Abonneer Log in

Turks fruit? De eerste vruchten van twee jaar Moslimexecutieve

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 25 tot 31

Inleiding

Twee jaar geleden waren er in België voor de tweede keer Moslimverkiezingen. In 1998, bij de eerste uitgave, was het allemaal nieuw (hoewel er eigenlijk al eerder moslimverkiezingen waren gehouden, maar dan zonder de instemming van de overheid, overheidsgeld en de media-aandacht die er in 1998 wel was). Dat allochtone burgers zo kennis konden maken met democratische procedés was tegelijk mooi meegenomen. In 2005 was er al een zekere vermoeidheid vast te stellen. Moslims moesten opnieuw ter stembus zonder dat de vorige Moslimexecutieve (EMB) erin geslaagd was haar allereerste doel te bereiken: het verwerkelijken van wat er in 1974 aangekondigd werd bij het wettelijk ‘erkennen’ van de islam, nl. het erkennen van lokale moslimgemeenschappen met bezoldigde moslimbedienaren, de imams.
Nu moet het anders, vond de overheid in 2004. Minister van Justitie Laurette Onkelinx wilde gelijke behandeling (hier vereenvoudigd tot een gelijk recht op overheidsmiddelen) en greep zelf in in de structurering van de islam. Werd er aanvankelijk gedacht (of eigenlijk afgesproken) gedeeltelijke verkiezingen te houden, de minister beschikte anders. De Raad van State had bezwaar bij een regeling die Onkelinx in een KB had uitgeschreven. Om aan het bezwaar tegemoet te komen, werd de regeling dan maar als wetsvoorstel in grote eendracht (ook de christendemocraten stemden mee) fluks door Kamer en Senaat geloodst.
Nu zou alles goed komen. De erkenning van de islam zou op het grondvlak verwerkelijkt worden. Als we de verantwoording van de hele operatie nog eens doornemen, vormde het streven naar gelijke behandeling hier een sterk (en aansprekend) motief. Wie wil er niet als daadkrachtig ‘gelijke-behandelaar’ bekend staan?
Een zwak punt in het proces was wel dat de Commissie, die de spelregels vastlegde voor de verkiezingen en ze eveneens organiseerde, geheel door de minister was aangeduid. Dat die minister zich vervolgens al snel met een beroep op de scheiding tussen kerk en staat distantieert van de door de Commissie uitgestippelde weg, doet niets af van de werkelijkheid: het gaat dus niet om door moslims georganiseerde verkiezingen; ze zijn voor moslims georganiseerd, door toedoen van Onkelinx. De enige directe islamitische invloed is misschien het gegeven dat de kwestie op haar kabinet beheerd werd door een medewerker die zélf moslim is. Sami Zemni (UGent) wrijft Onkelinx overigens nog meer bemoeizucht aan: ‘In de aanloop naar de verkiezingen (…) moedigde Onkelinx Brusselse moslims aan om zich kandidaat te stellen. Ook al hadden ze niks te maken met moskeeën’.1

