Abonneer Log in

Flexibel hoger onderwijs, flexibele onderwijskansen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 54 tot 57

Gaat de flexibilisering van het hoger onderwijs ten koste van de zwakkeren?

De flexibilisering van het Vlaamse hoger onderwijs heeft als doelstelling dat de opleidingen in de hogescholen en universiteiten niet langer per definitie voorbehouden zijn aan voltijdse studenten tussen 18 en gemiddeld 22 jaar, die bovendien bij voorkeur een ASO-diploma hebben. Door deze hervorming kunnen opleidingen meer variëren in de tijd, en staan ze open voor mensen van diverse leeftijden en achtergronden.
De vraag is of een dergelijke toegenomen flexibiliteit niet ten koste gaat van de mensen die maatschappelijk ongelijke kansen hebben. Want als we zien dat ergens bepaalde sectoren of processen flexibeler worden gemaakt, dan stoot dat op verzet van de zwakkere partij, die de flexibiliteit als een bedreiging ervaart. Is dat ook in het hoger onderwijs het geval?
Daarvoor moeten we heel even stilstaan bij het doel van onderwijs. Ik denk dat we het erover eens kunnen zijn dat zijn doel meer is dan kennis en vaardigheden door te geven. Het onderwijs is de springplank bij uitstek in het leven van velen - of kán dat zijn, op zijn minst.
Springplank in de zin van: creëren van kansen. Zonder overdreven deterministisch te doen, kunnen we toch stellen dat de kansen die we in de samenleving krijgen, voor het grootste deel bepaald worden door onze afkomst, namelijk: in welk gezin worden we geboren?
Niet alleen de lagere en secundaire scholen hebben de opdracht om die voorbestemdheid te keren. De hogescholen en universiteiten durven zich weg te steken achter de stelling dat zij toch vooral bezig moeten zijn met de kwaliteit van hun onderwijs - waarmee ze zich bezondigen aan het perfide cliché dat een taak als sociale springplank niet verenigbaar is met de vraag van de studenten naar hoge kwaliteit.
De vooroordelen over de sociale opdracht van het hoger onderwijs zijn wel aan het afbladderen. Dit academiejaar is aan veel instellingen geopend met goede voornemens over diversiteit en gelijke kansen. De socialistische minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke, zet zijn volledige beleid ook in op gelijke onderwijskansen.
Binnen de universiteiten en hogescholen zijn intussen veel geesten rijp om de sociale functie van het hoger onderwijs ernstig te nemen. De idee dat het volstaat om de toegang tot de instellingen voor iedereen open te stellen, is verlaten. Er worden intentieverklaringen getekend, en speciale acties aangekondigd om de gelijke onderwijskansen te realiseren.
Helpt de flexibilisering het hoger onderwijs in die strijd? Of, integendeel, belemmert ze de hogescholen en universiteiten om haar sociale taak op te nemen?
Het idee achter de flexibilisering is dat studenten niet meer ingedeeld worden in ’jaren’. De student is een individu dat credits sprokkelt - het liefst over heel Europa. En met de stukjes kennis die hij op verschillende plaatsen opdoet, stelt hij zelf een leertraject samen. Wanner hij een bepaald niveau van credits heeft verzameld, krijgt hij zijn diploma. Niet alleen de inhoud kan de student zo op maat uittekenen, ook het tempo van zijn studies. Daardoor kan een student, als hij dat wil, zijn studies beter combineren met bijvoorbeeld een job.
Voorlopig merken de meeste studenten relatief weinig van die toegenomen flexibiliteit. De Vlaamse hogescholen en universiteiten hebben de idee van studietrajecten op maat wel ingevoerd, maar ze bieden hun studenten een modelprogramma aan. Met andere woorden: iedereen is vrij, maar het wordt de studenten toch voorgesteld het ene traject dat de instelling speciaal heeft samengesteld, te volgen. Dat is niet negatief bedoeld, het is normaal dat er een overgangsregeling is.
