Abonneer Log in

Een pleidooi voor een ander perspectief

Politiek en media

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 30 tot 37

In het publieke debat rond de maatschappelijke rol van de media staat de verhouding tussen media en politiek vaak zeer centraal. Dit hoeft uiteraard niet te verwonderen: dat media en politiek zeer veel met elkaar te maken hebben is een evidentie waarover iedereen het eens is. Maar hoe deze relatie nu precies moet worden beschouwd, daarover lopen de meningen behoorlijk uiteen.

POLITIEK EN MEDIA

Neutraliteit is: iedereen even hard aanpakken
Jan de Zutter
Het gevaar van opportunisme en cynisme onder één stolp
Els Van Weert
Pers en politiek: samen verantwoordelijk voor de maatschappij van morgen
Ludwig Vandenhove
De politiek uitgeperst?
Walter Pauli
De politiek van de journalistiek: correct en kritisch informeren
Pol Deltour
Een pleidooi voor een ander perspectief
Hans Verstraeten
Een gedepolitiseerde Raad van Bestuur voor de VRT
Pieter Vandenbroucke en Bart Caron

Deze bijdrage heeft zeker niet de bedoeling een totaaloverzicht te geven van deze problematiek. Wel worden hier een aantal stellingen op dat vlak naar voor gebracht en onderbouwd, in de hoop de discussie hierover verder te stimuleren door een enigszins ander perspectief aan te reiken.
Men moet maar even kijken naar de politieke actualiteit van de laatste paar jaar om al onmiddellijk te stuiten op een aantal topics en gebeurtenissen die telkens opnieuw de verhouding tussen media en politiek onder de publieke aandacht hebben gebracht. Ik noem er, zeer willekeurig gekozen en erg onvolledig, slechts enkele op.
° De berichtgeving over het privéleven van politici, met daarbij vooral de focus op hun gezins- en liefdesleven (cf. o.a. Wilfried Martens, Van Hecke, Patrick De Wael, Rik Daems).
° Het toenemend gebruik van communicatieadviseurs en spindoctors (cf. de rol van o.a. Noël Slangen, Wim Schamp).
° Het optreden van politici in spelprogramma’s en andere infotainmentprogramma’s (cf. het erg restrictieve standpunt van Geert Bourgeois).
° De polemiek tussen Tony Mary, topman van de VRT, en de Vlaamse politieke overheid rond de bevoegdheidsuitbreiding van de raad van bestuur van de openbare omroep.
° De toegenomen media-aandacht voor schandalen, zeker als daar politici bij betrokken zijn (cf. Agusta, de Antwerpse Visa-affaire en vele andere).
° Politieke beslissingen die in een versneld tempo worden genomen, nadat de media een aantal dramatische gebeurtenissen uitvoerig in het daglicht hebben gesteld (cf. het jeugdsanctierecht na de moord op Joe Van Holsbeeck, de wapenwetgeving na de moordpartij van Hans Van Themsche).
° Ministers die hun ontslag aanbieden nadat zware fouten van hun ondergeschikten in de media zijn gekomen.
° Het plaatsen van ‘Bekende Vlamingen’ op de verkiezingslijsten van politieke partijen.
° De rol van de populaire media op het vlak van politiek cynisme en apathie.

Elk van de bovengenoemde topics uit de Vlaamse politieke actualiteit zijn concrete illustraties van de verschillende vormen van kritiek die worden geuit vanuit het sociaalwetenschappelijk onderzoek van politicologen, sociologen en media-onderzoekers over deze problematiek, en niet alleen op nationaal maar vooral ook op internationaal niveau.

Twee observaties en enkele stellingen

In verband met deze kritiek die vanuit academische hoek wordt geformuleerd kunnen twee belangrijke vaststellingen worden gemaakt.

