Abonneer Log in

Bedenkingen bij het socialistische verkiezingsfiasco

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 6 (juni), pagina 17 tot 22

sp.a en Open Vld

Steeds weer ontketenen verkiezingsuitslagen een koortsachtige zoektocht naar verklaringen voor de winst of het verlies van de partijen. Vooral bij (zwaar) verlies worden vanaf het druppelsgewijs binnenlopen van de eerste uitslagen meteen de meest uiteenlopende en dikwijls tegenstrijdige verklaringen aangereikt. Dit keer was het dus vooral de beurt aan de sp.a, de meest opvallende en minst verwachte verliezer van de verkiezingen.
Na enkele dagen had de sp.a al aan alle partijen verloren en voor alle redenen. Het is hier niet de betrachting om het rijtje verklaringen nog langer te maken, maar een nogal voor de hand liggende verklaring lijkt ons - alleszins op het moment van schrijven, vijf dagen na de stembusslag - nog niet aan bod te zijn gekomen.

Wellicht omdat men stemverschuivingen meestal zoekt gaande van de netto verliezers in de richting van de netto winnaars. Het is echter evenzeer mogelijk dat de ene verliezer ook verliest aan andere verliezers en dat deze laatsten op hun beurt verliezen aan winnaars. Zo is het niet ondenkbaar dat de sp.a een aantal lichtrode stemmen heeft verloren aan de Open Vld en dat deze op haar beurt donkerblauwe stemmen kwijt raakte aan bijvoorbeeld Lijst Dedecker. sp.a en Open Vld zijn de laatste acht jaar immers steeds meer op elkaar gaan lijken. De sp.a evolueerde al langer, maar is met name na het verkiezingsdebacle van 1999 en de vorming van paars-groen de ‘derde weg’ ingeslagen. De Open Vld is als regeringspartij - en in een poging de christendemocraten in die rol te vervangen - steeds meer een centrumpartij geworden en mat zich het laatste jaar zelfs expliciet een ‘progressief’ profiel aan. De twee partijen trekken deels een soortgelijk (stedelijk, hoger opgeleid) electoraat aan, op ethisch-maatschappelijk vlak zijn ze als twee druppels water en ook op het vlak van socio-economische analyses staan ze in wezen niet zo ver van elkaar, toch alvast niet tijdens de afgelopen campagne (de sp.a mag verdere lastenverlagingen op dit moment dan wel niet zo opportuun vinden, fundamenteel heeft ze er geen probleem mee en omgekeerd heeft Open Vld zeker geen bezwaar tegen activering en begeleiding van werklozen).
Hoewel er officieel drie kandidaat-premiers waren, werd de campagne gekenmerkt door een polarisatie tussen Verhofstadt en Leterme, tussen paars en anti-paars. De soms sterk overtrokken kritiek op paars, die ook door sommige media werd gevehiculeerd, is een aantal kiezers wellicht tegen de borst gestoten. Ook het eerder conservatieve en Vlaamse profiel van de CD&V werd niet door iedereen geapprecieerd. Wou men voor paars en tegen Leterme stemmen, lag een stem voor Open Vld meer voor de hand dan één voor sp.a. Omdat Verhofstadt de incarnatie was van paars - vooral in het discours van Leterme - en zich zowel op ethisch als op communautair vlak als de anti-Leterme profileerde. Maar ook omdat Vande Lanotte zich niét expliciet als verdediger van het paarse palmares opstelde en evenmin als tegenstander van Leterme. Het zou ook kunnen verklaren waarom de Open Vld met lijsttrekker Verhofstadt het beter deed in de Senaat dan in de Kamer, terwijl voor de sp.a net het omgekeerde geldt. Voeg daar aan toe dat de peilingen een afslachting van de Open Vld voorspelden en niet voor sp.a en de keuze van de twijfelaars werd er nog makkelijker op. De ‘paarse’ stem kan wel eens naar Open Vld zijn gegaan.
Op die analyse verderbouwend zal een linkser, volkser profiel (wat sommigen de sp.a na de verkiezingen aanraadden) die kiezers alvast niet terugwinnen. Dat lijkt eerder een remedie om de kiezers die in de loop van de jaren 1990 verdwenen terug te halen. Beide electoraten behagen lijkt een moeilijke evenwichtsoefening en het is duidelijk welke keuze de sp.a-top de voorbije jaren heeft gemaakt. Bij die keuze zou wel eens een te duchten electorale concurrentie met de liberalen kunnen horen.