Deze flexibilisering van het hoger onderwijs is nog in volle overgang. Maar vertoont ze al dezelfde patronen als de invoering van flexibiliteit in andere sectoren?
Want wanneer iets flexibel wordt gemaakt, dan komt er vaak een stroom van protest. De zwakste partij in de sector voelt zich nog meer verzwakken. Dat was bijvoorbeeld het geval in Frankrijk. Franse jongeren zijn massaal op straat gekomen om tegen de nieuwe arbeidswetgeving te protesteren. Die moest de werkgevers toelaten om soepeler jongeren aan te werven. Maar tegelijk liet de nieuwe maatregel ze toe om de jongeren soepeler te ontslaan. Als ze niet langer dan twee jaar in dienst zouden zijn, dan konden ze zo op straat worden gezet. Vooraleer ze het plan afvoerde, beriep de Franse regering zich op de flexibiliteit, om de jongerenwerkloosheid aan te pakken. De betogende studenten, die als toekomstige werknemer in een zwakkere positie zitten tegenover de werkgevers, protesteerden tegen deze flexibiliteit. Ze hadden namelijk het gevoel dat de nieuwe maatregel hen nog zwakker maakte.
Deze reflex duikt steeds op wanneer een proces of verhouding flexibel wordt gemaakt. Hetzelfde gebeurt wanneer er bijvoorbeeld gepleit wordt voor de flexibiliteit van het arbeidsproces. Hoewel dat globaal meer arbeid oplevert, komt daartegen protest van de zwakste partij, de werknemers. Want afstappen van het stelsel van de ‘gewone’ job, van ’s ochtends tot ’s avonds, met duidelijk afgelijnde taken, verhoogt de onzekerheid. Een job op wisselende uren, in een wisselend stelsel, met veranderende taken: de zwakkere voelt zich daardoor nog zwakker worden.
Ook andere vormen van flexibiliteit stoten op het verzet van de zwakkere. Bijvoorbeeld de flexibele openingstijden van winkels. Kleine handelaars protesteren daartegen omdat zij het niet kunnen bolwerken om tot ’s avonds laat de concurrentie met de warenhuizen aan te gaan.
Hetzelfde gebeurt macro-economisch. De wereldhandel wordt steeds flexibeler georganiseerd. Daartegen kwamen de antiglobalisten in opstand, in de naam van de zwakste landen.
En hoe zit het in het hoger onderwijs? Hier is de zwakkere partij de student. En vooral dan de student die het maatschappelijk met minder kansen moet doen. Speelt de flexibilisering van het hoger onderwijs in de kaart van de opdracht om ongelijke kansen om te buigen?
Om te beginnen zorgt de flexibilisering ervoor dat studenten hun studies beter kunnen combineren met een job of andere bezigheden. Ze kunnen hun vakken gemakkelijk spreiden, zodat ze er hun bron van inkomsten niet hoeven voor op te geven. Wie bijvoorbeeld afwisselend een halfjaar voltijds wil werken en een halfjaar voltijds studeren, kan dat dankzij de flexibilisering heel gemakkelijk doen.
Studentenvertegenwoordigers beweren dat dit meer nadelen dan voordelen heeft. Want daardoor verliezen de ‘gewone’ studenten hun houvast, en opent dit alleen maar voor een beperkt publiek de deuren. Dat klopt niet. Dat publiek is nu inderdaad beperkt, maar dat komt ook omdat het levenslang leren niet echt wordt aangemoedigd. Als het aanbod wordt verbeterd, dan zal ongetwijfeld ook de vraag stijgen.
Het publiek dat voor een combinatie van leren en werken in aanmerking komt, plukt de vruchten van de flexibiliteit. Vaak gaat het daarbij om sociaal zwakkeren, die daardoor een tweede (of eerste) kans krijgen. En degenen die een ‘gewoon’ traject willen afleggen, kunnen dat nog steeds evengoed. Al vergt dat wel een zekere rijpheid bij deze ‘gewone’ studenten. Want je hebt je studieloopbaan meer dan vroeger in eigen handen. Als de spreiding van de vakken bovendien de mensen helpt om aan een diploma te geraken, dat ze anders niet zouden halen, hoe zou je daar als student kunnen tegen zijn?