De politisering van de media

Eerst en vooral is er een verschuiving merkbaar: vroeger ging hierbij de aandacht vooral uit naar wat gemeenzaam de politisering van de media kan worden genoemd. Er werd vooral gewezen op de verschillende mechanismen waarlangs het politieke milieu invloed en controle kon uitoefenen op de media. De laatste twee decennia daarentegen is de aandacht vooral verschoven naar verschijnselen die veeleer te maken hebben met de mediatisering van de politiek: de mate waarin het functioneren van het politieke bedrijf meer en meer gestuurd wordt door wetmatigheden en mechanismen die eigen zijn aan de media. Ons willekeurig samengesteld topic-lijstje van hierboven vormt trouwens een mooie illustratie van deze verschuiving. Van de acht vermelde topics is er slechts één die zich op het domein bevindt van de ‘politisering van de media’ (met name de controverse Tony Mary versus de Vlaamse politieke overheid). De zeven andere cases hebben allemaal te maken met de ‘mediatisering van de politiek’. Maar opgelet: dit wil nog niet meteen zeggen dat de ‘politisering van de media’ volledig naar de achtergrond is verdwenen. De stelling die ik op dit vlak wens te poneren is dan ook dat de politisering van de media nog altijd een belangrijke issue is, maar deze doet zich vandaag de dag wel in een andere vorm voor. Vroeger deed deze politisering zich vooral voor onder de vorm van voluntaristische, zeer doelbewust geplande pogingen van politici om de inhoud van de berichtgeving in een voor hen gunstige richting te sturen. Vandaag de dag is hiervan inderdaad veel minder sprake. Vandaar dan ook dat de uitlating van Tony Mary als zouden de politici terug de inhoud van het tv-journaal willen bepalen nogal outdated overkomt en hem niet bepaald een sterke positie oplevert in zijn polemiek met de Vlaamse overheid. Dit neemt echter niet weg dat er nog steeds een politisering van de media gaande is die vooral structureel van aard is. Het zijn nog steeds de politici en officiële instanties die, omwille van het feit dat ze heel vaak de belangrijkste nieuwsbron zijn, nog altijd een grote invloed hebben in het vastleggen van de onderwerpen en de discussieframes voor de politieke verslaggeving. Een voorbeeld: enige jaren geleden was er heel wat te doen over de nieuwe politieke cultuur (NPC). Naderhand werd vaak beweerd dat de opkomst van dit politiek verschijnsel vooral te wijten was aan de media: de NPC zou eigenlijk voornamelijk door politieke journalisten gecreëerd zijn. Niks is minder waar. Het waren in die periode voornamelijk een aantal politici die deze term tijdens interviews voortdurend in de mond namen. Het waren bovendien een aantal politici, en nog niet van de minste, die toen een commissie met de benaming ‘nieuwe politieke cultuur’ in het leven hadden geroepen. Het waren dus vooral politici die NPC als onderwerp naar voor hebben geschoven en ook het frame hebben vastgelegd van hoe dit verschijnsel moest worden gepercipieerd (nl. als iets dat we dringend moeten realiseren, willen we de kloof met de burger zo snel mogelijk dichten). Het waren daarenboven ook politici die enige tijd later het frame rond NPC hebben gewijzigd (vrij snel werd datzelfde verschijnsel dan voorgesteld als iets dat eigenlijk toch behoorlijk overroepen werd). Maar inderdaad: er hebben zich zeker een aantal gevallen voorgedaan waarbij de media de politieke agenda hebben bepaald. Heel wat politieke schandalen uit het recente verleden werden niet door politici, maar wel door journalisten onder de publieke aandacht gebracht. Maar dergelijke gevallen zijn eerder uitzondering. En zoals het zeer vaak gebeurt: het zijn precies de uitzonderingen die doorgaans zeer veel aandacht krijgen en daardoor de aandacht afleiden van de gewone regel.

