Abonneer Log in

Leiderschap loont

Bruggenbouwers en boegbeelden in de hedendaagse stadspolitiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 9 (november), pagina 32 tot 38

In de commentaren kort na de gemeenteraadsverkiezingen was er sprake van ‘nieuwe stadslegendes’: een soort mythevorming over de bestuurscapaciteit van enkele burgemeesters in Vlaamse steden, Patrick Janssens en Frank Beke op kop.1 Aan die figuren werd ‘leiderschap’ toegedicht, dat voor hen of voor hun erfgenamen bovendien electoraal loonde. Hun persoonlijke score of die van hun partij gingen er bij die verkiezingen fors op vooruit.

In deze bijdrage willen we de bijzonderheden van de verkiezingsdag of van de betrokken stad overstijgen en wat verder, dieper kijken. Nu het stof van 8.10 is neergedaald, willen we het verband bekijken tussen het verkiezingsresultaat en het leiderschap in de stedelijke politiek. We illustreren dit verhaal met voorbeelden uit de Vlaamse centrumsteden.
Vooraf moeten we meegeven dat leiderschap natuurlijk geen objectief gegeven is, waarvan het bestaan met concrete meetinstrumenten kan worden aangetoond. Zoals met veel begrippen in de politiek is de betekenis ervan omstreden.2 Het is dan ook niet onze bedoeling om het, met een soort pantocratisch oordeel, aan bepaalde politieke figuren toe te bedelen. Wel zijn we van mening dat het huidige denken over stedelijk leiderschap, met leiders als bruggenbouwers en boegbeelden, inderdaad door de Vlaamse lokale politieke praktijk geïllustreerd wordt.
De bestuurlijke omgeving waarin stedelijke leiders zich bewegen - die van multi-level governance - heeft o.i. een fundamentele invloed op die vorm. Leiderschap uitoefenen is echter niet genoeg. Het moet ook als dusdanig erkend worden. De mate waarin leiders en hun entourage erin slagen hun optreden in de electorale ruimte ook zo voor te stellen, vormt daarbij een fundamentele voorwaarde om het groeiend belang van stedelijk leiderschap ook in de verkiezingsuitslag weerspiegeld te zien.

Leiderschap herontdekt. Zoeken naar kapstokken voor coördinatie en verantwoording

