Abonneer Log in

Leefbaar inkomen via waardig werk: (in)formele economie in Afrika

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 4 (april), pagina 40 tot 45

Halverwege maart 2007 stuurde de International Finance Corporation (IFC) van de Wereldbankgroep een positief bericht de wereld in. De armen hebben meer koopkracht dan verwacht! Zo’n 72% van de wereldbevolking is arm. Dat zijn 4 miljard mensen. En die hebben samen een koopkracht van 5000 miljard dollar. Marketeers aller landen, storm er op af. Hier is een nieuwe doelgroep. De belangrijkste behoeften zijn voeding, energie, huisvesting, transport en gezondheid. Bij de IFC kun je terecht voor een overzicht van de meest succesvolle strategieën om deze markt aan te boren.

Een goede lezer blijft haperen bij die 72%. Dat is echt niet weinig. De armen hebben misschien wel meer koopkracht dan door sommigen verwacht werd, ze hebben ook zeer veel tekort. Het zou een pak interessanter worden als de Wereldbank zou bepalen welke koopkracht die 72% armen moet hebben om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien én om daarbovenop toch ook nog een aanvaardbaar welvaartspeil te bereiken. Meteen voeg ik eraan toe dat ik niet vind dat alle basisbehoeften en een flink stuk van de welvaart via het verhogen van koopkracht moeten worden geregeld. Er zijn andere mechanismen die minstens een even belangrijke rol (kunnen) spelen.
Over armoedebestrijding zijn de meningen verdeeld. Er is een brede consensus dat de armoede in de wereld moet worden aangepakt. De strategieën daartoe en de bedoelingen daarmee lopen echter zeer uiteen. In het verleden is er al heel wat aandacht aan armoedebestrijding besteed op internationale politieke fora. Recent zijn er de Millenniumdoelstellingen. En, zegt de Wereldbank zelf op zijn website, ‘the Millennium Development Goals commit the international community to an expanded vision of development, one that vigorously promotes human development as the key to sustaining social en economic progress in all countries’. De halvering van de armoede tegen 2015 krijgt de eerste plaats in het lijstje van de Millenniumdoelstellingen.
De IFC grijpt de koopkracht van de armen aan om private bedrijven een grotere ontwikkelingsrol te laten spelen. ‘Bedrijven winnen als ze aandacht besteden aan de armsten. De wereld wint als ecologische duurzaamheid, transparantie en billijkheid even stevig in bedrijfsstrategieën t.a.v. de armsten zijn opgenomen als de wens om winst te maken’, aldus Jonathan Lash van het World Resources Institute.
De wens om winst te maken, is niet gemakkelijk verenigbaar met de nood om elke mens te voorzien in zijn basisbehoeften, kansen voor individuele en maatschappelijke ontwikkeling te scheppen, en iedereen een deftig inkomen te garanderen. Blijven denken dat meer productie of economische groei automatisch zal leiden tot een beter leven voor de mensen die in armoede leven, is niet verantwoord. Sommige landen kennen een succesverhaal en slagen erin om door economische groei betere levensomstandigheden te creëren voor hun armste bevolkingsgroepen. Maar dat is zeker geen algemeen gegeven. Om de hele bevolking van een land te laten meegenieten van zijn economische vruchten zijn systemen voor inkomensherverdeling nodig. En moet die bevolking, in groep en als individu, voldoende kansen krijgen om zich te ontplooien.
Waardig werk is een interessante hefboom om de armoede aan te pakken. Het begrip werd door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) gedefinieerd. Waardig werk is productief en betekenisvol werk dat voorziet in een leefbaar inkomen. Mensen die waardig werk verrichten, hebben arbeidsrechten en worden beschermd door de wet. Ze kunnen zich organiseren en genieten sociale bescherming voor hun families. Waardig werk gebeurt in volle vrijheid, billijkheid, veiligheid en menselijke waardigheid en dat zonder discriminatie. Waardig werk is er dus voor mannen én vrouwen. Als we armoede wereldwijd willen beperken of liefst helemaal wegwerken, dan zullen we waardig werk een centrale plaats in de strategieën voor economische en sociale vooruitgang moeten geven. Maar die verwachting is nog lang geen realiteit.

