Log in

'De mythe van het vrije ik - Pleidooi voor een menselijke vrijheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 4 (april), pagina 56 tot 58

De mythe van het vrije ik - Pleidooi voor een menselijke vrijheid

Wouter Beke
uitgeverij Averbode, Averbode, 2007

Het boek van Wouter Beke, de ondervoorzitter van de CD&V, moet zo aandachtig mogelijk gelezen worden. Het gaat hier immers om de visie van een belangrijke Vlaamse partij. Het voorwoord door Jo Vandeurzen, het nawoord van Yves Leterme, de bespreking door Jos Geysels (op de voorstelling van het boek) en de discussies die erover plaats hadden in de media, zeggen iets over het politieke denken in Vlaanderen. Ik stel mezelf dan ook de vraag: heb ik dit boek goed gelezen en, belangrijker, heb ik de auteur begrepen? Ik maak me zorgen…

Wetten: ethiek, gezond verstand of alleen maar subjectieve preferenties?

Wouter Beke heeft kritiek op de wetgever die op tal van gebieden de keuzevrijheid van de burgers beperkt, maar ze op levensbelangrijke punten sterk verruimt. Hij doelt op abortus en euthanasie. Waarom laat de wetgever het huwelijk voor paren van het gelijke geslacht toe en polygamie niet?, vraagt hij. Volgens Beke zijn wetten niet waardevrij. Dit is een vreemde vaststelling. Kunnen wetten immers, zelfs al slaan ze op technische aangelegenheden (bijv. op de invoering van een boekhoudkundig plan), waardevrij zijn? Worden niet steeds waarden toegekend aan de enen en ontzegd aan anderen? De ene betaalt meer belastingen, de andere wordt beter beschermd.

Alle door Beke bedoelde wetten werden gestemd door socialistische, liberale en groene parlementsleden waarvan de handelingen gesanctioneerd worden door hun gewetens en hun kiezers. In de debatten waarover Beke het heeft, was het ethische sterk aanwezig. Er werd beslist abortus, euthanasie en partnerkeuze onder strikt omschreven voorwaarden over te laten aan de individuele zelfbeschikking. Maar volgens Wouter Beke mag het maatschappelijke debat niet vertrekken van de individuele zelfbeschikking, maar moet het vertrekken van de idee van de gedeelde verantwoordelijkheid. (p.19)

Wouter Beke heeft volkomen het recht te verklaren dat bij de discussie van bedoelde wetten verkeerdelijk vertrokken werd van de idee van de individuele zelfbeschikking. Maar hij moet toegeven dat de beslissingen ernstig en democratisch voorbereid en gestemd werden. Ze werden niet opgedrongen door een Europese Richtlijn, niet getroffen in het kader van een volmachtwet of ingevoerd door middel van een Samenwerkingsakkoord met kracht van wet (als politici menen dat het gaat om zeer belangrijke kwesties moeten ze voorstellen deze kwesties te regelen in de Grondwet, die slechts kan worden gewijzigd door een stemming bij bijzondere meerderheid). Bij het stemmen van genoemde wetten werd blijk gegeven van respect voor de burger-kiezer in de christelijk-humanistische democratische betekenis van het woord. Beke ziet dat anders. We lezen op p.14: ‘Het grote probleem is dat moraliteit zomaar in wetten wordt gegoten. Het gezond verstand lijkt geen plaats meer te krijgen. Elke subjectieve preferentie wordt teruggebracht tot wettelijke bepalingen, terwijl het gaat om basishoudingen tussen mensen die niet in wetten te vatten zijn’. We zouden de auteur willen vragen de door hem gebruikte begrippen te definiëren. Wat wordt bedoeld met moraliteit, gezond verstand, subjectieve preferentie, basishoudingen? Is dit alles niet zeer verwarrend?

Als het ‘vrije ik’ een mythe is, is de democratie dat ook

Wouter Beke heeft het in zijn boek over de ‘Mythe van het vrije ik’. Dit is een stelling die voor democraten moeilijk te verteren is. Democratie is toch het stelsel dat het meest respect toont voor het individu? Het gaat er van uit dat ‘het vrije ik’ geen mythe is. De democratie kan en mag overigens niet anders dan uitgaan van de idee, het geloof, de fictie wellicht, misschien de mythe, dat elke burger vrij kan denken en beslissen, dat alle burgers kunnen overtuigen en overtuigd kunnen worden, dat alle burgers op gelijke wijze invloed kunnen uitoefenen op beleid en gemeenschapsvorming. Wie deze uitgangsstelling betwist en ‘het vrije ik’ beperkingen wil opleggen, ondergraaft het democratische stelsel. Democraten kunnen niet anders dan aan alle leden van de gemeenschap evenveel politieke en andere rechten toekennen. Zij moeten er van uitgaan dat allen zelfstandig kunnen denken, dat allen een vrije wil hebben, dat allen binnen en buiten verbanden een ‘vrij ik‘ kunnen zijn. De andere weg leidt naar discriminatie, apartheid en autoritaire stelsels. Daarin is het vrije individu inderdaad maar een mythe. Hier ligt een fundamenteel meningsverschil.

