Abonneer Log in

Wankelt de American Dream?

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 39 tot 43

Dit artikel is een summier verslag van een drieweekse studiereis door de Verenigde Staten, in het kader van het International Visitors Leaderships Program, gesponsord door het State Department. De gezondheidszorg, de sociale diensten en de transatlantische betrekkingen stonden op de agenda. Er werd halt gehouden in Washington D.C., North Carolina (Raleigh), New Mexico (Albuquerque) en Californië (San Francisco). Op het programma stonden tientallen ontmoetingen met diverse actoren: politici, politieke medewerkers, universiteiten, think tanks, verantwoordelijken in administraties zowel op federaal niveau als op niveau van de Staten, op County en lokaal niveau. Voorts bezocht ik plaatselijke centra die instaan voor het verstrekken van gezondheidszorgdiensten en andere sociale diensten aan daklozen en armen. Dankzij deze diversiteit aan contacten en dankzij de aard van mijn thema’s die iedereen aanbelangen, kon ik een uniek zicht krijgen op de Amerikaanse samenleving van vandaag.

Midden februari 2007 verkeerde ‘politiek Amerika’ in een heel zenuwachtige situatie. De Democraten hadden sedert een paar maanden de meerderheid veroverd in het Huis van Afgevaardigden en de Senaat. Ze waren vastbesloten de bevolking te bewijzen dat zij een change zouden teweegbrengen met betrekking tot het Irak-beleid. Ze wilden president George W. Bush een strikte kalender opleggen om de troepen uit Irak terug te trekken want dit bleek, na het verkiezingsresultaat dat de Democraten aan de macht had gebracht, de wil van het Amerikaanse volk. De Democraten zelf beseften echter dat ze niet ver zouden geraken met hun politieke acties. Hun meerderheid in de Senaat bleef immers veel te beperkt om een eventueel presidentieel veto tegen hun terugtrekkingsplannen te counteren. Bovendien moesten de Democraten opletten voor het imago van ‘niet meer achter hun jongens in Irak te staan’, zeker wanneer ze financiële middelen aan Bush zouden ontzeggen indien hij het terugtrekkingsplan niet zou accepteren.

Maar niet alleen Irak lag aan de basis van de opmerkelijke politiek gespannen situatie. De heel vroege start van de verkiezingscampagne voor de presidentsverkiezingen van 2008, met vooral de interne strijd binnen de partijen voor de nominaties, zorgde voor heel wat vuurwerk. Het ging niet zozeer over programmapunten of prangende politieke thema’s maar over de kandidaten zelf, met als belangrijkste protagonisten: Hillary Clinton vs. Barack Obama voor de Democraten en Rudy Giuliani vs. John McCain voor de Republikeinen. Achter de discussies over de profielen van de kandidaten woedde er de strijd om de campagnedollars. Zo opende Bill Clinton een speciale fundraising-website voor zijn echtgenote. Dat dit element, namelijk de nood aan astronomische bedragen om een reële kans te maken als presidentskandidaat, een ernstige schaduw werpt op het functioneren van de democratie is hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van het Supreme Court. Elke ernstige poging die tot nog toe ondernomen werd om het campagnegeld te beperken, werd door het Hoogste Gerechtshof afgedaan als een ongeoorloofde beperking van de freedom of speech.

Hoe de verkiezingen in 2008 precies zullen uitdraaien, is dé grote vraag. Wat echter wel duidelijk is, is dat men genoeg heeft van president Bush en dat men (mijn gesprekpartners behoorden natuurlijk tot dat segment van de Amerikanen die vaak internationale contacten hebben) hem vooral het besmeuren van het internationaal imago van de VS bijzonder kwalijk neemt. De grote malaise binnen de Republikeinse partij kwam illustratief aan bod tijdens een gesprek met één van hun lokale voorzitters, te Marin bij San Francisco. De man getuigde dat hij veel mensen had kunnen overtuigen om voor Arnold Schwarzenegger te stemmen voor het gouverneurschap van Californië maar dat nu in het perspectief van de presidentsverkiezingen heel wat mensen niet meer geaffilieerd wensen te blijven met zijn partij. Een pure anti-Bush houding die dus afstraalt op de Republikeinen, verklaarde hij. Het moet wel vermeld worden dat de Republikeinse partij in Californië niet representatief is voor de rest van de States; ze is daar doorgaans veel minder conservatief.
Een ander opmerkelijk gegeven was de quasi eensgezinde tweeledige houding tegenover de figuur van Barack Obama. Daar waar hij enerzijds veel sympathie oogst, lijdt hij anderzijds aan gebrekkige geloofwaardigheid daar hij nog nooit de handen moest bevuilen aan het nemen van moeilijke beslissingen.

