Abonneer Log in

Assepoester en het schoentje

Winnaars en verliezers bij de verkiezingen van 8 oktober

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 9 (november), pagina 4 tot 13

De provincie- en gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006 brachten, afgaande op de meeste commentaren, enkel zegebulletins voort. Met uitzondering van het Vlaams Belang in Antwerpen, dat daar niet de door sommigen gevreesde zoveelste sprong voorwaarts maakte, leek het wel of er waren deze keer geen verliezers (desnoods gebruikte men de peilingen als referentiepunt). Nu het stof van het mediageweld wat is neergedaald, is het tijd voor een meer afstandelijke analyse. Wij proberen de verkiezingen van 2006, binnen het beperkte kader van deze bijdrage, te duiden in een breder perspectief dat de simpele zoektocht naar de rechtmatige eigenaar van Assepoesters muiltje overstijgt. Immers, de neiging bestaat zich te zeer te richten op nationale gemiddelden waardoor provinciale en lokale verschillen verdoezeld worden.

Nooit eerder konden de gemeente- en provincieraadsverkiezingen rekenen op zoveel media-aandacht als tijdens de laatste stembusgang.1 En ook na de verkiezingen besteedden zowel de geschreven pers als de audiovisuele en de digitale media veel aandacht aan de resultaten en de coalitievorming. En met recht! Voor het eerst organiseerden Vlaanderen, Wallonië en het Brusselse Gewest deze autonoom. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele nieuwe electorale spelregels in te voeren, al gaat het daarbij - rekening houdende met de oorspronkelijke ambities - toch maar om minimale wijzigingen. Bovendien is sinds de vorige lokale verkiezingen in 2000 de context van deze verkiezingen totaal gewijzigd. Niet alleen ziet het partijlandschap er helemaal anders uit, ook de timing van de verkiezingen viel anders. De vorige lokale verkiezingen vonden plaats na de doorbraak van paars bij de verkiezingen van 1999, terwijl de recentste stembusgang veeleer als een voorbode wordt beschouwd van de federale verkiezingen van volgend jaar. Over de nationalisatie van de lokale verkiezingen maar ook omgekeerd, over de impact van de lokale verkiezingen op de Vlaamse en federale verkiezingen, kan geredetwist worden. Men kan echter niet om de feiten heen: het Vlaams parlement besloot de week voor de verkiezingen niet te vergaderen omdat slechts vier van de 124 parlementsleden niet aan de verkiezingen deelnamen.2 Hoe dan ook, de hele context zorgde ervoor dat de onderlinge machtsverhoudingen tussen de deelnemende lijsten/partijen nu veel nadrukkelijker op het spel stonden. Daarom ook keken velen reikhalzend uit naar de resultaten. Dat bij het interpreteren van de verkiezingsuitslag vaak vergelijkingen worden gemaakt met andere verkiezingen is logisch. Het kan leiden tot verhelderende nieuwe inzichten. Toch moet het vergelijken van verkiezingen met de nodige omzichtigheid gebeuren. Wijzigingen in de maatschappelijke en sociaaleconomische context, het partijlandschap en het wettelijk kader worden al te vaak genegeerd. Vooraleer ons te focussen op de tendensen in de 308 Vlaamse gemeenten en de vijf Vlaamse provincies staan we dan ook even stil bij de vernieuwingen in het kiessysteem en de verschillen die ook nu nog blijven bestaan tussen de verkiezingen voor de politieke organen van de diverse overheidsniveaus.

De ene verkiezing is de andere niet. Over halfslachtige vernieuwingen en manke vergelijkingen