Waardig werk in Afrika

De studie van de IFC over koopkracht omvat ook cijfers per regio. De IFC beschouwt 95% van Afrika’s bevolking als arm. Dat zijn 486 miljoen mensen. De IFC hanteert hier, voor één keer, een zeer ruime definitie van armoede. Men was er immers op zoek naar een nieuwe afzetmarkt. Het is gebruikelijker om de 1 of 2$/per dag-norm te gebruiken. Dan kom je voor Sub-Sahara Afrika (hieronder voortaan Afrika genoemd) op gemiddeld 75% van de bevolking die het moet stellen met minder dan 2$ per dag.
Het is zeer moeilijk om correcte en recente cijfers over tewerkstelling, werkloosheid en inactiviteit voor Afrika te vinden. De IAO berekende wel dat 89% van de actieve bevolking uit Sub-Sahara Afrika niet genoeg verdient om zichzelf en zijn familie boven de 2$/dag-grens te trekken. Zij zijn de working poor en helaas niet de enigen die uitgesloten zijn van waardig werk. Bij die groep moet je ook nog het onbekende aantal mensen rekenen die wel uitkeken naar een job, maar er geen vonden.

De informele economie

De Afrikaanse working poor komen vaak in de informele economie terecht. In 1990 werkte 21% van Afrika’s actieve bevolking in de informele economie. Voor de stedelijke tewerkstelling loopt dit percentage op tot 40 à 60%. De IAO schat dat dit percentage zal stijgen tot ongeveer 93% tijdens het volgende decennium.
Is een inkomen uit de informele economie halen dan sowieso verkeerd? Helemaal niet. Vaak heb je geen andere keus. Maar werken in de informele economie staat wel voor werken zonder contract, zonder toepassing van arbeidsrechten en zonder sociale bescherming. De informele economie biedt allerlei diensten en producten aan. Ook diensten en producten die door de formele economie niet opgenomen worden of die afgestoten worden. Je denkt spontaan aan schoenpoetsers op straat, verkopers bij de verkeerslichten, vrouwen die thuis naaiwerk verrichten. Dat zijn de eenmansbedrijfjes die meestal puur uit een behoefte aan overleven ontstaan. De informele economie is echter veel breder. Je vindt er ook grotere bedrijven met meerdere werknemers. Bedrijven met een structuur en een hiërarchie. Bedrijven die vaak heel wat werk verschaffen, maar die niet of onvolledig geregistreerd zijn. Ze lappen daardoor allerlei wetgeving aan hun laars. Formele bedrijven kunnen ook informele werknemers ‘in dienst’ hebben. Een arbeider die bij ons in het zwart werkt voor een bouwbedrijf behoort tot de informele economie.
In Ghana is de informele economie zo belangrijk dat het in 1999/2000 naar schatting 38,4% bijdroeg tot het BNP. Het bestond voor een groot deel uit familiebedrijfjes van kleinschalige producenten, handeltjes, transport of andere diensten. Maar je vindt er ook informele arbeiders in de textiel- en metaalsector, en de voedselverwerkende nijverheid. In de steden wordt deze groep nog uitgebreid met vrouwen die werken als huishoudster. De Ghanese overheid kwam in 1997 tot de vaststelling dat de informele economie werk gaf aan 89% van de actieve bevolking.
In Mozambique schat men dat 30 tot 40% van de huishoudens afhankelijk zijn van de informele economie. De bijdrage tot het BNP bedroeg, volgens de Wereldbank, 40,3% in 1999/2000. Vrouwen vormen de grootste groep van de informele werkers. Maar geleidelijk aan komen er meer mannen in de sector terecht. Het begon met werkloze jonge mannen die een handeltje dreven en diensten aanboden. De tijdelijke verkoopspunten zijn ondertussen omgebouwd tot permanente openluchtsupermarkten.
In Namibië kwam het Labour Resource and Research Institute (Larri) in 2001 tot de vaststelling dat ruim 30% van de actieve bevolking in de informele sector werkt. De vrouwen nemen iets meer dan de helft van de tewerkstelling voor hun rekening. Namibische informele werkers vind je terug in dezelfde sectoren als in andere Afrikaanse landen. De grootste groep werkt op het platteland. Maar in Namibië zijn er geen echt grote steden.
Al deze cijfers tonen aan dat de informele economie belangrijk is. Toen de term in de jaren 1970 voor het eerst gebruikt werd in een studie over Ghana (door de Britse economist Keith Hart) dacht men dat het om een tijdelijk fenomeen ging dat later zou opgaan in de formele economie. Het tegendeel is echter waar geworden. De informele economie is steeds belangrijker geworden, zowel qua omzet als jobcreatie. Het onvermogen van de formele economie om voldoende jobs te creëren stuwt mannen en, in nog grotere mate, vrouwen in de richting van de informele economie om te kunnen overleven.
Een inkomen kun je in de informele economie vinden. Een leefbaar inkomen is al een pak moeilijker. En voor waardig werk moet je er echt niet zijn. Niemand garandeert je arbeidsrechten. Niemand zorgt voor sociale bescherming. Als je voor steun gaat aankloppen bij de overheid heb je grote kans dat je ook nog bestraft wordt. Je oefent meestal een illegale activiteit uit. Vakbonden beginnen de informele economie te ontdekken, maar moeten afrekenen met protesten van hun leden uit de formele sector. Nochtans zijn er voldoende redenen om de arbeiders uit de informele economie te organiseren, of voor die arbeiders om zichzelf te organiseren. Zoals formele werkers hebben informele werkers rechten, en moeten ze de vrijheid krijgen om deze rechten uit te oefenen.

