Log in

Zorgen omtrent mondiaal energiebeheer

Inleiding

Sinds enkele jaren krijgt de energieproblematiek bijzonder veel aandacht. Dit was in de jaren 1970, de tijd van de olieschokken en de autoloze zondagen, ook zo. Maar nu is het anders. De energieproblematiek komt vandaag meer dan ooit naar voren als een onuitgegeven multidimensionele uitdaging. Energie gaat over economie en ontwikkeling in Noord en Zuid, uitputting van grondstoffen, vervuiling en politiek-militaire risico’s. Aanleidingen voor de actuele bewustwording zijn onder meer de stijgende energieprijzen, de opkomst van China, India en andere groeilanden, de Irak-oorlog, alsook spectaculaire evenementen zoals het gasdispuut tussen Rusland en Oekraïne (begin 2006) en de film ‘An Inconvenient Truth’ van Al Gore. In België woedt volop de discussie over de toekomst van de kerncentrales. In de mondiale energievoorziening is op korte en middellange termijn het grootste probleem dat het aanbod de vraag amper kan bijhouden. Op die manier zitten de prijzen op een historisch hoog peil. Een oorlog, orkaan of grote staking kan de prijzen nog meer de hoogte injagen. Technisch is het evenwel mogelijk, door extra investeringen in het aanbod, deze problematiek onder controle te krijgen. Maar op langere termijn zal het aanbod in de wedren met de vraag toch moeten afhaken. Dan gaan we naar definitief hoge prijzen en wordt de fundamentele schaarste onontkoombaar. Deze ‘lange’ termijn is volgens experts een kwestie van enkele decennia, ook al wordt in het politieke debat vooral gefocust op de kortetermijnproblematiek. Ruimteschip Aarde wordt hier andermaal geconfronteerd met een zwaar en veelzijdig probleem, waarbij de binnenlandse en internationale context onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Deze bijdrage biedt een inleidende verkenning van het mondiale energiebeheer, waarbij wordt gewezen op trends, breuklijnen en hiaten. Op welke manier werken staten samen om duurzame energievoorziening als een mondiaal publiek goed veilig te stellen? En moet ons dit vertrouwen inboezemen voor de toekomst?

