.
7/ Zie hiervoor de website van de partij: http://www.n-va.be/programma/standpunten/Dossiers\detail.asp?ID=117 Geconsulteerd op 27 oktober 2004.
8/ De partij bezorgde ons hierover een mail op 8 september 2004. Mail van G. Van Hevele aan K. De Ceuninck. De Novemberverklaring is ook terug te vinden op de website http://www.vld.be/uploads/Novemberverklaring.pdf Geconsulteerd op 28 oktober 2004.
9/ De partij bezorgde ons hierover een mail op 21 december 2004. Mail van W. Vandebos aan K. De Ceuninck met als bijlage een argumentatie. Zie ook de beginselverklaring van de partij die is terug te vinden op de website: http://www.meerspirit.be/article.php?dossiers/2001/11/29/1 Geconsulteerd op 17 november 2004.
10/ ‘Afschaffing opkomstplicht’: een onuitgegeven nota van spirit die de partij ons via mail bezorgde. Mail van W. Vandebos aan K. De Ceuninck op 21 december 2004.
11/ De partij bezorgde ons hierover een mail op 2 september 2004. Mail van S. Colaes aan K. De Ceuninck met daarin de argumentatie van Groen!.
12/ De partij bezorgde ons hierover een mail op 2 september 2004. Mail van S. Utsi aan K. De Ceuninck met daarin de argumentatie van het Vlaams Belang.
13/ Billiet J., Tijdens de hoorzitting in de Commissie voor Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Stedelijk Beleid. Vlaams Parlement - zitting 2003-2004 - 14 april 2004. Stuk 1962, nr. 2, p.6.
14/ Voor een meer uitgebreide bespreking van deze bevraging zie: De Ceuninck K., e.a., De opkomstplicht in Vlaanderen. In: _Burger, Bestuur en Beleid? tijdschrift voor bestuurskunde en bestuursrecht
, 3, 2005, 3, pp.197-214.
15/ Lijphart A., Unequal Participation: Democracy’s Unresolved Dilemma. In: American Political Science Review, Vol. 91, nr.1 (maart 1997), pp.1-2.
16/ Zie hiervoor bijvoorbeeld: Smith D.H., e.a., Participation in Social and Political Activities. A comprehensive analysis of political involvement, expressive leisure time and helping behaviour. San Francisco - Washington - London, 1980, 682p., Mabileau A., e.a., Local Politics and Participation in Britain and France. Cambridge, Cabridge University Press, 1989, pp.35-87.
17/ Lijphart A., Unequal Participation: Democracy’s Unresolved Dilemma. In: American Political Science Review, Vol. 91, nr.1, pp.2-6.
18/ Hooghe M., Pelleriaux K., Afschaffing van de kiesplicht. Een simulatie. In: Samenleving en politiek, jg. 4, 1997, nr. 8 (oktober), pp.5-6.
19/ Billiet J., Opkomstplicht of vrijheid om al of niet te gaan stemmen in Vlaanderen: het verkiezingsonderzoek van 1999, p.134. In: De kiezer heeft zijn redenen. 13 juni en de politieke opvattingen van Vlamingen, Leuven, Acco, 2002, pp.129-146.
20/ Vele politici lieten zich dergelijke uitspraken al ontvallen. Denken we aan Geert Bourgeois (De Standaard, 14 juni 2004) of Didier Ramoudt (De Standaard, 4 januari 2005).
21/ Zie bijvoorbeeld : Verlet D., Reynaert H. Devos C., Tevredenheid over lokaal beleid. Stad Gent. Brugge, Vanden Broele, 2002, 189p.; Verlet D., Reynaert H., Devos C., Burgers in Vlaamse grootsteden. Tevredenheid, vertrouwen, veiligheidsgevoel en participatie in Gent, Brugge en Antwerpen. Brugge, Vanden Broele, 2005, 173p.
22/ We hanteren telkens de benaming van de partijen uit het jaar dat de betreffende enquête werd afgenomen.
23/ Zoals bij elke partij zitten er wat schommelingen in de cijfers. In 2002 loopt dit op tot 82,4%, terwijl het in 2004 daalt tot 72,7%.
24/ In 2001 liep dit op tot 16,3 %.
25/ Uitzondering vormt het jaar 2003, jaar waarin dit percentage zakt tot 72,5%.
26/ In 2000 bedroeg dit 7,3 %.
27/ Uitzondering vormt het jaar 2000, toen ‘slechts’ 20,6% van de Vlaams Blok-kiezers te kennen gaf ‘nooit’ meer te zullen stemmen. In 2003 bedroeg dit dan weer 43,4%.
28/ Ook hier vertonen de percentages schommelingen. In 2000 noteerden we 57% christendemocratische kiezers in de categorieën ‘altijd’ en ‘meestal’, in 2004 was dat 74,2%.
29/ Het beeld van ‘twijfelaars’ bij de liberalen wordt nog versterkt door de vaststelling dat veel meer dan bij andere partijen de categorie ‘soms’ werd aangeduid. Bij de bespreking van de resultaten wordt deze categorie hier verder evenwel niet weerhouden.
30/ In 2005 duidde slechts 12,5% van de christendemocratische kiezers de categorie ‘nooit’ aan.
31/ Al zijn we er ons van bewust dat er nog maar weinig Vlamingen zijn met een lidkaart op zak. Ook is hun aantal gestadig achteruit aan het gaan. In 2004 hadden er 256.372 Vlamingen een lidkaart van een politieke partij. Zie hiervoor: Noppe J., Morfologie van de Vlaamse politieke partijen in 2003 en 2004. In: Res Publica, 47, 2005, 2-3, p.425.
32/ Cochez T., Vlaams Blok denkt proteststemmers uit bed te krijgen. In: De Morgen, 28 oktober 2004.
33/ De auteurs zijn allen lid van het Centrum voor Lokale Politiek (CLP), dat zich toespitst op wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en dienstverlening rond lokale politiek.

opkomstplicht - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 2 (februari), pagina 35 tot 44