Zoals vermeld waren de verkiezingen van 8 oktober ll. belangrijk omdat de Vlaamse overheid deze voor het eerst organiseerde: een Vlaams Gemeentekiesdecreet verving de Belgische Gemeentekieswet, zij het dat de doorgevoerde wijzigingen eerder beperkt bleven.3
Toch hadden enkele nieuwe bepalingen wel degelijk een invloed op de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen. De belangrijkste wijzigingen betreffen de genderquota, de verdere neutralisering van de lijststem en het migrantenstemrecht.
Met de eerste maatregel beoogt men de traditionele ondervertegenwoordiging van vrouwen in de provinciale en lokale politiek te helpen wegwerken. De onevenwichtige sekseverhoudingen in het politieke landschap zijn een oud zeer. Vrouwen bekleedden tot op heden slechts om en bij de 30% van de provinciale en lokale bestuursmandaten. Een ondervertegenwoordiging die des te uitgesprokener wordt naarmate men opklimt in de bestuurlijke echelons.4 Het gebruik van geslachtsgebonden quota bij de kandidatenlijsten is uiteraard geen nieuw gegeven. Bij de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen van 2000 was de wet Smet-Tobback uit 1994 nog van toepassing. Die bepaalde dat hoogstens twee derde van alle kandidaten op de kieslijsten van hetzelfde geslacht mochten zijn.5 Die quotaregeling had ook duidelijk effect en resulteerde in een toename van het aantal vrouwelijke kandidaten (van 17,4% in 1991, via 22,1% in 1994 naar 32,1% in 2000). Bij de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen van 2006 ging men dus nog een stap verder. Niet alleen diende de helft van de kandidaten op de lijsten van een ander geslacht te zijn, bovendien mochten de eerste drie kandidaten niet van hetzelfde geslacht zijn.
Over de impact van de nieuwe quotaregeling op de samenstelling van de lokale politieke organen zal nog veel gediscussieerd worden. Het kiesdecreet regelt de toestroom van kandidaten naar geslacht en uiteraard niet de verkiezing zelf. Het decreet kon dan ook niet meteen een genderpariteit bij de effectief verkozenen garanderen. De cijfers illustreren dit: uiteindelijk bestaat juist één derde van de verkozen Vlaamse gemeenteraden uit dames (tegenover 27% in 2000). In de praktijk blijkt immers dat de electorale slagkracht van vrouwen nog altijd lager ligt dan bij mannen. Voorts geven de cijfers aan dat de Vlaamse provincieraden verhoudingsgewijs meer vrouwelijke verkozenen tellen (36,7% tegenover 29% in 2000). Allicht versterkt de grotere impact van de lijststem bij de provincieraadsverkiezngen het effect van de pariteitsregeling bij de kandidaatstelling (cf. infra). Bovendien is het geenszins zeker of de quotaregeling wel substantieel (en dus meer dan de nieuw opgelegde eis dat de colleges minstens een vrouw zullen tellen) meer vrouwelijke mandatarissen zal genereren in de uitvoerende politieke organen, in casu de schepencolleges en de deputaties.6 Tot slot lijkt de verbeterde doorstroming van vrouwen naar de gemeenteraden generatiegebonden te zijn: bij de groep gemeenteraadsleden niet ouder dan 25 jaar is zelfs bijna 63% vrouw. Die aanwezigheid daalt lineair met de leeftijd, om te eindigen bij 20% bij de zestigplussers.
Eén van de meest besproken wijzigingen voor de verkiezingen van 2006 betreft de vermindering van het devolutief effect van de lijststem. De kiezer heeft nog steeds de keuze tussen het uitbrengen van een lijststem of een voorkeurstem voor één of meerdere kandidaten. De lijststem is niet enkel belangrijk voor het bepalen van de krachtsverhoudingen tussen de politieke partijen maar speelt ook een rol bij het aanwijzen van de effectieve verkozenen, doordat de kandidaten een beroep kunnen doen op de verzameling lijststemmen om aan hun verkiesbaarheidscijfer te raken. Dit overdrachtelijk effect van de lijststem werd door het kiesdecreet tot één derde herleid (eerder was het al tot de helft herleid). In de praktijk moet het effect van de maatregel, zeker voor wat de gemeenteraadsverkiezingen betreft, genuanceerd worden. Het gebruik van de voorkeurstem weegt bij de gemeenteraadsverkiezingen traditioneel al sterker door op dat van de lijststem. Bij de provincieraadsverkiezingen wordt veel minder gebruik gemaakt van voorkeurstemmen, wat betekent dat het effect van de nieuwe maatregel, zoals aangehaald, daar dan ook groter is.
Tot en met de verkiezingen van 1994 mochten enkel onderdanen met de Belgische nationaliteit aan de stembusgang deelnemen. In uitvoering van een Europese richtlijn beschikten de onderdanen van andere Europese lidstaten bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 voor het eerst over de mogelijkheid deel te nemen aan de verkiezingen. In 2006 verkregen voor het eerst ook niet-Belgen afkomstig uit een land buiten de Europese Unie stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen. Het is bekend dat de discussie hierover voor heel wat verdeeldheid zorgde tussen en binnen de politieke partijen. Voor een analyse van de verkiezingsuitslag is het van belang dat het stemrecht voor niet-Belgen enkel geldt op het gemeentelijke niveau en niet bestaat voor de provincieraadsverkiezingen. Vergelijkingen van de twee verkiezingen worden daardoor bemoeilijkt.
De belangrijkste kiesregels (stemplicht, evenredige vertegenwoordiging) bleven voor de lokale verkiezingen van 2006 behouden. Dit impliceert ook het behoud van bestaande verschillen tussen de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen.
Zo wordt voor het omzetten van de stemverhoudingen in concrete zetels bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 het systeem Imperiali gebruikt terwijl dat bij alle andere verkiezingen, dus ook die voor de provincieraden, de methode D’Hondt is. Het systeem Imperiali bevordert de vorming van homogene meerderheden en heeft ook een gunstig effect op de grootste politieke formaties. De methode D’Hondt is proportioneler en daardoor ‘vriendelijker’ voor kleinere partijen. Wij sluiten ons in deze aan bij de kritiek van Dewachter en Wauters en betreuren dat hier geen uniformiteit werd nagestreefd bij het uittekenen van de electorale spelregels van beide lokale verkiezingen. Indien men de kiezer het recht gunt op duidelijkheid en transparantie, dan dient men bij gelijktijdige verkiezingen dezelfde, en niet verschillende, regels te hanteren.7