De formele economie

Is het dan zoveel beter gesteld met de formele economie in Afrika? Het hangt ervan af hoe je het bekijkt. Er zijn goeie jobs in Afrika. Jobs waaraan rechten verbonden zijn, in bedrijven die de wetgeving en de internationale normen respecteren. Jobs die toegang bieden tot sociale zekerheid en die redelijk verloond worden. Maar die jobs zijn schaars.
In Ghana vindt slechts 10 tot 15% van de actieve bevolking werk in de formele economie. In Namibië werkt 60 tot 70% van de actieve bevolking in de formele economie. In Mozambique is de situatie onduidelijk.
Werken in de formele economie is geen garantie voor waardig werk. Dat bewijzen de ervaringen van de arbeiders van Ramatex in Namibië. Ramatex is, naar eigen zeggen, een ‘vertically integrated multi-national group of textile manufacturing companies’ uit Maleisië. Ramatex had in 2004 een omzet van meer dan 300$ miljoen en gaf werk aan 25.000 arbeiders. Al van bij de start in Namibië in 2001 ontstonden er hevige arbeidsconflicten. Geen week ging voorbij zonder klachten over verplichte overuren, illegale ontslagen en de onmogelijkheid om verlof op te nemen. Ramatex betaalde zijn arbeiders slechts 3 Rand per uur (of ongeveer 30 eurocent). Het weigerde koppig om het loon te laten stijgen. Op elke vraag naar meer loon van de arbeiders en hun vakbond NAFAU antwoordde Ramatex dat de productiviteit in de Namibische vestiging te laag was om loonsverhoging te verantwoorden. Nochtans stonden de lonen absoluut niet in verhouding tot wat gangbaar was in Namibië.
In 2004 wierf Ramatex via mensenhandelaars 400 Bangladeshi aan. Eén van hen vertelde aan de pers dat hij 3500$ betaald had voor zijn rekrutering. Hij kwam samen met zijn landgenoten, zonder geldige werkvergunning, in de fabriek terecht. De Namibische overheid greep in toen de omstandigheden waarin de Bangladeshi moesten werken en leven - ze woonden met zijn 400 in dezelfde kleine woning - bekend geraakte in de pers. De Bangladeshi werden het land uitgezet en konden voortaan hun problemen zelf oplossen.
Tijdens een vakbondscongres in september 2006 uitten de Ramatex-arbeiders eens te meer hun ongenoegen over hun bedrijf en over de steun dat het bedrijf van de Namibische overheid kreeg. In oktober van datzelfde jaar werden de loononderhandelingen voor de zoveelste maal verbroken zonder noemenswaardig resultaat. Het bedrijf liet slechts een loonstijging van 15 Randcent per uur toe. Met de vakbond werd er niet meer gepraat omdat de delegatie 15 minuten te laat kwam op de vergadering. De vakbondsdelegatie, die jaren geprobeerd had om met rustige onderhandelingen zijn doel te bereiken, veranderde van strategie. Zo’n 90% van de Ramatex-arbeiders besloten tot een staking. Prompt reageerde de bedrijfsleiding met een loonsverhoging van 60 randcent/uur, op voorwaarde dat de personeelsleden productiever werden. De arbeiders kregen enkele uren om op dit voorstel positief te reageren. Bij een weigering zouden ze geconfronteerd worden met een lockout. Maar de 3000 Namibische arbeiders hielden hun been stijf en gingen in staking. De Chinese migrantenarbeiders van hetzelfde bedrijf bleven aan het werk.