Verkiezingen voor een raad en samenstelling van een Executief: de manier waarop

Het is nuttig even te kijken naar de representatieve kwaliteit van de nieuwe representatieve organen, bijv. aan de hand van gegevens over nationaliteit of herkomst. In België zijn er, als we ons beperken tot de grote groepen, grosso modo dubbel zoveel moslims van Marokkaanse afkomst dan Turkse, met elk eigen moskeeën en moskeeverbanden.
De wetgever heeft het in 2004 aan de (door de Minister van Justitie aangestelde) verkiezingscommissie overgelaten de aanwijzing van een vertegenwoordigende instantie te realiseren die ‘rekening houdt met de verschillende strekkingen binnen de islamitische godsdienst’. Dit oogmerk - een evenwichtige weerspiegeling van deelgroepen in een populatie - vormt een klassiek kwaliteitskenmerk in een kiesstelsel dat representativiteit beoogt.2 Wat dat in de praktijk betekent, is inmiddels bekend.
Er treedt, na de moslimverkiezingen van 2005, een Algemene Vergadering aan die een ‘model van onevenwicht’ vormt. Dat doet de vraag rijzen naar eventuele ‘weeffouten’ in het verkiezingssysteem. Dat ligt niet in de lijn van de Belgische traditie. Bij verkiezingen voor de Belgische Kamer en Senaat is er, met het oog op een evenwichtige verdeling van de zeggenschap in een plurale samenleving, steeds voor gekozen vooraf uiterst nauwkeurig te bepalen hoe de verschillende bevolkingscomponenten vertegenwoordigd zullen worden. Een uitgekiend systeem van evenredige vertegenwoordiging is in Belgische context één van de garanties voor de maatschappelijke vrede. Ook de door de overheid georganiseerde Moslimverkiezingen van 2005 kunnen technisch worden aangemerkt als verkiezingen volgens het systeem van evenredige vertegenwoordiging.3 Maar dit alles levert een verkozen orgaan, en vervolgens een EMB op die telkens niet proportioneel zijn samengesteld. De islamitische gemeenschappen van Marokkaanse herkomst zijn er ernstig ondervertegenwoordigd.4 De overweldigende Turkse meerderheid in het verkozen orgaan is niet ten onrechte gekarakteriseerd als ‘une petite révolution dans le paysage musulman belge.’ 5
De verpletterende Turkse overwinning op het niveau van de verkozen raad werd met gemengde gevoelens ontvangen. Het resultaat zou immers het succes van het nieuwe vertegenwoordigingsorgaan danig kunnen hypothekeren. De nieuwe EMB vormt om die reden geen getrouwe afspiegeling van de verkozen raad: de Turkse overmacht is er teruggebracht tot een 50%-invloed. Concreet betekent het overigens dat bij het vaststellen van beleid bij gewone meerderheid (de interne besluitvormingsregels zijn me niet bekend) minstens de steun van één EMB-lid van een andere strekking (Marokkaans, Pakistaans of Albanees) nodig is. De Turkse electorale meerderheid leidt zo niet tot alleenheerschappij, maar de disproportionele positie (in vergelijking met de vertegenwoordiging aan Marokkaanse zijde) blijft frappant. Hierbij moet wel worden bedacht dat ‘de’ Turkse meerderheid niet bestaat. Ook de Turkse moslimvertegenwoordigers hebben verschillende achtergronden en belangen. Er valt echter niet uit te sluiten dat deze verschillen in bepaalde dossiers minder zwaar wegen, zodat de krachten gebundeld kunnen worden.
Als er over de onevenwichtige machtsverdeling wordt geklaagd, houdt Vlaamse Minister Marino Keulen, voor deze aangelegenheid bevoegd, zich op veilige afstand. In maart 2005 minimaliseert hij al meteen de rol van de federale overheid in het tot stand gebrachte orgaan, door de moslims auteurschap toe te bedelen: ‘De moslimgemeenschap was zelf verantwoordelijk voor de verkiezingen.’6 Ongetwijfeld heeft Keulen gelijk. De moslims deden mee en zijn dus mee verantwoordelijk. Maar of het nu gaat om het bedenken, het reglementeren of het uitvoeren van de moslimverkiezingen van 2005, we hebben onmiskenbaar met een overheidsproduct te maken. Het is van belang dat de (hiervoor niet verantwoordelijke) Gewestoverheden dit voor ogen houden bij het voeren van een gewestelijk overheidsbeleid. De bruikbaarheid van het nieuwe vertegenwoordigingsorgaan is niet van een aard om de beslissingen, voorstellen en adviezen van de EMB te aanvaarden als hét, namens de moslimgemeenschappen geopenbaarde, standpunt. Behoedzaamheid is hier geboden.

Bousakla’s boosheid & Pehlivans pragmatisme

In maart 2005 leverde de verkiezingsuitslag discussie op over de bruikbaarheid van het - door de verkiezingen voortgebrachte - orgaan en over de geloofwaardigheid ervan als representant van de moslims. Dat gebeurde niet in de laatste plaats onder allochtone politici.
sp.a-senator Mimount Bousakla heeft het in 2005 he-le-maal gehad met de EMB en met de - qua representativiteit niet zo gelukkig verlopen - verkiezingen. ‘Ze zullen wel weer een paar trucjes uit de mouw schudden, hier en daar een paar Marokkanen coöpteren in een kunstmatige poging om de verhoudingen recht te trekken in de raad. Maar laat ze maar met hun hoofd tegen de muur lopen.’7 Is hier sprake van een profetische boosheid?
sp.a-senator Fatma Pehlivan relativeert het Turkse overwicht. ‘Nu de verkiezingen van de raad achter de rug zijn, moeten we maar met dit resultaat verder. Dat er meer Turken dan Marokkanen verkozen zijn, is niet zo erg. De dossiers die de Executieve eerst moet behandelen, zijn vooral technische dossiers, zoals de opleiding en aanstelling van imams. (...) Als de moslims zien dat de Executieve voor iedereen werkt, zal het vertrouwen groeien, ook bij de Marokkaanse gemeenschap.’8 Een staaltje pragmatisch?
Jawel, maar er valt natuurlijk ook iets voor Pehlivans aanpak te zeggen, want the proof of the pudding is in the eating, toch? Het valt af te wachten of de Marokkaanse gemeenschappen ‘met hun hoofd tegen de muur lopen’. Het is een interessante benadering voor de toeschouwer, maar voor de direct betrokkenen (in casu de moslimgemeenschappen van niet-Turkse achtergrond) is het ook wel spannend. Komt Bousakla’s profetie uit?