Het verval van de publieke sfeer

Tweede vaststelling: het merendeel van het academisch onderzoek rond media en politiek legt vooral de klemtoon op de negatieve implicaties die de media hebben op het politieke gebeuren: de snelle, oppervlakkige en vaak sterk emotioneel gerichte mediaberichtgeving die een diepgaande en rationele politieke analyse in de weg staat, de spindoctors die de kiezers eerder manipuleren dan informeren, het veelvuldig soap-kijken dat leidt tot politieke onverschilligheid, enz. Telkens wordt hierbij de problematiek media-politiek vanuit een vaak eenzijdig disabling perspective benaderd. Bovendien zijn deze studies vrijwel altijd, zij het niet expliciet dan toch zeker wel impliciet, vervat in een ‘discours van het verval’. Vooral geïnspireerd door de benadering van Jürgen Habermas over het verval van de publieke sfeer, neemt men doorgaans aan dat de situatie vroeger een stuk beter was. Vroeger zou er in de pers meer ruimte geweest zijn voor lange, diepgravende artikels zodat politici minder genoodzaakt waren om korte en krachtige oneliners te gebruiken. Kortom: vroeger was de publieke sfeer van die aard dat er meer mogelijkheden waren voor een ernstig maatschappelijk debat, vandaag de dag ligt dat een stuk moeilijker o.a. als gevolg van de commercialisering van de media. Mijn stelling op dit vlak is duidelijk: een dergelijk discours van het verval is volkomen onjuist en bovendien in de meeste gevallen ook vals en hypocriet. De veronderstelling dat er in een vorige periode (en wanneer precies was dat dan wel?) een meer ontwikkelde publieke sfeer was en een grondiger politiek debat in de media kon worden gevoerd, is enkel en alleen gebaseerd op een overmatig geïdealiseerde voorstelling van dat verleden. Of is men dan vergeten dat in de jaren 1960 en 1970 de editorialen in kranten veelal geschreven werden door journalisten die zeer nauw gelieerd waren met een politieke partij en in een aantal gevallen zelfs door de politici zelf (Jos van Eynde voor de socialisten en Frans Grootjans voor de liberalen)? En dat televisiejournalisten niet veel meer konden doen dan de microfoon onder de neus van politici houden en bij een eventuele ‘kritische’ vraag onmiddellijk met ‘geen commentaar’ werden afgesnauwd (cf. Gaston Eyskens). Niet alleen de politiek, ook het bedrijfsleven en de grote adverteerders schrokken er in die periode helemaal niet voor terug om rechtstreeks de hoofdredacteur te contacteren om de nodige druk uit te oefenen.1 Kortom: het is ongetwijfeld zo dat de kwaliteit van de politieke berichtgeving in onze media, in vergelijking met de situatie van 30 of 40 jaar geleden, er onmiskenbaar op vooruit is gegaan. Politieke journalisten, die in hun verdediging tegen de kritiek op de kwaliteit van hun berichtgeving daarop wijzen, hebben op dat punt inderdaad volkomen gelijk. En het lijkt me van wezenlijk belang dat ook vanuit academische hoek in de analyses over deze problematiek eerst gewezen wordt op de vooruitgang die er de voorbije decennia geboekt is. Daardoor zou eindelijk ook eens wat aandacht gaan naar het enabling perspective. Het kan wel eens nuttig zijn om de veel besproken problematiek rond de toename van spindoctors en politieke communicatieadviseurs in dat enabling perspective te zetten. Want ook dat moet hoogstnodig in een tijdsperspectief worden gezet: de benaming spindoctor kan dan wel eerder recent zijn, het verschijnsel op zich is helemaal niet nieuw. Of denkt men nu echt dat iemand als Gaston Eyskens in zijn kabinet (dat toen nog veel talrijker bevolkt was dan de huidige kabinetten) niet over de nodige adviseurs beschikte om hem duidelijk te maken wanneer hij best ‘geen commentaar’ zei of wanneer niet? Natuurlijk had hij die, maar vrijwel niemand kende hun namen. De adviseurs van toen opereerden volledig achter de schermen van de openbaarheid. Vandaag de dag daarentegen zorgen vooral de media ervoor dat de activiteiten van de spindoctors een hoge mate van visibiliteit hebben. Sommige spindoctors (cf. Noël Slangen) komen bij wijze van spreken evenveel in de media als de politici voor wie ze ingehuurd zijn. Zeer regelmatig geven ze in interviews in kranten of op televisie trouwens tekst en uitleg over hun communicatiestrategieën. Terwijl vroeger de adviseurs voornamelijk in de anonimiteit werkten, gebeurt dat nu niet alleen op een meer professionele wijze, maar vooral ook met veel meer transparantie tegenover de kiezer. Dus: ook op dit vlak weinig reden om te stellen dat het vroeger zoveel beter was.

