Log in

Werk: Denemarken achterna?

De beginselverklaring van de sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 15 tot 18

Er werd uitgekeken naar de sp.a beginselverklaring, zeker naar de sociaaleconomische thema’s ervan. Zou ze van die aard zijn om de vrede in het socialistisch huishouden te versterken of integendeel opnieuw te verstoren? Het Generatiepact ligt immers nog vers in het geheugen, en dat zorgde - van welke kant je het ook bekijkt - voor barstjes in de verhouding vakbond-partij. En dan was er de intentieverklaring van de voorzitter met voorstellen voor een nieuwe staatshervorming, waarbij zowaar gepleit werd voor de overdracht van het volledige werkgelegenheidsbeleid, sociale zekerheidsaspecten inbegrepen.

DE BEGINSELVERKLARING VAN DE SP.A

Werk: Denemarken achterna?
Jean-Marie De Baene
Na de loopbaan heeft iedereen recht op een goed (aanvullend) pensioen
Isabelle Van Hiel
Het gezondheids(zorg)beleid: anders? Of meer van hetzelfde?
Jan De Maeseneer
Een ode aan de diversiteit?
Bob Van den Broeck

Eén ding is ondertussen duidelijk: de beginselverklaring heeft op dit vlak geen potten gebroken en niet voor nieuwe wrijvingen gezorgd binnen de gemeenschappelijke actie. Ze legt niet al te veel de nadruk op activering van jong en oud. Van splitsing van sociale zekerheidstakken is evenmin (expliciet) sprake. Bovendien onderlijnt ze herhaaldelijk het belang van vakbonden en van sociaal overleg. Maar het zou de tekst, en al wie erbij betrokken was, onrecht aandoen om haar verdienste vooral te zoeken in de diplomatieke aanpak van gevoelige sociaaleconomische dossiers.
Laat ons duidelijk zijn: de beginselverklaring bevat bijzonder sterke beginselen, ook op het sociaaleconomische terrein. Beperken we ons tot het hoofdstuk ‘Werk’, dan kunnen we daar reeds heel wat ambitieuze doelstellingen terugvinden zoals: het streven naar volwaardig werk voor iedereen; ‘meer variatie in de participatie’, of m.a.w. meer participatie voor kansengroepen én meer variatie in de loopbaan, via formules van tijdskrediet en dergelijke; recht op een startkwalificatie en op het verwerven (en laten erkennen) van competenties; maatschappelijk verantwoord ondernemen als standaard, ook wat tewerkstelling betreft.
In het hoofdstuk ‘Democratie’ is er sprake van meer democratische participatie in de economie, door de vakbondsvertegenwoordiging en het overleg te versterken, ook in de kleine en middelgrote ondernemingen.
En in het hoofdstuk ‘Diversiteit’ vinden we de ambitie terug om ervoor te zorgen dat alle werknemers in Europa evenwaardige rechten opbouwen.
Een kleine bloemlezing die toch al illustreert dat het de partij menens is op vlak van werk. Er wordt eveneens vaak vernieuwend gedacht, zoals blijkt uit de aandacht voor een loopbaanbeleid dat verder reikt dan het bevorderen van tewerkstelling, maar dat ook de bruggen tussen werk en privéleven of de bruggen van werk naar werk bevordert. Allemaal niet echt revolutionair, maar met dit soort voorstellen blijft de partij zich in het huidig politiek landschap toch wel positief onderscheiden van de overige spelers.

De zwakke punten van de tekst

In de eerste plaats is hij nogal vaag. We vinden bitter weinig concrete doelstellingen terug, die meetbaar en controleerbaar zijn en daardoor ook mobiliserend kunnen werken. Op het sociale terrein moet je lang zoeken om er één te vinden. Iedereen (op termijn) een pensioen geven dat 70% bedraagt van het gemiddelde netto-inkomen van de 5 laatste jaren is er zo één (en één die kan tellen). Stapsgewijs een gelijkaardig sociaal statuut voor werknemers en zelfstandigen is er nog zo één. Daarbij valt echter op dat de voorstellen inzake de hiermee gepaard gaande verhoging van de sociale bijdragen voor de zelfstandigen wel bijzonder vaag blijven, in het licht van de zeer concrete voorstellen ter verbetering van de uitkeringen. Maar dit terzijde.
Algemene en vage doelstellingen, die een timing missen, blijven wat vrijblijvend. Hiermee heeft men kansen laten liggen om een meer wervend verhaal te maken. Want het is uiteraard niet de eerste keer dat men opkomt voor volwaardig werk voor iedereen. Men had alvast de reeds afgesproken targets kunnen opnemen, zoals het halveren van de ongekwalificeerde uitstroom (jongeren die de school verlaten zonder diploma secundair onderwijs) of het wegwerken van de nationaliteitskloof op de arbeidsmarkt. Beide moeten, volgens het Pact van Vilvoorde, tegen 2010 werkelijkheid zijn.
En waarom bijvoorbeeld geen nieuwe targets vooropstellen rond het recht op erkenning van verworven competenties en het uitreiken van ervaringsbewijzen? Ook al is dit een vrij nieuwe beleidslijn en bestaat er nog geen sterk draagvlak voor, het lijkt mij een bijzonder belangrijke piste in het licht van mobiliteit en sociale promotie op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld voor oudere, ervaren werknemers.
Daardoor mist de tekst ook wat reliëf en prioriteiten. De verpakking na het congres, via een 20-tal principes, maakt dit wat goed. Maar het oogt wel vreemd dat de boodschap voor werk uitpakt met het ‘rechten en plichten-verhaal’ en met een opgestoken vingertje dat dreigt met het verlies van uitkeringen voor wie een passende job of uitkering weigert.