En dan nu: de pudding opgediend

De nieuwe, in 2005 erkende, EMB kan in mei 2007 nog geen eindresultaten voorleggen als het gaat om erkenningen van lokale gemeenschappen, ter uitvoering van de wettelijke erkenning van de islam in 1974. Er zijn wel al aanvragen ingediend, maar daarin verschilt de nieuwe representant niet van de oude.
Interessant is de verdeling van de aanvragen over de verschillende strekkingen. Voor het Vlaams Gewest zijn de gegevens van 34 moskeeën (waarvoor eind 2006 een erkenningsaanvraag is ingediend) door de Minister van Binnenlandse Aangelegenheden prijsgegeven, inclusief de namen van de personen die in die gemeenschappen een bestuursverantwoordelijkheid dragen.9 De lijst is niet ingedeeld in groepen die specifieke religieuze deelentiteiten vertegenwoordigen (voor Turkse gemeenschappen bijv. Milli Görüs, Diyanet, Süleymanci o.i.d.), maar naar etnische herkomst.
Uit die gegevens blijkt dat het in 23 gevallen om gemeenschappen van Turkse gelovigen gaat, in 10 gevallen om Marokkaanse. Voor het Antwerpse stadsgebied, de belangrijkste concentratie van moslimgemeenschappen, gaat het om zes aanvragen: voor vier Turkse, één Marokkaanse en één Pakistaanse moskee.10 Als we de opgegeven gelovigenpopulaties van deze drie etnische gemeenschappen verhoudingsgewijs afzetten tegen gegevens van nationale herkomst (hier: nationaliteit en herkomst11), dan levert dit het volgende beeld op (zie tabel).
Het lijkt me de moeite waard deze cijfergegevens grondiger te bekijken, omdat ze voorlopig de beste weerspiegeling vormen van de eerste beleidsdaden van de EMB op het terrein van de financiering van de moslimerediensten.

Tabel - Stad Antwerpen: erkenningsaanvragen moskeeën (einde 2006).

De ingrediënten van de pudding

Natuurlijk, erkenningsdossiers kunnen door de EMB maar ingediend worden in de mate dat de moskeeën hun huiswerk hadden gedaan. En het huiswerk dat ze van de Vlaamse regering gekregen hebben, is niet min. Het regeringsbesluit somt een groot aantal eisen op.15

Een perfecte afspiegeling van de Antwerpse moslimgemeenschap moet dus niet meteen verwacht worden in de allereerste aanvragen. Toch doet de, in de tabel getoonde, verhouding vragen rijzen. De huidige EMB lijkt immers een maximale inspanning te doen voor aanvragen uit de Turkse achterban (of beter: de verschillende Turkse achterbannen). Ook de Pakistaanse gemeenschap is meteen erg goed bediend. De indruk ontstaat dat electorale vertekening gewoonweg doorvertaald is naar de subsidieverdeling.16 De eerste erkenningenreeks die in het Vlaamse Gewest op stapel staat, kan dan mogelijk een eerste succesje zijn van de nieuwe EMB (het is na ruim dertig jaar wachten een eerste toepassing van de wet van 1974). Dat betekent echter niet meteen dat de Belgische overheid, op federaal of deelstaatniveau, ook een volwaardige representatie van de islamitische gemeenschappen in huis heeft, waarmee zaken gedaan kunnen worden voor alle moslimgemeenschappen.
We bekijken hier vooral de situatie in het Vlaams Gewest. Een eindoordeel over het succes van de - door de federale regering in het zadel geholpen - EMB moet worden gebaseerd op de (te verwachte) resultaten in de andere gewesten. Die gegevens wijzen voorlopig ook op een formidabel onevenwicht.17 Blijken er op het niveau van het Ministerie van Justitie (het relevantst, want daar komen de wedden voor de bedienaren vandaan) 8 aanvragen uit het Vlaams Gewest in behandeling te zijn, terwijl het Waals Gewest tekent voor een zesvoud van aanvragen voor 48 moskeeën. En het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de regio waar de islam verhoudingsgewijs het sterkst aanwezig is, levert geen enkel erkenningsdossier op; maar dat ligt niet aan de EMB.18
Als de gewestcijfers van de erkenningsdossiers die in 2007 in behandeling zijn, vergeleken worden met eerder door het Ministerie van Justitie verstrekte cijfers over de aantallen moskeeën (anno 2001)19, dan vallen de disproporties meteen op. Vlaanderen neemt met 51% van de moskeeën uiteindelijk nog maar 14% van de aanvragen voor zijn rekening. Het is (weliswaar door toedoen van de gewestregering, en dit om budgettaire redenen20) zo op serieuze achterstand gezet. Brussel (21% van de moskeeën) staat nergens en Wallonië (28% van de moskeeën) doet het met 86% van de dossiers opmerkelijk goed.21 Dit zijn de gegevens in mei 2007. Een echte tussenstand kan pas worden opgemaakt als de eerste erkenningsronde achter de rug is.

