Abonneer Log in

Het stakingsrecht op de helling?

Juridische analyse rechtszaak staking Zaventem

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 22

Op vrijdag 13 april 2007 ontstond een spontane staking bij de brandweer en het veiligheidspersoneel op de luchthaven van Zaventem. Hierdoor ontstond hinder voor de reizigers die op die drukke vrijdag voor het paasverlof op reis vertrokken of huiswaarts keerden. In de media kon de actie alvast op weinig sympathie rekenen. Direct na de actie kondigde een Limburgse advocaat aan dat hij een rechtszaak wou starten tegen de stakers namens de gedupeerde reizigers. Intussen blijkt hij de namen van de bewuste stakers te hebben achterhaald en wil hij in oktober een 40-tal vakbondsleden dagvaarden voor hun aandeel in de staking.

Hierbij een analyse van de verschillende juridische aspecten verbonden aan deze zaak. Uit deze analyse blijkt dat er geen reden is tot paniek, maar dat men toch waakzaam moet zijn. Het gevaar schuilt erin dat een burgerlijke rechter, die niet vertrouwd is met sociale verhoudingen, de opportuniteit van een staking zou gaan beoordelen en op die manier het stakingsrecht zelf zou uithollen. Dit gebeurde in het verleden reeds in kortgedingprocedures en procedures op eenzijdig verzoekschrift.

Achtergrond

Zonder te veel in detail te treden bleek een aanslepend conflict omtrent het functioneren van een directielid alsook in het slop geraakte collectieve onderhandelingen over o.a. looneisen aan de grondslag te liggen van de staking. Volgens de vakbonden was er in ieder geval meer aan de hand dan wat akkefietjes, zoals de pers beweerde. Volgens de directie van Brussels Airport Company (BAC) daarentegen was de staking een overdreven reactie die grote schade veroorzaakte voor de luchthaven, de reizigers en de luchtvaartmaatschappijen. Zij raamde de schade op méér dan 1 miljoen euro.
De vraag is overigens - waarover later meer - of de concrete omstandigheden hier eigenlijk veel belang hebben.

Het proces

Eind april liet een Limburgse advocaat, die zelf op die bewuste vrijdag een vlucht had geboekt, weten dat hij zinnens was een burgerlijke claim in te stellen tegen de stakers. Toen was er sprake van 200 reizigers die deze claim steunden. Van iedere staker zou een schadevergoeding van 2000 euro worden gevorderd.
Intussen hebben de plannen van de Limburgse advocaat verder vorm gekregen. Hij zou intussen al 600 reizigers gevonden hebben die de claim steunen (op de website van het bewuste advocatenkantoor kan men nog steeds ‘intekenen’, mits storting van 50 euro). Een 40-tal stakers mogen in de loop van oktober een dagvaarding verwachten. De advocaat blijkt de namen en adressen van de stakers te hebben achterhaald via een privédetective. Prof. em. Roger Blanpain, gekend specialist arbeidsrecht, geeft de claim een redelijke kans op slagen.
De advocaat wil een burgerlijke rechtsvordering voor de Rechtbank van Eerste Aanleg opstarten tegen iedere staker individueel.1 Dit veronderstelt het bewijs van het bestaan van schade, een fout en een oorzakelijk verband tussen de fout en de schade.
In deze bijdrage willen wij nagaan welke de verschillende aspecten zijn verbonden met de dagvaarding, de schade van de reizigers en de staking.