Alleen winnaars en geen verliezers?

De provincieraadsverkiezingen vormen in principe de beste graadmeter om nationale of Vlaamse trends na te gaan.8 Niet alleen wordt er bij deze verkiezingen meer ideologisch gestemd dan het geval is bij de gemeenteraadsverkiezingen, ook verkiezingstechnisch liggen vergelijkingen meer voor de hand (cf. systeem D’Hondt versus Imperiali).9 Overigens zijn verschuivingen tussen de partijen bij gemeenteraadsverkiezingen vrij beperkt in vergelijking met de verschuivingen bij parlementsverkiezingen.10 Bovendien werd tijdens de verkiezingen van 8 oktober 2006 de kartelformule in de provinciale kiesdistricten algemeen toegepast, terwijl dat in de gemeenten lang niet altijd het geval was.11
Vergelijkt men de resultaten van de provincieraadsverkiezingen van 2006 met deze van 2000, dan is het meest opvallende verschil dat de rangorde van de partijen is omgegooid (zie tabel 1). Wat blijft, is dat de christendemocraten nog steeds de grootste partij zijn en dat de socialisten na beide stembusgangen de derde plaats bekleden. Maar daar waar de liberalen in 2000 globaal gezien de tweede grootste partij waren, zijn ze nu weggezakt naar de vierde plaats. Hun plaats wordt sinds de verkiezingen van 8 oktober 2006 ingenomen door het Vlaams Belang. Het is trouwens niet zonder belang dat de resultaten verschillen per provincie. Zo wordt het Vlaams Belang in de provincie Antwerpen voor het eerst de grootste partij, terwijl in Oost-Vlaanderen de VLD, na de verkiezingen van 2000 de grootste formatie, haar koppositie terug moest afstaan aan het kartel CD&V/N-VA.

