Abonneer Log in

Socialisme, ideologie en electoralisme

Wat nu met de sp.a?

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 24 tot 28

De sp.a leidt een verkiezingsnederlaag en meteen bericht de pers over een crisis van het socialisme. Eén week na de verkiezingen vat De Morgen drie boeken over het onderwerp samen.2 Akkoord, de sp.a heeft bij de federale verkiezingen van 2007 een stevig pak voor z’n broek gekregen. Maar er zijn tal van andere redenen die de verkiezingsnederlaag van de sp.a verklaren. En die hebben niets te maken met een mogelijke crisis van het socialisme, te beginnen met normale conjunctuurverschijnselen: de slijtageverschijnselen bij de sp.a na 18 jaar regeringsdeelname en het vervaalde profiel van de tweede paarse regering.
Zo zijn er nog wel een aantal ad hoc motieven, te veel om op te sommen. Het is wellicht het incidentele samengaan van al deze redenen die de omvang van de nederlaag van de sp.a bij de federale verkiezingen van 2007 verklaart. Of is er toch een algemene malaise van links? Hierna volgt een korte herbronning, die ons terugvoert naar de Verlichting.3

Het einde van het socialisme?

In een bijdrage voor Indymedia argumenteert Jan Blommaert dat er al jaren een systematische afkalving van links aan de gang is. Het electoraat van de sp.a is de laatste twintig jaar gehalveerd, is zijn analyse. En dat wordt slecht(s) verhuld door occasionele successen die te wijten zijn aan slimme marketing. De reden, volgens Blommaert, is dat de sp.a (en links in het algemeen) hun bestaansreden hebben opgegeven: ‘De socialisten hebben alles opgegeven wat ze hadden als verhaal: hun geschiedenis, hun traditie, hun cultuur, hun kritiek en hun analyse. Ze hebben dat allemaal ingeruild voor de troep die hen door reclamemakers wordt aangenaaid’.4
De analyse van Blommaert, die door velen wordt gedeeld, geeft stof tot nadenken. Maar ze is onvolledig en daardoor ongeldig. Uiteraard gebruikt de sp.a reclame. De partij telt zelfs reclamemensen onder haar meest prominente leden. De sp.a maakt gebruik van moderne communicatietechnieken en zolang ze daar op een kiese manier mee omgaat, is daar niets mis mee. Je kan moeilijk alleen je opponenten het gebruik van reclame gunnen. Rode gazetjes verkopen nu eenmaal niet meer.
Maar de analyse van Blommaert gaat een stap verder en stelt dat de sp.a zijn verhaal heeft opgeofferd aan de reclame. Akkoord, de Ja!-campagne van 2007 was niet de meest geslaagde. Maar werd de inhoud opgeofferd? Een kritiek op de Ja!-campagne is precies dat er te véél inhoud was. Deze campagne bracht simultaan niet minder dan zeven programmapunten naar voren en bovendien niet van de gemakkelijkste om uit te leggen aan de mensen.

Deze vaststelling lokt dan weer de kritiek uit dat de sp.a zich veel te veel richt op de (petite) bourgeoisie intellectuelle de gauche en (bijna) alle andere kiezers ziet overlopen naar andere partijen. Dan kiest de sp.a misschien beter voor campagnes zoals die van de charismatische Louis Tobback (‘stem voor ons of u bent uw pensioen kwijt’) of die van Steve Stevaert (‘stem voor ons, wij waarborgen u openbare dienstverlening’). Wellicht waren deze wat te populistisch naar de smaak van de modale intellectuel de gauche, maar ze waren wel verankerd in een herkenbare socialistische maatschappijvisie. Het grote verschil tussen de Ja!-campagne en de twee andere was dat er herkenbare, tastbare belangen in het spel waren en dat er toen bovendien door de spectaculaire opkomst van extreemrechts een duidelijk vijandbeeld was.