De dagvaarding

De advocaat verklaart zijn demarche om de stakers ieder individueel te dagvaarden, doordat de Belgische vakbonden geen rechtspersoonlijkheid hebben.
Nochtans was er vorig jaar nog een licht gelijkende zaak voor de burgerlijke rechtbank te Gent, waar de vakbondssecretarissen werden gedagvaard.2 In die zaak betrof het Gentse middenstanders die zich gedupeerd voelden door een staking bij De Lijn op de laatste dag van de Gentse feesten. De rechtbank erkende dat het in bepaalde gevallen mogelijk is de vertegenwoordigers van een feitelijke vereniging, zoals bijvoorbeeld een vakbond er één is, aan te spreken indien deze zich als vertegenwoordiger hebben opgeworpen en er aldus sprake is van een mandaat. In deze zaak oordeelde de rechtbank uiteindelijk, op grond van de feiten, dat er door middenstanders ‘geen bewijs werd geleverd dat de vakbondssecretarissen de mogelijkheid hadden om de staking te beïnvloeden, dat zij aangemerkt kunnen worden als gesprekspartner van de feitelijke vereniging of dat zij machtiging hadden gekregen tussen te komen in het collectief conflict’.
De persoonlijke dagvaarding van de stakers gaat ervan uit dat ieder van hen persoonlijk een fout heeft begaan. Hierop komen wij later terug.

Merkwaardig is ook dat de advocaat de namen van de stakers te weten kwam via een privédetective. Dit is ook redelijk uitzonderlijk. In het verleden gebeurde het bij collectieve conflicten (vooral bij stakingspiketten) wel eens dat een gerechtsdeurwaarder op pad werd gestuurd om bepaalde vaststellingen te doen. Maar de vraag is echter of de identificatie door de detective toelaatbaar is. Bevindingen van een detective hebben in het algemeen een bepaalde bewijswaarde, maar deze wordt door de rechtspraak omzichtig beoordeeld.

Een arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen vatte de huidige rechtspraak hierover als volgt samen: ‘Naar het oordeel van het Hof geldt een verslag van een privédetective als een begin van bewijs dat in aanmerking kan worden genomen wanneer het wordt aangevuld door andere bijgebrachte stukken. Dit geldt des te meer daar het beroep van privédetective thans een wettelijk geregeld beroep is op grond van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective, zoals appellante terecht opmerkt. Er kan derhalve niet worden beweerd dat detectiveverslagen noodzakelijkerwijze van enige bewijswaarde uitgesloten zijn, zoals oudere rechtspraak in het verleden oordeelde. Er bestaan evenwel grenzen aan de aanvaarding van detectiveverslagen als toelaatbaar bewijs. Een detectiveverslag kan niet als bewijs worden aanvaard wanneer het in strijd is met de wet van 19 juli 1991 zelf’.3
Er is echter één belangrijk aspect dat de Limburgse advocaat over het hoofd heeft gezien. Een detective moet binnen het wettelijk kader blijven dat voor zijn beroepsuitoefening geldt.4 Welnu, een belangrijk artikel van dit kader bepaalt een aantal elementen waarover een detective geen informatie mag inwinnen. De vakbondsovertuiging, en de uiting hiervan, vallen onder dit verbod.5
Op basis van deze bepaling was het ons inziens aan de detective verboden om over de stakers inlichtingen in te winnen, vermits dit juist wel informatie betreft over hun vakbondsovertuiging, minstens over de uitoefening ervan. Het is derhalve mogelijk om de bevindingen van de detective ontoelaatbaar te laten verklaren als bewijs door de rechtbank. Indien de rechtbank deze redenering volgt, is de kans klein dat er wel nog elementen zijn die toelaten tot identificatie over te gaan van wie er die dag gestaakt heeft.
Mogelijk kan het voor de gedagvaarde werknemers ook een goede piste zijn om de luchtvaartmaatschappijen in tussenkomst te dagvaarden teneinde hen eveneens in het geschil te betrekken.

De schade van de reizigers

Het lijkt ons niet de juiste piste om de schade te minimaliseren of banaliseren. Voor een aantal reizigers zal er waarschijnlijk aantoonbare materiële of andere schade ontstaan zijn door de staking. De vraag is alleen of hiervoor iemand moet opdraaien? En zo ja, wie?
De Europese Verordening over de passagiersrechten voorziet dat er geen vergoeding door de luchtvaartmaatschappij is verschuldigd bij uitzonderlijke omstandigheden.6 In het overwegende gedeelte wordt uitdrukkelijk naar stakingen verwezen als een uitzonderlijke omstandigheid.7 Hierdoor kunnen de reizigers de Europese Verordening niet hanteren als basis om hun schade te verhalen op de luchtvaartmaatschappij waarbij zij een vlucht hadden geboekt. Traditioneel worden stakingsacties overigens als overmacht aanzien.
Dit houdt echter niet in dat het vervoerscontract tussen de reizigers en de luchtvaartmaatschappij door de staking niet meer bestond. Ongetwijfeld zijn de meeste reizigers wel op hun bestemming geraakt, maar later dan voorzien. Mogelijk heeft de luchtvaartmaatschappij voor dit soort situaties zelfs een verzekering die de kosten terugbetaalt.