Enkele bedenkingen

Daarmee komen we aan een volgende bedenking: wat steekt er achter een aantal stellingen die men misschien om tactische redenen niet op de voorgrond heeft geplaatst? En oogt het plaatje dan nog zo fraai als we daarnet hebben betoogd?
Zo vindt men op het eerste gezicht geen standpunt over een staatshervorming. De organisatie van de staatsstructuren is nochtans geen akkefietje voor socialisten, die een sterke en goed functionerende overheid altijd hoog in het vaandel hebben staan. Dat bewijst overigens het hoofdstuk over het internationaal beleid, waarin wordt gepleit voor een sterker en socialer Europa, met meer bevoegdheden voor het Europees Parlement en de mogelijkheid voor de Europese Unie om over eigen inkomsten te kunnen beslissen. Het zou dus niet meer dan logisch zijn geweest, mocht ook de andere kant van het spectrum, met name de decentralisering naar gewesten en gemeenschappen (en het lokale niveau) aan bod zijn gekomen.
Bij nader toezien, of met enige voorkennis van zaken, vindt men wel een spoor van staatshervorming terug in het hoofdstuk ‘Werk’. De splitsing tussen RVA en VDAB is in feite achterhaald, heet het. Terwijl men jarenlang het tegendeel heeft beweerd en men, in het belang van de werkzoekende, de fysieke scheiding tussen de ‘bemiddelende’ en ‘begeleidende’ taak van de VDAB en de ‘controlerende’ hand van de RVA verdedigde.
En er is het pleidooi voor een vernieuwde sociale zekerheid (lees: op het regionaal-communautaire niveau), waarin verschillende stelsels moeten worden geïntegreerd, die momenteel verspreid liggen over het federale en het regionaal-communautaire niveau: tijdskrediet, betaald educatief verlof, brugpensioen,… met resp. aanmoedigingspremies, opleidingscheques en outplacementtegemoetkomingen vanwege het herplaatsingsfonds. Waarmee opnieuw in de verf wordt gezet dat het volledige arbeidsmarktbeleid met stip bovenaan het sp.a-lijstje staat als het op regionalisering aankomt.
De tegenwerping van vakbondszijde is ondertussen bekend en stoelt in het bijzonder op het argument dat ‘prutsen’ aan de sociale zekerheid en aan arbeidsrechtelijke arrangementen uit den boze is vanuit solidariteitsoverwegingen.

Het Deense model?