De staking kreeg grote media-aandacht en steun van organisaties in binnen- en buitenland. Ramatex gaf zijn management een nieuw mandaat om te onderhandelen met de vakbond. De vakbond kreeg ook toestemming van de stakers om te onderhandelen, maar dan wel over een loonsverhoging van minstens 2,5 Rand per uur. Enkele uren later haalden de arbeiders hun slag thuis. Ramatex stond onder druk om op tijd te leveren aan zijn klanten in de Verenigde Staten. Het moest toegeven om de productie weer op gang te krijgen. Het loon van de arbeiders werd verhoogd met 1,1 Rand per uur. En er zouden voor het eerst extra vergoedingen uitbetaald worden: 100 Rand per maand en per persoon voor transport, en 150 Rand per persoon voor huisvesting. Daarnaast een eindejaarspremie ter waarde van 60% van een maandloon. Alsook een bijdrage voor een pensioenfonds en een fonds voor medische hulp.
De Ramatex-arbeiders verdienden na het akkoord een loon van ongeveer 1000 Rand per maand. Daarmee verdienen ze nog 500 Rand minder dan de arbeiders in andere sectoren. Werkzekerheid hebben ze ook al niet. Ramatex kondigde in 2005 al aan dat het overwoog om zijn bedrijven in Namibië te sluiten, om zich te concentreren op productie in Azië. De plannen daartoe krijgen steeds duidelijker vorm.
Zo bont als Ramatex maken de meeste bedrijven het niet. Maar dat betekent niet dat er dan wel waardig werk is. De Afrikaanse vakbonden kunnen jaarlijks ganse boeken vullen met verslagen van klachten over arbeidsrechtenschendingen. En dikwijls wordt aan die schendingen bijgedragen door de overheden van de landen waar de bedrijven zich vestigden. De arbeiders van Ramatex kloegen dat de vertegenwoordigers van de overheid zich gedroegen als managers. En dat is wel vaker het geval. Komt dat omdat de overheden schrik hebben van bedrijven? Dat kan. Bedrijven zorgen immers voor werkgelegenheid en kapitaalsinjecties. Als ze gericht zijn op internationale markten brengen ze ook nog eens deviezen binnen. Bovendien betekent een groot aantal producerende bedrijven een legitimatie voor het regime. Daarom zijn veel overheden geneigd om interessante condities te creëren voor exporterende bedrijven. Denk maar aan de vrijhandelszones. Maar ‘schrik’ of afhankelijkheid zijn niet de enige factoren. Zelfs in een land als Namibië, met een relatief goed werkende overheid en ambtenarij, beschikt men over onvoldoende getrainde arbeidsinspecteurs om adequaat toe te zien op de naleving van de arbeidswetgeving. Zelfs al zou het dit willen, het ontbreekt Namibië aan slagkracht om waardig werk af te dwingen.
In Europa denken we spontaan aan delokalisatie en flexibiliteitseisen als bedreiging voor waardig werk. Dat is in Afrika niet anders. Onze arbeiders van Ramatex behaalden een sociale overwinning. Ondertussen is China zeer aantrekkelijk voor internationale bedrijven geworden. In 2002 werkten al meer dan 30 miljoen Chinezen in vrijhandelszones met wel heel beperkte rechten en zonder bescherming. Dat aantal nam in de voorbije jaren nog sterk toe. Ramatex kwam naar Namibië omdat het botste op productiequota in Azië. Bovendien kon het genieten van de ‘Africa Growth and Opportunity Act’, waardoor het bedrijf taksvrije toegang kreeg tot de Amerikaanse markt. Vandaag vallen de quota grotendeels weg, en is Afrika minder interessant dan Azië om te produceren. De Namibische overheid plooit zich echter dubbel om zijn textielbedrijven te behouden.