De metafoor van de kleuterklas

Maar dit betekent natuurlijk niet dat er nu geen problemen zouden zijn met de relatie tussen media en politiek. Integendeel, heel wat van de kritiek op de politieke verslaggeving als een ‘horse race’-berichtgeving is volkomen terecht. In dit verband wens ik dan ook een tweede stelling ter discussie naar voor te brengen: de kwaliteit van de politieke berichtgeving is recht evenredig met de kwaliteit van ons democratisch bestel: beiden zitten momenteel op het niveau van de kleuterklas. En voor alle duidelijkheid: deze stelling spreekt zich helemaal niet denigrerend uit over het niveau van de politieke berichtgeving en ons democratisch bestel. Het tegendeel is zelfs waar. In deze stelling wordt niet toevallig de metafoor van de ‘kleuterklas’ gehanteerd. Deze metafoor is daarentegen zeer doelbewust gekozen. Elke ontwikkelingspsycholoog zal ons onmiddellijk ervan overtuigen dat de evolutie van baby tot kleuter voor elk kind van wezenlijk belang is. Deze evolutie vraagt bovendien van het kind een inzet en een capaciteit tot informatieverwerking die veel hoger ligt dan de verwerkingscapaciteit die een universiteitsstudent moet opbrengen. Vandaar: bovengenoemde stelling is geenszins gebaseerd op een denigrerend misprijzen, maar integendeel op heel veel respect, waardering en dankbaarheid voor de inzet en strijd van de sociale bewegingen van de vorige generaties in het tot stand brengen van ons huidig democratisch bestel. Maar, laten we nog even de analogie met die metafoor aanhouden: diezelfde ontwikkelingspsychologen zullen ons ook meteen waarschuwen indien een kleuter van 3 of 4 jaar van zichzelf zou beweren dat hij reeds een volwassene is. Je mag er van op aan dat zo’n kleuter in zijn verdere ontwikkeling een uiterst zwaar ‘probleemkind’ zal worden. En dat is precies wat er zeer regelmatig gebeurt: in debatten en analyses over democratie wordt regelmatig gesteld dat wij (zeker hier in het Westen) in een volwassen en rijpe democratie leven. En meestal wordt hierop zeer instemmend gereageerd. Precies daarom dat ik de bovengenoemde stelling op een nogal provocatieve wijze wil naar voor schuiven. Doen wij niet in hoge mate aan collectieve overschatting door te beweren dat we in een volwassen democratie leven? Zijn wij al gerechtigd om ons politiek bestel een rijpe democratie te noemen als er vandaag de dag nog vrouwen leven (weliswaar van een hoge leeftijd) die op het moment dat ze 20 jaar waren niets eens stemrecht hadden? Om over het migrantenstemrecht nog maar te zwijgen. En hoe is het momenteel gesteld met de doorstromingskansen naar het universitair onderwijs van kinderen van laaggeschoolde ouders? Volwassen democratie? Zouden we niet beter een toontje lager zingen en blij zijn met de kleuterdemocratie die we gerealiseerd hebben?
En dat dit kleuterniveau ook afstraalt op de kwaliteit van de politieke verslaggeving is onvermijdelijk. Dit betekent helemaal niet dat politieke journalisten hun job niet naar behoren zouden doen. Een politieke verslaggeving kan immers pas zo goed zijn als het politieke systeem zelf toestaat. Dit is de evidentie zelf. In een dictatoriaal regime is er van een ernstige politieke verslaggeving nauwelijks sprake. In een democratisch bestel daarentegen is een kwalitatieve ontplooiing van politieke verslaggeving wel mogelijk, maar wel op een niveau dat overeenstemt met het democratisch gehalte van dat politiek systeem. M.a.w. verwachten dat er in een kleuterdemocratie zich een volwassen politieke verslaggeving zou ontwikkelen is een contradictio in terminis.