De verdere zoektocht naar een verborgen agenda brengt ons bij het activeringsverhaal. Concepten zoals langer werken, later met (brug)pensioen, kortere opzegtermijnen of beperken van de werkloosheiduitkeringen in de tijd vinden we in de verklaring niet terug. De nadruk ligt daarentegen op het verhogen van de werkkansen, het bevorderen van doorgroeimogelijkheden, het voorkomen van werkloosheid en de bevordering van de kwaliteit van de arbeid. Mooi, maar toch pakt men, zoals reeds aangestipt, uit met de oneliner : ‘Voor iedereen een passende job of opleiding. Wie beide weigert, verliest zijn uitkering’. Waarmee we direct in flexicurity-land zijn aanbeland. Denemarken staat hierbij model: een mix van hoge jobmobiliteit (via flexibele arbeidsregelingen), een sterke sociale zekerheid (via een genereus welvaartsmodel) en een hoge mate van tewerkstellingszekerheid (via een activerend arbeidsmarktbeleid).
Het partijbureau hield er in de aanloop van het congres een studiedag over. In een recente toespraak in Nederland hield Vlaams Minister van Werk Frank Vandenbroucke een duidelijk pleidooi voor een flexicurity-aanpak. Hij hekelde daarbij de gebrekkige activering en de geringe mobiliteit en flexibiliteit in België. Hij koppelde dit bovendien aan het regionaliseringsverhaal: ‘Als je een goed evenwicht wil tussen ondersteunen en motiveren, tussen rechten en plichten, dan is het immers veel logischer om de wortel en de stok in één hand te houden’.1 Waarbij de activeringsgedachte als motief verschijnt voor de hoger genoemde regionalisering van het arbeidsmarktbeleid. Vreemd dat men over dit ‘lichtend’ model nog geen breder debat heeft gevoerd.
Een drietal bedenkingen zijn hier alvast op hun plaats. Zoals zo vaak het geval is met modellen, wordt het Deense model vaak verkeerd geciteerd. Zo is het een fabeltje dat jobs in Denmarken een zwakke bescherming genieten. De opzegperiodes in Denemarken (en de andere Scandinavische landen) zijn langer dan in veel andere lidstaten het geval is.Los van de evidente vaststelling dat men modellen niet zomaar kan kopiëren, moet men ook oog hebben voor de contra-indicaties vooraleer men zaken overneemt. Zo zijn er ook minpunten bij een (te) grote mobiliteit. Deense onderzoekers noteren dat de grote jobmobiliteit ook inhoudt dat werknemers herhaaldelijk getest worden op hun inzet en werkcapaciteiten. Gevolg van dergelijk continu selectieproces is dat groepen werknemers uitgesloten worden, wanneer ze onvoldoende beantwoorden aan de verwachtingen van werkgevers.3 De hoge productiviteit in ons land wordt door sommige wetenschappers onder meer toegeschreven aan de geringe arbeidsmobiliteit. Trouwe medewerkers zijn ook productievere medewerkers.4
Wanneer nu ook socialisten verkondigen dat er behoefte is aan meer activering, meer mobiliteit en meer arbeidsflexibiliteit, dan bestaat het risico dat vooral de ‘flinkste’ kantjes overblijven, zoals strengere sancties voor wie een opleiding of een job weigert. Te beginnen met een soepelere invulling van wat als ‘passend’ kan worden beschouwd of een grotere persoonlijke verantwoordelijkheid om de eigen inzetbaarheid op peil te houden. En de shift van jobzekerheid naar werkzekerheid dreigt dan vooral een verhaal van kortere opzegtermijnen en een uitbreiding van tijdelijke tewerkstelling te worden. Dit is alvast de agenda van de werkgevers.
De andere pijlers van het Deense model, zoals eens sterk sociaal overleg, grootschalige investeringen in opleiding, onderwijs en kinderopvang en een hoog uitgavenniveau in de sociale zekerheid (zowel voor actieve maatregelen als voor passieve uitkeringen) worden doorgaans minder geciteerd in werkgeversmiddens. Ze gaan er al te makkelijk van uit dat grotere flexibiliteit tot betere prestaties leidt. En dan hebben ze het niet over flexibiliteit op werknemersmaat, want ze zijn als de dood voor tijdskredieten en mobiliteit van ervaren werknemers naar de concurrentie.

Naast de verborgen agenda is er ook een vergeten agenda: over de verantwoordelijkheid van werkgevers vinden we weinig terug. Er wordt wel iets gezegd over de rol van bedrijven bij de tewerkstelling van kansengroepen en diversiteit. Ook maatschappelijk verantwoord ondernemen passeert de revue. Maar het is allemaal zo braafjes in het licht van de forsere taal die men hanteert richting werkzoekenden. Waarom heeft men het niet over activering van ondernemingen? Waarom durft men niet resoluut overheidssteun en overheidsbestellingen mee afhankelijk maken van de mate waarin bedrijven werk maken van een arbeidsmarktbewust personeelsbeleid ? Toegegeven, dan gaat het niet langer over doelstellingen, maar wel over de instrumenten. Maar ook hier moet een progressief beleid zich onderscheiden. En wat koop je met de mooie doelstelling van volwaardig werk voor iedereen, wanneer we niet preciezer aangeven met welke middelen we dit willen realiseren?

Het werk is dus niet af. De beginselverklaring biedt een kader. Maar dit vergt verdere invulling, waarbij de verborgen en vergeten agenda’s aan de oppervlakte komen.

Jean-Marie De Baene
Directeur studiedienst Vlaams ABVV en redactielid

Noten
1/ Vandenbroucke Frank.’Hoog niveau of eerlijke verdeling? Slim investeren en hervormen kan er én-én van maken.’ (Toespraak op het symposium van WRR en SER ‘Naar een nieuwe sociale investeringsagenda’, Den Haag,16 januari 2007)
2/ Janssen Ronald (2006) ‘Protecting the worker and not the job? The real lessons from collective bargaining in Denmark and Sweden. In: Collective Bargaining Information Bulletin. 2006/03
3/ Bredgaard Thomas, Larsen Flemming and Madsen Per Kongshog (2006) ‘Opportuinities and challenges for flexicurity - The Danish example’, In: Transfer autumn 2006
4/ De Tijd, 26/01/2007, ‘Een strakkere arbeidsmarkt levert loyalere medewerkers’.

tewerkstelling - Deense model - sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 15 tot 18