Tabel 1: Evolutie van het stemaandeel van de diverse partijen bij de recentste verkiezingen

De christendemocratische partij is in Vlaanderen de traditionele sterkhouder bij de ‘lokale’ verkiezingen. Toch moest ze in de loop van de jaren veel van haar electorale monopoliepositie prijsgeven. De partij diende ook bij de provincieraadsverkiezingen van 2000 een stapje terug te zetten, maar behaalde in 2006 bijna terug het niveau van 1994. Nemen we de federale en de Vlaamse verkiezingen in rekening, dan bekomen we een gevarieerder beeld. Na een aanvankelijk moeilijke oppositieperiode en een nederlaag bij de federale verkiezingen van 2003, herstelde ze zich gedeeltelijk bij de Vlaamse stembusgang in 2004. Sinds haar toetreding tot de Vlaamse regering kan de partij weer naar wat zuurstof happen. Indien we echter rekening houden met de inbreng van kartelpartner N-VA (in 2000 was VU-ID nog goed voor ruim 6%) dan is de winst die het kartel op 8 oktober 2006 boekte veeleer bescheiden.
Ook op gemeentelijk vlak moest de partij sinds de fusies heel wat terrein prijsgeven (zie tabel 2). In 2006 versterkten de christendemocraten hun positie in Vlaanderen. Voor een verklaring wordt dan graag verwezen naar het Leterme-effect en de kartelformule. Toch past ook hier meer dan één kanttekening. Niet alleen blijft de score hangen tussen het niveau van 1994 en 2000, ook het effect van het kartelverband lijkt niet altijd even aanwijsbaar te zijn. In de 132 gemeenten waar de CD&V het op eigen kracht diende te maken, ging ze gemiddeld 1,7% vooruit, niet echt veel minder dan vooruitgang in de gemeenten waar ze met kartelpartner N-VA aantrad (+2%)(zie tabel 3). Sterker nog, vergeleken met de samengestelde score van de CVP en VU-ID in 2000 in de betrokken 129 gemeenten verloor het kartel zelfs 2%.

Tabel 2: Evolutie van het stemaandeel bij de gemeenteraadsverkiezingen, berekend op de gemeenten waar de betrokken partij opkwam.

Tabel 3: Vergelijking 2006-2000 in gemeenten waar zowel in 2006 als 2000 lijsten zijn ingediend

Dat de partij in de Vlaamse regering het imago van goede bestuurder cultiveert, wordt vaak aangehaald als een mogelijk voordeel in de lokale politiek, die toch wat minder door uitgesproken ideologische breuklijnen wordt beheerst. Ook hierop lijken de cijfers geen eenduidig antwoord te geven. Als we het verkiezingsresultaat opsplitsen naar verstedelijkingsgraad, blijkt dat CD&V amper vooruit gaat in regionale en grootsteden (zie tabel 4). Het Leterme-effect heeft duidelijk niet overal even sterk gespeeld. Zeker niet in stedelijk gebied, waar de partij het traditioneel moeilijker heeft maar toch winst als belangrijke doelstelling formuleerde.

Tabel 4: Evolutie van het stemaandeel per partij al naargelang de verstedelijkingsgraad. 12