Mondiale energieproblematiek: vijf ná twaalf

Dit stuk sluit aan bij een eerder artikel van Jan Schaerlaekens in Samenleving en politiek (2006, 8), waarin de actuele mondiale energieproblematiek werd samengevat. Daarin werd onder meer gewezen op de evolutie van de geopolitieke breuklijnen en het bijhorende getouwtrek in regio’s als het Midden-Oosten en Centraal-Azië. Alvorens over te gaan tot een bespreking van het feitelijke mondiale energiebeheer, is het nuttig nog enkele kerngedachten over de actuele energieproblematiek voor te leggen. Een aspect, dat in het maatschappelijk debat vaak over het hoofd wordt gezien, is dat het niet vijf voor, maar vijf ná twaalf is. Vandaag wordt gevochten om energiebronnen. Het broeikaseffect is nú bezig. Momenteel betalen arme landen en bevolkingsgroepen zich kapot aan hoge brandstofprijzen. In het maatschappelijke debat over energie doet men alsof we nog veel tijd hebben. Alles komt wel in orde, dankzij de kernfusie, de waterstof- en zonneauto’s, de biodiesel, de zonnepanelen in de Sahara, enzovoort. Ook onder de publieke opinie is de gedachte wijdverspreid dat vele duurzame alternatieven op korte termijn beschikbaar zijn, maar om commerciële redenen nu nog niet naar buiten (mogen) komen. En zo wordt er naar hartenlust - en vooral vrijblijvend - gefilosofeerd tegen het ‘groene doemdenken’ in. Sorry, sociale en ecologische rechtvaardigheid impliceert dat duurzame en voor alle landen toegankelijke alternatieven er al lang hadden moeten zijn. Maar ze zijn er niet. Veel van de genoemde wonderoplossingen staan nog lang niet op punt, zijn onbetaalbaar (en zullen dat wellicht blijven), andere dreigen tot reusachtige probleemverschuiving te leiden. Welk soort landbouw heb je bijvoorbeeld nodig om de hele wereld evenveel auto te laten rijden, zij het op biobrandstof, als de Noord-Amerikanen en de Europeanen? Wat betekent dat in termen van pesticiden, kunstmest, waterverbruik en ruimte voor voedselproductie? Een belangrijk onderdeel van de oplossing zal energiebesparing zijn, niet alleen via energie-efficiëntie, maar ook door een andere levensstijl en stoppen met BNP-groei in het Noorden. Maar dit zijn stilaan de grootste maatschappelijke taboes van deze tijd. Maar ook als we aannemen dat nieuwe technologie de fundamentele energiecrisis zal oplossen, moeten wij nu levensgrote vragen stellen over het tempo en de sociale modaliteiten waarmee de wereldgemeenschap de overschakeling denkt door te voeren. Een gerelateerde vraag is welke politieke autoriteiten, van het nationale tot het mondiale niveau, de verantwoordelijkheid dragen en nemen om de noodzakelijke reconversie zo vlug mogelijk door te voeren (of denkt men dat de vrije markt dat zal doen?), en afdoende antwoorden te formuleren op de prangende vragen inzake prijzen en de risico’s van probleemverschuiving. Hieromtrent bestaat geen duidelijkheid. Hoe verhoudt de overheid zich bijvoorbeeld tegenover de hardnekkige mythe dat vele alternatieven reeds beschikbaar zijn, maar omwille van bedrijfsbelangen nog niet op de markt komen; moet ze daarover geen duidelijkheid scheppen en desgevallend interveniëren om er iets aan te doen? Heel wat overheden en andere actoren zijn aan het evolueren in de juiste richting, maar inzake de uiteindelijke doelstellingen en het tijdspad is er erg weinig concreet vastgelegd. Het Zweedse voornemen om tegen 2020 een economie te hebben die niet langer afhankelijk is van petroleum, is tot dusver één van de weinige forse en brede engagementen over een duurzaam energiebeleid. Andere regeringen werken veel partiëler, en, hoewel ze de juiste richting ingaan, pinnen zich voor het algemene energiebeleid niet vast op de ultieme doelstelling van ecologische duurzaamheid. Alle regeringen doen wel ‘iets’, sommigen doen zelfs ‘veel’, maar de enige vraag die er echt toe doet, is of ze ‘genoeg’ doen.

Op is op

Het tijdsprobleem zal met de jaren steeds nijpender worden. De wereldgemeenschap blijft al bij al vrij onbewogen bij de bestaande kennis over de nakende uitputting van de petroleum-, gas- en uraniumvoorraden. Het olieconcern British Petroleum (BP) voorziet de uitputting van aardolie aan de huidige consumptie binnen 40 jaar, die van aardgas binnen een goeie 60 jaar.1 Deze cijfers veronderstellen dat de consumptie niet meer gaat stijgen, wat evenwel de verwachting is. Over de uitputting van uranium voor de kerncentrales bestaat veel discussie - sommigen spreken van 60 jaar, anderen van een paar honderd jaar -, maar feit is dat het hier ook gaat om een uitputbare bron. Stel dat men in de wereld nu massaal veel kerncentrales gaat bouwen - wat onder meer omwille van de enorme kostprijs onwaarschijnlijk is -, zal de uranium nog veel sneller op zijn. Bovendien geldt voor alle delfstoffen het principe dat hoe schaarser ze worden, hoe moeilijker en duurder de ontginning wordt. Recyclage van nucleaire brandstof is dan weer een zeer risicovolle en dure activiteit, en geen haalbare optie om de hele oplossing voor het mondiale energievraagstuk op te baseren. Over de eindigheid van uranium en de beperkingen van recyclage gebeurt nog te weinig wetenschapsvulgarisering. Mocht daar een beter publiek debat over bestaan, dan zou de kernlobby nog meer in het defensief zitten. Stel nog dat alle cijfers over de voorraden van brandstoffen, zoals dat het geval was met de cijfers van de Club van Rome in de jaren 1970, te pessimistisch zijn, toch moeten wij voor ogen houden dat de voorraden eindig zijn, en dat de wetenschappelijke kennis over vraag en aanbod vandaag voldoende gesofisticeerd is om te weten dat we dringend het roer moeten omgooien.