sp.a en PS

Wat er ook van zij, de verklaring is alleszins veel plausibeler dan sommige andere die de ronde deden. Zo legden al op verkiezingsdag een aantal sp.a-vertegenwoordigers (eerst Freddy Willockx, vervolgens onder meer Caroline Gennez en Johan Vande Lanotte) de schuld van hun volstrekt onverwacht electoraal debacle bij de Franstalige zusterpartij. Het negatieve imago van de PS, met name veroorzaakt door de schandalen in Charleroi, zou negatief afgestraald hebben op de sp.a, die nog steeds met de Waalse kameraden wordt geassocieerd.
Echt plausibel is die verklaring niet. De aversie voor de PS leeft veel sterker in bepaalde politieke kringen dan onder de kiezers. Als ze al bij het electoraat leeft, dan niet meteen bij dat van sp.a: uit peilingen bleek een substantieel deel daarvan geen graten te zien in premier Di Rupo. En als die PS-aversie toch sommige rode Vlaamse kiezers in de ban zou houden, dan heeft kandidaat-premier Vande Lanotte hen van meet af aan gerustgesteld door duidelijk afstand te nemen van de partij. Al in maart stelde Vande Lanotte dat als de socialisten de grootste politieke familie zouden worden en de sp.a daarbinnen de grootste partij (nog maar enkele weken geleden was dat volgens quasi alle Wetstraat-watchers een zeer realistisch scenario) hij zichzelf best premier zag worden. Werden de socialisten de grootste familie, maar zou daarbinnen de PS de grootste zijn, betekende dat echter niet la même chose voor de Franstaligen. Want een Franstalige premier, dat lag toch wat moeilijk. Het was een vanuit democratisch oogpunt vrij twijfelachtige redenering (zij het strategisch evident: Vande Lanotte had de stemmen van Di Rupo nodig, maar wilde zich tegelijk indekken tegen de associatie daarmee), maar het was alleszins een duidelijke distantiëring van de PS.
In de laatste week voor de verkiezingen ging de sp.a-voorzitter nog verder. In het kader van een bikkelharde campagne tussen de PS en de liberalen van de MR, verklaarden PS-kopstukken als Michel Daerden niet meer scheep te willen gaan met de liberalen. Toen Guy Verhofstadt deze uitspraken gebruikte om zich te positioneren als enig alternatief voor een rooms-rode ‘vakbondsregering’, stelde Vande Lanotte klaar en duidelijk dat de sp.a autonoom zou beslissen over toetreding tot coalities en dat het bijgevolg perfect denkbaar was om zonder de PS in een regering te stappen. Waarop PS-kopstukken gelijkaardige geluiden lieten horen over coalities zonder sp.a. Er zou wellicht al veel moeten gebeuren om dergelijk scenario bewaarheid te laten worden, maar opnieuw was de boodschap duidelijk.

Een element dat op het eerste zicht wel in de richting van een electorale band tussen PS en sp.a zou kunnen wijzen, is dat beide partijen een wel opvallend gelijkaardig verlies lijden. Als je het resultaat voor de Kamer berekent binnen de totale uitslag van de Vlaamse en Waalse lijsten verliezen de Vlaamse socialisten 7,2% en de Franstalige socialisten 6,9%. Deze gelijklopende trend is bovendien niet uitzonderlijk. Kris Deschouwer1 berekende dat sinds de Tweede Wereldoorlog in twee op drie verkiezingen de electorale trend (dalend of stijgend) van de socialisten in noord en zuid dezelfde was (wat ook grosso modo voor de andere partijen geldt, zij het meer voor de liberalen dan voor de christendemocraten). Maar als de campagnes van de twee socialistische partijen elkaar dan wel degelijk beïnvloeden, dan zou men evenzeer kunnen stellen dat de schitterende sp.a-score van 2003 ook mede aan de PS te danken was. Di Rupo deed in de campagne naar aanloop van die verkiezingen immers zijn best om de Vlaamse publieke opinie te bereiken en te behagen, onder meer via een open brief aan de Vlamingen in een reeks Vlaamse kranten. Bovendien profileerde hij zich daarbij - zij het nog niet al te expliciet - als kandidaat-premier. Toch is die verklaring in 2003 nooit of te nimmer in de talrijke analyses van het verkiezingsresultaat tot uiting gekomen. Voor alle duidelijkheid: dat is zeer terecht want er zijn allerminst indicaties dat Di Rupo’s doen en laten toen ook maar enige invloed op de verkiezingsscore van sp.a-spirit heeft gehad. Punt is dat die er nu dus evenmin zijn.