Gewaagd, gehaast, maar niet geslaagd

Elders heb ik betoogd dat de Belgische overheid geen gelukkige hand heeft in het regelen van de organisatie van de islamitische eredienst.22 Er valt inderdaad wel wat op dat beleid aan te merken. Het overheidsoptreden is gewaagd in het licht van de grondrechten (toegegeven: het Grondwettelijk Hof vindt van niet23). Het beleid wordt bovendien schoksgewijs vormgegeven en wordt daarbij gekenmerkt door (soms grote) haast. De manier waarop Onkelinx in 2004 zorgde voor - door de overheid georganiseerde - moslimverkiezingen, is daarvan een mooie illustratie. Eerst probeert ze de zaak af te doen met een koninklijk besluit, waarbij ze stuit op fundamentele kritiek van de Raad van State. In een dag of tien wordt de tekst vervolgens omgebouwd tot een wetsvoorstel dat in zegge en schrijven acht dagen door Kamer en Senaat wordt gesluisd.
En voorshands zijn er geen bewijzen voor een geslaagd beleid. Als de overheid zich in 2003 naar eigen aangeven zorgen maakt over het representatieve gehalte van de toen zittende EMB, hoe is het dan mogelijk dat ze een orgaan in het leven roept, en erkent, dat precies op dat punt vragen oproept? Een ongelukkiger situatie is haast niet denkbaar.

Wat valt er te doen?

Men zou het advies van sp.a-senator Pehlivan ter harte kunnen nemen en ten rade gaan bij andere landen, die dan als voorbeeld kunnen dienen. ‘Een goed voorbeeld doet immers goed volgen’. Pehlivan geeft een voorzet: ‘Turkije is een zeer mooi voorbeeld van een democratisch land waar godsdienst en staat gescheiden zijn. Dat kan een spiegel zijn voor hoe we het hier in België moeten doen.’24 Die suggestie is natuurlijk het overwegen waard voor een overheid die, net als de Turkse, met haar administratie sterk betrokken is in het reilen en zeilen van de levensbeschouwelijke gemeenschappen op haar grondgebied. Het Turkse Ministerie van Godsdienstzaken is de machtigste speler op het godsdienstige terrein in Turkije.
Alleen: is dit Turkse systeem van ‘scheiding’ wel in overeenstemming met een grondwettelijk bestel, dat er juist in bestaat de overheid zo min mogelijk te betrekken bij het interne functioneren van religie? Neen dus. Artikel 21 van de Grondwet, dat de organisatievrijheid van de godsdienstige gemeenschappen belichaamt, vormt hiervoor een belemmering. Daarin staat onder meer te lezen: ‘De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken (…)’.
Het Belgisch systeem van scheiding van Kerk en Staat is niet te verenigen met het instellen van een overheidsorgaan dat het reilen en zeilen van islamitische gebedshuizen regelt en de aanstelling van imams tot zijn bevoegdheid zou kunnen rekenen.