Media en politiek cynisme

De voorbije jaren werden zowel op nationaal als op internationaal vlak nogal wat studies verricht door sociologen en politicologen, waarin gezocht werd naar een verband tussen het mediagedrag en de antidemocratische politieke houdingen. Deze studies zijn wetenschappelijk zeker erg waardevol. Een wetenschappelijke studie bestaat echter nooit enkel op zichzelf. Na enige tijd beginnen dergelijke studies ook deel uit te maken van een maatschappelijk discours over media en politieke houdingen. En vooral hier rijst het probleem.
Bovengenoemde studies brengen heel wat statistische correlaties aan de oppervlakte tussen bepaalde vormen van mediagedrag (bijv. veelvuldig kijken naar soaps, naar commerciële zenders) en bepaalde houdingen (politieke apathie, gevoelens van onveiligheid, politieke stemgedrag). Deze onderzoeksresultaten zijn zeker interessant indien men een soort van profielschets wil maken van de kiezers voor extreemrechtse partijen (welke waarden houden deze er op na?). In het maatschappelijk debat worden deze studies echter niet daarvoor gebruikt, maar wèl om een rechtstreeks oorzakelijk verband te leggen tussen bijv. veel naar soaps kijken en het ontstaan van politieke apathie. Hoewel in de meeste onderzoeksrapporten zeer expliciet vermeld wordt dat men over onvoldoende gegevens beschikt om over een aantoonbaar oorzakelijk verband te kunnen spreken, staat vooral dat oorzakelijk verband centraal in het maatschappelijk debat. Of: hoe degelijke wetenschappelijke studies, eens ze in de publieke ruimte komen, zeer vaak gebruikt worden voor doeleinden waar deze studies eigenlijk niet voor geschikt zijn. Vooral dit doet een aantal belangrijke vragen rijzen.
Eerst en vooral: hoe zou het eigenlijk precies gesteld zijn met die politieke apathie, politiek cynisme of dat gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid van de modale burger? Is dat een maatschappelijk probleem dat zich vandaag de dag in ergere mate voordoet dan pakweg 50 jaar geleden? Ook deze studies zijn zeer vaak doordrongen van het discours van het verval. De aanhangers van een dergelijk discours wil ik dan ook confronteren met volgende stelling: indien men de meetinstrumenten, waarmee men vandaag de politieke apathie probeert te meten, begin jaren zestig op de burger had losgelaten, zou dit minstens een even erg plaatje hebben opgeleverd (en wie weet: wellicht zelfs nog veel erger). Hiermee wil ik het probleem van de politiek apathische burger zeker niet ontkennen, noch minimaliseren, maar wel in een totaal andere context plaatsen. Ik wil daar ook onmiddellijk een volgende stelling aan toevoegen: politieke apathie of cynisme is geen probleem dat door het veelvuldig kijken naar soaps of infotainment veroorzaakt wordt. De oorzaak daarvan moet op de eerste plaats worden gezocht in de specifieke mechanismen van het politieke systeem zelf. Ons politiek systeem, de representatieve democratie (een rechtstreekse uitloper van de 19de eeuwse liberale ideologie), is altijd al gebaseerd geweest op de niet-actieve burger die zijn politieke macht afstaat aan diegenen die hij/zij verkozen heeft. De enige politieke activiteit die van de burger verwacht werd bestond erin dat hij om de zoveel jaar in het stemhokje zijn stem gaf aan een politieke partij. Verdere vormen van politieke participatie door de burger werden door de gevestigde partijen in het verleden nooit gestimuleerd en zeker niet op prijs gesteld. Nogmaals: hiermee wil ik geenszins afbreuk doen aan de zeer wezenlijke historische verdiensten van diezelfde representatieve democratie. Maar die representatieve democratie heeft tegelijk ook altijd de niet-actieve, maatschappelijk weinig betrokken burger als wezenskenmerk gehad en ligt als dusdanig aan de basis van het politiek cynisme. En ook dat mag wel eens worden gezegd. De politieke apathie van de burger wordt wellicht nog meer in de hand gewerkt door een ander kenmerk van het politieke systeem. De laatste decennia zijn de politieke partijen, in hun strijd om een plaats te bemachtigen in het politieke