Als de American Dream betekent dat het individu het op eigen kracht kan waarmaken in de samenleving, dankzij eigen talent en creativiteit, in maximale vrijheid, en met een minimale overheid (dus bijna zonder fiscale, sociale, ecologische, e.a. belemmeringen), dan durf ik te stellen dat die American Dream, en vooral het geloof erin, ernstig onder druk staat.
Drie factoren spelen daarin, mijns inziens, een heel belangrijke rol: (1) de voelbare effecten van de mondialisering op grote groepen mensen, (2) het psychologisch effect die de non-aanpak van de Katrinaramp in New Orleans heeft teweeggebracht en ten slotte (3) de rampzalige situatie van het huidige Amerikaanse gezondheidszorgsysteem.

Deze drie factoren zetten één vaststelling alvast duidelijk in de verf: de nood aan een méér sturende en ondernemende rol van de overheid. Overigens een moeilijk te slikken vaststelling voor de bijna genetisch overheidsafkerige Amerikaan. De manier waarop Amerikanen het woord bureaucracy - wat voor hen gelijk staat aan overheid - uitspreken, is veelzeggend. Het is alsof zij een acute maagoprisping krijgen. Toen ik een professor aan de Stanford University vroeg waarom Hillary Clinton er in de jaren 1990 niet in geslaagd was om een universeel gezondheidszorgsysteem op poten te zetten met haar speciaal daarvoor opgerichte commissie, haalde hij twee redenen aan. Ten eerste was er haar karakter. Ze wilde zeer eigengereid de Congresleden en Senatoren, zonder enige vorm van overleg, haar plannen laten stemmen. Ten tweede was er angst bij de bevolking ingeslopen over de uitwerking van haar plannen. Een aantal private verzekeringsmaatschappijen hadden namelijk een aantal TV-spots laten maken waarbij te zien was hoe een man een postzegel ging kopen in een postkantoor. Het postkantoor was karikaturaal grijs en grauw; de postbediende was lelijk en dik. Met heel veel tegenzin en na herhaald aandringen bediende hij de klant. Toen verscheen de slogan ‘wil jij dat morgen je gezondheidszorgverstrekking er ook zo uitziet? Zo wil Clinton het’. Dit voorbeeld is tekenend voor hoe de Amerikanen de publieke dienstverlening in het algemeen percipiëren.

Ik stelde dat we in België, maar ook in heel wat andere Europese landen, via een soort contract tussen de bevolking en de overheid, belastingsgeld innen in ruil voor performante en op solidariteit gebaseerde publieke dienstverlening. Dit ‘contract’ is trouwens een fundamenteel kenmerk van ons ‘Europees sociaal model’. Door echter alles wat van de overheid komt uit te spuwen via het dogma bureaucracy, hebben de Amerikanen al te vaak het kind met het badwater weggegooid.