De gelijklopende evolutie relativeert overigens een andere stelling die na 10 juni her en der gehoord werd: dat het electorale landschap in Vlaanderen en Franstalig België nu wel helemaal uit elkaar groeit en dat de losse puzzelstukken steeds moeilijker tot een coherent geheel zijn te leggen. Uiteraard vallen de sporen van het historische verschil (waarbij de socialisten de dominante politieke kracht waren in Wallonië en de christendemocraten in Vlaanderen) ook nog in de verkiezingsuitslag van 2007 terug te vinden. Maar op lange termijn zijn die verschillen er alsmaar kleiner op geworden. Na de Tweede Wereldoorlog werden nog door beide partijen absolute meerderheden gehaald aan één van de twee kanten van de (toen nog niet officieel vastgelegde) taalgrens. Onder meer door de gestage opkomst van de liberalen in beide landsdelen is dat verschil op lange termijn bekeken steeds afgenomen. Het verlies van de socialisten en de winst voor centrumrechts is de Belgische noemer waaronder de Vlaamse en Franstalige verkiezingsuitslag is terug te brengen. Als de uitslag werkelijk zodanig uiteenlopend zou zijn, is het vrij bizar dat al de dag na de verkiezingen iedereen het erover eens is dat een centrumrechtse regering voor de hand ligt.

PS en MR

Hoewel hun verlies dus procentueel gelijkloopt, lijkt het resultaat van de PS in eerste instantie minder dramatisch dan dat van de sp.a. Een daling van rond de 7% komt natuurlijk harder aan wanneer je van 23,5% vertrekt dan wanneer je op 36,4% start. Bovendien haalden de Franstalige socialisten (opnieuw net als de Vlaamse) in 1999 een lager percentage dan in 2007, evenals een zetel minder (19 toen i.p.v. 20 nu). Maar ze bleven wel nipt groter dan de liberalen (18 zetels) en stapten toch mee in een regering.
En dat is het grote verschil met de situatie van 2007. Voor de eerste keer sinds de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen) in 1919 zijn de socialisten niet meer de grootste politieke formatie in Franstalig België. Noch in stemmenaantal, noch in zetels. Ze worden voorbijgestoken door de MR. De liberalen verliezen weliswaar ook een zetel (of eigenlijk zelfs twee, als je die van de tijdens de vorige legislatuur overgelopen CDH’er Richard Fournaux meerekent), maar de PS verliest er vijf, waardoor ze er meteen drie minder hebben dan de liberalen. Bovendien gaat de MR er procentueel wel degelijk op vooruit, met 2,8% zelfs. Dat de partij niettemin een zetel verliest, is te wijten aan het feit dat ze in 2003 veel geluk hadden bij de zetelverdeling.
Op lange termijn bekeken is het verlies van de koppositie van de Franstalige socialisten dan ook vooral toe te schrijven aan de gestage opgang van de Franstalige liberalen, die nu, weliswaar mede door de stevige daling van de PS, deze laatste ook effectief voorbijsteken.
Dat feit wordt door vele commentatoren in Franstalig België dan ook als een historische omwenteling gezien. De uitspraak van MR-kopman Didier Reynders dat het zwaartepunt in de Franstalige politiek verlegd is, wordt ook buiten liberale kringen in essentie niet betwist. Dat het als een ommekeer wordt gezien, is ook omdat aan Franstalige kant veel minder sprake is van toenadering tussen socialisten en liberalen dan aan Vlaamse kant en vooral niet tijdens verkiezingscampagnes. Daar gebruikt de PS nog een traditioneler linkser discours. Sporen van paarse stemmen zijn er voorlopig dan ook nauwelijks te vinden.