Bij het aandachtig lezen van het boek van Wouter Beke vragen we ons af hoe hij de democratie bekijkt, en of hij het individu inderdaad ziet als een vrij beslissende drager van het systeem. Hij doet ons twijfelen. Hij schrijft o.a. ‘ ik heb willen aantonen dat het uitgangspunt van het autonome en rationeel handelende individu geen realiteit is. Het vrije ik is slechts een mythe? (p. 88) ... Een grote groep van mensen voelt zich pas echt vrij wanneer anderen voor hen keuzes maken en wanneer zij bepaalde gedragspatronen gewoon kunnen overnemen.... Onbewust zoeken mensen zelf naar verbanden. Deze verbanden maken het leven gemakkelijker, want hierdoor moet een aantal keuzes niet meer gemaakt worden. (p.85) En verder op pagina 100: ‘Het vrije ik bestaat dus niet. Het is een mythe. ....Er moet daarom groot belang toegekend worden aan politieke organisaties die informatie verzamelen en toegankelijk maken....‘

Dat het individu buiten deze organisaties kan denken en leven, dat het binnen deze structuren oppositie kan voeren, dat het deze structuren kan bestrijden, dat het ze betuttelend kan vinden, dat het andere structuren kan oprichten, wordt door Beke niet gezegd. Hij stelt vast dat voor een aantal ‘het voorgestructureerd zijn van het maatschappelijk handelen’ aantrekkelijk is. (p.77) Het maakt het leven comfortabel. Het genieten van de volgzaamheid, ‘la jouissance de la soumission’, wordt door Beke impliciet aanvaard als normaal. De Vlaming wordt door hem niet aangespoord om zelfstandig te denken en bijv. elementen uit het in Vlaanderen gevoerde economische discours kritisch te bekijken en de gebruikswaarde van goederen en diensten te plaatsen naast en boven hun in geld uitgedrukte ruilwaarde. Ruimt Beke plaats in voor fundamentele kritiek op ideeën, waarden en machtsstructuren o.a; in het - voor hem zo belangrijke - middenveld.

Wel heeft hij het over pluralisme, over ‘verantwoordelijk‘ en ‘kleurrijk pluralisme’: kleurrijk pluralisme kan maar bestaan wanneer de verscheidenheid gedragen wordt door groepen, gemeenschappen, georganiseerd in verenigingen en instellingen. (p. 144) In een voorafgaande alinea had hij het verantwoordelijk pluralisme vergeleken met de idee van de statengemeenschap, zoals gezien door Woodrow Wilson: ‘Deze pleitte na de Eerste Wereldoorlog voor de soevereiniteit
der volkeren, om te komen tot een verdraagzame samenleving.‘ Moeten allochtonen alleen samenleven in eigen verbanden, eigen verenigingen, in getto’s? Waarom kan pluralisme niet gediend worden door het opnemen van individuele niet-Vlamingen in bedrijven, administraties, sportclubs, toneelkringen, partijen?

Sociologische realiteit of na te streven samenlevingsmodel?

Wouter Beke geeft de indruk dat het individu ‘zonder vrije wil‘ het best gedijt en dat hij beschermd wordt binnen en door de groep waarmee het zich identificeert, waarvan het de waarden beleeft, waarvan het de taal spreekt, waarin het zich goed voelt. Wat wil de auteur? Is dit een puur beschrijven van een sociologische werkelijkheid of gaat het om het voorstellen van een na te streven samenlevingsmodel op maat van de CD&V? Mogen de individuen zich ook afwijkend gedragen en buiten de verbanden treden? Kunnen mannen vrouwenrechten verdedigen, kunnen arbeiders het opnemen voor bedienden, kunnen Franstaligen begrip tonen voor Vlaamse problemen en Vlamingen zich meer verbonden voelen met Waalse werklozen dan met Nederlandstalige gegoede volksgenoten? Mag Belgische en Europese loyaliteit de Vlaamse overstijgen?

Dat is blijkbaar niet de mening van Beke. Hij schrijft: ‘Echte vrijheid kan maar bestaan binnen een reeds bestaande morele gemeenschap‘. (p. 171) ‘De mens kan echter niet worden herleid tot een deel van de gemeenschap want daarvoor beschikt hij over een te grote vrijheid. Hij kan deze vrijheid ook misbruiken om volledig los te komen van die gemeenschap, want hij beschikt maar over zijn vrijheid dankzij die gemeenschap. (p.172) Volgens de auteur heeft de gemeenschap een ethische oorsprong. (p.171) Over deze ethische oorsprong wordt echter niets gezegd: geen definitie, geen omschrijving.

We lezen nog dat alleen sterke gemeenschappen sterke individuen voortbrengen, en dat sterke individuen sterke gemeenschappen nodig hebben om efficiënt te zijn. Het belang dat gehecht wordt aan de rol van de gemeenschap voor de enkeling doet ons denken aan het boek van Othmar Spann ‘Gesellschaftslehre‘, een voorloper van het fascisme. Wanneer is een gemeenschap een sterke gemeenschap? Beke geeft een toelichting, geen omschrijving. Maar kunnen wij in Vlaanderen werken met ongedefinieerde begrippen?
Beke is eerst en vooral Vlaming. In het laatste hoofdstuk schrijft hij: ‘Zonder respect voor onze gemeenschap,onze taal, onze cultuur, onze waarden, gaat het niet‘. (p.182)

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 4 (april), pagina 56 tot 58