Abonneer Log in

De noodzaak van een sociaalprogressieve projectlijst

nieuwjaarsbrief

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 7

Politiek 2007 wordt het jaar van de federale verkiezingen. We moeten deze verkiezingen aangrijpen om een aantal belangrijke vragen te stellen over onze eigen organisaties en over de manier waarop we naar deze verkiezingen gaan.

Een belangrijke reden om deze vragen te stellen, heeft te maken met de manier waarop de politieke agenda in Vlaanderen wordt vastgelegd. We kunnen niet om de vaststelling heen dat die agenda de laatste vijftig jaar niet zo vaak door ons bepaald werd. Nog duidelijker: de politieke agenda werd in Vlaanderen te vaak door christendemocraten en klassiek-liberalen geschreven. Dit heeft belangrijke gevolgen. Het verplicht sociaalprogressieve organisaties vaak om erg defensief te werken. Dat betekent dat er veel energie verloren gaat die niet gebruikt kan worden om positieve thema’s naar voren te schuiven of offensief onze doelstellingen te bereiken. Bovendien wordt het zo’n beetje een tweede natuur om te verdedigen wat we hebben. We zijn veel minder geoefend in het vooropstellen van positieve, toekomstgerichte projecten.

Natuurlijk speelt het stemmengewicht van sociaalprogressieve partijen een rol. Maar ook onze visie op de manier waarop partijen moeten functioneren, en wat hun rol is, speelt mee. Die visie willen we zeer duidelijk ter discussie stellen. Daarvoor moeten we eerst even terug in de tijd.
Politieke partijen, zoals we ze vandaag kennen, zijn nog niet zo oud. Hun oorsprong ligt ergens in de tweede helft van de negentiende eeuw, met wat voorlopers in het begin van die eeuw (en zelfs iets daarvoor). Als gestructureerde organen, met een duidelijk ideologisch geprofileerd programma, ontstonden ze eigenlijk pas echt in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ze probeerden zoveel mogelijk leden te werven, die verondersteld werden voor zeer lange tijd lid te zijn. Partijen investeerden fors om onder de leden een groot aantal militanten te vormen. De traditionele partijen kenden een sterke interne organisatie; ze hadden machtige ‘bevriende’ organisaties zoals vakbonden en ziekenfondsen. Maar partijen gingen er ook vanuit dat ze over alles een visie hadden (de juiste visie uiteraard), die ze er via de oppositie of via regeringsdeelname en -compromissen probeerden door te duwen. Belangrijk in deze organisatie was wat ‘onze’ partij van ‘andere’ partijen kon onderscheiden. Bovendien was dit een zeer exclusief model: partijen waren de enige organen om politieke meningen te kanaliseren. Ze waren niet de enige organisaties die politieke ideeën ontwikkelden, maar wel de enige die deze ideeën structureel konden omzetten in beleidsbeslissingen. Andere sociaal-politieke organisaties (zoals ngo’s en verenigingen) werden weliswaar geconsulteerd, maar bleven duidelijk aan de zijlijn geposteerd.

Ondanks het feit dat partijen sinds de negentiende eeuw veranderd zijn, blijven ze vandaag structureel nog steeds werken zoals pakweg honderd jaar geleden. In essentie blijven partijen, via verkiezingen, op een zeer exclusieve manier politieke ideeën naar politieke macht kanaliseren. Ook vandaag gaan ze er vanuit dat ze over (bijna) alles een allesomvattende visie hebben. Partijen sluiten nog steeds allianties met een beperkt aantal grote sociaaleconomische actoren, zoals vakbonden, ziekenfondsen, welzijnsinstellingen of werkgeversorganisaties. En die allianties blijven al bij al vrij exclusief. Wie voor de partij kiest, is vandaag nog steeds een volbloedmilitant. De eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat partijen steeds meer contacten leggen buiten de eigen zuil, en dat ze geen volledige volgzaamheid meer verwachten. Maar ze blijven zeer exclusief publiek kanaliseren. Bovendien zijn het ledenverenigingen gebleven. Wil je iets te zeggen hebben in de partij, dan moet je lid worden. Het blijft de bedoeling dat leden geen eendagsvliegen zijn, maar dat ze als het ware een soort geloofsbelijdenis afleggen. Kleinere en nieuwere partijen ontsnappen daar wel grotendeels aan. Ze manifesteren zich op een andere, ongebonden manier. Zo is lidmaatschap geen vereiste om op een spirit-congres te amenderen of tussenbeide te komen. Het biedt de kans om vanuit het middenveld nieuwe inzichten te verwerven. In mei 2006 paste ook sp.a voor het eerst deze regel toe.