Nergens is echter een sfeer van urgentie te bespeuren. Nog steeds durft men niet radicaal te kiezen voor openbaar vervoer en autoluwe steden (het gaat hierbij niet om een paar straten en pleintjes). Omdat men Koning Auto omwille van kortzichtige electorale berekeningen niet durft terugdringen, staan trams en bussen anno 2006 nog steeds her en der in de file, en durven mensen de fiets niet te nemen. Nog steeds worden ondergrondse parkings in binnensteden geopend, terwijl park&ride-systemen onderontwikkeld blijven. Nog steeds durven politieke partijen niet voluit te gaan voor energietaksen. Nog steeds staat belastingverlaging hoger op de politieke agenda dan massaal investeren in de noodzakelijke transport- en energierevolutie; beide zijn echter niet verenigbaar. Als we het hebben over substantiële trendbreuken, blinken ook zogezegde progressieven niet uit door al te veel moed. Toegegeven, een maatschappelijk draagvlak hebben is van vitaal belang in de politiek, maar een draagvlak kan wel groeien door met de bevolking een serieus gesprek aan te gaan, door te zeggen waar het op staat. In de jaren 1980-90 hebben West-Europese regeringen zodoende een draagvlak gecreëerd voor - vaak niet zo eerlijk verdeelde - besparingen en inleveringen. Een gelijkaardige oefening dringt zich op inzake energie.

Het mondiale energiebeheer of het gebrek daaraan

Energie is een mondiaal beheersprobleem dat alle beleidsniveaus op hun verantwoordelijkheid aanspreekt: van het individu, over de gemeente en de staat, tot het regionale en mondiale niveau. Hier staan we stil bij dat laatste niveau. Bestaat er eigenlijk zoiets als mondiaal energiebeheer? Het is duidelijk dat dit onderdeel van global governance zwakker ontwikkeld is dan vele andere. Binnen het VN-kader of daarbuiten bestaat geen universele organisatie die de globale energieproblematiek overschouwt. Beleidsdomeinen als handel, ontwikkeling, arbeid, gezondheid of veiligheid worden daarentegen wel behartigd door gezaghebbende universele instellingen. Het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) van de VN houdt zich enkel bezig met kernenergie. De internationale energiesamenwerking steunde de afgelopen decennia op de klassieke tweedeling tussen energieproducerende en energieconsumerende landen. De belangrijkste organisatie van de eerste groep is zonder twijfel de OPEC, opgericht in 1960. Dit kartel behandelt enkel olie en mist enkele belangrijke olieproducenten zoals Rusland, Mexico of de VS. Tegenover de OPEC staat traditioneel het Westerse Internationaal Energieagentschap (IEA), dat in 1974 als reactie op de olieboycot van 1973 het licht zag.2 Deze instelling verricht veel studiewerk over de meest uiteenlopende energieproblemen. Het speelt een belangrijke rol in de samenwerking tussen consumerende landen, onder meer in het geval van crisis. Opkomende landen als China, India en Brazilië maken geen deel uit van het IEA. De enige instelling die in de buurt komt van een mondiale energie-organisatie, is het International Energy Forum (IEF), een instelling met een kantoor in Riaad, Saoedi-Arabië.3 Zoals de naam laat vermoeden, organiseert het IEF vooral informele bijeenkomsten, waaronder de niet onbelangrijke tweejaarlijkse ontmoetingen van energieministers van zowel energie-importerende als exporterende landen. Bij de activiteiten van het IEF worden ook instellingen zoals OPEC, IEA en IAEA nauw betrokken. Het IEF, een benaming die pas sinds 2000 wordt gebruikt, ging van start met een ministeriële conferentie in 1991. Factoren die dit mogelijk maakten waren de val van de Muur, de toenmalige opstoot van multilateralisme en de Golfoorlog van 1990-91. Daarvóór was van mondiaal overleg nauwelijks sprake. OPEC en IEA stonden tamelijk argwanend tegenover elkaar en er was bitter weinig communicatie.