Leiderschap is geen nieuw gegeven in de stedelijke politiek. Vergelijkend internationaal onderzoek ziet politiek leiderschap zelfs als één van de organisatorische constanten in alle lokale bestuurssystemen. Waar verkozenen het vertegenwoordigingsprincipe belichamen en ambtelijke professionals voor expertise, rationaliteit en efficiëntie horen te zorgen, geven politieke leiders zowat overal richting aan het bestuur. Zij problematiseren issues, stimuleren innovatie, maken strategische plannen en dagelijkse compromissen en mobiliseren middelen en mensen.3 De balans tussen die drie constanten maakt de eigenheid van het lokale bestuurssysteem uit. Vandaag lijkt die in het voordeel van politieke leiders uit te slaan. In heel wat Europese landen kan men een tendens naar een versterkt (uitvoerend) leiderschap identificeren. Daarvoor (maar ook voor de precieze verschijningsvorm van dat leiderschap) zijn bredere structuurveranderingen aan het lokaal bestuur verantwoordelijk. Die komen uitgesproken in de stedelijke context tot uiting.
Vandaag fungeert dat bestuur veel meer in netwerkverbanden, waarin het de rol van nucleus opneemt. In het Engels duidt men die bestuursvorm aan als local governance. Dat heeft verschillende verschijningsvormen. Zo zit het beleid, meer dan vroeger, opgesplitst over een toegenomen aantal anders gestructureerde instituties. De rol van Europa of de regio’s is in dat opzicht illustratief. Dat beleid wordt bovendien in netwerken gemaakt die niet langer beperkt zijn tot de klassieke statelijke instituties (denk aan de rol van bedrijven, ngo’s of de media). Ook op lokaal vlak is er dus sprake van multi-level governance. Bijkomend duiken nieuwe beleidsthema’s op die niet zomaar samenvallen met de verkokerde administratieve departementen (zoals migratie of milieuvraagstukken). Lokaal bestuur is dus complexer dan pakweg dertig jaar geleden.
Tegelijk is de burger niet minder veeleisend geworden. Hij is bovendien vaak mondiger in het formuleren van zijn eisen t.a.v. de politiek. Die eisen geraken allemaal niet meer zo gemakkelijk gekanaliseerd langs de klassiek representatieve mechanismen en actoren, precies omdat die laatsten ook minder grip hebben op heel die complexiteit of omdat die actoren en mechanismen ontstonden als antwoord op heel andere problemen.4
Als gevolg van die veranderingen ontstaan niet zelden problemen in de beleidsvoering, met name op het vlak van coördinatie en verantwoording. Hoe kan men strategie en richting behouden met zoveel betrokken actoren, in een complexere beleidsomgeving? Wie kan worden afgerekend op het uiteindelijke beleidsresultaat, wie is ‘accountable’ of verantwoordelijk? Om niet in een legitimiteitscrisis terecht te komen, zijn verschillende antwoorden mogelijk. Eén typisch antwoord is burgers meer en vooral directer te betrekken bij de lokale beleidsvoering, zij het in specifieke verschijningsvormen.5 Een ander is de toegenomen prominentie van lokaal politiek leiderschap. Peter John, een Brits politicoloog die vergelijkend onderzoek deed naar het hedendaagse lokaal bestuur, omschrijft het zo: ‘(…) elites and masses demand leaders who can pull the shifting framework of local decision-making together, act as entrepreneurs in the highly competitive environment and be the people whom the public can identify as responsible for decisions affecting local areas.’6 Daaruit blijkt al de tweezijdige invulling die aan dat leiderschap wordt gegeven: leiders fungeren enerzijds als bruggenbouwers tussen beleidsbetrokken actoren en symboliseren ook in sterke mate dat beleid.
In de eerste invulling staat een bestuursinterne dimensie centraal. Het betekent dat politieke leiders lijnen kunnen leggen tussen de belangen van de verschillende beleidsbetrokken actoren. Het zijn generalistische netwerkbeheerders. Ze fungeren als brandpunt en als zenuwcentrum, hun invloed waaiert uit tot in de politieke besluitvormingsprocessen op andere beleidsniveaus. Concreter, ze zijn verantwoordelijk voor (de coördinatie van) de lijnen naar ‘Brussel’. Ze verkopen hun stad in een concurrentiële omgeving, ze verdedigen hun stad(sbelangen). De nauwe politieke verwevenheid tussen de nationale of regionale overheid en de lokale besturen, en de financiële afhankelijkheid van steden van de middelentoekenning door de hogere overheden, maakt de grote meerwaarde van een lijn naar ‘Brussel’ overduidelijk. De cumulatie van politieke mandaten of een achtergrond in de nationale (partij-)politiek kunnen daarbij een hulpmiddel zijn, ondanks alle bedenkingen op het vlak van de gelijke behandeling van gemeenten. Aan de vooravond van de voorbije gemeenteraadsverkiezingen oefenden niet minder dan 82 van de 124 Vlaamse parlementsleden (66%) tegelijk ook een lokaal mandaat uit. In het federale parlement gaat het om 112 van de 150 parlementsleden (75%). Bovendien gaat het bij één derde van de parlementsleden om een uitvoerend politiek mandaat.7