Maar buiten de partijen is er veel veranderd. De politieke ruimte wordt immers niet enkel meer ingenomen door partijen. Er bestaan talrijke drukkingsgroepen, middenveldverenigingen en opiniemakers die in de politieke ruimte een rol spelen, onafhankelijk van de politieke partijen. Mensen engageren zich vandaag niet exclusief in een partij, maar soms ook, of vaak uitsluitend, in drukkings- of actiegroepen. Dat betekent niet dat ze niet politiek geëngageerd zijn, of zich niet met politiek zouden bezighouden. Dat doen ze namelijk wel. Allerlei verenigingen, belangengroepen of individuele burgers trachten vandaag ook om politieke ideeën om te zetten in politieke macht. Ze doen dat op een heel nieuwe, dikwijls erg creatieve en flexibele manier. Ze vormen onderling netwerken, sluiten allianties of verenigingen onder een gezamenlijke koepel, om met meer gezag hun visies op tafel te kunnen leggen. Kortom, ze beseffen dat samenwerken kan werken. Heel vaak liggen de politieke ideeën die deze mensen op een alternatieve manier kanaliseren, heel dicht bij die van één of zelfs meerdere politieke partijen. Alleen kunnen de betrokkenen zich niet terugvinden in het totaalpakket van de betrokken partij. Ze stemmen mogelijk op ons, maar keuren niet alles goed wat we voorstellen. Ze zijn geïnteresseerd om samen te werken, maar niet om zich te ‘bekeren’.

Wie aan politiek doet, en zeker partijvoorzitters, moet hierover nadenken. We moeten nagaan wat de gevolgen zijn voor het traject dat respectievelijk een socialistische en een links-liberale partij, die in Vlaanderen naar de verkiezingen gaan, moeten afleggen. We denken dat het goed is hier zo duidelijk mogelijk over te zijn.
Politieke partijen hebben nog altijd zin. Ze werken met leden, vrij coherente politieke uitgangspunten - noem het ideologie - en hebben een relatief allesomvattend programma. Ze zijn - idealiter - ook goed gestructureerd. Maar sociaalprogressieve partijen in Vlaanderen mogen niet langer denken dat ze exclusief zijn in het kanaliseren van progressieve, politieke ideeën. Bijgevolg moeten ze zich ook niet langer als een exclusieve partij aan de kiezer presenteren. Een politieke partij blijft dus een middel om ideeën te kanaliseren, maar kan dat niet meer alleen doen, wil ze die ideeën omzetten in politieke macht. Als sociaalprogressieve partijen zo de sprint naar de verkiezingen inzetten, eindigen ze in verspreide slagorde. En dat is het recept bij uitstek om van politieke macht uitgesloten te blijven, of minstens om gedwongen te worden de politieke agenda te ondergaan. Ze moeten daarom in de eerste plaats samenwerken met andere partijen die inhoudelijk gelijkaardige accenten leggen.
Sociaalprogressieve verdeeldheid is pretentieus én contraproductief. Pretentieus omdat de achterliggende idee nog steeds ‘het eigen grote gelijk’ is. Contraproductief omdat je van de partij het doel, en niet het middel maakt. Wie wil dat de CD&V in Vlaanderen de politieke agenda bepaalt, moet er voorstander van zijn dat er zoveel mogelijk sociaalprogressieve, linkse partijen opkomen. Maar wie wenst dat in Vlaanderen progressieve politici de agenda bepalen, moet ondubbelzinnig pleiten voor samenwerking. Niet na de verkiezingen, maar ervoor, tijdens én erna. Zo iemand moet dus pleiten voor het kartelsysteem. sp.a en spirit hebben dat model als eersten met succes uitgeprobeerd. Toen we startten met het kartel sp.a-spirit schuddebuikten de conservatieve partijen. Vandaag werken ze allemaal in kartel: VLD-Vivant, CD&V/N-VA en VB-Vlott.