De staking

Het stakingsrecht is wel voorzien in een aantal internationale verdragen, maar is niet als dusdanig in het Belgisch recht wettelijk geregeld. Nochtans voorziet onze Grondwet wel een aantal grondrechten, waaronder het recht van vereniging en vergadering.8 Ook al heeft een Belgische rechtbank deze toetsing nog niet gedaan, toch geeft de Raad van State in een advies (18 mei 2006) aan dat deze Grondwetsartikelen ook zouden kunnen worden geïnterpreteerd als zouden zij eveneens het stakingsrecht omvatten.9

In ieder geval is het stakingsrecht uitdrukkelijk vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest en in het BUPO-verdrag (Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten).10 België heeft deze beide Verdragen goedgekeurd. Wél is het zo dat het Hof van Cassatie zich tot vandaag nog niet heeft uitgesproken of deze verdragsartikelen directe werking hebben, hetgeen inhoudt dat een burger er zich in een geschil op kan beroepen. Andere rechtsinstanties zoals de Raad van State11, het Arbitragehof12 en verschillende arbeidshoven13 deden dit wél en erkenden deze rechtstreekse werking.
Het Hof van Cassatie stelde in het befaamde arrest-Debruyne dat deelname aan een staking op zichzelf geen onrechtmatige daad uitmaakt. Het hoogste rechtscollege stelde het in de volgende bewoordingen: ‘Dat de wet van 19 augustus 1948 aldus de erkenning inhoudt van het recht van de werknemer om de contractueel bedongen arbeid wegens staking niet te verrichten en om derhalve, met afwijking van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, de door de arbeidsovereenkomst opgenomen verplichtingen niet ten uitvoer te brengen. Dat de deelname aan een staking op zichzelf dus geen onrechtmatige daad is. Overwegende dat voor het overige geen wetsbepaling de werknemer verbiedt deel te nemen aan een staking die niet door een representatieve vakorganisatie is erkend’.14

Beperkingen van het stakingsrecht zijn volgens de voornoemde verdragen maar mogelijk binnen duidelijke beperkingen. Zo verwijst het Europees Sociaal Handvest naar stakingsrecht bij belangengeschillen, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten.15 Zowel het Europees Sociaal Handvest als het BUPO-verdrag voorzien dat er geen beperkingen mogelijk zijn op de uitoefening van het stakingsrecht dan diegene ‘die bij wet voorzien zijn en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.’

Volgens de Raad van State16 moet de term ‘wet’ hier begrepen worden in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).17 Het moet daarbij niet gaan om een wet in de formele zin van het woord, maar wel om een regel uit het interne recht die voldoende duidelijk en voorzienbaar moet zijn.
Als wij teruggrijpen naar de conclusie van advocaat-generaal Lenaerts18 bij het eerder vermelde arrest van het Hof van Cassatie van 21 december 1981, dan is deze duidelijk aangaande de gevolgen van het ontbreken van een wettelijke regeling omtrent stakingen in België. Zo stelt hij: ‘Aldus worden, wat het recht betreft om de arbeid stop te zetten, alle stakingen op dezelfde voet geplaatst, zowel de wilde en ongeregelde als de erkende staking, zowel de politieke als de professionele staking. Als deze gelijkstelling bedenkelijk is, is zulks uitsluitend en alleen te wijten aan de inertie van de wetgevende macht die het nog steeds niet nodig heeft gevonden de uitoefening van het stakingsrecht te regelen met inachtneming van de rechtmatige belangen van alle betrokkenen, die niet alleen de stakende werknemers en de vakbonden zijn, maar ook de werkwilligen, het bedrijfsleven en vaak zelfs de ganse bevolking. Dat euvel kan de rechterlijke macht evenwel niet verhelpen. Deze kan alleen vaststellen dat in de huidige stand van de wetgeving de deelneming aan staking op zich zelf geen onrechtmatige daad is en dat voorts uit geen wetsbepaling enig verbod voor de werknemers voortvloeit om aan om het even welke staking deel te nemen.’