De nationalisering van de stedelijke politiek versterkt deze tendens. Het was tijdens, maar ook na, deze verkiezingen dan ook opvallend hoezeer en hoe openlijk het argument van directe contactlijnen naar andere bestuursniveaus (electoraal) werd uitgespeeld. In sommigen steden worden ondanks absolute meerderheden afspiegelingscolleges ingevoerd, om democratische controle te versterken maar vooral om in ‘Brussel’ met alle relevante partners (lees ministers) goede contacten te hebben. Maar ook in andere steden worden oversized coalitions opgericht. Soms om het aandeel van een coalitiepartner te verminderen of om moeilijke keuzes te verhinderen, maar in elk geval ontstaat bij die grote coalities nog meer nood aan een kapitein die het roer van de overbevolkte sloep stevig in handen houdt. Ook voor 8 oktober werd in Gent vaak gefluisterd dat een tripartite nodig was voor een betere behandeling van de Gentse dossiers op hogere niveaus. De symboolwaarde van ‘de toekomst van paars’ heeft evenwel geprimeerd op die neiging. De toenemende Europeanisering in tal van beleidsdomeinen, met overeenkomstige subsidieregelingen, voegt daar in de toekomst wellicht nog een dimensie aan toe. Dan zullen burgemeesters hun stad ook in Europese wateren moeten loodsen.
Tegelijk moeten leiders, als aanvoerders en gezicht van hun bestuur, de stad verdedigen in een context waar de traditionele tussenschotten met de rest van de samenleving vervagen. Ze moeten in staat zijn een diversiteit van actoren zoals de media, het bedrijfsleven of de (georganiseerde) civil society achter een gemeenschappelijk doel te krijgen. Leiders moeten trachten tussen deze actoren stabiele coalities (soms regimes genoemd) op de been te houden.8 Ze moeten daarvoor niet enkel die verschillende actoren en hun achtergrond en doelstellingen goed kennen, maar moeten ze bovendien kunnen verbinden in een project dat op lange termijn vele belangen moet dienen.
Dat laatste aspect verwijst naar een bestuursexterne dimensie die speelt in de relatie tussen bestuur en samenleving (ook dat deel dat verder staat van de eigenlijke besluitvorming). Politieke leiders symboliseren beleid en bestuur. Ze zijn de figurehead en het gezicht van ‘de stad’. Als boegbeeld van een veel breder bestuurlijk geheel - wat zijn de grenzen van de stedelijke overheid? - personifiëren ze de besluitvorming. Dat zorgt (impliciet) voor een sterke reductie van de hedendaagse bestuurscomplexiteit. De persoonsgerichte framing van de hedendaagse (beeld)media versterkt die beeldvorming uiteraard. Vaak wordt daar ‘de’ politieke leider aan het woord gelaten in naam van heel het stadsbestuur. En vaak heeft die ook een opposant die meteen voor de gehele oppositie moet staan. Vandaar de evidente polarisering met ‘uitdagers’ van ‘gezichten van de stad’. En in die setting ontstaan nieuwe methoden.
John en Borraz wijzen op een cruciale factor die samengaat met dat symbolisch leiderschap. Het succes daarvan is mee afhankelijk van de mate waarin leiders erin slagen een gemeenschappelijke identiteit of doel te creëren in het gefragmenteerde belangenlandschap (kenmerkend voor de stad).9 De ‘A’-campagne van Patrick Janssens of het hartvormige ‘Gent’-logo van de plaatselijke socialisten zijn daar opvallende voorbeelden van. Voor het politiek overleven van leiders is het cruciaal die rol als bruggenbouwer en boegbeeld ook in de electorale ruimte aanvaard te krijgen. Wie daar in slaagt, krijgt een machtig verkiezingswapen in handen.

Leiderschap belichaamd: het burgemeestersambt als brandpunt