centrum, meer en meer naar elkaar toe gegroeid. Voor de burger wordt het daardoor als maar moeilijker om de inhoudelijke verschillen te kunnen waarnemen (alle partijen zijn voorstander van de vrije markt, alle partijen plaatsen onveiligheid vooraan op de politieke agenda, ze tonen zich allemaal bezorgd om het milieu). Is het dan zo eigenaardig dat dit bij de burger een ‘wat maakt het uit’-gevoel doet ontstaan? M.a.w.: de bovengenoemde kenmerken van het politieke systeem zelf vormen een veel belangrijkere voedingsbodem voor politiek cynisme dan het veelvuldig kijken naar Thuis of Familie. Door het maatschappelijk debat toe te spitsen op de rol van de media, wordt de aandacht afgeleid van de werkelijke oorzaken van het politiek cynisme.
Daarenboven zijn er precies in verband met het mediagedrag van de modale burger een aantal elementaire gegevens beschikbaar die het veronderstelde politiek cynisme in een behoorlijk ander daglicht stellen. In het debat rond media en politiek cynisme baseert men zich zeer vaak op het kijkgedrag i.v.m. amusementsprogramma’s (de hoge kijkcijfers voor de dagelijkse soap, bijv.). Dat diezelfde kijker in even grote mate naar informatieve programma’s kijkt, wordt daarbij vaak over het hoofd gezien. Dit blijkt uit een aantal basisgegevens, die publiek toegankelijk zijn en waarvoor dus geen dure enquêtes nodig zijn.
Sedert 1999 haalt de VRT met zijn informatieprograma’s een dagelijks bereik van 1,5 miljoen kijkers. De commerciële zender VTM haalde in de periode januari-april 2002 dagelijks een gemiddeld bereik van 750.000 kijkers (cijfer ter beschikking gesteld door de VTM-researchafdeling). Bij benadering kunnen we dus stellen dat in Vlaanderen dagelijks zo’n 2,2 miljoen kijkers naar een informatief programma kijken (hierbij is dan nog geen rekening gehouden met de kijkers voor de wekelijkse duidingsprogramma’s). Verder onderzoek is hierbij zeker nodig (ook met eventuele dubbeltellingen is hier nog geen rekenig gehouden), maar de kans is zeer groot dat geen enkele andere programmacategorie uit het amusementsaanbod zo’n bereikcijfers weet te realiseren. Hierbij is dan uiteraard nog geen rekening gehouden met de dagelijkse dagbladlezer. Volgens gegevens van het CIM zouden er in Vlaanderen in 2001 gemiddeld zo’n 2,8 miljoen mensen dagelijks een krant lezen. Toegegeven, met deze CIM-cijfers moet men zeer voorzichtig omspringen, aangezien ze een erg ruime definitie van ‘dagbladlezer’ hanteren. Hoe rudimentair deze cijfers ook zijn, ze schetsen duidelijk toch wel een ander beeld van de modale mediagebruiker. Het mag dan wel zo zijn dat er dagelijks zo’n 700.000 à 800.000 mensen naar een soap kijken, dit neemt niet weg dat er dagelijks vaak evenveel mensen naar de tv-journaals van 19uur kijken (zie hiervoor de wekelijkse top 20 van meest bekeken programma’s, te raadplegen op http://www.audimetrie.be). Uiteraard staan in deze top 20 de tv-journaals, noch van VTM noch van VRT, vrijwel nooit op de eerste plaats. Dat kan ook moeilijk anders. Iedere week zijn er wel een paar programma’s die in die bewuste week een hoger bereik halen. Maar dat zijn dan wel ontspanningsprogramma’s die helemaal geen dagdagelijkse frequentie hebben en in heel wat gevallen zelfs bijna eenmalige uitzendingen zijn (bijv. een belangrijke voetbalwedstrijd, Eurovisie songfestival, finale Big Brother, e.d.). Een van de weinige programmacategorieën waarmee men een tv-journaal, omwille van zijn dagelijkse frequentie, kan vergelijken zijn precies de soaps, die eveneens een bijna dagelijkse frequentie hebben. En wat blijkt: in de wekelijkse top 20 scoren beide programmacategorieën meestal ex aequo of met kleine verschillen.