In voorliggende situatie is de fout die door de klagers aan de stakers wordt verweten, het organiseren en deelnemen aan de staking zélf. Dit is het verschil met andere rechtspraak waar het soms gaat over schermutselingen of beschadigingen in de marge van een staking of het tegenhouden van werkwilligen. De klagers beogen duidelijk een opportuniteitsoordeel over de staking te krijgen van de rechtbank.

In het kader van kortgedingprocedures of procedures op eenzijdig verzoekschrift gingen rechters in het verleden reeds over tot verregaande beoordelingen van de opportuniteit of proportionaliteit van een staking. Terecht maakte het European Committee of Social Rights van de Raad van Europa (het opvolgingscomité van het Europees Sociaal Handvest) zich hierover grote zorgen in haar verschillende jaarrapporten. Ook in haar laatste rapport oordeelde zij dat de beperkingen van het stakingsrecht die voortkomen uit de rechterlijke beslissingen de grenzen van hetgeen mogelijk is (op basis van het Europees Sociaal Handvest) duidelijk overschrijden.19 Ook in vorige rapporten was dit comité bijzonder streng voor België. In een eerder rapport stelde het comité onomwonden dat het niet toekwam aan een rechter om een opportuniteitsoordeel uit spreken over een staking.20 Het comité formuleerde het als volgt: ‘Malgré ces évolutions positives, le Comité considère que, sur le fonds, le problème de conformité à la Charte subsiste. Il fonde son évaluation sur le fait que le juge belge contrôle indirectement et à travers le comportement individuel abusif des grévistes le caractère raisonnable des revendications professionnelles. Il se prononce donc sur l’opportunité de la grève substituant ainsi son appréciation à celles des grévistes.’ De rapporten van dit comité hebben groot gezag. Zo verwijst het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in haar arresten herhaaldelijk naar de inhoud van deze rapporten.21

Ook het Franse Hof van Cassatie, dat toch vaak een inspiratiebron is voor ons hoogste rechtscollege, wees in het verleden een opportuniteitsoordeel van een staking af.22
In deze redenering schuilt een duidelijke logica. Er bestaat een individueel stakingsrecht voor iedere werknemer. Dan is het niet aan een rechter of eender wie om te beslissen of deze staking gerechtvaardigd was. Overeenkomstig de internationale regels kan enkel een wetgever (kan ook via een CAO, hetgeen een vorm van wet uitmaakt) bepaalde beperkingen opleggen aan het stakingsrecht.

Toch blijft waakzaamheid geboden. In een zaak die hangende is voor het Europees Hof van Justitie (EU) werd recent het advies van de Advocaat-Generaal bekendgemaakt.23 Deze zaak gaat over vakbondsacties van Zweedse vakbonden tegen een Litouws bedrijf dat in Zweden bouwwerken komt verrichten. Ook al oordeelt zij zelf dat collectieve acties mogen om een buitenlandse onderneming ertoe aan te zetten gelijkaardige loonbepalingen te aanvaarden als diegene die gelden voor plaatselijke bedrijven, toch stelt zij dat uiteindelijk de nationale rechter zal moeten oordelen over de proportionaliteit van de vakbondsacties. Vermits het om een prejudiciële vraag ging, is dit op zich logisch. Belangrijk is wel op te merken dat in Zweden er wél een wettelijk kader bestaat omtrent collectieve acties en dat er dus een toetsing mogelijk is van de wettelijk gestelde vereisten. Toch blijft het zorgwekkend hoezeer de Advocaat-Generaal in haar advies zich verdiept in de opportuniteitsvraag van de collectieve actie. Indien het deze richting is die de Europese Unie wil uitgaan met haar sociaal beleid, dan voorspelt dit weinig goeds. Tegen het einde van het jaar zou het Europees Hof zelf haar arrest vellen. Het Hof houdt vaak rekening met het advies van de Advocaat-Generaal zonder dit echter steeds te volgen.