Vraag is nu wat de concrete gevolgen hiervan zijn. Dat de PS nu wellicht naar de oppositiebanken verhuist, is niet uitzonderlijk. Van 1981 tot 1988 (oftewel van Martens V tot VII) had België ook al een roomsblauwe regering.
Voor de partij zelf lijkt dit resultaat de deur open te zetten voor een meer verdergaande en vooral meer doortastende vernieuwing. Meteen werd het slechte resultaat zowel door de PS-leiding zelf als door de meeste politieke observatoren in Franstalig België gelegd bij de onophoudelijke stroom schandalen uit Charleroi. Iets later brengen PS’ers van de oude garde, met name voormalig voorzitter Guy Spitaels, ook andere verklaringen aan die de koers van de partijleiding in vraag stellen, maar het lijkt erop dat Charleroi het dominant verklaringspatroon blijft. Dat is in het voordeel van Di Rupo, aangezien het dus niet aan zijn nieuwe koers ligt, maar wel aan restanten van het oude PS-socialisme. Het is echter dansen op een slappe koord. De PS-voorzitter mag dan al de dag na de verkiezingen doortastend optreden door de afdeling van Charleroi onder curatele te plaatsen en de burgemeester te vragen af te treden, dat hij dat niet eerder deed maakt hem tot de eindverantwoordelijke van het slechte verkiezingsresultaat. En dat laten de kranteneditorialen niet na te onderstrepen.

Als Di Rupo het redt, versterkt het wel zijn positie tegenover Charleroi en eventueel ook tegenover andere partijfederaties. Het verlies van het politieke leiderschap in Wallonië veroorzaakt wellicht de psychologische schok die een veel grondigere opkuis in Charleroi mogelijk maakt. Veel minder dan de partijvernieuwing van de SP/sp.a is die van de PS tot alle geledingen kunnen doordringen. Tot nu toe kon/wou Di Rupo daar niet te ver in gaan. Deels omdat de macht van de partijfederaties tegenover de centrale leiding binnen de PS nog steeds vrij sterk is (in tegenstelling tot zijn imago in Vlaanderen is Di Rupo op dat vlak alvast niet almachtig). Deels omdat de hoge electorale scores van de partij in Hegenouwen in belangrijke mate aan die oude Carolo-socialisten en consorten te danken zijn. Dat laatste is nu duidelijk minder het geval. In Charleroi verliest de PS bijna 15%. En zelfs al mogen de gecompromitteerde PS’ers nog stemmen opleveren, het lijkt er sterk op dat ze steeds meer het imago van de hele partij kleuren en zo ook op andere plaatsen voor verlies zorgen.