De EVC/EVK-procedure sluit daarbij aan (Eerder Verworven Competenties en Eerder Verworven Kwalificaties). Dankzij de flexibilisering kunnen studenten hun werk- en andere ervaringen inbrengen, en ook opleidingen die ze vroeger hebben gevolgd voorleggen om voor bepaalde opleidingsonderdelen een vrijstelling te krijgen. Wie bijvoorbeeld al als IT-medewerker op de helpdesk van een bedrijf heeft gewerkt, krijgt vrijstellingen als hij aan de studies informatica begint.
Waar de grenzen van die procedure zullen liggen, hangt nog wat af van de eerste goedkeuringen. Maar het is wel duidelijk dat deze procedure ideaal is voor mensen die in hun jeugd de kansen hebben gemist om hogere studies te doen. Op papier althans. Nu alleen hopen dat de concrete dossiers dat ook in de praktijk zullen waarmaken.
De schakelprogramma’s lijken mij een cruciaal onderdeel van de hele flexibilisering. Wie nu bijvoorbeeld een professionele bachelor doet, zou in principe relatief eenvoudig naar een mastersopleiding moeten kunnen doorstromen. Bijvoorbeeld een maatschappelijk assistent zou via een schakelprogramma, dat één jaar duurt, kunnen aansluiten bij de master politieke en sociale wetenschappen.
'Eenvoudig' betekent niet dat het gemakkelijk is of moet zijn. Wel is het op die manier duidelijk wat er van de professionele bachelor wordt verwacht om tot een gelijkaardige vooropleiding als de academische bachelors politieke en sociale wetenschappen te komen. Niet meer zoals nu, dat die studenten vooral aan hun lot zijn overgelaten, en zelf de docenten moeten aflopen om een beetje orde in hun studies te krijgen.
Vanuit de academische wereld is de vrees te horen dat die overgang niet té vlot mag verlopen. Want dat zou betekenen dat hun academische bachelors ‘maar’ op hetzelfde niveau staan als de professionele bachelors - ook studentenvertegenwoordigers zitten daar, sorry opnieuw, op deze lijn. Die koudwatervrees is voor een stuk ingegeven door de schrik dat de elitaire positie van de universiteit in het nieuwe hoger onderwijs wordt bedreigd door de hogescholen. Maar los daarvan, biedt de kwaliteitscontrole die er door de Bolognahervorming is gekomen, voldoende garanties voor het ‘niveau’ van de opleidingen, ook de universitaire. De opleidingen moeten uitgaan van hun eigen sterkte, en niet naar de anderen kijken om te weten waar ze staan in het onderwijslandschap. En de schakelprogramma’s moeten een eerlijke weergave zijn van wat van een student op dat niveau wordt verwacht. Het mag geen burcht rond de opleidingen vormen. De schakelprogramma’s zijn het perfecte verlengstuk van de professionele bachelors. Want die hebben de kracht om studenten aan te trekken die anders niet naar het hoger onderwijs doorstromen.
In de hervorming om de opleidingen beter in elkaar te doen schuiven, ontbreekt voorlopig nog één belangrijke schakel. Het hoger onderwijs voor sociale promotie staat op dit moment nogal ver van de BaMa-structuur, en dreigt er zelfs nog verder vanaf te drijven. Ik hoop dat dit niet het geval is. De discussie daarover is bezig, en gelukkig is een van de sporen om het tweedekansonderwijs te integreren in de globale structuur van het hoger onderwijs. Want nog meer dan de professionele bachelors komen via de centra voor volwassenenonderwijs mensen in het onderwijscircuit die kansen voor zichzelf willen creëren. Ik denk dat een integratie de beste optie is.