In dit licht is een ander element van verklaring voor de verkiezingsnederlaag van juni 2007 dat de sp.a zich, in tegenstelling tot eerdere verkiezingen, onvoldoende kon onderscheiden. Paars I had nog een duidelijke vijand, in de vorm van de CVP die van de macht moest worden verdreven. Er waren ook duidelijke inhoudelijke uitdagingen, niet in het minst op ethisch vlak. Maar met het oplossen van de grote ethische dossiers (homohuwelijk, euthanasie, abortus) verdween ook het ideologisch bindmiddel tussen socialisten en liberalen. Onder paars II bleven over: twee concurrerende sociaaleconomische beleidsvisies die elkaar neutraliseerden. De sp.a had wel acht jaar lang sociaal geïnspireerde oppositie gevoerd binnen de beslotenheid van de regering, maar zichtbaarheid en herkenbaarheid krijg je daar niet voor.
De sp.a had, als dam tegen rechts, bijgevolg aan geloofwaardigheid verloren. Bovendien was er een andere vijand op het toneel verschenen, deze keer niet in het tegenkamp maar aan de eigen zijde: de Parti Socialiste. Volgens de politieke opponenten was elke stem voor de sp.a meteen ook een stem in het voordeel van de corrupte en ondeskundige Parti Socialiste die, nog steeds volgens dezelfde bronnen, als voornaamste roeping had om te graaien in de Vlaamse vetpotten. Stemmen voor de sp.a werd plots stemmen voor de vijand, in plaats van ertegen.
Er zijn dus meer dan voldoende conjuncturele redenen om de smadelijke nederlaag van de sp.a te verklaren. Of is er toch meer aan de hand? De matige scores van de sociaaldemocraten in alle buurlanden doen toch vragen rijzen. Recent verschenen boeken spreken van een crisis van de sociaaldemocratie, die het steeds moeilijker krijgt om haar identiteit te vinden en te bewijzen. Of het nu in Frankrijk is na Jospin, of in België na Vande Lanotte, elke crisis in het socialistische kamp leidt onvermijdelijk tot de vraag: heeft het socialisme afgedaan?
De sociaaldemocratie is inderdaad een groot deel van haar oorspronkelijke electorale achterban kwijt geraakt. Een deel is ten prooi gevallen aan het poujadisme van (extreem) rechts. De rest van de historische achterban levert een te smalle basis om een travaillistische partij in stand te houden. De sp.a moet daarom al sinds jaren voor een veel meer gediversifieerd publiek werken.
Een verschuiving van de sp.a naar het politieke centrum zou hiervan een consequentie kunnen zijn. Maar dat recept is al uitgeprobeerd, ook door het liberale kamp en zonder veel succes. Bovendien hebben we daarvoor geen sp.a nodig. Als het socialisme nog een reden van bestaan heeft, moet het zich ter linkerzijde van het centrum profileren. Als de sp.a bovendien ambities heeft als regeringspartij, moet het dat doen met een boodschap die meer dan 20% van het electoraat aanspreekt.
Dit stelt een semantisch én substantieel probleem. Hoe formuleer je een boodschap waarmee de partij zich duidelijk profileert ter linkerzijde én tegelijk een sociaal en economisch bijzonder gediversifieerd electoraat aanspreekt. Zelfs voor ervaren reclamejongens is dit een moeilijke opdracht, tenminste bij gebrek aan een duidelijk herkenbare identiteit. Maar bestaat die identiteit nog? Een manier om deze vraag te beantwoorden, is terug te keren naar de fundamenten van het socialisme en ons af te vragen: wat blijft er over van de oorspronkelijke beweegredenen van het socialisme en hoe vullen we die op een actuele manier in?

Vaarwel klassenbewustzijn

De historische raison d’être van het socialisme is de sociale ongelijkheid die in stand gehouden werd door het 19de eeuwse kapitalisme. Maar inmiddels is het algemene welvaartspeil significant toegenomen en de arbeiderspopulatie drastisch afgenomen. Toch ligt de strijd tegen economische ongelijkheid nog steeds aan de basis van het moderne socialisme. Ook in de huidige sp.a beginselverklaring is het bieden van ‘gelijke kansen voor iedereen’ het centrale uitgangspunt. Is dit nog steeds een actuele boodschap?
Uiteraard wel. Een meerderheid van de bevolking in de niet-geïndustrialiseerde wereld leeft in schrijnende armoede en ook in geïndustrialiseerde landen zijn er nog te veel mensen die uitgesloten worden van de beschikbare welvaart. Maar de vraag is of je met die boodschap verkiezingen wint? Het economische onbehagen van veel mensen in welvarende samenleving is niet zozeer ingegeven door hun welvaartsniveau in ‘absolute termen’ (hoeveel materiële welstand heb ik?) maar door hun relatieve welvaartsniveau (hoeveel heb ik minder dan een ander?). Mensen nemen gemiddeld dus vooral wie rijkers is dan zijzelf als referentiepunt en vergeten naar de anderen (om) te kijken.