Net als de christendemocraten verloren ook de socialisten in de loop van de jaren heel wat aanhang. In vergelijking met 2000 boekte de partij bij de recentste verkiezingen bijna 3% winst. Ze kon echter het niveau van de Vlaamse verkiezingen van 2004 niet aanhouden, laat staan dat van de federale verkiezingen van 2003 evenaren. Vaak wordt de electorale aderlating gelinkt aan het vertrek van Stevaert. Maar de vraag rijst ook of het karteleffect van Spirit onderhand niet is uitgewerkt. Wat dat laatste betreft lijken de gemeenteraadsverkiezingen althans in een andere richting te wijzen.
Op gemeentelijk vlak behaalden de socialisten in 2006 immers de hoogste score sedert de samenvoeging van gemeenten. Vandaag zijn ze de tweede partij in de gemeenten. Samen met Vlaams Belang boeken ze trouwens ook de grootste winst. En opvallend is dat de partij precies de sterkste vooruitgang boekte, daar waar ze in kartel met Spirit naar de kiezer trok. In die 58 gemeenten won ze bijna 5% tegenover een minieme vooruitgang van 0,4% in de 96 gemeenten waar socialisten niet konden rekenen op de steun van een kartelpartner. Niet alleen brachten de socialisten het er globaal goed van af: ze gingen in alle types van gemeenten vooruit, maar scoorden het sterkst in de steden (zie tabel 4).
De liberalen gingen bij de voorbije provincieraadsverkiezingen 4% achteruit in vergelijking met 2000. Daarmee lijkt zich stilaan een trend af te tekenen. Jarenlang boekte de partij een gestage vooruitgang, waarbij ze vooral in de jaren tachtig en negentig de wind in de zeilen had. In de provinciale rangorde klom ze op tot de tweede grootste of zelfs de grootste partij. Bij de federale verkiezingen van 2003 kreeg ze bijna een kwart van de kiezers achter haar naam en werd daarmee de grootste formatie. Maar sindsdien lijkt het tij gekeerd. Bij de Vlaamse verkiezingen belandde ze op de derde plaats, op de hielen gezeten door de socialisten. Het kartel met Vivant lijkt alvast op provinciaal niveau geen zoden (meer) aan de dijk te zetten.
Ook in de gemeenten kwam een einde aan de opwaartse blauwe trend. De liberalen zakken terug naar het niveau van voor de stichting van de VLD. Eigenlijk is de partij de grootste verliezer met een winst in amper 12% van de gemeenten (zie tabel 3). Ze kon tot op zekere hoogte de schade beperken in de kleinere gemeenten, maar verloor duidelijk in de meer verstedelijkte gebieden. En ook hier kan het kartel met Vivant weinig soelaas brengen. Natuurlijk bevestigen uitzonderingen de regel en kon de partij hier en daar toch een mooi resultaat voorleggen. Maar de algemene trend valt niet te ontkennen.
Net als bij de liberalen, lijkt er ook in het groene verhaal een duidelijke lijn te zitten. In vergelijking met 2000 scoorde Groen! (toen Agalev) bij de provincieraadsverkiezingen van 2006 een beduidend slechter resultaat. Niettemin handhaaft ze zich op het niveau van de Vlaamse verkiezingen van 2004. De desastreuze stembusgang van 2003 lijkt daarmee veeleer een uitzondering te vormen. In haar voordeel pleit dat ze dit provinciaal resultaat volledig op eigen kracht wist neer te zetten.