‘Markt’ versus ‘geopolitiek’

De tegenstelling tussen producenten en consumenten is er nog steeds, en wordt bovendien aangevuld en ten dele doorkruist door een belangrijke politiek-ideologische breuklijn. Energie-experts van het Nederlandse Instituut Clingendael maken gewag van de keuze tussen twee ‘verhaallijnen’: ‘markten en instituties’ aan de ene kant en ‘regio’s en imperia’ aan de andere kant.4 Kort samengevat gaat het over ‘markt’ versus ‘geopolitiek’. Dit zijn twee modellen om de mondiale energiemarkten te reguleren. Onder een internationaal regime van markten en instituties verlopen de energieproductie en -handel op basis van marktprincipes. Dit betekent onder meer dat bedrijven wereldwijd vrij kunnen investeren in productie, dat consumenten energie kunnen kopen waar ze willen, dat het transport van energie niet met politieke of andere obstakels wordt geconfronteerd, dat prijzen door de marktwerking worden bepaald en dat multilaterale spelregels de handel in goede banen leiden. Dit regime past goed bij de EU als netto-importeur van olie, gas en uranium. Europese landen waren dan ook voortrekkers van het Energy Charter Treaty dat in het begin van de jaren 1990 tot stand kwam. Aan het verdrag is een in Brussel gevestigd secretariaat verbonden, geleid door de Belg André Mernier. Net als het IEF vloeide dit initiatief voort uit het einde van de Koude Oorlog. Met het verdrag verbinden Europese landen, ex-Sovjetrepublieken, Japan, Turkije, Mongolië en Australië zich ertoe in hun energierelaties voorspelbare marktprincipes in acht te nemen. Rusland ondertekende het verdrag wel, maar ratificeerde het nooit. Dit blijft een heet hangijzer tussen een aantal Europese landen en Rusland. Ook Saoedi-Arabië wordt als producent wel eens met ‘markten en instituties’ geassocieerd; sedert de olieschok van 1973 heeft het land zich tamelijk ‘constructief’ opgesteld ten opzichte van de consumenten en buitenlandse investeerders. Het regime van ‘regio’s en imperia’ veronderstelt daarentegen een miskenning van de markt. Producenten hebben monopolistische neigingen: buitenlandse investeerders zijn niet welkom. Niet zelden spelen staatsbedrijven, zoals het Russische Gazprom of het Venezolaanse PVDSA, een sleutelrol in de energiesector. Prijzen worden politiek bepaald: vrienden krijgen bijvoorbeeld kortingen, vijanden worden gestraft door hogere prijzen of opschorting van levering. In de onzekere context grijpen ook consumerende landen naar niet-marktconforme oplossingen. Ze sluiten exclusieve bilaterale akkoorden af. Er liggen dan veeleer politieke (bijvoorbeeld niet lastig doen over mensenrechten) dan rationeel-economische motieven aan de basis van concessies aan energiebedrijven uit consumerende landen. Denk aan de Chinese oliebelangen in Soedan. De energieproductie en -handel vinden plaats binnen gesloten bilaterale netwerken, regio’s en imperia. Producenten als Rusland, Venezuela en Iran, alsook consumenten als China (en in mindere mate de VS) worden met dit model in verband gebracht. Toegegeven, het plaatje zit in de praktijk niet zo simpel in elkaar. Sommige Europese landen, als Frankrijk, laten zich ook wel eens leiden door nationalisme en geopolitiek, terwijl Rusland zich volgens waarnemers in zijn gasdispuut met Oekraïne op legitieme marktprincipes beriep. Maar de strijd tussen de twee concepten is in onze wereld aanwezig.