Een van de meest markante momenten betrof het bezoek aan de Federal Reserve (Fed) in Washington. Ik was er bijzonder geïnteresseerd in het macro-economisch beleid van de Amerikaanse Centrale Bank, met name de wijze waarop ze ingrijpt in tijden van recessie, stagnatie en stijgende werkloosheid. Want in tegenstelling tot de Europese Centrale Bank (ECB), die enkel de prijsstabiliteit tot haar bevoegdheid heeft, beschikt de Fed wel over een breder mandaat. Meermaals (o.a. ten tijde van de invoering van de euro) werd door ‘progressieve macro-economen’ dan ook gepleit voor een ruimer mandaat voor de ECB; de Fed werd daarbij als voorbeeld geciteerd.
Met betrekking tot deze specifieke problematiek bleven hun antwoorden beperkt tot het relativeren van de Fed-interventie en het onderstrepen van de rigiditeit van de arbeidsmarkt als het grootste economisch probleem van Europa. Voornamelijk aan dit laatste moet Europa sleutelen om de Europese economie aan te zwengelen. Enkel zo zou een macro-economisch beleid ten voordele van meer werkgelegenheid slagvaardiger kunnen zijn. Omdat ik als niet-econoom niet dieper durfde ingaan op dat debat verlegde ik het onderwerp naar een meer politiek niveau. Met het nieuwste boek van Joseph Stiglitz in het achterhoofd, peilde ik dan maar naar hun inzicht over hoe de mondialisering zou moeten evolueren. Dit onderwerp bleek echter gevoelig te zijn. Hun antwoord luidde dat er geen officiële beleidslijn van de Fed ter zake bestond, behalve dat de Fed natuurlijk voorstander was van de mondialisering. Toch kwamen er een paar bijzonder interessante persoonlijke reacties los. ‘Men kan er niet omheen dat, afhankelijk van de sector waarin mensen werken, er door de mondialisering een enorme druk komt te liggen op mensen. Daardoor neemt angst vaak de plaats in van hun vroegere gevoel van relatieve zekerheid. En deze angst vindt nu meer en meer haar weg naar de politiek, die gedwongen zal worden om antwoorden te formuleren. De VS zullen immers nooit zo competitief zijn als China en India, en dit op heel wat terreinen. Het was dan ook de persoonlijke overtuiging van de oudste en hoogste in rang van mijn gesprekpartners dat de VS in de toekomst meer naar Europa zullen moeten kijken. In Europa hebben ze meer safety nets voor mensen die uit de boot vallen. Ook de VS zullen meer moeten investeren in soortgelijke vangnetten. Alsook in het onderwijs en scholing, opnieuw iets dat we kunnen leren van Europa. De mensen moeten meer weerbaar gemaakt worden zodat ze vlugger inzetbaar zijn in andere sectoren die méér toekomstgericht zijn’, aldus de openhartige bankier.
Dit was een interessant gegeven dat me sterkte in de overtuiging dat de progressieve krachten in de EU zich moeten blijven verzetten tegen de al te dominante vrije- marktfilosofie die de Europese Commissie van Barroso erop nahoudt. Want vaak wordt de indruk gewekt dat de Commissie op sociaaleconomisch vlak niets liever wil dan de EU zo vlug mogelijk een kopie te laten worden van het Amerikaanse model. Een Commissie die, zo lijkt het dikwijls, afwil van ‘zogezegd dure’ safety nets en die finaal de sociale zekerheid wil reduceren tot een louter hulpfonds voor de armen.

Op één dame na, die voor de bekende conservatieve denktank Heritage Foundation werkte, was iedereen die ik ontmoet heb gedurende deze drieweekse reis, diep beschaamd over de ‘staat van het Amerikaanse gezondheidszorgsysteem’. Een systeem dat bovendien tot de duurste systemen ter wereld behoort (in de VS 16% van het bnp, in België slechts 10%), en dat terwijl méér dan 40 miljoen Amerikanen GEEN gezondheidszorgverzekering hebben. Dit wordt dan ook één van de belangrijkste binnenlandse thema’s tijdens de komende presidentsverkiezingen. In de Staten Massachusetts en Californië staan wetgevende initiatieven op stapel om een universeel gezondheidszorgsysteem, zoals wij dit kennen, in te voeren. In Massachusetts bestaat zelfs de politieke wil om op dit terrein te gaan samenwerken met België om expertise uit te wisselen.
Het VS-systeem voorziet vandaag in een bescherming voor de ouderen (federaal; MEDICARE programma) en voor de armen (federaal + niveau van de Staten; MEDICAID programma). Voor de actieve bevolking is er eenvoudigweg de private verzekeringsmarkt. Daar waar een gezondheidszorgverzekering voor de werknemer en zijn gezin vroeger gekoppeld was aan zijn arbeidscontract, is dat vandaag minder en minder evident. Dit omwille van de te hoge kost voor de onderneming en bijgevolg haar concurrentiepositie. Zo is bijv. bij General Motors de druk van de gezondheidszorgkost voor hun werknemers op hun economische cijfers zo gigantisch dat het bedrijf dermate aan competitiviteit verliest dat het daardoor in een diepe crisis verkeert.