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen haalt Groen! het niveau van eind de jaren tachtig. De partij is traditioneel minder sterk vertegenwoordigd op lokaal niveau en moet hier in de toekomst flink investeren indien ze een toekomst wil hebben: groene paradigmata vlekkeloos vertalen naar concrete lokale beleidsvoering lijkt geen sinecure te zijn. Groen! houdt nog het best stand in de (vaak welvarende groene) banlieuegemeenten buiten de steden, maar zowel in de eigenlijke steden als in de autonome gemeenten (in gemeenten met minder dan 7.500 inwoners kwam Groen! als autonome partij zelf niet meer op) is het thans groene wonden likken.
Het Vlaams Belang ging er op provinciaal vlak bij elke verkiezing op vooruit, van 11% (in 1994), via 15% (in 2000) naar 21,5% in 2006 (zie tabel 1). De zegereeks van de partij wordt alleen onderbroken wanneer vergeleken wordt met de Vlaamse verkiezingen van 2004, toen ze in Vlaanderen meer dan 24% behaalde.
Net als op provinciaal niveau was de winst in 2006 ook op gemeentelijk niveau het grootst bij Vlaams Belang (zie tabel 2). Het Vlaams Blok kende eerder al een spectaculaire groei. Haar naamswijziging in Vlaams Belang, ten gevolge van een strafrechtelijke veroordeling, lijkt haar opmars in elk geval niet te stuiten. Belangrijk is dat het Belang 11,6% behaalde in de gemeenten waar het voor het eerst opkwam. Daarnaast boekte het nog een gemiddelde vooruitgang van 5% in gemeenten waar het voorheen al deelnam aan de gemeenteraadsverkiezingen. De partij is thans in 215 Vlaamse gemeenten in de raad vertegenwoordigd. Toch is ook het resultaat van het Vlaams Belang niet eenduidig. Ook hier variëren de winstcijfers sterk met de verstedelijkingsgraad (zie tabel 4). Het Vlaams Belang pakte het sterkst uit in stedelijk gebied (regionale steden, agglomeratie- en banlieuegemeenten). In een aantal steden, waaronder Antwerpen, Gent en Mechelen, liep men duidelijk tegen een electoraal plafond aan. Niettemin boekte het Vlaams Belang in 98.2% van de gemeenten, waar zowel in 2000 als in 2006 lijsten werden ingediend, vooruitgang (zie tabel 3).
Ten slotte mag ook het belang van de lokale lijsten niet worden verwaarloosd. Maar op dit vlak verschillen de provincieraadsverkiezingen grondig van de gemeenteraadsverkiezingen. Het zijn de nationale politieke partijen die de verkiezingen op provinciaal niveau beheersen.13 Daar staat tegenover dat de gemeentelijke stembusgang nog altijd sterk wordt ‘gekleurd’ door de aanwezigheid van lokale lijsten, hoewel het belang van het fenomeen afneemt. Zo dong bij de verkiezingen van 2006 in 71,1% van de gemeenten minstens één lokale lijst naar de gunst van de kiezer tegenover 80,8% in 2000.14 Op provinciaal niveau ontbreekt dit fenomeen echter volkomen (enkele uitzonderingen niet te na gesproken). Belangrijk is wel dat de schijnbaar uniforme noemer ‘lokale lijsten’ een grote verscheidenheid maskeert. Zo gaat het vaak om de meest uiteenlopende kartels tussen lokale afdelingen van landelijke politieke partijen. Op het eerste gezicht winnen lokale lijsten in 2006 2,5%. Lokale lijsten bevestigen vooral in de kleinere gemeenten. Vandaag zijn puur plaatselijke fenomenen, zeker in grotere gemeenten, veeleer uitzondering dan regel. Daarenboven is hun gemiddeld gewogen procentueel kiescijfer in de steden overschat door de ‘verhulling’ van nationale partijen in een lokaal gewaad (bv. VLD in Mechelen en sp.a in Hasselt en Genk).