Waardig werk wordt door sommige theoretici gekoppeld aan economische groei. Als er voldoende groei is, zal waardig werk automatisch volgen. Deze stelling klopt natuurlijk niet. Door groei kan wel wat goodwill ontstaan. Maar er zijn allerlei maatregelen nodig opdat die goodwill effectief zou leiden tot meer waardig werk. Bovendien moeten we ons afvragen of ongebreidelde groei noodzakelijk en wenselijk is. Vandaag zijn de afzetmarkten groter dan ooit. Datzelfde geldt voor het aanbod van arbeidskrachten. En ook voor de concurrentie. Onder de bedreiging van concurrentieposities, van delokalisatie en bedrijfssluitingen worden werknemers gedwongen tot grotere flexibiliteit. Delokalisaties en bedrijfssluitingen associeer je niet onmiddellijk met Afrika, met zijn lage lonen en zijn grote arbeidsreserve, maar het is er dagelijkse kost.
Cynici zullen zeggen dat je waardig werk in Afrika met een vergrootglas moet gaan zoeken. Ze hebben natuurlijk gelijk. Waardig werk is er schaars. Maar dat betekent niet dat we het moeten vergeten. Waardig werk is een mensenrecht!

Welkom in Hungryland

Terug naar Namibië. Daar zien een aantal van de zeer grote boerderijen toerisme als een interessante bron van inkomst. Brad Pitt en Angelina Jolie maakten de rust en het natuurschoon van Namibië wereldwijd bekend. Sommige toeristische farms richten zich specifiek op de welgestelde Westerse toerist. Ze vragen tot 250 euro per dag in volpension, terwijl de landarbeiders op diezelfde farms moeten rondkomen met minder dan 2 euro per dag.
De plaatselijke landarbeidersvakbond (NAFWU) probeert iets aan de situatie te veranderen. Ze komt op voor de toepassing van het minimumloon, door werkgevers die zich niet aan de regel houden ongevraagd publiciteit te bezorgen. Dat is erg doeltreffend. In 2003 werd in Namibië voor het eerst een minimumloon voor landarbeiders vastgelegd. Een maandloon bedraagt 46,13 euro voor wie 45 uur per week werkt. Hiermee blijven de arbeiders nog steeds onder de armoedegrens van 2$ per dag. De helft van de landarbeiders krijgt echter zelfs het minimumloon niet uitbetaald. Bovendien moet de werkgever zijn werknemers registreren bij de sociale zekerheid. Voor meer dan de helft van de landarbeiders is dat tot nu toe nog niet gebeurd. Als je dan ziek wordt, bevalt of sterft, hebben jij en je familie nergens recht op.
Ondanks zijn doeltreffende acties heeft NAFWU het moeilijk. De landarbeiders zijn door hun geringe scholing meestal niet op de hoogte van hun rechten. En de boerderijen liggen zeer ver van elkaar. Communicatie is dus niet gemakkelijk. Veel werkgevers kunnen de acties van NAFWU absoluut niet appreciëren. Ze geven dat niet openlijk toe, maar ondertussen zijn bijna alle uitvoerende leden van de vakbond met een smoes ontslagen.

FOS wil een leefbaar inkomen, via waardig werk, voor iedereen. Daarom voeren we vanaf 1 mei 2007 campagne. Samen met NAFWU, om de rechten van de landarbeiders in Namibië af te dwingen. Samen met jullie, om van waardig werk een permanent aandachtspunt te maken.

Annuschka Vandewalle
Algemeen secretaris FOS, Socialistische Solidariteit

Bronnen
- Armen hebben meer koopkracht dan verwacht, In: De Morgen, 20/03/07.
- Four Billion People Have $5 Trillion Purchasing Power - World Bank, In: This Day, 20/03/07
- World Employment Report, 2004-05, ILO.
- www.ilo.org
- Namibia’s Informal Economy: Possibilities for Trade Union Intervention, Ntwala Mwilima, Larri, 10/06/06
- Over de groei en de uitdagingen van de informele economie. Wel werk geen rechten, Francine Mestrum, http://yabasta2.yichalal.be/Wel-werk-geen-rechten?debut\_articles=50.
- Willems W. (coörd), Forces for Change. Informal economy organisations in Africa, War on Want - Workers Association of Zambia - AZIEA, 05/06/06.
- www.ramatex.com.my
- Jauch H., Workers fight Back: The Ramatex Strike in Namibia, Larri (prepared for the South African Labour Bulletin), 31/10/06.
- Herbert J., De Ramatex-saga. Een voorbeeld van globalisering in de praktijk, Larri, www.attac.be
- Boyer R., Employment and Decent Work in the Era of Flexicurity, Desa Working Paper n° 32, 09/06/06.
- Trade Unions in Africa, ALRN, 12/03/07.
- U.S. Department of State, Country Reports on Human Rights Practices, 2005

economie - waardig werk - FOS

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 4 (april), pagina 40 tot 45