Dit stelt de sp.a in electoraal opzicht voor een tweevoudig probleem. Enerzijds bestaat een deel van het electoraat van de sp.a uit mensen die geen direct belang hebben bij het gelijkekansenprincipe, omdat ze (via belastingen) relatief meer bijdragen aan de welvaartspot dat ze eruit ontvangen. Anderzijds steunt een groot deel van de bevolking de partij niet, terwijl het (via belastingen) het meeste uit de maatschappelijke pot ontvangt en dus wel direct belang heeft bij een sterke sp.a.
Een gedeeld materieel belang is met andere woorden niet langer het belangrijkste bindmiddel van het socialistische electoraat. Wat overblijft is een min of meer vaag rechtvaardigheidsgevoel. Maar is dat voldoende om op lange termijn een trouw electoraat bij elkaar te houden? Om dat effect te bereiken is een sterker bindmiddel nodig. Geen enkele sociale beweging, laat staan politieke partij, kan immers blijven bestaan zonder gemeenschappelijk idee over hoe maatschappelijke ontwikkelingen aangepakt moeten worden. Geen enkele sociale beweging kan met andere woorden voortbestaan zonder ideologie.
Maar de socialistische beweging in Europa lijkt vandaag vies te zijn van een uitgesproken ideologie - het woord alleen al - en houdt het liever bij een utilitair discours. Een mogelijke verklaring hiervoor is het doorprikken, in een niet zo ver verleden, van de socialistische utopie in Oost-Europa. De angst om een deel van het ‘grijze’ electoraat te schofferen door al te uitgesproken standpunten is een andere mogelijkheid. Maar wat is er in de plaats gekomen van het klassenbewustzijn van weleer om het groepsgevoel te versterken? De liberalen hebben het principe van de individuele vrijheid, de christendemocraten hebben hun verzoeningsidealen. En de socialisten?

Ideologisch profiel

De klassenstrijd is als concept én als realiteit achterhaald. Daarmee lijkt ook de ideologische ‘onderbouw’ van het socialisme verdwenen. Tenzij we verder terug in het verleden kijken. De morele oorsprong van het socialisme ligt namelijk in een nog verder verleden dan de 19de eeuwse industriële revolutie. Het berust op ideeën die veel universeler zijn dan die van de klassenstrijd. Daarvoor moeten we naar de 18de eeuwse periode van de Verlichting kijken. Pro memorie, de Verlichting was een beweging die zich afzette tegen religiositeit en traditionalisme. In de plaats daarvan kwamen rationalisme en vooruitgangsdenken. Hier situeert zich de oorsprong van de morele tolerantie en het progressivisme van zowel het socialisme als het liberalisme.
Het conservatisme van een groot deel van de christendemocratische politieke familie is geboren als tegenreactie. Conservatieve katholieken waren (en zijn) gericht op het behoud van traditionele, al dan niet kerkse, waarden en normen. Ze gingen daarmee in tegen het modernistische geweld van de Verlichting. De christendemocratie is evenwel, vooral na de industriële revolutie, op moreel en filosofisch vlak ook beïnvloed door de arbeidersbeweging en een ‘verlicht’ links christianisme (dat ook in de socialistische beweging zijn inbedding heeft gevonden). Hierdoor wordt de christendemocratie tot op vandaag gekenmerkt door een spanningsveld tussen conservatisme en progressisme. Vandaar ook het cruciale belang van het christelijke concept van verzoening als bindmiddel van deze beweging.
Onverbloemd en eenzijdig conservatisme vinden we vandaag vooral terug bij extreemrechts, in de vorm van een hang naar ‘verloren’ gegane waarden als gezagsgetrouwheid, orde en tucht gecombineerd met een hang naar culturele homogeniteit en samenhorigheid. Met de Britse socioloog Giddens kunnen we deze houding fundamentalistisch noemen. Het gaat, overigens net als bij moslimfundamentalisme, om een beweging die het moeilijk heeft om de consequenties van de moderniteit te aanvaarden. Daarom poogt ze waarden en normen te herstellen die in een (verondersteld) verleden de (veronderstelde) fundamenten van de samenleving vormden.5
Een andere variant van dit fundamentalisme vinden we overigens ook bij een fractie van de groene beweging. Bij deze fractie vinden we eveneens een streven naar gemeenschapsgevoel, al dan niet gecombineerd met een gevoel van religiositeit, maar dan in eenheid met de natuur. Deze bron van beïnvloeding verklaart waarom Groen! geen partij is ter linkerzijde maar ter rechterzijde van de sp.a.