Aan leiderschap wordt dus een relatief grote rol toegekend. De invulling en de stijl zijn een reactie op de veranderende kenmerken en eisen van het hedendaagse bestuurslandschap. Wat is de precieze belichaming ervan en hoe zit het met de congruentie tussen het belangrijker wordende leiderschap en de bestaande formele en institutionele posities? Leiderschap kan immers door verschillende figuren of actoren worden uitgeoefend. Vandaag zien we in politiek wetenschappelijk onderzoek een duidelijke tendens om uitvoerende politieke leiders te versterken. We vinden het zo evident dat het haast natuurlijk lijkt. Maar het is niet onverstandig om die evidenties af en toe eens kritisch te benaderen. Daarbovenop komt de neiging om dat leiderschap veel meer in individuele dan in collectieve termen te beschouwen. Een sterker wordend burgemeestersambt is meestal het brandpunt van die evoluties.10 Dat laatste zien we o.i. ook in de Vlaamse stedelijke context. Vaak - maar niet uitsluitend - wordt die versterking institutioneel onderbouwd. In die laatste, Europese trend gaat Vlaanderen voorlopig echter niet mee. Dat maakt de afstand tussen formele posities en werkelijke machtspatronen groter.
Zo heeft men er in verschillende landen voor gekozen om de burgemeester voortaan rechtstreeks te laten verkiezen door de lokale bevolking. Die maatregel speelt in op de rol van politieke leiders als boegbeeld en symbool van het bestuur en geeft er een sterke electorale legitimatie aan. Het moet toelaten richting te geven aan community leadership en op die manier de betrokkenheid bij de plaatselijke democratie te verhogen door de creatie van die rechtstreekse band tussen ‘leider’ en ‘volger’.11 Ook in Vlaanderen speelde men een tijdje met dit idee. Onder paars-groen (1999-2004) had het zelfs de status van regeringscompromis vooraleer in het uiteindelijk goedgekeurde gemeentedecreet (onder de huidige tripartite) te sneuvelen. De afwezigheid van een rechtstreekse verkiezing staat in Vlaanderen het electorale leiderschap van de burgemeester echter niet in de weg: 75% van de zittende burgemeesters was in de vorige legislatuur kampioen van de voorkeurstemmen in de eigen gemeente. Burgemeesters zien zichzelf bovendien in de eerste plaats als ‘burgervaders’, wat deels bevestigd wordt door het vertrouwen dat de burger stelt in deze figuur en de kennis die men heeft van de persoon die dit ambt bekleedt.12
Elders wordt die electorale legitimatie ook nog eens functioneel ondersteund. Men kiest er dan voor om zowat alle uitvoerende taken van het lokaal bestuur in handen van de burgemeester te concentreren. Die heeft vaak ook vrij spel in het benoemen van mede-uitvoerders (kabinet of topambtenaren). Hier domineren meerderheidsstelsels en krijgt het burgemeesterschap presidentiële trekjes.13 Dat versterkt duidelijk leiderscapaciteiten als bruggenbouwer en netwerkbeheerder.
In Vlaanderen is er geen sprake van deze vorm van sterk formeel burgemeesterschap. Het staat wellicht te haaks op de collectieve monistische bestuurstraditie op lokaal vlak en het vloekt met de essentiële logica van ons proportioneel machtssysteem. Maar de groei van de politieke betekenis van het ambt versterkt de burgemeesterspositie in de praktijk wel, zelfs al wordt de formele positie ervan niet gewijzigd. Als deze tendens aanhoudt moeten we nagaan of, en hoe, de formele rol- en bevoegdheidsverdeling op het lokale politieke speelveld deze werkelijkheid moet benaderen, of eventueel tegengaan. Het onderscheid tussen het werkelijke en wettelijke land moet immers beperkt blijven.
Ook hier is echter relativering aangewezen. In de (electorale) voorstelling wordt de sterkte van de burgemeesterspositie immers meer dan eens voor waar aangenomen, terwijl ze in realiteit vaak eerder symbolisch is.

