Log in

'Terra Incognita. Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 54 tot 55

Terra Incognita. Globalisering, ecologie en rechtvaardige duurzaamheid

Peter Tom Jones en Roger Jacobs
Academia Press, Gent, 2006

‘Ondanks alle goed bedoelde initiatieven om ‘duurzame ontwikkeling’ na te streven, gaat het gestaag bergaf met de gezondheid van planeet Aarde’, zo luidt de eerste zin van Terra Incognita. Daarmee is de toon gezet en de diagnose gesteld. Wat volgt, is een indrukwekkende poging om de symptomen van de kwaal in kaart te brengen, de oorzaken ervan te analyseren en oplossingen naar voor te schuiven.
In het eerste deel plaatsen de auteurs de ecologische en sociale wereldcrisis tegen de achtergrond van een wetenschappelijke paradigmaverschuiving. Het mechanistisch, lineair en reductionistisch wereldbeeld zou gedurende de laatste decennia langzaam plaats ruimen voor een ‘niet-lineair wetenschappelijk paradigma’ waarin onvoorspelbaar gedrag van buitengewoon complexe systemen een centrale rol speelt. Dit wordt geïllustreerd met het voorbeeld van de globale opwarming. Niet alleen is de mate van opwarming zelf moeilijk voorspelbaar, ook het kluwen van oorzaken en gevolgen omvat zowat alle aspecten van het leven over de hele wereld. Kleine oorzaken kunnen gigantische en onvoorziene gevolgen hebben. Alles hangt met alles samen. Deterministische geschiedenisopvattingen en klassieke lineaire en reductionistische wetenschappelijke benaderingen zijn niet meer in staat om de werkelijkheid te bevatten, laat staan haar te beheersen.

Op basis van recente wetenschappelijke gegevens schetsen Jones en Jacobs de omvang, de ernst en de urgentie van het sociaal-ecologische probleem. Ze maken daarbij meteen brandhout van het ‘milieuoptimisme’ waarmee de Deense statisticus Björn Lomborg een paar jaar geleden met zijn boek The Skeptical Environmentalist veel bijval oogstte in rechts-liberale kringen. Ook de gangbare visie dat economische groei, zoals die uitgedrukt wordt door het Bruto Nationaal Product, een noodzakelijke voorwaarde is voor het oplossen van de wereldproblemen, wordt overtuigend weerlegd. De auteurs verwachten evenmin veel heil van de neoklassieke milieu-economie, waarbij ecologische problemen te lijf worden gegaan door het internaliseren van externe kosten. Als alternatief schuiven zij de ecologische economie naar voor, die uitgaat van de eindigheid van de draagkracht van de aarde en het bestaan van kritische drempelwaarden. Daarbij wordt het BNP als indicator voor welvaart vervangen door de Index van Duurzame Economische Welvaart (ISEW). Het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ heeft overigens, volgens Jones en Jacobs, zodanig veel verschillende en zelfs tegenstrijdige invullingen gekregen dat het niet meer bruikbaar is als normatief concept. Ze maken een onderscheid tussen ‘zwakke duurzaamheid’ (aanleunend bij de neoklassieke milieu-economie) en ‘sterke duurzaamheid’, waarin ecologische voetafdruk, milieugebruiksruimte en ecologische schuld sleutelbegrippen zijn. Het hierboven beschreven eerste deel van Terra Incognita is zonder meer een aanwinst voor de Nederlandstalige literatuur op het gebied van duurzame ontwikkeling. Het heeft als grootste verdienste dat het een degelijk, multidisciplinair overzicht geeft van de problematiek in al zijn dimensies en complexiteit, en dat het daarbij ook de belangrijkste denkkaders, concepten, standpunten en auteurs voorstelt. Dit eerste deel is op zichzelf al voldoende reden om het boek de moeite waard te maken voor iedereen die zich bekommert om het sociaal en/of ecologisch welzijn van de wereld.

Het tweede deel van Terra Incognita, ‘De wortels van de ecologische crisis doorheen de menselijke evolutie’, is van een minder wetenschappelijke en meer filosofische orde. De auteurs begeven zich hier op het terrein van de ‘ecologische geschiedenis’, die historische evoluties probeert te verklaren vanuit de wisselwerking tussen mens/cultuur en milieu/natuur. Dit zorgt voor een aantal originele visies op zaken zoals het ontstaan van mannelijke dominantie en maatschappelijke hiërarchie, de teloorgang van het Romeinse Rijk en de Industriële Revolutie. Ook hier geven de auteurs blijk van grondige literatuurstudie, maar het is niet helemaal duidelijk waar ze precies naartoe willen. Hun aankondiging in de inleiding van deel 2, dat ecologische geschiedenis een ‘ (…) verhelderend licht [kan] werpen op het hedendaagse ecologische vraagstuk en de mogelijke uitwegen’, is misschien wel juist, maar wordt in Terra Incognita mijns inziens onvoldoende waargemaakt.

Deel 3, ten slotte, stelt ‘aanzetten tot uitwegen, die de wereld leefbaar moeten houden en maken’ in het vooruitzicht. Dit is in de eerste plaats een pleidooi voor een ‘stationaire economie’, waarin kwantitatieve volumegroei als doelstelling vervangen wordt door kwalitatieve verbetering van levensvoorwaarden. De klassieke milieubeleidsinstrumenten (zoals internalisering van kosten, milieusubsidies en verhandelbare emissiequota) worden gewogen en te licht bevonden. Jones en Jacobs verwachten meer heil van andersglobalistische alternatieven zoals het terugdringen van het winstmotief, negatieve rente, de oprichting van nieuwe supranationale instellingen en ‘deglobalisering’. Ook een heroriëntering van de rol van wetenschap en technologie zijn nodig om tot een ‘sociaal-rechtvaardige en ecologisch duurzame wereldorde’ te komen. De hamvraag is natuurlijk hoe je dergelijke ingrijpende wijzigingen tot stand kan brengen tegen de kortetermijnbelangen van de rijkste en machtigste mensen, ondernemingen en instellingen in. De auteurs weigeren zich neer te leggen bij het door milieufilosoof Ton Lemaire geformuleerde dilemma tussen ‘democratisch ten onder gaan’ of een ‘ecodictatuur’. Over hoe het dan wel moet, hebben ze jammer genoeg niet direct een overtuigend plan klaar. Het ontwikkelen van ‘een nieuwe ethiek van verbondenheid’ en het naar voren schuiven van consuminderen, onthaasting of zelfbeperking ‘op een manier die de harten van de mensen kan veroveren’ zijn ongetwijfeld goede ideeën, maar vooral gemakkelijker gezegd dan gedaan. Jones en Jacobs geloven ook niet dat er één ideologie bestaat die ons uit de impasse kan redden. Ze zien maatschappijverandering eerder tot stand komen in de vorm van een ‘grassroots postmodernisme’, door een veelheid van los van elkaar staande experimenten.

Het ontbreken van een pasklaar alternatief is jammer, maar kan de auteurs moeilijk kwalijk genomen worden. Want wie heeft dat wel? Jones en Jacobs hebben alvast de verdienste met hun boek een zeer nuttige bijdrage te hebben geleverd aan het debat. ‘Niet als een GPS die ons zonder nadenken en zonder veel moeite feilloos ter plekke brengt (…) Wel als een kaart met vele bakens en (denk)sporen die ons onderweg kunnen helpen bij het omzeilen van de zovele verwachte en onverwachte hindernissen’, zoals sp.a-spirit volksvertegenwoordiger Bart Martens in zijn voorwoord schrijft.

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 54 tot 55