Romeinse potscherven

Wie op een verkiezingsavond in een televisiestudio het snelst bij een microfoon geraakt, bepaalt de beeldvorming omtrent winst en verlies. Dit was niet anders op 8 oktober 2006. Iedereen bleek het daar vrijwel eens te zijn over winst voor CD&V/N-VA over heel de lijn, over winst voor de socialisten in de steden, over winst van het Vlaams Belang in kleinere gemeenten maar stagnatie in de steden, over minder blauw in de stemhokjes en de terugloop van Groen!.
Louis Tobback omschreef het analyseren van gemeenteraadsverkiezingen ooit als het ‘schrijven van een doctoraat over het lijmen van Romeinse potscherven’. En hij heeft niet helemaal ongelijk. Al te vaak gaat men in commentaren voorbij aan het feit dat die cijfertjes de wensen en verlangens uitbrengen van mensen in 308 autonome koninkrijkjes. Hoewel deze bijdrage geen detailanalyse brengt, wordt toch aandacht gevraagd voor belangrijke variaties in de uitslagen van de deelnemende partijen. En deze stroken niet altijd met de snelle interpretaties van de verkiezingsavond zelf. We stelden ons op verschillende ‘verhoogjes’ op om verschuivingen bij lokale verkiezingen in te schatten. Het eerste is dat van de gemeenteraadsverkiezingen zelf.
De christendemocraten wonnen inderdaad terrein terug, maar blijven met het behaalde percentage steken halverwege de tweede helft van de jaren negentig. Daarenboven wijzen de resultaten van het kartel CD&V/N-VA erop dat ‘één en één soms minder dan twee’ is. Rekening houdende met de verdere afkalving van de democratische Vlaamsnationalisten in die gemeenten waar ze op zelfstandige basis deelnamen aan de gemeenteraadsverkiezingen, is het niet denkbeeldig dat vooral de N-VA binnen het kartel in termen van verkozen mandaten (en toekomstige schepenportefeuilles) de grote winnaar is.
Ook het beeld over socialistische winst moet bijgesteld worden. Eigenlijk is deze groter dan aanvankelijk aangenomen. Ze zijn de tweede partij in onze gemeenten geworden. Ze wonnen inderdaad op ‘spikes’ in de steden maar liepen ook buiten de stad vooruit, zij het dan eerder op ‘kousenvoeten’. Vergeleken met de christendemocraten profiteren de socialisten, alleszins op het niveau van de gemeenten, meer van de inbreng van hun kartelpartner. Bijgevolg moeten vragen worden gesteld bij het hardnekkig terugkerend beeld dat de N-VA kartelpartner van CD&V de belangrijkste erfgenaam is van wijlen de Volksunie.
In de derde plaats mag de euforie, teweeggebracht door de verkiezingsuitslagen in Antwerpen, niet doen vergeten dat het Vlaams Belang in onze gemeenten blijft groeien en het te vroeg is om over stagnatie te spreken. Het klopt niet dat de winst van het Vlaams Belang enkel toe te schrijven is aan de ‘inhaalbeweging’ in gemeenten waar die partij nog niet vertegenwoordigd was. Ook in de gemeenten waar extreemrechts al vertegenwoordigd was, groeide het gestaag verder. En dit geldt eigenlijk ook, op een paar uitzonderingen na, voor het gros van de steden.
Deze bijdrage beaamt de beeldvorming omtrent Groen! en de VLD. Beide leidden aanzienlijk terreinverlies en vallen terug op het niveau van het einde van de jaren tachtig.
Het ander ‘verhoogje’ is dat van de provincieraadsverkiezingen. De onbetwistbare winnaar op dit niveau is het Vlaams Belang. CD&V/N-VA doet het in kartelverband inderdaad beter dan de CVP alleen bij de stembusslag van 2000, maar slaagde er wel niet in om het niveau van 1994 te bereiken. Dit deed het kartelverband sp.a-spirit wel. Ook hier zijn de grote verliezers in de eerste plaats de VLD en in de tweede plaats Groen!.
Het laatste ‘opstapje’ is dat van de Vlaamse verkiezingen van 2004. En daar levert de vergelijking heel andere balansen op. Het kartel CD&V/N-VA wint bij de provincieraadsverkiezingen juist 4% vergeleken met de laatste Vlaamse stembusslag en is na gebruik van deze meetlat de enige winnaar. Groen! behaalde een status-quo (enig lichtpunt voor die partij op 8 oktober) terwijl al de andere partijen stemmen verloren. Toch moet ook hier worden gewaarschuwd voor te vlugge pronostieken in de aanloop naar de volgende federale verkiezingen. Zo kon de CD&V na 2000 bij zowel de federale als Vlaamse verkiezingen het niveau van de voorafgaande provincieraadsverkiezingen niet evenaren. Tot op zekere hoogte kan worden aangenomen dat de scores van de CD&V bij de provincieraadsverkiezingen geflatteerd zijn door het feit dat deze als ‘second order’ verkiezingen fungeren naast de gemeenteraadsverkiezingen, waar de christendemocraten genieten van de ‘gemeentelijke bonus’. Eigenlijk kan ten aanzien van het Vlaams Belang net de omgekeerde redenering worden ontwikkeld: in het verleden scoorde extreemrechts altijd beter bij parlementsverkiezingen dan bij voorafgaande gemeente- en provincieraadsverkiezingen. Tot op zekere hoogte geldt dit overigens ook voor de socialisten.
Bij wijze van afronding: wie op 8 oktober steunt om de volgende parlementsverkiezingen te voorspellen weze gewaarschuwd, gemeenteraadsverkiezingen volgen (ietwat afgezwakt) parlementsverkiezingen en niet omgekeerd. En meer, ditmaal in beurstermen uitgedrukt: 8 oktober 2006 was voor de meeste partijen een koerscorrectie op 8 oktober 2000. Toen waren, voortvloeiende uit de ‘dioxineverkiezingen’ van 1999, christendemocraten en socialisten ondergewaardeerd, liberalen en groenen overgewaardeerd. Dit was en is niet het geval voor het Vlaams Belang. Om opnieuw het financieel jargon te hanteren: een ‘winstwaarschuwing’ is hier wel voorbarig.
Iedereen tevree nu?