Besluit

Uit voorgaande elementen blijkt dat de Limburgse advocaat misschien toch op een aantal punten wat voortvarend te werk is gegaan. Zo is het inschakelen van een privédetective om gegevens te laten ronselen over vakbondsleden hoogst bedenkelijk vanuit een wettelijk oogpunt en is de kans groot dat deze gegevens door een rechtbank zullen worden afgewezen. Doordat het stakingsrecht ingevolge internationale verdragen een recht is voor iedere werknemer, bevindt men zich op een gevaarlijk hellend vlak indien rechters de opportuniteit van een staking gaan beoordelen. Uiteraard is het in een rechtsstaat aan de rechters om te oordelen, maar het belooft alvast een boeiende rechtszaak te worden. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Dylan Casaer
Advocaat Balie Brussel en voormalig kamerlid sp.a

Noten
1/ Hij baseert zich hiervoor op art. 1382 Burg. Wb. Art. 1382 Burg. Wb luidt letterlijk : ‘Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.’
2/ Rb. Gent, 15 mei 2006, R.W., 2006-07, 1772
3/ Antwerpen, 27 juni 2005, R.W., 2005-2006, 1507
4/ Wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective.
5/ Artikel 7 luidt als volgt : ‘Het is de privédetective verboden betreffende de personen die het voorwerp zijn van zijn beroepsactiviteiten, informatie in te winnen omtrent de politieke, godsdienstige, filosofische of vakbondsovertuiging en omtrent de uiting van die overtuiging (of omtrent het lidmaatschap van een ziekenfonds).’
6/ Artikel 5.3 van de Europese Verordening nr. 261/2004 (11 februari 2004).
7/ Considerans 14 van voornoemde Verordening
8/ Artikelen 26 en 27 van de Grondwet
9/ Advies Raad van State nr. 39.942 over het Wetsvoorstel tot waarborging van een minimumdienstverlening in het raam van opdrachten van openbare dienst en taken van algemeen belang. Dit advies verwijst ook naar twee arresten van het Arbitragehof (nr. 147/2005 en nr. 199/2005) waarbij het Hof grondwetsartikels als één geheel aanziet met een internationale verdragsbepaling. In dit geval zou dit dan art. 11 EVRM zijn, waarvan auteurs en het Europese Hof voor de Mensenrechten aannemen dat het ook impliciet het stakingsrecht beschermt.
10/ Artikel 6, 4° van het herziene Europees Sociaal Handvest en Artikel 8, lid 1, d) van het BUPO-verdrag.
11/ Arrest Raad van State van 22 maart 1995, zaak nr. 52.424; idem arrest van 3 december 2002
12/ Arbitragehof arrest nr. 42/2000 van 6 april 2000
13/ zie bijv. Arbh. Antwerpen, 27 mei 1988, R.W., 1988-89, 408
14/ Cass., 21 dec. 1981, R.W., 1981-82, 2525
15/ Artikel 6 Europees Sociaal Handvest
16/ Advies nr. 39.942
17/ Art. 11, lid 2 EVRM
18/ eveneens gepubliceerd in R.W., 1981-82, 2527
19/ XVIII-1 rapport 2006
20/ XVII-1 rapport 2003
21/ Arrest van EHRM van 27 februari 2007, nr. 11002/05, Case of Associated Society of Locomotive Engineers & Firemen (ASLEF) vs. the United Kingdom
22/ Arresten van 2 juni 1992 en 19 oktober 1994 waarin werd gesteld: ‘que le juge ne peut pas sans porter atteinte au libre exercice d’un droit constitutionnellement reconnu substituer son appréciation à celle des grévistes sur la légitimité ou le bien fondé de ces revendications’.
23/ Zaak C-341/05, Laval & Partners vs. Svenska Byggnardsarbeareförbundet and Svenska Elektrikerförbundet, Advies van 23 mei 2007 van Mengozzi

stakingsrecht - luchthaven - rechtspraak

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 22