Het feit dat zo’n 2,2 miljoen Vlamingen dagelijks naar een informatief programma op televisie kijken, sluit natuurlijk niet uit dat er daarnaast een belangrijk segment van tv-kijkers zou bestaan die vrijwel nooit naar het journaal kijkt en de kijktijd voornamelijk zou besteden aan soaps en aanverwante programma’s. Uit cijfers van de VRT-studiedienst blijkt echter dat er vrijwel geen kijkers zijn die uitsluitend naar soaps kijken. Kijkers die veel naar soaps kijken zijn veelal mensen die gewoon veel naar televisie kijken, dus ook naar andere programma’s. Interessant met betrekking tot onze problematiek: de trouwe soapkijker kijkt ook zeer regelmatig naar het televisiejournaal van de desbetreffende zender. Meer nog: de trouwe soapkijkers kijken zelfs méér dan de modale kijker naar het tv-journaal (wat precies te verklaren valt door het feit dat trouwe soapkijkers inderdaad tot de zogenaamde veelkijkers behoren).2
Dit alles geeft aan dat er nogal wat elementen zijn die het mogelijk maken om de problematiek rond media en politieke apathie zelfs helemaal om te draaien. Uitgaande van de vaststelling dat de burgers reeds decennia lang in een politiek-maatschappelijk systeem leven dat er vooral op gericht was om de burger zo passief mogelijk te maken en te houden, kunnen we stellen dat het regelmatig volgen van nieuwsprogramma’s voor de burger nauwelijks enige maatschappelijke pragmatische waarde heeft. Door dagelijks naar het televisiejournaal te kijken kan de burger zich wel informeren over het maatschappelijk gebeuren, maar het geeft hem nauwelijks middelen in handen om aan zijn maatschappelijke situatie of die van zijn medeburgers daadwerkelijk iets te doen. M.a.w.: omwille van de zeer beperkte participatiemogelijkheden die het politiek systeem aan de burgers biedt, hebben diezelfde burgers nauwelijks mogelijkheden om nieuws als een actieve resource te gebruiken. En toch stellen we vast dat televisienieuws in vrijwel alle landen tot de drukst bekeken programmagenres hoort. Verschillende mediaonderzoekers hebben in het verleden reeds op dit spanningsveld gewezen. Het feit dat in Vlaanderen dagelijks zo’n 2,2 miljoen kijkers naar een informatief programma kijken, terwijl de daar aangeboden informatie voor de kijker nauwelijks enig pragmatisch nut heeft, zegt dus eigenlijk veel meer over de belangrijke mate van maatschappelijke betrokkenheid van de kijker, dan dat de gegevens over het veel kijken naar soaps iets zouden zeggen over de politieke apathie van de burger.
Bovendien moet men zich dringend eens de vraag stellen wat het maatschappelijk nut ervan is om in het openbaar debat een oorzakelijk verband te suggereren tussen het veel kijken naar soaps en het ontwikkelen van een antidemocratische houding, terwijl daar geen enkel sluitend bewijs voor kan worden aangedragen. Het enige wat hiermee bereikt wordt is dat daardoor de modale soapkijker (en die zijn inderdaad met heel veel) in het openbaar geculpabiliseerd en gestigmatiseerd wordt. En het is toch genoegzaam bekend welke gevaren verbonden kunnen zijn aan het ten onrechte stigmatiseren van een bevolkingsgroep. Ooit al eens aan gedacht dat een deel van de trouwe soapkijkers zou kunnen reageren in de zin van ‘als men mij, omwille van mijn veelvuldig kijken naar Familie of Thuis, in het openbaar als een antidemocraat afschildert, goed dan, dan zal ik mij bij de volgende verkiezingen inderdaad ook als dusdanig gedragen.’ Of hoe men door bepaalde uitspraken over mensen te doen, een bepaald gedrag bij die mensen kan oproepen. Ik ben er vast van overtuigd dat dit zeker niet de bedoeling is van diegenen die het bovengenoemde debat in dergelijke termen voeren. Maar laat ons hopen dat dat er zeker niet het resultaat van zal zijn.

Hans Verstraeten
Vakgroep communicatiewetenschappen - UGent

Noten
1/ Voor meer concreet feitenmateriaal hierover verwijs ik graag naar een (weliswaar oud) boekje van mij: Pers en Macht. Een dossier over de geschreven pers in België, Kritak, Leuven, 1980. Hier en daar in een bibliotheek nog wel te vinden.
2/ Voor een meer cijfermatige uitwerking hiervan verwijs ik naar Verstraeten H., Media, burgerschap en nieuws. Op zoek naar een andere benadering van de relatie tussen media en politiek, in Biltereyst D., Peeren Y. (eds.), 2003, Nieuws, democratie en burgerschap. Onderzoek over hedendaagse nieuwsmedia. Academia Press, Gent, blz. 7-26.

pers - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 30 tot 37