Daartegen rijzen bezwaren, met als argumenten de eigenheid en specificiteit van de centra voor volwassenenonderwijs en basiseducatie. Maar die bezwaren dreigen van het onderwijs voor sociale promotie alleen nog meer een aanhangsel te maken van de rest van het hoger onderwijs. Of zoals de Leuvense associatievoorzitter André Oosterlinck het zei: vanuit het onderwijs voor sociale promotie kunnen de studenten als een zalm opklimmen binnen het hoger onderwijs - het zalmprincipe als tegengestelde van het watervalsysteem.
Ook de internationalisering hoort bij de flexibilisering. Het hoger onderwijs speelt zich af in Europa - en zelfs daarbuiten. Aan studenten wordt, meer dan vroeger, de kans geboden om bepaalde opleidingsonderdelen in het buitenland te volgen. Het ideale scenario is dat elke student een overzicht heeft van alle opleidingsonderdelen in de hele Europese onderwijsruimte, met daarbij de kenmerken van de docenten met hun specialiteiten en de inhoudelijke accenten die ze leggen. Daaruit kiest hij wat hem het meest op het lijf is geschreven. Daarmee vult hij zijn rugzakje, dat het diploma vormt dat hem het meest op het lijf is geschreven.
Het klinkt geweldig. De huidige jongere, die door de evolutie globaal denkt en handelt, kan namelijk ook zijn studies globaal benaderen. Tot zover de theorie. En nu de praktijk: de huidige studentengeneratie wil niet naar het buitenland. Dat is natuurlijk zeer veralgemenend. Maar het is wel zo dat de huidige studentengeneratie vooral bezig is met het behalen van een goed diploma. Een buitenlandse uitwisseling dreigt die toekomst alleen maar in gevaar te brengen.
Aan de universiteiten is de stijging van het aantal studenten die met Erasmus/Socrates naar het buitenland gaan, gestopt. Deze generatie jongeren is een heel andere dan die van mei 1968. Niet beter of slechter, gewoon anders. Op zich is daar niets mis mee. De gedachten zijn vrij. Het is alleen een beetje vreemd dat jonge mensen verkiezen om onder de kerktoren te blijven. Want, laten we eerlijk zijn, een buitenlandse ervaring is verrijkend. Zelfs al heb je er, in het slechtste geval, inhoudelijk minder kennis opgedaan dan je medestudenten die zijn thuisgebleven, dan nog denk ik dat je studenten moet aanmoedigen om naar het buitenland te trekken. Al is het maar omdat de wereld daardoor kleiner wordt.
Daarom valt er misschien wel iets te zeggen voor het voorstel om studenten verplicht naar het buitenland te sturen. Het is ongetwijfeld een meerwaarde in de opleiding. En door de buitenlandse ervaring verplicht te maken, wordt het geen zaak van de elite. Want het loutere aanbod van buitenlandse programma’s dreigt vooral een zaak te worden van degenen die het kunnen betalen. Dat is in theorie even duur als studeren in Vlaanderen, maar velen denken van niet. Als iedereen het doet, dan valt dat vooroordeel misschien weg.
Deze verschillende onderdelen van de flexibilisering tonen aan dat een flexibel hoger onderwijs de maatschappelijk zwakste schakel - studenten met ongelijke onderwijskansen - ten goede komt. Of op zijn minst kán komen. Want de kansen liggen er, maar het is aan de hogescholen en universiteiten om die in de werkelijkheid om te zetten.
Tegelijk benadeelt deze hervorming het studentenpubliek dat nu het hoger onderwijs bevolkt, niet. Integendeel. Het hoger onderwijs wordt minder schools, waardoor de huidige studentengeneratie intellectueel meer wordt geprikkeld. De studenten worden aangesproken op hun individuele motivatie en ambities. De grenzen van dit kleine Vlaanderen worden opengegooid. De sky wordt nog meer de limit. Aan hen de keuze om die kansen te grijpen.

Pieter Lesaffer
Onderwijsspecialist van De Standaard

onderwijs - hoger onderwijs - gelijke kansen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 54 tot 57