Het geopolitieke model lijkt momenteel in opmars. Het draagt veel conflictpotentieel in zich. De verscheidene blokken kunnen zich door elkaar in het nauw gedreven voelen. Denk aan de manier waarop de VS, Rusland en China, naast kleinere mogendheden, elkaar beloeren in het gebied tussen de Kaspische Zee en de Chinese grens. Zelfs marktgerichte consumerende mogendheden kunnen verleid worden tot militaire interventie om markten open te breken; de Irak-oorlog kan ten dele aldus worden verklaard. Hopelijk maken we binnen twintig jaar geen Amerikaanse invasie in Chávez-Venezuela mee. Het geopolitieke model leidt ons niet naar een harmonieuze wereldorde met een duurzaam energieregime. Op termijn kan echter de vraag gesteld worden of het marktgerichte regime dat wel doet. Dit model lost het schaarsteprobleem niet fundamenteel op. Dankzij de markt komen wel hogere prijzen tot stand, wat - net als de geopolitieke afhankelijkheid trouwens - de ontwikkeling van alternatieven aanmoedigt, maar tegelijkertijd erg asociale effecten heeft. Zo was de oliecrisis van de jaren 1970 een ramp voor de Derde Wereld. In het algemeen moet men ook uitkijken voor de macro-economische gevolgen van duurdere energie. In de praktijk kan het theoretische verhaal van vraag, aanbod en bijhorende prijsvorming bovendien doorkruist worden door een omschakeling van marktgerichte naar geopolitieke strategieën die op kortere termijn meer energiezekerheid bieden. De eindigheid van de klassieke energiebronnen en andere natuurlijke rijkdommen lijkt de wereld te doen afstevenen op een heruitgave van het negentiende-eeuwse imperialisme. Eén van de toekomstige generaties dreigt met de onzalige gevolgen hiervan te worden geconfronteerd. De strijd gaat niet alleen om controle over voorraden (om ze te gebruiken of om te verkopen), maar ook om controle over toevoerroutes (om ze te gebruiken of uit te baten). Een Koude Oorlogssfeer, waarbij de VS, Rusland en China de Centraal-Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen met strategische energiebelangen in de eigen invloedssfeer proberen te krijgen of te houden, is al volop in de maak, met inbegrip van militaire invasies (Irak), verdoken steun aan staatsgrepen en ‘revoluties’, en ondersteuning van dictaturen.

Uitdagingen en doelstellingen

Hoe zou een universeel en duurzaam mondiaal energiebeheer er kunnen uitzien, en wat zijn er de doelstellingen van? Het fundamentele schaarsteprobleem, dat samengaat met gigantische sociaaleconomische en veiligheidsrisico’s, kan enkel opgelost worden als snel en massaal wordt ingezet op ecologisch duurzame energiebronnen. Hetzelfde geldt voor de vervuilings- en broeikasproblematiek, die onhoudbare proporties hebben aangenomen. Het mondiale niveau kan een onschatbare bijdrage leveren tot de mobilisatie van onderzoeksmiddelen en het implementeren van energiebesparing en alternatieve energiebronnen. De omvang en urgentie van de problematiek gebieden een staatsinterventie die wij in deze neoliberale tijden niet meer gewend zijn. Uiteraard heeft het mondiale beleidsniveau een sleutelrol te spelen in het aanmoedigen van de internationale samenwerking hieromtrent; het is alle hens aan dek. Dit zijn de hoofdopdrachten van een toekomstgericht mondiaal energiebeheer. Ondertussen moeten ook andere doelstellingen voor ogen gehouden worden. Energiezekerheid van consumerende landen mag niet in het gedrang gebracht worden door bruuske politieke ontwikkelingen, zoals steile prijsverhogingen of boycots. Met de producenten moet dus een constructieve relatie worden uitgebouwd. Keerzijde van deze medaille is dat ook producerende landen, die vaak van hun olie of gas economisch afhankelijk zijn, plotseling geconfronteerd worden met afleiding van de handel. Er moet ook oog zijn voor de belangen van deze landen. De processen gericht op energiezekerheid en omschakeling naar duurzame bronnen moeten bovendien een sociale en Noord-Zuid-gerichte omkadering krijgen. Arme bevolkingsgroepen mogen niet het slachtoffer zijn van marktgerelateerde of geopolitieke ontwikkelingen die de toegang tot betaalbare energie nog moeilijker maken. Daarnaast moeten zij toegang krijgen tot energiebesparende en alternatieve technologieën. De inspanningen op dit vlak zullen drastisch moeten worden opgedreven. Ten slotte moeten producerende landen geholpen worden met hun voorbereiding op het post-fossiele tijdperk (uiteraard dragen ze hier ook zelf een verantwoordelijkheid in; en hopelijk beseffen ze dat). Dit zijn uitdagingen om ‘u’ tegen te zeggen, en het mondiaal beheer is hier institutioneel nog niet voor uitgerust.