Het verlichtingsproject, daarentegen, was gedreven door vooruitgangsdenken en gericht op individuele vrijheid. De Verlichting wou de mensen verlossen van het opprimerend sociale juk dat hen door de samenleving werd opgelegd. Maar tegelijk worstelden de verlichtingsfilosofen met het probleem dat mensen zichzelf enkel kunnen verwezenlijken in maatschappelijk verband.6 Hoe kan je je bevrijden van sociale druk als sociale organisatie tegelijk voorwaarde tot bevrijding is?
Het antwoord zit in de vraag, namelijk dat menselijke vrijheid, net als onderdrukking, de resultante is van maatschappelijke organisatie. Kunst is om het maatschappelijk verband zodanig te organiseren dat het de vrijheid van alle leden maximaliseert en niet de vrijheid van enkelen realiseert ten koste van alle anderen. Het socialistische primaat dat het collectieve belang boven het individuele belang stelt, vindt hier zijn oorsprong. Hierin staat het socialisme ook lijnrecht tegenover het liberalisme, dat enkel het vrijheidsideaal van de Verlichting heeft overgenomen (of tenminste de economische vertaling ervan). Progressisme is dus niet het enige en ook niet het belangrijkste kenmerk van het socialisme. Het socialisme is een emancipatorisch project, gericht is op maatschappelijke vernieuwing, met als doel het bieden van maximale kansen tot zelfontplooiing aan alle leden van een samenleving.

Tot slot

Wie een utilitair socialisme promoot, moet zich niet verbazen dat de kiezer utilitair stemt. Dat wil zeggen voor wie haar of hem op een gegeven moment het beste uitkomt. Het is daarom tijd dat de socialistische beweging de historische frustraties van zich aflegt en opkomt voor een duidelijk afgebakend en herkenbaar ideologisch project. Tegenover de fragmentatie van haar kiespubliek kan de socialistische partij enkel een duidelijkere ideologische profilering bieden, waardoor het zich duurzaam positioneert tegenover haar politieke opponenten.
De kiemen van dit profiel liggen in het eigen verleden, namelijk als een emancipatorisch project dat gericht is op het bieden van kansen tot zelfontplooiing aan alle leden van de samenleving. Het idee van ‘gelijke kansen voor iedereen’ is daarvan het residu. Het socialisme heeft zijn bronnen niet volledig verloochend. Maar het ontbeert een goed onderbouwd filosofisch betoog dat sterk genoeg is om haar disparate electoraat om te smeden tot een beweging. De emancipatiegedachte levert het hedendaagse socialisme nochtans een ideologische bindmiddel met een vrij universele waarde. Maar met een duidelijk profiel tegen individualisme, materialisme, escapisme, paternalisme, of erger...

Pascal Verhoest
Directeur beleidscel e-government, Ministerie van Werk

Noten
1/ Robinson Joan (1962), Economic Philosophy. New Brunswick, AldineTransaction
2/ De bloedeloosheid van links. In: De Morgen, 20 juni 2007.

3/ Met dank aan Luc Vanneste voor de opbouwende commentaar.
4/ Blommaert Jan (2007), De rechtse show. Indymedia, http://www.indymedia.be/en/node/12417
5/ Giddens Anthony (1990), The Consequences of Modernity. Cambridge, Polity Press.
6/ Garnham Nicholas (2000), Emancipation, the Media, and Modernity: Arguments About the Media and Social Theory. Oxford, Oxford University Press.

sp.a - socialisme - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 24 tot 28