Johan Ackaert, Herwig Reynaert, Tony Valcke 15

Noten
1/ Al moet het gezegd dat het nieuws uit de provincies traditiegetrouw wat in de schaduw stond van dat uit de gemeenten.
2/ Winckelmans W. (2006) Het Vlaams Parlement is op campagne. In: De Standaard, 4/10/2006.
3/ Steyvers K., Reynaert H. (2006) Van kartel tot cordon: de inzet van de gemeenteraadsverkiezingen 2006. In: Reynaert H., (ed.), Naar een versterkte lokale en provinciale democratie? Brugge, Vanden Broele, , pp.1-26. Voor de volledigheid dient vermeld dat we ons hier niet inlaten met de wijzigingen op het vlak van de provinciale en de lokale politieke instellingen. We beperken ons tot de wijzigingen op het vlak van de verkiezingen zelf.
4/ Er zijn slechts 20% vrouwelijke schepenen, 7% burgemeesters en de bestendige deputaties tellen maximaal 1 vrouw.
5/ Voor de verkiezingen van 1994 gold nog een overgangsregeling: toen mochten nog drie op de vier kandidaten van hetzelfde geslacht zijn. In 2000 kreeg de wet dan haar volle werkingskracht.
6/ Voor de volledigheid dient vermeld dat het gemeente- en provinciedecreet op dit vlak in een nieuwigheid voorzien. Er is nu namelijk decretaal vastgelegd dat het schepencollege en de deputatie uit personen van een verschillend geslacht moeten bestaan. In een kwart van de aftredende colleges waren vrouwen niet vertegenwoordigd.
7/ Dewachter W., Wauters B. (2006) Provincieraadsverkiezingen: een illusie van democratie. In: Burger, Bestuur en Beleid, 1, pp.15-16.
8/ Voor meer achtergrondinformatie, zie: Coninckx D., Valcke T. (2006) Een klasse apart? De Vlaamse provincieraadsleden en de leden van de bestendige deputatie. In: Fiers S., Reynaert H., (red.), Wie zetelt? De gekozen politieke elite in Vlaanderen doorgelicht. Tielt, Lannoo Campus, pp.67-70. Reynaert H., Valcke T.(2001) De provincieraadsverkiezingen van 9 oktober 1994 en 8 oktober 2000. In: Res Publica, XLIII, 2001, 2-3, pp.422-425.
9/ Valcke T. (2006) De inzet van de provincieraadsverkiezingen in 2006: hetzelfde als voorheen maar dan anders. In: Reynaert H., (ed.), Naar een versterkte lokale en provinciale democratie? Brugge, Vanden Broele, pp.45-71.
10/ Voor een goed overzicht, zie: Ackaert J. (2006) Politiek in mijn gemeente. Leuven, Davidsfonds/Politeia, pp.39-47.
11/ Zo ging de CD&V maar in 140 van de 308 Vlaamse gemeenten in kartel met de N-VA.
12/ Voor de eenvoud voerden we een hergroepering door in de typologie van gemeenten. De groep autonome gemeenten bestaat hier uit de afhankelijke gemeenten, de autonome gemeenten en de hoofddorpen. Met banlieuegemeenten bedoelen we zowel de banlieue zelf als de agglomeratiegemeenten. In de groep regionale steden zijn ook de twee Vlaamse grootsteden opgenomen.
13/ Met ‘nationale’ politieke partijen bedoelen we hier partijen die opereren op federaal niveau. Sinds de splitsing van de unitaire partijen is het gebruik van de term ‘nationale’ partijen uiteraard niet helemaal adequaat. Deschouwer K. (1995) Organiseren of bewegen? De evolutie van de Belgische partijstructuren sinds 1960. Brussel, VUBPress, pp.103-110.
14/ Reynaert H., Steyvers K. (2004) De gemeenteraadsverkiezingen als lokaal machtsverwervingsproces in Vlaanderen. In: Devos C., Gaus, H., (red.), Schijn of scharnier? Politiek in de jaren ’90. Gent, Academia Press, p.18.
15/ Johan Ackaert is verbonden aan de faculteit TEW van de Universiteit Hasselt. Herwig Reynaert en Tony Valcke zijn respectievelijk voorzitter en lid van het Centrum voor Lokale Politiek van de Universiteit Gent.

verkiezingen - kieswetgeving - politieke breuklijnen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 9 (november), pagina 4 tot 13