PS en Vlaanderen

Wanneer men de kranten- en andere commentaren na 10 juni over de Franstalige stembusslag in Vlaanderen en Franstalig België vergelijkt, valt op dat de nederlaag van de PS aan Vlaamse kant veel minder als ‘historisch’ wordt gepercipieerd. Ook in Vlaamse politieke middens wordt de nieuwe Franstalige situatie weinig becommentarieerd. Dat is enigszins verwonderlijk, aangezien de PS en Wallonië in een deel van het Vlaams politiek en mediadiscours steeds meer tot synoniemen zijn uitgegroeid. Dat plots de liberalen ruim de grootste partij vormen strookt dus niet met dit vastgeroeste beeld, waardoor het verrassingseffect groter zou moeten zijn dan aan Franstalige kant. Daar wordt de MR niet noodzakelijk als minder Waals beschouwd dan de PS (behalve door de historiografen van de Waalse beweging). De PS werd zowel door separatistische partijen als N-VA en Vlaams Belang als door (sommigen binnen) andere partijen regelmatig aangehaald als één van de voornaamste redenen voor een staatshervorming. De PS zou immers op quasi alle federale bevoegdheidsdomeinen de ‘Vlaamse verzuchtingen’ blokkeren. Of het nu justitie was, waar door de PS het jeugdsanctierecht niet hervormd kon worden, dan wel het migrantenstemrecht dat de Vlamingen ‘door de strot geduwd’ werd door Di Rupo, of nog de activering van werklozen, die in het Frans vertaald werd door chasse aux chômeurs, steeds stond de PS in de weg van de uitvoering van een beleid waar Vlaanderen het in grote lijnen over eens was. Nu zullen pakweg ABVV, ACW of Groen! het er allerminst mee eens zijn dat hierover een ‘Vlaamse’ consensus bestaat, maar het groeide wel uit tot een dominante retoriek.
Dat de anti-PS-retoriek wel degelijk als één van de belangrijkste argumenten voor een toenemende autonomie van Vlaanderen werd voorgesteld, wordt treffend geïllustreerd door de verkiezingscampagne van de N-VA. Door middel van een gevarendriehoek met een strikje in werd de Vlaamse kiezer gewaarschuwd voor de boze man in het zuiden die Vlaanderen zou verst(r)ikken. In de N-VA-verkiezingsfolder lezen we op de voorpagina: ‘Knibbel, knabbel, knuisje … wie knabbelt aan het Vlaamse huisje?’ Het antwoord daarop wordt meteen duidelijk wanneer men de folder openslaat. ‘Met elke non knabbelt de PS aan de Vlaamse welvaart’, is de opvallende titel. Daaronder staat te lezen: ‘De PS van Di Rupo, de man met het strikje, domineert dit land. Al 8 jaar houdt de partij Verhofstadt in een wurggreep. Met één simpele non veegt die PS elke Vlaamse vraag van de Belgische regeringstafel. De gevolgen? Rammelende rekeningen, miljardentransfers richting Wallonië, een hoge belastingsdruk, gerechtelijke achterstand, gevangenisontsnappingen bij de vleet, een snel-Belg-wet, …’. Ook de verkiezingsspot die de N-VA mocht uitzenden op de openbare omroep was bijna geheel gewijd aan de man met het strikje. De PS had de spot op de Franstalige zenders moeten uitzenden, dan zou de partij er misschien minder zijn op achteruitgegaan. Bij andere partijen was het anti-PS-discours verre van zo virulent, maar men kon er evenzeer meer rationele analyses horen die dezelfde richting uitgingen.
Men zou dus verwachten dat een Vlaanderen dat zo gefixeerd is op Di Rupo, ook woorden te kort zou komen om de Franstalige resultaten te becommentariëren en zich erover te verheugen.

Toch lijkt dat niet meteen het geval. Dat separatistische partijen als Vlaams Belang en N-VA over de nederlaag van de PS zwijgen is verwonderlijk vanuit hun gevoerde discours, maar minder vanuit hun politieke ideologie. Voor hen is de staatshervorming - in tegenstelling tot wat ze soms beweren - geen middel maar een doel. Hun streefdoel is een onafhankelijk Vlaanderen en de PS een bruikbaar symbool om dit dichterbij te brengen. Dat ze zich niet meteen aan dezelfde kant van het ideologische spectrum bevinden als Di Rupo, speelt natuurlijk mee, maar als Wallonië plots rechtser zou kleuren dan Vlaanderen zouden deze partijen er niet minder separatistisch om worden. Hun gefoeter tegen de PS ten spijt, kunnen deze partijen in wezen niet gelukkig zijn met het verlies van Di Rupo. Eigenlijk zijn het objectieve bondgenoten.

Bij de niet-separatistische politici is de relatie tussen de PS en de staatshervorming in essentie omgekeerd. De kritiek op de PS is de oorzaak van hun vraag tot meer autonomie en niet zozeer het gevolg. Komt er een centrumrechtse regering, zou men bijgevolg niet mogen uitsluiten dat aan de verzuchtingen van deze ‘pragmatische’ staatshervormers deels tegemoet wordt gekomen zonder doorgedreven staatshervorming omdat op een aantal terreinen een ander beleid kan worden gevoerd.
Alvast MR-voorzitter Didier Reynders hoopt/anticipeert daar al op, getuige een door hem meermaals herhaalde uitspraak: de onttroning van de PS als grootste partij van Wallonië is een staatshervorming op zich. Het is dan ook geen toeval dat het bikkelharde discours van Reynders over de PS tijdens de kiescampagne bij momenten sterk deed denken aan het anti-PS-discours van bepaalde Vlaamse partijen en met name van het kartel van Yves Leterme.

Dave Sinardet
Redactielid en Politicoloog Universiteit Antwerpen

Noot
1/ Deschouwer, Kris, ‘Bestuurbaar België? Een politicologische exploratie’, in: Devos C. (red.) ‘Quo Vadis Belgica’, Gent, Academia Press, 2006.

verkiezingen - socialisme - politieke breuklijnen

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 6 (juni), pagina 17 tot 22