Leiderschap begrensd. Beperkingen en bedenkingen

Deze bijdrage heeft niet de bedoeling om leiderschap als dé verklaring voor alle recente (electorale) fenomenen naar voren te schuiven. De complexe stedelijke politiek is te meerduidig om zich in zo’n eendimensionaal denken te laten vatten. Wel zijn wij van mening dat de analyse van wijzigingen in het lokaal leiderschap een goed interpretatiekader biedt om enkele fundamentele transformaties in de Vlaamse stadspolitiek te beschouwen. De impact ervan is echter gebonden aan een aantal belangrijke voorwaarden.
In het particratische, proportionele overlegmodel van de Vlaamse lokale politiek is dat vooreerst de relatieve sterkte van de partij van de burgemeester (in de coalitie). Die heeft vaak historische wortels. Daarom is het ook niet toevallig dat in Antwerpen en Gent socialisten en in Brugge een christendemocraat het lokaal leiderschap belichamen. Dat heeft dus evenveel met de (lokale geschiedenis van de) partijen als met de leiders in kwestie te maken. Bovendien draagt de aandacht van andere beleidsniveaus en van de media voor de grote - naar Vlaamse normen - steden ook onrechtstreeks bij tot de voorstelling van de burgemeester als leider van de lokale politieke gemeenschap.
Leiderschap heeft als groot (electoraal) voordeel dat het complexiteit reduceert. Iemand geeft richting aan wat in wezen erg framentair is en straalt dat naar buiten toe ook uit. Soms wordt betoogd dat het geen toeval is dat juist in die steden waar leiders erin slagen om hun optreden als dusdanig te laten erkennen, andere complexiteitsreducerende opties aan aantrekkingskracht verliezen. Het discours van het Vlaams Belang appelleert aan het gevoel van chaos en onoverzichtelijkheid van de hedendaagse besluitvorming (en maatschappij). Hun voorgestelde ‘oplossingen’ zijn complexiteit-reducerend: de complexiteit vermindert in cultureel homogene, door volkseigen politici en zero-tolerance geregeerde steden. De zekerheden van weleer worden weer ingevoerd en alles wordt er overzichtelijker, voorspelbaarder en herkenbaarder. Sterk politiek leiderschap zou dus een alternatief (niet hét) antwoord kunnen bieden op de radicale, minder complexe voorstellingen van het Vlaams Belang. Het kan in deze zin als een antwoord gelden voor diegenen die zich bedreigd en verlaten voelen.
In de commentaren na de gemeenteraadsverkiezingen werd dat door sommigen al als een realiteit beschouwd. Hier en daar weerklonk zelfs een hoerastemming toen bleek dat het Vlaams Belang in Antwerpen (+0,56%) en Mechelen (+0,88%) stagneerde en in Gent zelfs verloor (-1,49%). Liep het Vlaams Belang dan toch tegen een electoraal plafond aan? En was ‘goed bestuur’ met ‘leiderschap’ daarvan de oorzaak? Als het klopt dat de Antwerpse politieke evoluties meestal voorop lopen in Vlaanderen, dan moet het Vlaams Belang inderdaad uit zijn doppen kijken. Al is het zeker niet allemaal kommer en kwel voor de partij. De olievlek van het Belang dijde immers verder uit. In de 13 Vlaamse centrumsteden slaagde het Vlaams Belang er zelfs in om het zetelaantal van 80 op 111 te brengen, een stijging van bijna 40%. Met uitzondering van Antwerpen, Gent en Mechelen steeg het stemmenpercentage van de partij in deze 13 steden tussen 4% (Leuven ) en bijna 9% (Aalst).
Stedelijk leiderschap zal zich in de toekomst dus extra moeten bewijzen wanneer het zichzelf wil zien als dam tegen het succes van bepaalde formaties. Het verhaal over het stedelijk leiderschap is nog maar pas begonnen. Hoog tijd dus om na te gaan hoe we het beter kunnen omkaderen en ook tegen zichzelf kunnen beschermen.
Want de aan leiderschap eigen complexiteitsreductie houdt echter ook een aantal ‘gevaren’ in. Lokaal leiderschap is - zeker waar de symbolische component ervan overheerst - gevoelig voor wisselende beeldvorming. Wanneer het boegbeeld dan kopje ondergaat, bestaat het risico dat heel het bestuursschip - soms onterecht - slagzij maakt. De presidentialisering van de lokale politiek trekt ook alle nadelen van zo’n republikeins systeem mee binnen, zoals de zoektocht naar beschadiging van de ‘kandidaat-president’, de toenemende verpersoonlijking en soms minder duidelijke ideologische dimensie van het politieke debat, enz. Leiderschap vergroot de invloed van specifieke personen op de politieke besluitvorming en onderbelicht daardoor de impact van meer structurele factoren. Stedelijke leiders besturen een logge machine waarvan sommige onderdelen bovendien niet rechtstreeks onder hun gezag vallen. Ze moeten dan hun symbolische gewicht aanwenden om legitiem en gezagsvol als netwerkbeheerder op te treden. In haar beschouwingen bij lokaal leiderschap in Italië - waar de burgemeestersfunctie nadrukkelijk in een sterke richting evolueerde - spreekt Magnier over: ‘…a deceiving individualisation of the representative process [...] the citizenship’s expectations do not take into consideration that other important figures in the municipality […] disappear in the popular image…’.14 Dat leiders vaak ‘rechtstreeks’ (in feite via de massamedia) met de bevolking communiceren, versterkt dat nog eens.
Hierdoor bestaat ook de kans dat minstens enkele onderdelen van de machine tegensputteren. Leiders - zeker als ze zich almachtig wanen - leven soms in moeilijke verhoudingen met verkozen leken. De gefragmenteerde omgeving waarin die laatste fungeren en de uitgesproken verankering van het richtinggevend optreden bij de leiders, leidt bij de vertegenwoordigers van deze organen (i.c. de gemeenteraad) vaak tot existentiële meerwaardevragen. Een duidelijk schisma tussen beide wordt in de Vlaamse context wellicht vermeden door de electorale worteling van het leiderschap in deze organen en de partijpolitieke lijnen die leiderschap met leken verbinden. Doordat leiderschap sterk opgehangen is aan personen bestaat ten slotte ook de kans op een vacuüm in tijden van transitie. De Gentse case toont aan dat dit kan worden opgelost door een nadrukkelijke opvolging en een (tijdelijke) recollectivisatie van de verworvenheden van het leiderschap. Het politiek leiderschap kan m.a.w. ook overgedragen worden.
De opkomst van politiek leiderschap blijkt dus een Europese tendens te zijn die in de Vlaamse stedelijke context tegen eigen wetmatigheden en kenmerken (zoals een gebrek aan directe legitimering van die machtspositie en het sterk symbolisch karakter ervan) aankijkt. De toekomst zal uitwijzen of, hoe en voor wie het ook hier zal lonen om als bruggenbouwer en boegbeeld te fungeren. Maar als in Vlaanderen de Europese trends zich doorzetten, dan zullen we ook de komende jaren in verschillende, ook kleinere, gemeenten vormen van uitgesproken lokaal leiderschap zien opduiken. De formele omkadering is daar niet altijd op voorzien. Dat zal de rol van de politieke partijen misschien doen toenemen. Zij vormen de netwerken en instrumenten waarmee de leider in kwestie de lokale machine kan besturen, en vormen de kanalen naar andere beleidsniveaus. Zo blijft de lokale politiek trouw aan de dominantie van partijen in het Belgisch politiek systeem. Het individueel leiderschap spreekt de invloed van partijenwerk niet tegen. Het zal er op steunen. Aan partijen de uitdaging om zich ook open te stellen naar niet klassieke politieke actoren, met voorop de burger.