Men zou ook kunnen bouwen op het advies van de Commissie van Wijzen, een door de federale regering ingesteld adviesorgaan dat in november 2006 uitgebreid advies uitbracht over de manier waarop de verhoudingen tussen Staat en erkende eredienst geregeld zijn.25 In de rapportage van de Commissie wordt uitgebreid ingegaan op de verhouding tussen de overheid die erediensten erkent (en financiert) en de godsdienstige gemeenschappen. De Wijzen pleiten ervoor een nieuwe weg op te gaan v.w.b. de organisatie-autonomie van erediensten. Die autonomie zou voor overheidsgefinancierde eredienst niet meer gelden26, of toch niet onverkort. Wie betaalt, bepaalt.
Die suggestie is het overwegen waard, maar vergt m.i. een herziening van art. 21 van de Grondwet. Bovendien komt de Belgische staat hier op glad ijs. Er moet niet alleen rekening gehouden worden met de Grondwet, maar ook met de in de mensenrechtenverdragen vastgelegde principes m.b.t. de godsdienstvrijheid.

Daar waar het gaat om het financieren van religie dient zich een derde uitweg aan voor de overheid. De overheid zou dan een islambeleid kunnen voeren waarbij de overheden:
- acht slaan op de eigen grondwettelijke regels die een terughoudendheid voorschrijven op het vlak van de interne organisatie van religie,
- recht doen aan de diversiteit en pluriformiteit van de erkende islam,
- recht doen aan het beginsel van gelijke behandeling dat er in de toepassingspraktijk toe leidt dat bijv. het christendom in vier verschillende (deel)stromingen kan worden erkend (groot en klein) en toelaat dat die afzonderlijk erkende (deel)stromingen zich zo nodig bij de overheid kunnen laten vertegenwoordigen met elk verschillende representanten, die bovendien worden aangeduid volgens de in elke strekking gekozen procedures.
Dit derde spoor is niet populair, hoewel het in principe door minister Onkelinx zou moeten worden ondersteund. Ze stelde in de Kamer: ‘tous les cultes doivent être mis sur pied d’égalité’.27 De gelijkheid heeft haar rechten. sp.a-spirit-senator Fauzaya Talhaoui maakte er in 2004, bij het bespreken van het spoedwetje voor de moslimverkiezingen, allusie op. Ze stelde de pertinente vraag of representanten ‘waarin de verschillende strekkingen van het christendom zouden zijn vertegenwoordigd, een lang leven zouden zijn beschoren’28. Anders gezegd: zal een (via een door de Minister van Justitie samengestelde Commissie en langs electorale weg tot stand gebrachte) Executief van de Christenen van België het beter doen dan de bestaande verschillende representatie van de verschillende christelijke strekkingen en kerken? Die diversiteit wordt geaccepteerd in het christendom. Waarom niet bij de islam? Niet meer, want in 1999 leek de federale overheid nog in principe bereid om een meervoudige representatie te accepteren…29
Nogmaals, het derde spoor is niet populair. Het sluit niet aan bij de staatsoecumenische traditie die het eredienstenbeleid van de jongste decennia kenmerkt, als het om de islam gaat. Het heeft het tij niet mee. Naar mijn oordeel is van de drie in dit artikel genoemde senatoren de laatst geciteerde de enige die de kern van het beleidsprobleem echt raakt. Het oordeel van Bousakla en Pehlivan is telkens een oordeel over de mogelijke uitwerking en effecten van concreet Belgisch islambeleid. Talhaoui’s vraag raakt de uitgangspunten ervan aan…

Adriaan Overbeeke
Post-doctoraal onderzoeker faculteit Rechten, Universiteit Antwerpen