De rol van de G8

Hierin kan een pleidooi gelezen worden voor de oprichting van een krachtige energie-organisatie binnen de VN. Maar dan mag dit idee gewoon gevoegd worden bij de meer gerijpte, maar op korte en middellange termijn even onhaalbare ideeën voor een Sociaal-Economische Veiligheidsraad, Wereldmilieuorganisatie of Internationale Belastingorganisatie. In menig hoofdstad leeft een felle weerstand tegen een versterking van de VN of de creatie van een nieuwe ‘multilaterale bureaucratie’. Het is vooral van belang dat een duurzaam energieregime ontstaat, waar de staten zich zo goed mogelijk aan houden. Eventueel moet men het bestaande en tamelijk universele Internationaal Energieforum (IEF, zie boven) de kans geven uit te groeien tot het kloppende hart van een krachtdadig mondiaal energiebeheer. Hoe dan ook kan een dergelijk regime niet van de grond komen zonder het engagement van de machtigste staten, ook al is deze realiteit vervelend voor kleinere staten en de civiele samenleving, die meer democratische beheersvormen prefereren. Er is nood aan consensus onder en leiderschap van de machtigste staten. De G8 lijkt dit ten aanzien van het energievraagstuk te hebben begrepen. Energiezekerheid en macro-economische stabiliteit stonden van in het begin op de agenda van de G7, maar met de G8-toppen van 2005 in Gleneagles (V.K.) en 2006 in Sint-Petersburg is het mondiale energievraagstuk naar een veel fundamenteler niveau getild.5 In acht genomen hoe traag en hoe moeilijk mondiaal beheer gaat, waren deze toppen eigenlijk bemoedigend te noemen. In Gleneagles stond klimaatwijziging centraal, in Sint-Petersburg energiezekerheid. Beide ontmoetingen resulteerden in tamelijk holistisch opgevatte actieplannen in de richting van energiezekerheid, nieuwe investeringen om het aanbod te vergroten, diversificatie van de energiemix, energiebesparing en ontwikkeling van duurzame alternatieven. Zo zullen internationale samenwerkingsverbanden die zich met hernieuwbare bronnen bezig houden, gesteund worden. De G8 is, hoewel niet super-groen (dat is voor de G8 iets te hoog gegrepen) en te marktgericht, tot een doordachte en vrij samenhangende beleidsvisie gekomen. Daarmee kunnen we een eind op weg. De beleidsvisie zal bijdragen tot bewustwording op verscheidene politieke niveaus, binnen en buiten de G8. Onder druk van Duitsland werd kernenergie namens de G8 niet als consensus-alternatief naar voren geschoven. De G8, dus inclusief het op dit vlak omstreden Rusland, heeft zich geëngageerd tot een marktgerichte benadering, wat, mocht hier effectief voor gekozen worden, geopolitieke risico’s enigszins kan verkleinen. Ten slotte is de problematiek van energie-armoede als een expliciet aandachtspunt opgenomen. De voornaamste kritiek is het gebrek aan concrete streefdoelen, het ontbreken van een pleidooi voor krachtige staatsinterventie om sneller de noodzakelijke technologische reconversie tot stand te brengen, alsook de miskenning van de ecologische grenzen van de Aarde in een onhoudbare asociale context waarin de 20% rijksten 80% van de natuurlijke rijkdommen opsouperen.

Misschien is dit te optimistisch, maar het lijkt er sterk op dat de G8 heeft plaatsgenomen in de cockpit van een tot dusver stuurloze wereld. Het is nog veel te vroeg om vast te stellen wat de recente G8-interesse voor energie al opgeleverd heeft, maar eindelijk wordt een zeker leiderschap aan de dag gelegd. Belangrijk in dit verband is dat de G8 samenwerkt met opkomende machten, zoals China, India, Brazilië, Zuid-Afrika en Mexico. Er vonden sinds 2005 reeds enkele vergaderingen met milieu- en energieministers plaats. Na de Oost-Aziatische financiële crisis van eind jaren 1990 riep de G7 de G20 in het leven, een landenclub bestaande uit de G7-landen, Rusland en opkomende economieën van het Zuiden. Het is hoopgevend dat de samenwerking tussen de belangrijkste mogendheden van de wereld omtrent klimaat en energie nu op een gelijkaardige manier gestructureerd raakt. Deze innovatie in mondiaal beheer is op het conto van Tony Blairs G8-voorzitterschap van 2005 te schrijven. Dit alles leidt niet meteen tot revolutionaire veranderingen, maar het is voor de toekomst van wezenlijk belang dat duurzame contacten worden gelegd en een vertrouwensbasis wordt gecreëerd. G8-waarnemers wijzen bijvoorbeeld op de positieve gevolgen van veelvuldige contacten tussen Russische en Westerse diplomaten. Op die manier groeien mogendheden naar elkaar toe en leren ze elkaars bekommernissen beter kennen. Hetzelfde moet mogelijk zijn met China. We mogen niet vergeten hoe veelzijdig en explosief het dossier is. Hoe zou de wereld er binnen enkele decennia uitzien mocht er hierover geen geïnstitutionaliseerd overleg tussen de belangrijkste mogendheden bestaan?