Kristof Steyvers, Tony Valcke, Herwig Reynaert, Koenraad De Ceuninck, Carl Devos en Dries Verlet 15
Centrum voor Lokale Politiek, Vakgroep Pol. Wetenschappen, Universiteit Gent

Noten
1/ Peuteman A., Renard H. (2006) Nieuwe stadslegendes. In: Knack, jg. 36, nr. 42, pp. 20-26.
2/ Leach S., Wilson D. (2000) Local Political Leadership. In: The Policy Press, pp. 7-8.
3/ Mouritzen P., Svara J. (2002) Leadership at the Apex. Politicians and Administrators in Western Local Governments. Pitssburg, Pitssburg University Press, pp. 50-53.
4/ Denters B., Rose L., (2005) Towards Local Governance. In: Denters B., Rose L., (eds.) Comparing Local Governance. Trends and Developments. Houndmills, Palgrave MacMillan, pp. 246-262.
5/ Tijdelijk, issue-gerelateerd en in de eerste plaats als te consulteren partij; zie: Steyvers K., Pilet J.-B., Reynaert H., Delwit P., Devos C. (2006, in print) Towards DIY-politics? In: Delwit P., Pilet J.-B., Reynaert H., Steyvers K., (eds.) Towards DIY-politics? Participatory and Direct Democracy at the Local Level in Europe. Brugge, Vanden Broele.
6/ John P. (2001) Local Governance in Western Europe. London, Sage, p. 16.
7/ Onder de 124 Vlaamse parlementsleden telden we 20 burgemeesters, 11 schepenen en 4 voorzitters van het OCMW. Het 150-koppige federale parlement telde 27 burgemeesters, 16 schepenen en 4 voorzitters van het OCMW.
8/ Stone C., Political Leadership in Urban Politics. In: Judge D., Stoker G., Wolman H., (eds.) (1995) Theories of Urban Politics. London, Sage, pp. 96-116.
9/ John P., Borraz O. (2004) The Transformation of Urban Political Leadership in Western Europe. In: International Journal of Urban and Regional Studies, vol. 28, nr. 1, pp. 112-113.
10/ Larsen H. (2006) Transforming Political Leadership: Models, Trends and Reforms. In: Berg R., Rao N., (eds.) Transforming Local Political Leadership. Houndmills, Palgrave MacMillan, pp. 195-211.
11/ Larsen H. (2001) Directly Elected Mayors: Democratic Renewal or Constitutional Confusion. In: Caufield J., Larsen H. (eds.), Local Government at the Millennium. Opladen, Leske + Budrich, pp. 111-134.
12/ Reynaert H., Steyvers K. (2006) Oude wijn in nieuwe zakken? Een doorlichting van de politieke vernieuwingen in het gemeentedecreet. In: Schram F., Wayenberg E., (reds.) Het Vlaamse gemeentedecreet: tussen continuïteit en vernieuwing. Brugge, Vanden Broele, pp. 33-36.
13/ Heinelt H., Hlepas N. (2006) Typologies of Local Government Systems. In: Back H., Heinelt H., Magnier A., (eds.), The European Mayor. Political Leaders in the Changing Context of Local Democracy. Wiesbaden, VS Verlag für Sozialwissenschaften, pp. 29-33.
14/ Magnier A. (2003) Subsidiarity: fall or premise of ‘local government reforms’. The Italian Case. In: Kersting N., Vetter A., (eds.) Reforming Local Government in Europe. Closing the Gap between Democracy and Efficiency. Opladen, Leske + Budrich, pp. 189-193. Citaat p. 193.
15/ De auteurs zijn verbonden aan het Centrum voor Lokale Politiek, Vakgroep Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent. Correspondentieadres: Universiteitstraat 8, 9000 Gent.

verkiezingen - politiek leiderschap - burgemeesterschap

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 9 (november), pagina 32 tot 38