Maar vandaag moeten we nog verder durven gaan. We moeten nu resoluut gestructureerde politieke bewegingen, drukkings- en actiegroepen, middenveldorganisaties en geëngageerde individuen betrekken bij de politieke besluitvorming. Ook met deze actoren moet worden samengewerkt: met politieke organisaties op een structurele manier, met actiegroepen of belangenorganisaties punctueel. We verklaren ons nader.
Als er zich een nieuwe beweging aandient, wachten de partijen gewoonlijk zo lang tot die beweging voldoende stemmen haalt om zetels te krijgen. Verstandig en efficiënt is dat niet. We moeten vlugger klaarstaan om die nieuwe groep kansen te geven. Zonder dat ze eerst over de kiesdrempel van 5 procent moet gaan. Ook onder die drempel zitten er uitdagende politieke ideeën die een kans verdienen. Die ideeën kunnen uitgetest worden in een systeem van samenwerking. Zo’n samenwerking is exclusief en structureel, maar niet eeuwigdurend. Als ze goed gebeurt, vernieuwt ze de bestaande partijen. Iedereen is tevreden. De nieuwe beweging krijgt politieke mogelijkheden aangeboden, de bestaande partijen worden vernieuwd. Dat is een win-winsituatie.
Met belangengroepen ligt het iets anders. Het moet mogelijk zijn dat actiegroepen een contract afsluiten met een lijst, op voorwaarde dat een bepaald standpunt verdedigd of politiek gerealiseerd wordt. Dan spreken we over een kritische, voorwaardelijke samenwerking, mét een resultaatsverbintenis. De betrokken actiegroep kan haar steun later intrekken als het resultaat niet gehaald wordt. De steun van de betrokken belangengroep is dus niet noodzakelijk exclusief.
Zo ontstaan er lijsten waarop, naast politieke partijen, ook actie- of belangengroepen, politieke bewegingen en geëngageerde individuen zich presenteren. Ze doen dat op basis van een gezamenlijk, sociaalprogressief project. Dat project omvat niet alle aspecten van een mogelijke politieke actie. De deelnemers aan het project houden bovendien, voor de punten die ze niet expliciet hebben afgesproken, hun bewegingsvrijheid. Ze blijven ook als autonome organisatie actief. In zo’n situatie spreken we niet meer van een kartel, maar van een ‘projectlijst’. Het is de structureel politieke vertaling van samenwerking. De verschillende componenten engageren zich om dit project voluit te steunen, als ze samen in een regering stappen. Ze engageren zich ook om samen de noodzakelijke compromissen te sluiten om het project zo goed mogelijk te realiseren, maar behouden verder hun autonomie. Ze plegen op regelmatige basis inhoudelijk overleg, teneinde het gemeenschappelijke project te versterken. Op die manier sluiten inhoud en organisatie ook dichter bij elkaar aan. Samenhang, solidariteit en duurzaamheid zijn voor sociaalprogressieve politici een centraal thema van de komende jaren. Kritische samenwerking zonder de eigenheid te verliezen, is daar de organisatorische vertaling van.

Het heeft in Vlaanderen geen zin meer om met één politieke partij naar de kiezer te gaan. Zelfs niet met een kartel van twee sociaalprogressieve partijen. We moeten met een toekomstgericht project, met een sociaalprogressieve projectlijst naar de kiezer gaan. Dit is de toekomst voor een maximale kanalisering van politieke ideeën naar politieke macht. Voor de verkiezingen van 2007 zal het allicht te vroeg zijn om alle componenten van een mogelijke sociaalprogressieve projectlijst samen te brengen. We weten dat Groen! er geen zin in heeft. Voor de belangenorganisaties is het ongewoon. Er bestaat in Vlaanderen namelijk geen enkele traditie op dat vlak. Maar het is onze vaste overtuiging dat we er in 2007 wel mee moeten starten.

Vandaag zijn in Vlaanderen de potentiële partners voor zo’n projectlijst al aanwezig. Enkel koudwatervrees houdt samenwerking nog tegen. In het verleden is gebleken dat dit de slechtste raadgever is.

Geert Lambert
Voorzitter spirit
Johan Vande Lanotte
Voorzitter sp.a

sp.a - kartels - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 7