Tot besluit: de zaken niet op hun beloop laten

De mondiale energiecrisis wordt één van de belangrijkste problemen van de 21ste eeuw. De problematiek is veelzijdig en heeft als zodanig een zware impact op milieu, economie, ontwikkeling en veiligheid. Niettemin staat het mondiaal energiebeheer nog in zijn kinderschoenen. De liberalisering van de wereldhandel is bijzonder goed geregeld dankzij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) die alle akkoorden overschouwt en een effectief mechanisme van geschillenbeslechting kent. De wereld moet het ondertussen stellen zonder universele energie-organisatie die spelregels tot stand brengt en bewaakt, om ervoor te zorgen dat Ruimteschip Aarde niet in zware moeilijkheden komt door militair conflict en sociale polarisatie, als gevolg van een slecht beheer van de energiebronnen. Vandaag doen landen wat ze willen. Consumenten en producenten proberen zo goed mogelijk aan hun trekken te komen in een context van toenemende energie-onzekerheid en schaarste.
Het is echter een hoopvol teken dat de G8, in overleg met andere belangrijke landen, van energiezekerheid en de transitie naar een meer duurzame energievoorziening een prioriteit schijnt te maken. De weg is nog lang en er is nog niet veel concreet afgesproken. Maar het mondiale overleg is eindelijk op een ernstige manier begonnen. Een fundamentele vraag in deze liberale tijden, waarin haast iedereen de mond vol heeft van de machteloosheid van de politiek, is echter of de verscheidene regeringen de verantwoordelijkheid zullen opnemen om de reconversie naar een duurzame energievoorziening in handen te nemen opdat deze snel genoeg zou verlopen, dan wel deze taak aan de markt over te laten. Daar moeten de nodige budgetten en wetgeving mee gepaard gaan. Het is niet door de staat voortdurend uit te spuwen en te degraderen dat men deze uitdaging kan aanvatten. Het zou wel eens kunnen dat de hedendaagse liberale pensée unique één van de belangrijkste hinderpalen zal zijn voor de betrachting om als wereldgemeenschap de komende zware energiecrisis zonder al te veel kleerscheuren door te komen.
Tot slot: wat kan een klein land als België doen? België kan het verschil maken door het goede voorbeeld te tonen en radicaal te kiezen voor hernieuwbare energiebronnen. Op internationaal vlak kan België maximaal investeren in het overleg tussen landen binnen organen zoals het Internationaal Energieforum, het Internationaal Energieagentschap en het Energy Charter Treaty. Elk initiatief dat leidt tot een toenadering tussen mogendheden als Rusland, China en India en het Westen is meer dan welkom. Enkel zo kan het besef van lotsverbondenheid wortel schieten.

Dries Lesage
Redactielid en Politicoloog (UGent), doceert het vak ‘Mondialisering en global governance

Noten
1/ BP, Statistical Review of World Energy 2006. URL: http://www.bp.com.
2/ http://www.iea.org
3/ http://www.iefs.org.sa/default.aspx
4/ Instituut Clingendael, Study EU Energy Supply Security and Geopolitics, 2004. URL: http://www.clingendael.nl/publications.
5/ URL: http://www.g7.utoronto.ca.

wereld - energie - energiebeleid - G8

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 10 (december), pagina 50 tot 57