Tijdens de vele ontmoetingen bleek duidelijk dat vooral de gezondheidszorg dé nachtmerrie is voor de grote middenklasse in de VS. Een goede verzekering is belangrijk, maar duur. Vandaar ook dat heel wat actieve en gezonde mensen geen verzekering nemen en hopen dat ze gezond blijven. Maar als het noodlot eenmaal toeslaat dan zijn de gevolgen vaak dramatisch. Zelfstandigen gaan heel dikwijls bankroet omwille van een plots opduikend gezondheidsprobleem. En soms gaan mensen dood omdat een behandeling te duur is en niet gedekt wordt door een verzekeringspolis. Dit laatste lijkt misschien extreem, toch vertelde een dame me tijdens een home hospitality (een privé-etentje bij mensen thuis) het volgende verhaal over haar broer: hij kreeg op 35-jarige leeftijd een bepaald type kanker. De arts zei dat een gerichte behandeling 15% slaagkans gaf, maar zijn polis verzekerde die behandeling niet. Indien hij wou, kon hij zich laten behandelen mits het betalen van een veel hogere premie. Uiteindelijk, gezien ook de lage slaagkans en de toekomstige enorme financiële druk voor zijn gezin, besloot hij zich niet te laten behandelen. De man stierf. Kortom, privé-maatschappijen beslissen in zekere zin over leven en dood in de VS.
Ook de non-aanpak van de natuurramp Katrina blijkt een groot psychologisch effect te hebben gehad. Daar hebben de Amerikanen moeten vaststellen hoe onbeholpen hun overheid gereageerd heeft op die catastrofe. Niemand, op geen enkel niveau, bleek interventieplannen klaar te hebben. Niemand bleek bevoegd om de hulpdiensten te coördineren. De hulp kwam veel te laat op gang.

Onder meer deze ramp, samen met de toenemende druk van de mondialisering op verschillende categorieën van mensen en de erbarmelijke staat van het gezondheidszorgsysteem (maar ik zou daaraan nog een aantal andere sectoren kunnen toevoegen, zoals bijv. het grote ongenoegen over de kwaliteit van het publieke onderwijs) doen het geloof in het almachtige individu, levend in zijn absolute vrijheid en zonder collectieve voorzieningen, wankelen. Deze vaststelling heb ik gedurende de hele reis sterk waargenomen, samen met het grote respect en interesse voor de Europese aanpak of het Europees model.

Wij kunnen in Europa op een aantal vlakken ontegensprekelijk leren van de VS. De dynamiek en de creativiteit die er heersen, zijn gigantisch. Ik heb de indruk dat ze ook veel beter om kunnen met het leven in verscheidenheid, iets waarvan ik New Mexico (met de zeer grote Spaanse gemeenschap) een goed voorbeeld vond. Amerikanen hebben ook een enorm aanpassingsvermogen. De grote verscheidenheid die er tussen de verschillende Staten onderling heerst op zowat alle beleidsdomeinen (fiscaal, sociaal, milieu, onderwijs, diploma’s die niet steeds erkend worden tussen de Staten onderling), is zeer opmerkelijk. Op het State Department vertelde men mij daarover de volgende anekdote: toen Jacques Delors met zijn Europese Commissie de oprichting van de eenheidsmarkt uittekende, dachten ze hun mosterd te kunnen gaan halen bij de Amerikanen. De VS is toch een grote interne markt, dacht men. Niets was minder waar. De Amerikanen konden niets anders zeggen dan dat er onder de Staten heel wat economische barrières waren en dat er bovendien geen politieke wil was om die te verminderen.

Anderzijds moet Europa veel offensiever worden wat betreft het uitdragen van de sleutelelementen van zijn model en dan meer bepaald van de sociale modellen in de verschillende lidstaten. Onze sociaaldemocratieën streven voortdurend naar het zo moeilijke en fragiele evenwicht tussen de markt en de sociale dimensie; een ambitie waar velen in de rest van de wereld met respect en belangstelling naar kijken of zelfs van dromen. Progressief Europa moet ook veel meer communiceren met gelijkgezinden in de VS. En die bestaan heus wel. Want de Amerikaanse samenleving is geen harteloze maatschappij. Er is veel solidariteit (getuige daarvan het gigantisch aantal charities, foundations en andere vormen van liefdadigheid), maar ze wordt in onze ogen gewoon niet of niet goed genoeg georganiseerd.

Stefaan Thijs
Internationaal secretaris sp.a

sociale zekerheid - American Dream - Verenigde Staten

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 39 tot 43