Noten
1/ Interview in Divers (VMC), oktober 2005.
2/ Existing Commitments for Democratic Elections in OSCE Participating States, Warschau, OSCE-ODIHR, 2003, p. 14.
3/ Zie de minimum minimorum-definitie in: Billiet J., Delwit P., Deschouwer K. e.a., De Politieke vernieuwing. Vertegenwoordigende democratie. Advies uitgebracht door het wetenschappelijk comité van de commissies voor de politieke vernieuwing, Parlementaire Stukken Kamer 2000-2001, nr. 1421/1, pp. 19-20.
4/ Deze situatie is het gevolg van de niet-deelname van een fors gedeelte van de Marokkaanse gemeenschap aan de verkiezingen. Van de zetels in de Algemene Vergadering wordt uiteindelijk 59% ingenomen door Turkse, 29% door Marokkaanse, 9% door Pakistaanse en Albanese, en 3% ‘bekeerde’ verkozenen. Tussen de twee grootste groepen is de verhouding 66% Turks / 33% Marrokaans. De onderlinge zetelverhouding in de Executief is minder extreem (57% Turks tegenover 43% Marokkaans), maar verschilt aanzienlijk van de onderlinge demografische verhoudingen.
5/ Kwalificatie terug te vinden in de analyse van Dorzee H., ‘L’Assemblée des musulmans sera majoritairement turque’, in : Le Soir, 24/03/2005.
6/ Geciteerd in krantenberichtgeving: ‘Allochtone politici ruziën over uitslag moslimverkiezingen’, in: Het Nieuwsblad, 30/03/2005.
7/ Geciteerd in bericht ‘Moet de moslimexecutieve afgeschaft worden?’, in: Knack, 6 april 2005.
8/ Geciteerd in bericht ‘Moet de moslimexecutieve afgeschaft worden?’, in: Knack, 6 april 2005.
9/ Vragen en Antwoorden Vlaams Parlement 2006-2007, nr. 4, januari 2007, 525 (vr. nr. 34 De Winter)
10/ Het gaat om de Pakistaanse moskee Antwerp Islamic Association Noor Ul Haram, bestuurd door o.m. Iqbal Qurechi, die deel uitmaakt van de huidige EMB (en ook EMB-lid was in de periode 1999-2005)
11/ Gegevens afkomstig uit: Omgevingsanalyse Diversiteit januari 2007, Stad Antwerpen, SZ/DSP, 2007, tabellen 7, 31 en 32.
12/ Inbegrepen: alevieten, assyrisch orthodoxen.
13/ Ibid.
14/ Voor de gehele provincie (aangezien het hier om een moskee met regionale functie gaat) zal het om een hoger aantal gaan.
15/ Besluit Vl. Reg. 30 september 2005 houdende vaststelling van de criteria voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten, in: Belgisch Staatsblad, 16/12/2005.
16/ In de EMB hebben de leden met Turkse achtergrond slechts de steun van één enkel ander EMB-lid nodig om een meerderheid te realiseren.
17/ Voor de hierna opgesomde gegevens is beroep gedaan op het in april 2007 verstrekte antwoord van minister Onkelinx op een vraag om uitleg van senator M. De Schamphelaere, nr. 3-2301 (nog niet gepubliceerd)
18/ De EMB is slechts zeer onlangs in de gelegenheid gesteld aanvragen in te dienen; aanvragen die bovendien de nodige voorbereiding vragen. Zie de procedure in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering m.b.t. de erkenningsaanvragen voor de islamitische gemeenschappen en de machtiging tot oprichting van de islamitische comité’s. Belgisch Staatsblad, 16/02/2007.
19/ Vragen en Antwoorden Kamer 2000-2001, 5 juni 2001, 8812 (Vr. nr. 377 Van den Eynde).
20/ Dit argument is in het Vlaams Parlement althans regelmatig ingebracht door minister Keulen.
21/ Dat is toevallig ook nog eens het enige Gewest waar Turkse moskeeën de Marokkaanse in aantal overtreffen. El Battiui M. en Kanmaz M. (2004), Moskeeën, imams en islamleerkrachten in België. Stand van zaken en uitdagingen, Brussel, Koning Boudewijnstichting, pp. 16-17.
22/ Overbeeke A., ‘Wetgeving voor Moslims. Is driemaal scheepsrecht?’, in: Nieuw juridisch Weekblad, 2005, pp. 326-337.
23/ Arbitragehof, nr. 148/2005, 28 september 2005, in: Belgisch Staatblad, 12/10/2005 en in: Arresten van het Arbitragehof, 2005, 1895.
24/ Geciteerd in bericht ‘Moet de moslimexecutieve afgeschaft worden?’, in: Knack 6 april 2005.
25/ Mortier F. en Rigaux M-Fr. (co-vzs), De federale financiering van de bedienaren der erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. Verslag van de Commissie van Wijzen, Brussel, 2006, 238p.
26/ Ibid., 15-18.
27/ Minister van Justitie L. Onkelinx, in: Handelingen Kamer 2005-2006, Commissie voor de Justitie, 25/10/2005, COM 721, 11 (vraag De Donnea).
28/ Parlementaire Stukken Senaat 2003-04, nr. 3-815, 15.
29/ Regeringsstandpunt in Commissieverslag, in: Parlementaire Stukken Kamer 1998-99, nr. 1794/2, 6.

allochtonen - participatieve democratie - Moslimexecutieve

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 25 tot 31